Alle grieven van de jeugdprofessional falen. Desondanks ziet het College van Beroep aanleiding om de aan de jeugdprofessional opgelegde maatregel van voorwaardelijke schorsing in te trekken en de maatregel van berisping op te leggen, zonder openbaarmaking van deze maatregel.

Het College van Beroep heeft beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.P. van der Linden, voorzitter;
de heer mr. M.A. Stammes, lid-jurist;
de heer W.M.P. van Engelen, beroepsgenoot;
de heer E.A.J. Ouwerkerk, beroepsgenoot;
de heer H.G.A. van Schaik, beroepsgenoot;

in de zaak van:

[klager], klager in eerste aanleg, wonende te [plaats], hierna te noemen: de vader,

tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde in eerste aanleg, werkzaam als jeugdzorgwerker bij de gecertificeerde instelling [de GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.V. Verweij.

De vader wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. T.J. Kreeftenberg, advocaat te Eindhoven.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. A. Meijers, jurist.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:

– het (aangepaste) klaagschrift dat de vader op 12 november 2019 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– het verweerschrift dat de jeugdprofessional op 28 januari 2020 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 19.452Ta van 4 november 2020;
– het pro forma beroepschrift dat de jeugdprofessional op 4 december 2020 tegen voornoemde beslissing heeft ingediend;
– het aanvullende beroepschrift dat de jeugdprofessional op 28 januari 2021 heeft ingediend;
– het verweerschrift dat de vader op 7 april 2021 heeft ingediend;
– de door de jeugdprofessional tijdens de zitting overlegde pleitnota.

1.2 De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 21 juli 2021. Hierbij zijn aanwezig geweest: de vader en de jeugdprofessional, beiden vergezeld door hun gemachtigden.

2     De feiten

Het College van Beroep gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De vader is van maart 2009 tot en met december 2012 gehuwd geweest. Uit dit huwelijk is in 2009 een dochter geboren. Aanvankelijk waren de ouders gezamenlijk belast met het gezag over de dochter.

2.2 Op 29 december 2014 is de dochter onder toezicht gesteld van de GI. Op 2 maart 2017 heeft de kinderrechter een machtiging verleend om de dochter uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. De ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing zijn nadien telkens verlengd, maar zijn geëindigd op 23 april 2019.

2.3 De jeugdprofessional is namens de GI van 1 maart 2018 tot 23 april 2019 met de uitvoering van de ondertoezichtstelling over de dochter belast geweest.

2.4 Op 23 april 2019 is het gezamenlijk gezag van de ouders over de dochter beëindigd en is de GI benoemd als voogd over de dochter. Aan deze gezagsbeëindiging ligt ten grondslag dat de dochter de wens heeft om weer thuis te wonen, maar om dit kunnen realiseren dienen de ontwikkelingsbedreigingen van de dochter – welke gelegen zijn in de complexe scheiding van ouders –  zoveel mogelijk te worden weggenomen.

2.5 Met ingang van 23 april 2019 is de jeugdprofessional namens de GI belast met de voogdij over de dochter.

2.6 Na de uitspraak van de rechtbank van 23 april 2019 is de dochter in een 50/50 regeling weer bij de ouders gaan wonen. De dochter is sindsdien drie keer weggelopen op momenten dat zij bij de vader verbleef, laatstelijk op 9 oktober 2019. Sinds de laatste keer dat de dochter is weggelopen is er geen contact meer geweest tussen de dochter en de vader.

2.7 Per brief van 29 juli 2019 heeft een collega van de jeugdprofessional kenbaar gemaakt dat de GI zich zorgen maakt, onder andere op basis van gesprekken die met de dochter zijn gevoerd, over de (emotionele) veiligheid op het moment dat de dochter bij de vader verblijft. In de brief zijn bodemeisen geformuleerd om de noodzakelijke veranderingen voor de dochter teweeg te brengen. Op 30 juli 2019 heeft de vader op de brief gereageerd waarin hij – kort weergegeven – stelt reeds aan de bodemeisen te voldoen. Hij vraagt aan de GI hoe hij dit kan bewijzen en hij vraagt de inzet van hulpverlening.

