De jeugdbeschermer heeft foutieve persoonsgegevens in het dossier niet aangepast en onvoldoende regie gevoerd.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,
mevrouw R.J. Douglas, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[Klaagster], klaagster, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[Jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij de gecertificeerde instelling [GI],, hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde, de heer mr. J.C.C. Leemans van DAS.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

– het aangepaste klaagschrift ontvangen op 8 april 2019;

– het verweerschrift ontvangen op 11 juni 2019.

1.2 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2019 in aanwezigheid van de moeder, de jeugdprofessional en de hiervoor genoemde gemachtigde. Als toehoorders zijn aanwezig geweest een vertrouwenspersoon van de moeder en een collega van de jeugdprofessional.

1.3 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2     De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft drie minderjarige kinderen, een zoon geboren in 2004, een dochter geboren in 2006 en een dochter geboren in 2011, hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.

2.2 De moeder en de vader, hierna gezamenlijk te noemen: de ouders, zijn in 2015 gescheiden. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt uitgeoefend door de ouders. De kinderen wonen bij de moeder en haar nieuwe partner.

2.3 Vanaf juni 2016 is er geen contact meer tussen de kinderen en de vader. In het ouderschapsplan van 2015 zijn de ouders overeengekomen dat de kinderen één weekend in de twee weken bij de vader zijn. Deze zorgregeling is in juni 2015 voor vier weken gestopt als time-out. Daarna is de regeling op 29 juni 2016 opnieuw gestopt voor drie maanden. Deze time-out is in september 2016 geëvalueerd en bracht rust bij de kinderen. De omgang is na de laatste time-out niet meer opgepakt.

2.4 In het kader van twee bij de rechtbank aanhangige procedures (wijziging gezag en zorgregeling en vervangende toestemming verhuizing) heeft de rechtbank de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de RvdK) verzocht een onderzoek in te stellen.

2.5 De RvdK heeft op 2 februari 2017 het raadsonderzoek afgerond. De RvdK heeft de kinderrechter verzocht de kinderen onder toezicht te stellen van de GI, gezien de concrete bedreiging van hun ontwikkeling, de communicatieproblemen van de ouders en de loyaliteitsproblemen van de kinderen.

2.6 In de beschikking van 1 maart 2017 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI tot 1 maart 2018. Daarna is de ondertoezichtstelling steeds verlengd.

2.7 Vanaf 1 maart 2017 is de jeugdprofessional als jeugdbeschermer betrokken bij het gezin. Op 14 maart 2017 heeft een kennismakingsgesprek met de ouders plaatsgevonden, waar uitleg is gegeven over de ondertoezichtstelling.

2.8 Op 11 april 2017 zijn voor de kinderen drie plannen van aanpak (ook te noemen: rapportages) opgesteld. Deze plannen van aanpak zijn in 2018 en 2019 geëvalueerd en aangepast.

2.9 De GI heeft [de instelling] de opdracht gegeven om het traject te starten, dat zorgt voor omgangsbegeleiding (er wordt geprobeerd om (begeleid) contact tussen de kinderen en de vader te realiseren) en ouderschapsbemiddeling. Op 19 september 2017 heeft het intakegesprek met [de instelling] plaatsgevonden.

2.10 Behalve de GI en [de instelling] zijn ook andere hulpverleners bij het gezin van moeder betrokken. Het Centrum voor Consultatie en Expertise (verder: CCE) adviseert over de ontwikkeling van de zoon. De zoon wordt begeleid door een zorgboerderij en één maal per week wordt hij thuis begeleid door het [de instelling 2] (verder: [de instelling 2]). De dochters worden ondersteund door [de instelling 3] en de moeder heeft hulp van een psycholoog.

2.11 Op 1 november 2017 heeft er een groot hulpverleningsoverleg plaatsgevonden, waarbij aanwezig zijn geweest de jeugdprofessional en een collega van de GI, de hulpverlener van [de instelling], de leerkracht van de zoon, de persoonlijke begeleider van de zoon, de casemanager van het [de instelling 2], de dyslexiebegeleidster van [de instelling 3] en vertegenwoordigers (IB-er en RT-er) van de betrokken scholen. De vader is later aangesloten om kennis te maken, waarna het netwerk vertrokken is. De vader, de jeugdprofessional en de hulpverlener van [de instelling] hebben het gesprek daarna voortgezet.

