De jeugdbeschermer wordt verweten dat zij geen plan van aanpak heeft opgesteld en dat zij de zoon zonder toestemming van de moeder, dan wel via vervangende toestemming op een zorgboerderij heeft geplaatst.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter,
mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot,
mevrouw J.A. Pires, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdbeschermer bij [GI] te [plaatsnaam], hierna te noemen: GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. S. Dik, werkzaam bij DAS te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 13 augustus 2018;

– de aanvulling op het klaagschrift, ontvangen op 25 augustus 2018;

– het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 10 oktober 2018;

– de productie afkomstig van beklaagde als aanvulling op het verweerschrift, ontvangen op 30 november 2018;

– de productie afkomstig van klaagster als reactie op de aanvulling van beklaagde, ontvangen op 11 december 2018.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 13 december 2018 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigde.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is de moeder van een zoon, geboren in 2008, hierna te noemen: de zoon. Klaagster oefent het eenhoofdig ouderlijk gezag uit over de zoon.

2.2

Sinds 2015 is [naam Samenwerkingsverband], Samenwerkingsverband Passend Onderwijs, hierna te noemen: SWV, betrokken bij het onderwijs aan de zoon.

2.3

De zoon is op 15 april 2016 door de kinderrechter onder toezicht gesteld van de GI. De zoon is eveneens door de kinderrechter uithuisgeplaatst in een voorziening voor pleegzorg. Op 6 juni 2017 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengd tot 15 juli 2018 en de maatregel van uithuisplaatsing verlengd tot 15 januari 2018. Bij beschikking van 25 april 2018 is de machtiging tot uithuisplaatsing van de zoon in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 15 juli 2018.

2.4

Vanaf april 2016 verblijft de zoon in een pleeggezin. Vanaf mei 2016 is er één uur in de twee weken omgang tussen klaagster en de zoon, onder begeleiding van een pleegzorgwerker.

2.5

Beklaagde is werkzaam als jeugdbeschermer bij de GI en is vanaf 1 augustus 2017 tot 24 juni 2018 betrokken geweest bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de zoon.

2.6

De zoon is van 29 augustus 2017 tot 11 oktober 2017 bij het [naam ziekenhuis], hierna te noemen: ziekenhuis, op de afdeling [afdelingsnaam] geweest in verband met gedragsproblematiek. De zoon bezocht gedurende zijn verblijf de bij het ziekenhuis aangesloten [naam school], hierna te noemen: de school.

2.7

Op 13 november 2017 is de zoon geplaatst op zorgboerderij [naam zorgboerderij], hierna te noemen: de zorgboerderij. De zorgboerderij biedt dagbesteding voor jongeren en volwassenen en een logeeropvang voor jeugdigen van vrijdag- tot zondagmiddag.

2.8

Vanaf het moment van plaatsing op de zorgboerderij houden de school en het SWV zich, samen met de GI, bezig met het onderwijs dat de zoon op de zorgboerderij geboden kan worden.

2.9

Beklaagde is geregistreerd bij het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Van 2013 tot september 2018 was beklaagde geregistreerd in de kamer voor de jeugdzorgwerkers. Vanaf september 2018 is beklaagde geregistreerd in de kamer voor de jeugd- en gezinsprofessionals.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Klaagster heeft zeven klachtonderdelen tegen beklaagde ingediend. Per klachtonderdeel heeft klaagster verschillende voorbeelden aangevoerd. Samengevat verwijt klaagster beklaagde dat er geen Plan van Aanpak is opgesteld, dat er geen passende onderwijssetting voor de zoon is geregeld, dat de zoon zonder toestemming van klaagster, dan wel vervangende toestemming van de rechtbank, op een zorgboerderij is geplaatst, dat de omgangsregeling is gesaboteerd, dat de zoon basisbehoeften ontbeert, dat klaagster buiten spel is gezet, dat de zoon is ingezet door beklaagde en het pleeggezin in de strijd die beklaagde met klaagster voert en dat de rechtbank onjuist is voorgelicht.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Klaagster verwijt beklaagde dat er tot op heden nog steeds geen nieuw Plan van Aanpak ligt.