2.8 Op 10 oktober 2019 acht het gerechtshof zich op grond van de dan beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te nemen over het (incidentele) beroep dat is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank van 23 april 2019. Het gerechtshof verzoekt in dat kader de Raad voor de Kinderbescherming, hierna: de RvdK, een (nader) onderzoek in te stellen. Het gerechtshof heeft in afwachting van het rapport van de RvdK de zaak pro forma aangehouden.

2.9 Op 7 november 2019 heeft de wethouder van de gemeente [gemeente] een brief geschreven naar de GI waarin zorgen worden geuit over de aanpak die de GI heeft gekozen. De wethouder verzoekt de GI met klem om de handelwijze binnen de GI onder de loep te noemen en te overwegen of het wellicht in de rede ligt de opdracht terug te leggen zodat een andere GI de taken kan overnemen.

2.10 Per brief van 8 november 2019 heeft de jeugdprofessional aan de vader kenbaar gemaakt dat de dochter, na de derde keer te zijn weggelopen, niet meer naar de vader toe wil. Op grond daarvan heeft de GI besloten de dochter voorlopig niet meer naar de vader toe te laten gaan. Ook heeft de GI het besluit genomen om voorlopig niet meer met de vader in gesprek te gaan.

2.11 Per brief van 12 november 2019 heeft de vader op de brief van de jeugdprofessional gereageerd. Daarin stelt hij teleurgesteld te zijn over de eenzijdige opstelling vanuit de GI en dat er een beslissing is genomen op basis van één van kant van een verhaal.

2.12 Op 10 februari 2020 heeft de klachtencommissie van de GI uitspraak gedaan naar aanleiding van een klacht die de vader daar had ingediend. De klachtencommissie heeft geconcludeerd dat de jeugdprofessional voldoende zorgvuldig te werk is gegaan en de rol van de vader voldoende serieus heeft genomen.

2.13 De jeugdprofessional is van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College van Beroep beantwoordt de vraag of een jeugdprofessional bij het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College van Beroep toetst het (beroepsmatig) handelen van de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessionals aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en/of nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4     Het beroep, verweer en de beoordeling

4.1.1 De vader heeft tijdens de procedure bij het College van Toezicht zeven klachtonderdelen geformuleerd. Klachtonderdelen 2 en 4 zijn vanwege de samenhang door het College van Toezicht gezamenlijk behandeld. Het College van Toezicht heeft klachtonderdelen 1, 2, 3, 4 en 7 (gedeeltelijk) gegrond verklaard en klachtonderdelen 5 en 7 (voor het overige) ongegrond verklaard. Aan de jeugdprofessional is de maatregel van voorwaardelijke schorsing opgelegd. De vader heeft de klachtonderdelen bij het College van Toezicht als volgt geformuleerd:

“1. De jeugdprofessional staat hulp bij de vader thuis niet toe ondanks het advies van de zorgprofessional, en de jeugdprofessional negeert alle signalen van de noodzaak of van derden.
2 en 4. De jeugdprofessional neemt klachten over van de moeder en de dochter, zonder wederhoor toe te passen (klachtonderdeel 2). De jeugdprofessional houdt geen rekening met de discongruentie van de dochter, controleert uitspraken niet en legt adviezen die hieromtrent gegeven zijn terzijde (klachtonderdeel 4).
3. De jeugdprofessional is niet bereikbaar, reageert niet op het wegelopen van de dochter, en de zorgen en vragen van de vader worden niet serieus genomen.
5. De jeugdprofessional heeft te weinig tijd en meldt regelmatig dat hij zijn vrije tijd gebruikt om te reageren.
6. De jeugdprofessional komt afspraken naar aanleiding van klachtgesprekken niet na.
7. De jeugdprofessional verwijst met willekeur naar het ouderschapsplan en maakt verschil in benadering van de ouders.

4.1.2 Hierna zullen de in het beroepschrift aangehaalde grieven (beroepsgronden) een voor een worden besproken en beoordeeld. Per grief wordt een korte toelichting genoemd, het verweer, waarna per grief het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.2 Het College van Toezicht heeft de complexiteit van deze zaak onvoldoende op waarde weten te schatten (grief 1).

4.2.1 Uit de beslissing van het College van Toezicht blijkt volgens de jeugdprofessional niet dat het College van Toezicht de complexiteit van het hulpverleningstraject voldoende heeft doorgrond en heeft meegewogen bij de beoordeling van de klachten. Ook blijkt niet dat het College van Toezicht gewicht heeft toegekend aan de lange hulpverleningsgeschiedenis en het beperkte resultaat van die jarenlange hulpverlening. Daarnaast is het grote aantal hulpverleners dat zich met dit gezin heeft bemoeid een duidelijke indicator van de complexiteit van deze zaak. Het is onterecht dat niet duidelijk is of en zo ja op welke wijze het College van Toezicht deze omstandigheden heeft betrokken bij de beoordeling. Daarnaast heeft het College van Toezicht ten onrechte de beeldvorming van de vader over de dochter overgenomen. De jeugdprofessional benadrukt dat het geen doorsnee zaak was, zowel voor wat betreft de juridische constructie, als voor wat betreft de ernst van de schade voor de dochter en de uiterst ingewikkelde samenwerking met de vader.

4.2.2 De vader voert aan dat het College van Toezicht weldegelijk zicht heeft gehad op de hulpverleningsgeschiedenis. De vader acht het zeer kwalijk dat de jeugdprofessional stelt dat vanaf 2014 alle hulpverleners vooral zouden zijn stukgelopen op de samenwerking met de vader. De jeugdprofessional heeft zich in de strijd tussen de ouders laten trekken en is zijn neutrale, professionele blik verloren. Het had op de weg van de jeugdprofessional gelegen zich uit de casus terug te trekken. Verder voert de vader aan dat het College van Toezicht niet afgegaan is op de beeldvorming van de vader over de dochter, maar op de door de vader in het geding gebrachte stukken en feiten. De jeugdprofessional beoordeelde het gedrag van de dochter als congruent door haar op haar woord te geloven en na te laten het verhaal van de dochter te controleren bij de betrokkenen.

4.2.3 Het College van Beroep is van oordeel dat de grief van de jeugdprofessional faalt en overweegt hiertoe als volgt. Het College van Beroep oordeelt dat op basis van de standpunten van de jeugdprofessional niet vastgesteld kan worden dat het College van Toezicht de complexiteit van de zaak onvoldoende op waarde heeft weten te schatten. Het College van Toezicht heeft de klachtonderdelen aan de hand van de door partijen aangeleverde standpunten en stukken in volle omvang getoetst en de beslissing zorgvuldig gemotiveerd. Het ligt op de weg van de jeugdprofessional om een dergelijk (verstrekkend) verwijt voldoende met relevante stukken te onderbouwen en dat heeft de jeugdprofessional nagelaten. Het College van Beroep ziet dan ook geen aanleiding om naar aanleiding van deze grief tot vernietiging van de beslissing van het College van Toezicht over te gaan.

4.2.4 De grief van de jeugdprofessional faalt.

4.3 Het College van Toezicht heeft onvoldoende rekening gehouden met het juridische karakter van de hulpverlening (grief 2).

4.3.1 De jeugdprofessional voert aan dat er sprake was van een ongebruikelijke combinatie van een gezagsbeëindiging van de ouders, terwijl de dochter op basis van een 50/50 verdeling bij de ouders woonde. Het College van Toezicht lijkt onvoldoende rekening te hebben gehouden met het uitzonderlijke karakter van deze maatregel in de betreffende situatie. Een voogdijmaatregel heeft een ander karakter dan een ondertoezichtstelling. De focus van de hulpverlening verschuift van de ouders naar het kind. De jeugdprofessional stelt dat het College van Toezicht het karakter van de voogdijmaatregel onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling van de beslissingen die door de jeugdprofessional zijn genomen.

4.3.2 De vader voert aan dat de jeugdprofessional gewaarschuwd was door de RvdK dat hij niet aan deze situatie moest beginnen. Nu de jeugdprofessional zich, ondanks de waarschuwing van de RvdK, doelbewust in een onmogelijke positie heeft geplaatst, dient hij de verantwoordelijkheid te nemen voor deze keuze.