3.2.2

Toelichting:
Op 6 juni 2017 is er een uitspraak geweest van de rechtbank over de verlenging van de ondertoezichtstelling tot 15 juli 2018. Klaagster verwijst in dit verband naar artikel 4.1.3 van de Jeugdwet; zes weken na de beschikking van 6 juni 2017, dat wil zeggen op 18 juli 2017, had de GI een Plan van Aanpak moeten overleggen. Ook beklaagde heeft, nadat zij in juli 2017 de casus heeft overgenomen, geen Plan van Aanpak overgelegd. Klaagster heeft op eigen initiatief een Familiegroepsplan opgesteld. Tot klaagsters teleurstelling heeft de GI hier niet op gereageerd. Nu er geen Plan van Aanpak en geen doelstelling ligt, kan de ondertoezichtstelling onbeperkt verlengd worden. Inmiddels is de ondertoezichtstelling ook opnieuw uitgesproken.

3.2.3

Beklaagde voert aan dat zij vanaf 1 augustus 2017 bij de casus betrokken is geraakt. Zij heeft het Gezinsplan voor het eerst geactualiseerd op 25 augustus 2017. Het geactualiseerde Gezinsplan heeft beklaagde per post aan klaagster gestuurd. Het Familiegroepsplan van klaagster is door de voorganger van beklaagde geïntegreerd in het Gezinsplan. Beklaagde verwijst in dit verband naar pagina 4 van het Gezinsplan. De laatste actualisering van het Gezinsplan heeft beklaagde in mei 2018 uitgevoerd. Naar het oordeel van beklaagde waren de daarin vervatte doelstellingen nog steeds actueel. Anders dan klaagster mogelijk denkt, wordt er niet telkens een nieuw plan opgesteld, maar wordt het bestaande Gezinsplan – waar nodig – geactualiseerd. Aan de in het Gezinsplan vermelde doelen is ook steeds gewerkt, voor zover mogelijk gezien de strijdende houding van klaagster.

3.2.4

Voor het College staat vast dat klaagster op 15 februari 2017 een Familiegroepsplan heeft gemaakt. Vast staat ook dat er door de GI een Gezinsplan is opgesteld. De stelling van klaagster dat er geen Plan van Aanpak ligt, kan het College dan ook niet volgen. Beklaagde heeft onweersproken gesteld dat het bestaande Gezinsplan tussentijds steeds is geactualiseerd en dat alle geactualiseerde versies aan klaagster zijn toegestuurd. Dat klaagster deze geactualiseerde versies niet ontvangen heeft, zoals zij tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft verklaard, acht het College niet waarschijnlijk. Gezien de betrouwbaarheid van de postbezorging mag in beginsel aangenomen worden dat een schrijven de geadresseerde zal bereiken. Het College overweegt voorts dat een Gezinsplan in principe samen met de ouder wordt opgesteld. Beklaagde heeft echter onweersproken gesteld dat het niet eenvoudig was om met klaagster in gesprek te gaan. Dat ziet het College ook terug in het dossier, onder bijlage 3 van het verweerschrift. Deze bijlage omvat diverse e-mailberichten waarin beklaagde klaagster uitnodigt voor gesprekken, als ook
e-mailberichten waaruit blijkt dat klaagster niet altijd op deze uitnodigingen is ingegaan. Deze gang van zaken volgt eveneens uit het genoemde Gezinsplan. Het College kan zich voorstellen dat het in deze situatie niet eenvoudig is om samen met klaagster het Gezinsplan op te stellen en de voortgang te betrachten. Gelet op de taak die op beklaagde rust en in het belang van de zoon heeft zij er daarom kennelijk voor gekozen het Gezinsplan zonder klaagster te actualiseren. Het College acht de handelswijze van beklaagde navolgbaar. Het College waardeert dat beklaagde ter zitting heeft opgemerkt dat het beter was geweest na de kinderbeschermingsmaatregel een geheel nieuw plan neer te leggen in plaats van het bestaande Gezinsplan tussentijds aan te passen, zo ook dat zij heeft aangegeven dat zij meer haar best had kunnen doen om klaagster te doen overwegen het Gezinsplan te ondertekenen. Desondanks ziet het College in de klacht onvoldoende grond om tot een tuchtrechtelijk verwijt te komen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van beklaagde beter had gekund, maar of zij gebleven is binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