4.3.3 Het College van Beroep is van oordeel dat de grief van de jeugdprofessional faalt en overweegt hiertoe als volgt. Het College van Beroep stelt voorop dat het met de jeugdprofessional eens is dat een voogdijmaatregel in de basis een ander karakter heeft dan een ondertoezichtstelling en dat daar voor de betrokken jeugdprofessional andere taken en verantwoordelijkheden bij komen kijken. Het College van Beroep kan de jeugdprofessional echter niet volgen wanneer hij stelt dat het College van Toezicht het karakter van de voogdijmaatregel onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling. Zo is tussen partijen niet in geschil dat er in de onderhavige casus sprake was van een ongebruikelijke situatie, waarbij ten aanzien van de dochter een voogdijmaatregel is uitgesproken, terwijl zij nog wel bij de ouders woonde. Er was aldus geen sprake van een ‘reguliere’ voogdijmaatregel. Juist deze ongebruikelijke situatie maakt naar het oordeel van het College van Beroep dat er bij de beoordeling van het handelen van de jeugdprofessional geen nadrukkelijk onderscheid gemaakt kan worden tussen de taken en verantwoordelijkheden van de jeugdprofessional binnen het kader van een ondertoezichtstelling en een voogdijmaatregel.

4.2.4 De grief van de jeugdprofessional faalt.

4.4 Doordat in een situatie van een complexe scheiding slechts een ouder wordt gehoord is er sprake van gebrekkige beeldvorming door het College van Toezicht (grief 3).

4.4.1 De jeugdprofessional stelt dat het College van Toezicht zich geen goed beeld van de betrokkenheid van de jeugdprofessional heeft kunnen vormen doordat het College van Toezicht slechts één kant van het (uiterst ingewikkelde) verhaal heeft gehoord. Het College van Toezicht had zich een beter beeld van de zaak kunnen vormen wanneer ook de andere ouder de gelegenheid had gekregen om haar visie te geven op een aantal zaken. Daarnaast verwijst het College van Toezicht in het oordeel bij klachtonderdeel 7 naar een brief van de wethouder van de gemeente [gemeente]. Die brief is tot stand gekomen zonder dat de wethouder zich heeft verdiept in de zaak, met alle betrokkenen heeft gesproken en/of bij de GI heeft geïnformeerd. De brief is gebaseerd op informatie die door de vader is aangeleverd. De brief en de inhoud zijn door het College van Toezicht voor waar aangenomen en ook gebruikt ter onderbouwing van het verwijt dat de jeugdbeschermer wordt gemaakt.

4.4.2 De vader is geschokt dat de jeugdprofessional in deze klachtprocedure een beroep wil doen op de getuigenis van de moeder. Dit voorstel is opnieuw een bewijs dat de jeugdprofessional niet meerzijdig partijdig is. Het is overbodig om moeder te horen, omdat het standpunt van de moeder ruimschoots in de stukken naar voren komt. Verder voert de vader aan dat niet hij, maar de hulpverlener van [de instelling] de gemeente [de gemeente] bij de zaak betrokken heeft. De gemeente gaat vanzelfsprekend niet uitsluitend af op de mening van een individuele burger. De gemeente is afgegaan op de input van [de instelling], die langere tijd bij de zaak betrokken is geweest.

4.4.3 Het College van Beroep is van oordeel dat de grief van de jeugdprofessional faalt en overweegt daartoe als volgt. Op grond van artikel 8.5 van het Tuchtreglement, versie 1.3, kan de voorzitter van het College van Toezicht (dan wel het College van Beroep) besluiten dat een nader onderzoek wordt verricht. Partijen of (een) derde(n) kunnen in het kader van het nader onderzoek worden gehoord. Het is aan de voorzitters van de tuchtcolleges om al dan niet gebruik te maken van die bevoegdheid. Het voert naar het oordeel van het College van Beroep te ver om te stellen dat er sprake is van gebrekkige beeldvorming door het College van Toezicht nu van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt is. Daarnaast merkt het College van Beroep op dat het de jeugdprofessional vrij had gestaan zijn standpunten nader te onderbouwen aan de hand van stukken, waaronder een verklaring van de moeder. Voor wat betreft de brief van de wethouder van de gemeente [de gemeente] leest het College van Beroep niet in de beslissing van het College van Toezicht dat het oordeel bij klachtonderdeel 7 uitsluitend gebaseerd is op die brief. Het College van Toezicht heeft het oordeel ten aanzien van dat klachtonderdeel in overweging 5.6.5 uitgebreid gemotiveerd.