3.2.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Klaagster stelt dat de GI in strijd heeft gehandeld met artikel A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

3.3.2

Toelichting:
Het ziekenhuis heeft geconstateerd dat de zoon geen ontwikkelingsproblematiek heeft en de school heeft onderwijs met zorgondersteuning als advies gegeven voor de zoon. De GI negeert de conclusie van het ziekenhuis en houdt vast aan het weerlegde rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), waardoor de zoon geen onderwijs meer krijgt. Onder andere het SWV heeft aangegeven dat deze situatie een lose-lose uitkomst oplevert.

3.3.3

Beklaagde voert aan dat de zoon zes weken in het ziekenhuis heeft doorgebracht voor observatie en onderzoek. Tijdens dit verblijf heeft de zoon de school bezocht, welke verbonden is aan het ziekenhuis en aan [naam GGZ-instelling]. Beklaagde erkent dat de school inderdaad een school heeft geadviseerd, die een zorg-onderwijsarrangement kan bieden. Dit advies is door de school neergelegd in het ontwikkelingsperspectiefplan. Op 11 oktober 2017 is beklaagde op uitnodiging van de directeur van het SWV mee geweest naar een gesprek met de directeur van de school. Tijdens dit gesprek is het advies gegeven voor de zoon een plek te vinden waar hij overdag zou kunnen verblijven en vanuit waar hij een paar momenten per dag, passend bij wat hij op dat moment aan kan, onderwijs zou kunnen volgen. Op basis daarvan is gekeken of er een mogelijkheid bestond om de zoon op korte termijn te plaatsen bij [instelling], die dergelijke voorzieningen biedt. [instelling] had geen plek. Beklaagde heeft vervolgens verder gezocht naar een beschikbare passende plek voor de zoon en contact opgenomen met de leerplichtambtenaar. De leerplichtambtenaar adviseerde de zorgboerderij. In overleg met de directeur van het SWV zou het onderwijs zo naar de zoon toe komen. Op 13 november 2017 is de zoon op de zorgboerderij geplaatst en in februari 2018 is daar onderwijs gestart.

3.3.4

Het College stelt vast dat klaagster in dit klachtonderdeel de GI verwijt de conclusie van het ziekenhuis genegeerd te hebben en vastgehouden te hebben aan het – in de ogen van klaagster weerlegde – rapport van het NIFP. Derhalve richt klaagster zich in dit klachtonderdeel tot de GI en niet tot beklaagde. Het College is echter uitsluitend bevoegd het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional, in dit geval beklaagde, aan de algemene tuchtnorm te toetsen. Het College is niet bevoegd om klachten te toetsen, die gericht zijn tegen een instelling.

3.3.5

Het College verklaart klaagster niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Klaagster stelt dat beklaagde in strijd heeft gehandeld met de artikelen D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

3.4.2

Toelichting:
Klaagster oefent het eenhoofdig ouderlijk gezag uit over de zoon, maar wordt door beklaagde herhaaldelijk buiten spel gezet. Klaagster geeft drie voorbeelden. Allereerst heeft beklaagde de zoon zonder toestemming van klaagster, noch via vervangende toestemming van de rechtbank op de zorgboerderij geplaatst. Klaagster stelt dat dit haaks staat op het advies van de school, die een school met ondersteuning adviseerde. Ten tweede heeft er op 11 oktober 2017 een bespreking plaatsgevonden waar beklaagde bij aanwezig was. Beklaagde heeft klaagster hier niet over ingelicht, waardoor haar informatie is onthouden. Tot slot weigert beklaagde openheid van zaken te geven aangaande de onrechtmatige plaatsing van de zoon op de zorgboerderij, ondanks het verzoek van het SWV en de advocaat van klaagster.

3.4.3

Beklaagde stelt dat zij geen toestemming van klaagster nodig had om de zoon op de zorgboerderij te plaatsen. Het was noodzakelijk voor de zoon om een vorm van dagbesteding te krijgen waarbij hij tevens, binnen zijn mogelijkheden onderwijs zou volgen, om te voorkomen dat hij thuis bij het pleeggezin zou zitten. Het betrof een geheime plaatsing op de zorgboerderij, omdat er reële angst bestond dat klaagster haar zoon zou opzoeken of mee zou nemen. Om die reden is de locatie van de dagbesteding niet kenbaar gemaakt aan klaagster. Klaagster is wel direct geïnformeerd dat de zoon op een zorgboerderij was geplaatst. Beklaagde is van mening dat van een onrechtmatige plaatsing derhalve geen sprake is. De bespreking op 11 oktober 2017 op de school vond plaats op initiatief en uitnodiging van de directeur van het SWV. Beklaagde heeft gehoor gegeven aan deze uitnodiging in het belang van de zoon.

3.4.4

Het College overweegt dat het eerste en het derde voorbeeld van klaagster in dit klachtonderdeel in elkaars verlengde liggen en behandelt ze daarom in samenhang. In beide voorbeelden gaat het om de onrechtmatige plaatsing van de zoon op de zorgboerderij zonder toestemming van klaagster en de weigering van beklaagde hier openheid over te geven. Alhoewel beklaagde in haar verweer niet alleen ingaat op de – in de ogen van klaagster – ‘onrechtmatige plaatsing’ van de zoon op de zorgboerderij, maar ook verklaart dat het een ‘geheime plaatsing’ betrof, laat het College dit aspect buiten beschouwing. Het College beoordeelt alleen de klacht van klaagster dat de plaatsing van de zoon op de zorgboerderij onrechtmatig was. Dat de plaatsing ook geheim was, vormt daarvan geen onderdeel. Ten aanzien van de klacht over de onrechtmatige plaatsing van de zoon op de zorgboerderij, overweegt het College als volgt. Vast staat dat de zoon, nadat de opname bij het ziekenhuis was gestopt, op 11 oktober 2017 terug is gegaan naar het pleeggezin zonder dat er sprake was van dagbesteding. Uit het verweer, als ook uit het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht is het College gebleken dat de zoon regulier onderwijs niet aankon en dat ook speciaal onderwijs voor hem niet passend was. Het College overweegt dat beklaagde vervolgens het nodige in het werk heeft gesteld om onderwijs te regelen, dat op dat moment het beste bij de zoon aansloot. Toen [instelling] geen plek kon bieden, is in overleg met de leerplichtambtenaar de zorgboerderij gevonden. Daar werd aan de zoon dagbesteding geboden met onderwijs op afroep voor een aantal uren per week. Het College overweegt dat nu er een machtiging uithuisplaatsing ligt, beklaagde namens de GI als de uitvoerder van deze kinderbeschermingsmaatregel, mocht bepalen dat de zoon geplaatst wordt op de zorgboerderij. Toestemming van klaagster, ook al is zij ouder met gezag, is daarvoor niet noodzakelijk. Het College overweegt dat een ouder met gezag wel geïnformeerd moet worden. Nu beklaagde op 3 november 2017 een e-mailbericht aan klaagster heeft gestuurd met de mededeling dat er een goede plek voor de zoon is gevonden, heeft beklaagde naar het oordeel van het College aan haar informatieplicht voldaan. Bovendien heeft beklaagde onweersproken gesteld dat zij dit intern heeft afgestemd met de jurist van de GI. Dat klaagster stelt dat plaatsing op de zorgboerderij haaks staat op het advies van de school, volgt het College niet. De school heeft een zorg-onderwijsarrangement geadviseerd en daar heeft beklaagde zoveel als mogelijk bij aangehaakt.