4.4.4 De grief van de jeugdprofessional faalt.

4.5 Het College van Toezicht heeft de verantwoordelijkheid voor de moeizame samenwerking met vader ten onrechte vrijwel geheel bij de jeugdprofessional neergelegd (grief 4).

4.5.1 De moeizame samenwerking met de vader en de gevolgen die dit heeft gehad bij de uitvoering van de voogdijmaatregel zijn in de visie van de jeugdprofessional door het College van Toezicht niet goed beoordeeld. Aan de beoordeling ligt een volstrekt eenzijdige en gekleurde beeldvorming van de samenwerking tussen de jeugdprofessional en de vader ten grondslag, die niet overeenstemt met wat er daadwerkelijk in de samenwerking tussen hem en de vader is voorgevallen. Het College van Toezicht heeft de vader niet doorgrond en evenmin het aandeel van de vader in de moeizame samenwerking willen zien. De jeugdprofessional erkent dat hij volledig is vastgelopen in de samenwerking met de vader. Het College van Toezicht heeft echter onvoldoende rekening gehouden met de vele inspanningen van de jeugdprofessional om wel tot samenwerking met de vader te komen. Reflecterend op de samenwerking heeft de jeugdprofessional gevoelens van machteloosheid, uitputting, onveiligheid en boosheid ervaren. De jeugdprofessional kan nu benoemen dat hij eerder had moeten aangeven dat hij niet meer verder kon in de samenwerking met de vader. Terugkijkend ziet hij ook in dat hij de vader onvoldoende heeft begrensd in met name de diskwalificatie van de dochter.

4.5.2 De vader voert aan dat hij de jeugdprofessional dezelfde verwijten kan maken die de jeugdprofessional hem in zijn beroepschrift maakt. Het verschil is dat de vader de hulpzoekende is en de jeugdprofessional de hulpverlener, waardoor van de jeugdprofessional een andere houding verwacht mag worden. Als de jeugdprofessional nu terugkijkend tot de conclusie komt dat hij de vader onvoldoende heeft begrensd in de diskwalificatie van de dochter, dan geeft de jeugdprofessional er blijk van dat hij zijn eigen rol nog steeds niet begrijpt. Uit alle rapporten van de RvdK blijkt dat de vader een goede vader voor de dochter is en dat hij frequent contact met haar moet hebben. Alleen de moeder is degene die hem een slechte vader vindt en met onjuiste verwijten richting de vader komt. De jeugdprofessional heeft deze verwijten steeds voor waar aangenomen, ondanks dat de vader deze verwijten met bewijsstukken weerlegde. De moeizame samenwerking wordt de jeugdprofessional dan ook terecht aangerekend, omdat hij bij machte was de samenwerking te beëindigen en de vader niet.

4.5.3 Het College van Beroep oordeelt dat de grief van de jeugdprofessional faalt en overweegt daartoe als volgt. Het voert naar het oordeel van het College van Beroep te ver om op basis van de standpunten van de jeugdprofessional vast te stellen dat het College van Toezicht de vader niet heeft doorgrond en zijn aandeel in de moeizame samenwerking niet heeft willen zien. Dit veronderstelt een bepaalde mate van vooringenomenheid van het College van Toezicht waarvan naar het oordeel van het College van Beroep niet gebleken is. Verder heeft de jeugdprofessional naar het oordeel van het College van Beroep onvoldoende onderbouwd en concreet gemaakt waaruit zou moeten blijken dat het College van Toezicht onvoldoende rekening heeft gehouden met de inspanningen van de jeugdprofessional om tot samenwerking met de vader te komen. Het had op de weg van de jeugdprofessional gelegen om zijn grief op dit onderdeel nader te onderbouwen.