Het tweede voorbeeld van klaagster betreft haar klacht dat beklaagde een gesprek heeft gehad op de school van de zoon op 11 oktober 2017 om te spreken over onderwijs voor de zoon, zonder dat zij klaagster hierover heeft ingelicht. Vast staat dat beklaagde hiervoor is uitgenodigd door de directeur van het SWV. Het College overweegt dat artikel 7.3.4 lid 1 van de Jeugdwet niet vereist dat beklaagde toestemming nodig had van klaagster om in te gaan op deze uitnodiging. Wel dient beklaagde klaagster hierover te informeren. Doordat beklaagde klaagster direct op 11 oktober 2017 per e-mail heeft laten weten dat er een gesprek over het onderwijs van de zoon heeft plaatsgevonden, heeft zij volgens het College voldoende voldaan aan haar informatieplicht. Het College overweegt dat beklaagde zich hier wel meer had kunnen inspannen door vooraf met de directeur van het SWV af te stemmen over de wijze waarop klaagster betrokken had kunnen worden. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft beklaagde gereflecteerd op haar handelen en in lijn met de overweging van het College verklaard dat zij klaagster hier meer in mee had kunnen nemen. Het College is van oordeel dat beklaagde in dit kader niet buiten de grenzen van een redelijk handelend professional is getreden.

3.4.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij niet in overeenstemming heeft gehandeld met artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

3.5.2

Toelichting:
Als gevolg van hetgeen klaagster beklaagde heeft verweten onder klachtonderdeel III (niet informeren), is er ook geen overleg geweest voor instemming of overeenstemming over de hulp- en dienstverlening. Beklaagde eigent zichzelf bevoegdheden toe waardoor zij klaagster, als ouder, buiten spel heeft gezet en geen passende onderwijssetting heeft geregeld.

3.5.3

Beklaagde voert het volgende aan. De beslissing om de plaatsing van de zoon op de zorgboerderij geheim te houden, is in overleg met, en op advies van, het team van beklaagde genomen. De geheimhouding werd in het belang van de zoon geacht. Er waren vermoedens dat klaagster, ten tijde dat de zoon in het ziekenhuis verbleef, de zoon opzocht en bij het ziekenhuis stond te posten. Beklaagde was wel degelijk bevoegd tot het nemen van deze beslissing.

3.5.4

Het College heeft de stelling van klaagster dat er geen overleg is geweest om te komen tot instemming of overeenstemming over de hulp- en dienstverlening niet kunnen vaststellen. Hetzelfde geldt voor de stelling dat beklaagde zich bevoegdheden heeft toegeëigend waardoor klaagster buiten spel is gezet en er geen passende onderwijssetting voor de zoon is geregeld. Het College overweegt dat klaagster geen stukken heeft overgelegd waaruit haar stellingen blijken. Beklaagde heeft in haar verweer zelf invulling gegeven aan de (korte) klacht van klaagster. Nu echter het klachtonderdeel door klaagster niet is onderbouwd, acht het College zich genoodzaakt om de klacht buiten beschouwing te laten.

Ten overvloede meent het College te moeten opmerken dat uit het dossier, als ook uit het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht gebleken is dat beklaagde zich voldoende heeft ingezet om met klaagster in contact te zijn, dan wel te komen.

3.5.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.6 Klachtonderdeel V

3.6.1

Klaagster stelt dat beklaagde in strijd heeft gehandeld met artikel K (Vermoeden kindermishandeling) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

3.6.2

Toelichting:

Klaagster somt in haar klaagschrift drie voorbeelden op waaruit volgens haar blijkt dat beklaagde niet conform artikel K (Vermoeden kindermishandeling) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker gehandeld heeft. Volgens klaagster heeft beklaagde allereerst uit naam van haar functie de omgang tussen klaagster en de zoon gesaboteerd en weigert zij de zoon medische behandelingen. Als tweede voorbeeld noemt klaagster dat uit het verslag van [instelling 2], een instelling voor speciaal onderwijs en jeugd- en opvoedhulp, blijkt dat beklaagde en het pleeggezin gezamenlijk de zoon inzetten in de strijd die beklaagde voert tegen klaagster. Tot slot ontbreekt het de zoon aan de basisbehoeften zoals onderwijs, passende kleding en uiterlijke en medische verzorging. Het pleeggezin is na onderzoek van Veilig Thuis aangemerkt als schadelijk voor de ontwikkeling van de zoon. Klaagster betreurt het dat hier door de GI geen actie op ondernomen is. De melding bij Veilig Thuis is tijdens een zitting tegen klaagster gebruikt door de GI en het pleeggezin.

3.6.3

Beklaagde herkent zich niet in de geschetste voorbeelden en betwist dit dan ook nadrukkelijk. Voor de uitgevoerde medische handelingen verwijst beklaagde naar het Gezinsplan. Voor wat betreft het tweede voorbeeld, dat beklaagde samen met het pleeggezin de zoon inzetten in de strijd die beklaagde voert tegen klaagster, betwist beklaagde dat dit het geval is. Dat is ook niet terug te vinden in het verslag van [instelling 2]. Met betrekking tot het laatste voorbeeld is beklaagde niets bekend van een onderzoek van Veilig Thuis naar de veiligheid van het pleeggezin en de conclusie dat het gezin schadelijk zou zijn. Het document dat klaagster bij het klaagschrift heeft gevoegd, betreft een melding bij Veilig Thuis die door Veilig Thuis als niet passend is gekwalificeerd. Veilig Thuis heeft de melding vervolgens doorgestuurd naar de GI. Deze meldingen dateren van 11 juli 2017, derhalve van voordat beklaagde bij deze casus betrokken raakte. Ten overvloede wijst beklaagde erop dat blijkens het Gezinsplan haar voorganger klaagster naar aanleiding van de meldingen bij Veilig Thuis heeft uitgenodigd voor een gesprek. Klaagster heeft toen te kennen gegeven niet over deze meldingen in gesprek te willen gaan en is niet verschenen. Tot slot wijst beklaagde erop dat [instelling 3] de betrokken pleegzorginstelling is. Vanuit [instelling 3] vindt begeleiding aan, en monitoring van, het pleeggezin plaats. [instelling 3] bezoekt het pleeggezin ongeveer eens per zes weken en maakt periodieke pleegzorgverslagen. Beklaagde heeft vanuit [instelling 3] geen signalen ontvangen dat er problemen zouden zijn in het pleeggezin.

3.6.4

Het College heeft niet, zoals door klaagster gesteld, kunnen vaststellen dat beklaagde niet gehandeld heeft conform artikel K, dat gaat over een vermoeden van kindermishandeling. Niet is gebleken dat beklaagde uit naam van haar functie de omgang tussen klaagster en haar zoon gesaboteerd zou hebben, dan wel medische behandelingen geweigerd heeft. Voor het College blijkt uit de overgelegde stukken ten aanzien van de medische behandelingen juist het tegenovergestelde. Er is breed ingezet op medische behandeling van de zoon, waar juist klaagster niet altijd toestemming voor heeft willen geven. Daarnaast is het College uit het eindverslag van [instelling 2] geenszins gebleken dat beklaagde en het pleeggezin gezamenlijk de zoon inzetten in de strijd die beklaagde – in de ogen van klaagster – met klaagster voert. Klaagster heeft deze stellingen niet onderbouwd en het College veronderstelt dat klaagster hier een andere beleving heeft. Dat de zoon vanuit het pleeggezin en jeugdzorg een verbod opgelegd heeft gekregen om te praten over zijn huidige leven, betreft geen conclusie van [instelling 2], maar is een reactie van klaagster, opgetekend op pagina 8 van het eindverslag van [instelling 2] en is ter zitting door beklaagde nadrukkelijk betwist. Tot slot is ook het laatste voorbeeld van klaagster dat het de zoon ontbreekt aan basisbehoeften bij het pleeggezin niet komen vast te staan.