4.5.4 De grief van de jeugdprofessional faalt.

4.6 Een nadere reactie op een aantal klachtonderdelen (klachtonderdelen 1, 3 en 7) uit de procedure in eerste aanleg (grief 5).

Hulpverlening aan de vader (klachtonderdeel 1)

4.6.1 In de beslissing van het College van Toezicht is het de jeugdprofessional zwaar aangerekend dat hij de vader niet heeft ondersteund bij het vinden van hulpverlening. De jeugdprofessional is van mening dat hij geprobeerd heeft bij de vader duidelijk te maken dat hij zelf ook hulp kon krijgen. Verder voert de jeugdprofessional aan dat de verantwoordelijkheid voor de hulpverlening aan de ouders in het kader van een voogdijmaatregel feitelijk niet meer aanwezig is. Het stond de vader geheel vrij om hulp voor zichzelf in te zetten. De jeugdprofessional is in samenspraak met zijn team tot de beslissing gekomen om niet in te stemmen met de door de vader gevraagde vorm van hulpverlening. De jeugdprofessional kon zich niet vinden in de eis van de vader dat de dochter daarbij betrokken diende te zijn. De jeugdprofessional heeft vaak ervaren dat de dochter door de vader onder druk werd gezet.

4.6.2 De vader voert aan dat de jeugdprofessional als eis bleef stellen voor contactherstel met de dochter dat de vader eerst aan zichzelf zou gaan werken, ondanks alle hulp die hij al had. Het is nooit in de jeugdprofessional opgekomen dat het standpunt van de vader juist zou kunnen zijn en dat hulpverlening bij de vader ook een ander licht op de problematiek had kunnen werpen. Door het door de vader aangekaarte probleem te ontkennen en hulp te weigeren, heeft de jeugdprofessional een belangrijke kans laten liggen om inzicht te krijgen in de oorzaak van de discrepantie tussen zijn visie en dat van de vader en de discrepantie in het gedrag van de dochter bij de vader en bij de moeder.

4.6.3 De toelichting op het onderwerp “Hulpverlening aan de vader” merkt het College van Beroep aan als een grief gericht tegen klachtonderdeel 1. In dit klachtonderdeel wordt de jeugdprofessional verweten dat hij de vader onvoldoende heeft ondersteund in zijn verzoek om hulp bij hem thuis in te zetten. Het College van Beroep ziet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van dit klachtonderdeel te komen. Ook in beroep heeft de jeugdprofessional aangevoerd dat hij het niet in het belang van de dochter vond om hulpverlening in de thuissituatie bij de vader in te zetten, waarbij de dochter ook betrokken zou worden. Zo had de jeugdprofessional zorgen dat de dochter door de vader (te veel) onder druk zou worden gezet. Alhoewel het College van Beroep op basis van de stukken niet kan beoordelen of deze zorgen terecht waren, hadden deze zorgen naar het oordeel van het College van Beroep de jeugdprofessional juist aanleiding moeten geven om hulpverlening in de thuissituatie bij de vader in te zetten. De dochter woonde immers gedurende de helft van de tijd bij de vader. Daarnaast gaat de jeugdprofessional eraan voorbij dat er voor de in te zetten hulpverlener ook een rol zou zijn weggelegd om dergelijke zorgen te signaleren en in goede banen te leiden. Op die manier hadden de zorgen van de jeugdprofessional als leerdoel in de hulpverlening meegenomen kunnen worden. Daarnaast kan het College van Beroep de jeugdprofessional niet volgen wanneer hij stelt dat hulp aan de ouders in het kader van een voogdijmaatregel feitelijk niet meer aanwezig is. Het gezag van de ouders was weliswaar beëindigd, maar zij waren, anders dan bij een ‘reguliere’ voogdijmaatregel, nog wel de opvoeders. Ten aanzien van het faciliteren van hulpverlening aan de ouders mag in dat kader flexibiliteit en maatwerk van de jeugdprofessional worden verwacht. Het College van Beroep handhaaft gelet op het voorgaande het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdeel 1.