Ten aanzien van de opmerking van klaagster dat de melding van Veilig Thuis is gebruikt tijdens een zitting tegen klaagster merkt het College het volgende op. Uit het Gezinsplan, als ook uit een e-mailbericht van beklaagde aan klaagster van 21 maart 2018 blijkt dat er een melding bij Veilig Thuis is gedaan door een betrokken kinderarts. Echter, niet is komen vast te staan dat deze melding tijdens een zitting gebruikt zou zijn tegen klaagster. Wel is het College gebleken dat beklaagde klaagster heeft uitgenodigd om over deze melding in gesprek te gaan. Voorts zijn er op 13 juli 2017 meldingen van een aantal particulieren binnengekomen bij twee vestigingen van Veilig Thuis. Na de triage zijn deze meldingen door Veilig Thuis niet passend bevonden, omdat het klachten betrof tegen het handelen van de GI en om die reden zijn de meldingen door Veilig Thuis overgedragen aan de GI. Ook ten aanzien van deze meldingen is het College niet gebleken dat deze gebruikt zijn tegen klaagster. Bovendien waren deze meldingen van 13 juli 2017 en derhalve van voor de periode dat beklaagde bij de casus betrokken was. Vast staat dat de voorgangster van beklaagde klaagster heeft uitgenodigd voor een gesprek hierover, waaraan klaagster geen gehoor heeft gegeven. Het College ziet in de klacht dan ook onvoldoende grond om tot een tuchtrechtelijk verwijt te komen.

3.6.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.7 Klachtonderdeel VI

3.7.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij niet in overeenstemming heeft gehandeld met artikel
O (Beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

3.7.2

Toelichting:

Een jeugdzorgwerker dient in overleg met de gezaghebbende ouder samen te werken ten behoeve van het belang van de minderjarige. Klaagster is van mening dat beklaagde haar eigen belang en machtsspel boven het belang van de zoon heeft gesteld. Naar het oordeel van klaagster heeft beklaagde haar beroep niet zorgvuldig uitgeoefend. Daarnaast is het klaagster gebleken dat beklaagde de rechtbank onjuist en onvolledig voorlicht, waardoor eventuele zittingen op voorhand onnodig negatief beïnvloed worden. Beklaagde onthoudt zich van haar verplichting tot waarheidsvinding en het naar feiten overleggen van informatie aan de rechtbank. Tot slot blijkt dat de omgangsregeling ondanks de toezegging in de beschikking vaak niet wordt uitgevoerd door beklaagde. Deze gemiste omgangsmomenten zijn tot op heden niet ingehaald. Naar het oordeel van klaagster werkt dit ouderverstoting en hechtings- en loyaliteitsconflicten in de hand.

3.7.3

Beklaagde voert het volgende aan. Met klaagster is beklaagde van mening dat de jeugdzorgwerker met de gezagsdragende ouder moet samenwerken in het belang van het onder toezicht gestelde en uit huis geplaatste kind. Helaas is gebleken dat, noch een eerdere GI, noch de voorganger van beklaagde, ondanks vele inspanningen, in staat is gebleken tot een constructieve samenwerking te komen met klaagster. Dit leidde tot vertraging in het hulpverleningstraject van de zoon. De organisatie heeft er toen voor gekozen de casus voor te leggen aan het Landelijk Expertise Team Jeugdbescherming, hierna te noemen: LET. Het LET heeft geadviseerd om te stoppen met het zoeken naar samenwerking met klaagster. Niettemin heeft beklaagde wel degelijk getracht om klaagster inhoudelijk voortdurend te betrekken bij, en te informeren over alle voor de zoon belangrijke beslissingen. Klaagster is daarbij veelvuldig uitgenodigd voor gesprekken op kantoor bij beklaagde, al dan niet in het bijzijn van haar vertrouwenspersonen of advocaten. Van deze uitnodigingen heeft klaagster minimaal gebruik gemaakt. Niet zelden heeft beklaagde tot haar spijt over moeten gaan tot het voor aankondigen en daadwerkelijk uitvaardigen van schriftelijke aanwijzingen. Beklaagde herkent zich voor wat betreft het overige niet in de aantijgingen van klaagster. Dat de omgang vaak niet zou worden uitgevoerd, betwist zij met nadruk. Op 13 augustus 2017 is de omgang één keer niet doorgegaan. De reden hiervoor was dat de omgang begeleid plaatsvond en dat er op die datum geen begeleiding beschikbaar was. Dit omgangsmoment is later ingehaald.

3.7.4

Het College heeft niet kunnen vaststellen, zoals klaagster stelt, dat beklaagde haar eigen belang en machtsspel boven het belang van de zoon heeft gesteld, dat zij haar beroep niet zorgvuldig heeft uitgeoefend en dat zij de rechtbank onjuist en onvolledig heeft voorgelicht. Klaagster heeft deze klachten onvoldoende onderbouwd. Voor zover er stukken zijn bijgevoegd door klaagster, bieden zij ontoereikend bewijs. Het College is van oordeel dat beklaagde juist steeds heeft getracht het belang van de zoon voorop te zetten. Ten aanzien van de omgang tussen klaagster en haar zoon overweegt het College dat door klaagster onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de omgangsregeling niet is nageleefd. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht is door beklaagde onweersproken naar voren gebracht dat er één omgangsmoment tussen klaagster en de zoon geen doorgang heeft gevonden. Daaraan lag ten grondslag dat een medewerker van de pleegzorginstelling, die de omgang begeleid, verhinderd was. Het College ziet in de klacht onvoldoende grond om tot een tuchtrechtelijk verwijt te komen.

3.7.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.8 Klachtonderdeel VII

3.8.1

Klaagster stelt dat beklaagde in strijd heeft gehandeld met artikel T (Schending vertrouwen in het beroep en de jeugdzorg door een collega) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

3.8.2

Toelichting:

Beklaagde heeft een collega de opdracht gegeven om te handelen zoals hij gedaan heeft. Een andere collega heeft in opdracht van beklaagde het e-mailbericht van 5 september 2017, inzake een afspraak voor vaccinatie van de zoon, gestuurd. Daarnaast heeft beklaagde recent het dossier overgedragen aan een collega die inmiddels tot twee keer toe niet heeft getoetst en derhalve de positie van klaagster als ouder heeft genegeerd.

3.8.3

Beklaagde voert aan dat dit klachtonderdeel niet feitelijk onderbouwd wordt en om die reden afgewezen dient te worden. Ten overvloede merkt beklaagde op dat zij op 5 september 2017 op vakantie was. Zij heeft haar collega derhalve geen opdracht gegeven, noch heeft zij opdracht gegeven om het e-mailbericht van 5 september 2017 aan klaagster te versturen. Haar collega nam waar tijdens haar vakantie en heeft aan een andere collega gevraagd de zoon te begeleiden tijdens de vaccinatie. Voor zover klaagster in dit klachtonderdeel klaagt over het handelen of nalaten van de opvolger van beklaagde dient klaagster niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3.8.4

Het College overweegt dat klaagster bij dit klachtonderdeel klaagt over collega’s van beklaagde. Het College toetst louter en alleen het beroepsmatig handelen van beklaagde. Het College is in deze procedure niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen te toetsen.

3.8.5

Het College verklaart klaagster niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel.

3.9 Conclusie

3.9.1

Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot de klachtonderdelen geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het College legt aan beklaagde geen maatregel op.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart de klachtonderdelen I, III, IV, V en VI ongegrond;
– verklaart klaagster niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen II en VII.

Aldus gedaan door het College en op 24 januari 2019 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder                                                                                             mevrouw mr. E.C.. Abbing
voorzitter                                                                                                                                  secretaris