Gang van zaken na weglopen van de dochter (klachtonderdeel 3)

4.6.4 Het College van Toezicht verwijt de jeugdprofessional dat hij niet heeft gereageerd op de e-mails van de vader met zorgen over het weglopen van de dochter. Nadat de dochter de derde keer was weggelopen heeft de GI de beslissing genomen dat de dochter voorlopig bij de moeder zou verblijven. De jeugdprofessional heeft geprobeerd met de vader een afspraak te maken om met hem te bespreken dat de GI besloten had dat er enige tijd geen contact zou zijn tussen de vader en dochter. Het proces van het maken van een afspraak is moeizaam verlopen. De jeugdprofessional erkent dat de communicatie tussen hem en de vader inmiddels zeer slecht was, maar dat kan niet uitsluitend aan de jeugdprofessional worden toegeschreven. De vader had hier een belangrijk aandeel in. Verder voert de jeugdprofessional aan dat hij wel degelijk over het weglopen van de dochter met de vader gesproken heeft. De visie van de vader bleek echter onveranderbaar.

4.6.5 De vader voert aan het schokkend te vinden dat de jeugdprofessional nog steeds geen inzicht toont in zijn totaal verkeerde handelswijze na het weglopen van de dochter. Het is voor hem onbegrijpelijk dat de jeugdprofessional niet in de week van het weglopen een gesprek tussen de vader en de dochter heeft geregeld. Vervolgens werd door de jeugdprofessional als voorwaarde voor contactherstel met de dochter gesteld dat de vader hulp voor zichzelf zou zoeken.  Verder stelt de jeugdprofessional dat hij met de vader gesproken heeft na het weglopen van de dochter, maar hij heeft nagelaten te vragen wat er in de beleving van de vader gebeurd is. Hij heeft het verhaal van de vader niet gehoord en was daarin niet geïnteresseerd en had zijn vooroordeel al klaar.

4.6.6 De toelichting bij het onderwerp “Gang van zaken na weglopen van de dochter” merkt het College van Beroep aan als een grief gericht tegen klachtonderdeel 3. De behandeling in beroep heeft geen ander licht op de beoordeling van het klachtonderdeel geworpen. Net als het College van Toezicht oordeelt het College van Beroep dat het op de weg had gelegen om nader met de vader in contact te treden naar aanleiding van het weglopen van de dochter. Dat de vader niet open zou hebben gestaan voor een gesprek hieromtrent is ook in beroep niet gebleken. Het College van Beroep handhaaft dan ook het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdeel 3.

Meerzijdige partijdigheid (klachtonderdeel 7)

4.6.7 De jeugdprofessional heeft gereflecteerd op het verwijt dat hij niet meerzijdig partijdig is geweest en kan erkennen dat dit onvoldoende is gelukt. Hij heeft bij aanvang van zijn betrokkenheid nadrukkelijk de intentie gehad om de verbinding met de vader te zoeken, maar heeft vanaf het begin het gevoel gehad dat hij van de vader niet meerzijdig partijdig mocht zijn. De jeugdprofessional heeft voortdurend de boodschap gekregen dat de vader maar één oplossing wenste en dat was dat hij met eenhoofdig gezag zou worden belast. Deze omstandigheid en het juridische kader van de voogdij maakten elke vorm van meerzijdige partijdigheid zeer complex en wellicht zelfs onmogelijk. Als leerpunten van deze casus neemt hij mee dat soms eerdere begrenzing nodig is en dat hij eerder had moeten stoppen met de uitvoering van deze voogdijmaatregel.

4.6.8 De vader voert aan dat uit het beroepschrift blijkt dat de jeugdprofessional nog steeds niet begrijpt wat meerzijdige partijdigheid betekent. De jeugdprofessional is – ondanks de duidelijke vingerwijzing van het College van Toezicht – nog steeds niet in staat om de casus de bekijken vanuit de ogen van de vader. De jeugdprofessional heeft zich volledig vereenzelvigd met de dochter en heeft zich verloren in de behoefte om haar te beschermen tegen de vader.

4.6.9 De toelichting bij het onderwerp “meerzijdige partijdigheid” merkt het College van Beroep aan als een grief gericht tegen klachtonderdeel 7, voor zover dit toeziet op het verschil in benadering van de ouders en door het College van Toezicht gegrond is verklaard. Het College van Beroep oordeelt dat het College van Toezicht zorgvuldig heeft gemotiveerd dat er in het dossier voldoende aanknopingspunten zijn te vinden waaruit blijkt dat de jeugdprofessional verschil heeft gemaakt in de benadering van de ouders. Het College van Beroep handhaaft dan ook het oordeel van het College van Toezicht. In aanvulling op de motivering van het College van Toezicht neemt het College van Beroep mee in overweging dat de vader in het klaagschrift en tijdens de mondelinge behandeling van het beroep onbetwist heeft gesteld dat de jeugdprofessional de dochter nooit bezocht heeft bij de vader thuis, terwijl hij de dochter meerdere keren bij de moeder thuis heeft bezocht. In een situatie waarbij een jeugdige de hoofdverblijfplaats bij één van de ouders heeft kan het navolgbaar zijn dat een jeugdige vaker wordt bezocht bij de verzorgende ouder, maar dat is in de onderhavige casus niet aan de orde. De dochter woonde immers geruime tijd op basis van een 50/50 regeling bij de vader en de moeder.

4.6.10 De grief van de jeugdprofessional faalt.

4.7 Conclusie

4.7.1 Gelet op het voorgaande komt het College van Beroep tot de conclusie dat alle grieven van de jeugdprofessional falen. Desondanks ziet het College van Beroep aanleiding om de aan de jeugdprofessional opgelegde maatregel van voorwaardelijke schorsing te heroverwegen. Het College van Beroep heeft oog voor de positie van partijen. Het College van Beroep heeft het onbegrip bij de vader gezien over het contactverlies met de dochter en de overtuiging dat dit voortkomt uit het handelen van de jeugdprofessional. Daarnaast heeft het College van Beroep opgemerkt dat de jeugdprofessional heeft moeten handelen binnen het kader van een voogdijmaatregel, terwijl de dochter nog wel bij de ouders woonde en er sprake was van een hevige strijd tussen de ouders. Ook heeft het College van Beroep opgemerkt dat de jeugdprofessional persoonlijk is aangegrepen door de onderhavige casus en procedure(s) en dat dit van invloed is geweest op de wijze waarop hij tot dan toe verweer heeft gevoerd. Gelet op deze omstandigheden ziet het College van Beroep aanleiding de maatregel van voorwaardelijke schorsing in te trekken en aan de jeugdprofessional de maatregel van berisping op te leggen, zonder openbaarmaking van deze maatregel. Alhoewel de jeugdprofessional tijdens de procedure bij het College van Beroep wel enige blijk van reflectie op zijn handelen heeft gegeven, wijst het College van Beroep op de noodzaak van continue reflectie op de balans tussen draagkracht en draaglast. In dat kader adviseert het College van Beroep de jeugdprofessional zijn beroepsnormen verder te ontwikkelen door middel van het volgen van het door het College van Toezicht aangehaalde supervisietraject, waarbij in ieder geval de volgende onderwerpen aan bod komen: ‘positie en positioneren als jeugdprofessional in het gedwongen kader’, ‘samenwerking met en tussen cliënten bestendigen’ en ‘meerzijdige partijdigheid’.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

  • vernietigt het oordeel van het College van Toezicht in zaaknummer 19.452Ta van 4 november 2020, voor zover aan de jeugdprofessional de maatregel van voorwaardelijke schorsing is opgelegd;
  • legt onder intrekking van de maatregel van voorwaardelijke schorsing, aan de jeugdprofessional de maatregel van berisping op, zonder openbaarmaking van deze maatregel;
  • handhaaft voor het overige het oordeel van het College van Toezicht, voor zover aan het oordeel van het College van Beroep onderworpen, zij het onder aanvulling van de motivering ten aanzien van klachtonderdeel 7.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 1 september 2021 aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.P. van der Linden                                                  mevrouw mr. A.V. Verweij

voorzitter                                                                                          secretaris