2.12 Op 5 juni 2018 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen de moeder en haar vertrouwenspersoon, de jeugdprofessional en twee gebiedsmanagers. Daar is onder meer afgesproken dat de moeder de tussentijdse rapportage aan de rechter twee weken van te voren zal ontvangen, zodat zij tijdig kan reageren, en dat er op structurele basis gesprekken komen tussen de moeder en de jeugdprofessional met een frequentie van gemiddeld één keer in de zes weken om de stand van zaken door te nemen.

2.13 In juli en september 2018 heeft de jeugdprofessional intern verzocht of zij – gezien haar caseload en de moeizame samenwerking met de moeder – de casus kon overdragen. De GI heeft toen aangegeven dat zij bij het gezin van moeder betrokken zou blijven tot er een andere jeugdbeschermer toegewezen kon worden.

2.14 Op 31 augustus 2018 heeft er een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden tussen de moeder en haar vertrouwenspersoon en de gebiedsmanager. Ook toen is er onder meer afgesproken dat er één keer in de zes weken een gesprek op kantoor zal plaatsvinden tussen de moeder en de jeugdprofessional.

2.15 Op 2 oktober 2018 heeft er een groot overleg plaatsgevonden, waarbij [de instelling], de GI en de moeder aanwezig waren en waar gesproken is over het inzetten van een [jeugdbeschermer].

2.16 Vanaf januari/februari 2019 is de jeugdprofessional niet meer betrokken bij het gezin van de moeder en heeft een collega jeugdprofessional de hulpverlening overgenomen. Op 7 maart 2019 is de casus overgedragen aan een andere GI.

2.17 Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2017 geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De verslaglegging was vaak te laat, ontbrak, of berustte niet op waarheid.

Toelichting:

Doordat de verslaglegging vaak te laat was of ontbrak, kregen de ouders amper de tijd om te reageren. Ook berustte het verslag niet op waarheid, maar op de mening van de jeugdprofessional. Data klopten niet en door knip- en plakwerk was de dochter ineens agressief. Essentiële onderdelen, zoals de problemen in de communicatie tussen de ouders, ontbraken.

4.1.2 De jeugdprofessional voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

De moeder heeft meerdere keren aangegeven dat zij het niet eens was met de inhoud van de rapportages. Tijdens het eerste gesprek, waarbij de ouders samen de doelen hebben vastgesteld, heeft de jeugdprofessional uitgelegd hoe een plan van aanpak eruit ziet, en dat er bij de doelen ruimte is voor de visie/mening van zowel de ouders, derden, als van de jeugdprofessional zelf. Ook is verteld dat het plan van aanpak aangepast kan worden. De jeugdprofessional heeft de moeder aangeboden het plan van aanpak te wijzigen op de punten waarvan zij vindt dat deze niet klopten. Op 31 augustus 2018 heeft er een gesprek plaatsgevonden bij de GI, waarbij de jeugdprofessional het bijstellen van het plan van aanpak op de agenda heeft gezet. Aan het begin van het gesprek gaf de moeder aan dat zij liever de samenwerking met [de instelling] wilde bespreken. De jeugdprofessional heeft aan het eind van het gesprek nogmaals gezegd dat het bijstellen van het plan van aanpak op een later moment altijd nog kan.

Voor wat betreft de te laat verzonden rapportages geeft de jeugdprofessional aan dat zij afhankelijk was van de uitvoerende hulpverlening en hun bevindingen. Pas daarna kon zij de rapportages samenstellen. [de instelling] was daar laat mee en de jeugdprofessional heeft meerdere keren verzocht verslagen te leveren. Daarover heeft de jeugdprofessional de moeder geïnformeerd. Met betrekking tot de rapportages, die in februari 2019 te laat zijn ingediend, wijst de jeugdprofessional erop dat het binnen de GI onduidelijk was welke medewerker deze zou schrijven en afronden. Daarnaast is er in die periode door het CCE aan de collega jeugdprofessional, die het dossier inmiddels had overgenomen, aangegeven dat het traject van [de instelling] niet in het belang van de zoon was. Hierop heeft er met spoed intern overleg plaatsgevonden om deze informatie van het CCE alsnog aan de rapportages toe te voegen. De ouders zijn hier per e-mail en per brief over geïnformeerd en de jeugdprofessional heeft haar excuses aangeboden voor deze gang van zaken.

4.1.3 Het College overweegt als volgt:

De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling ter onderbouwing nog een aantal voorbeelden gegeven (waaronder dat de namen van de kinderen door elkaar zijn gehaald en dat de moeder nooit heeft gezegd dat zij niet achter ouderschapsbemiddeling zou staan, terwijl dat wel zo in de plannen van aanpak staat). Het College heeft vastgesteld dat er in de vervolg plannen van aanpak van
15 februari 2018 van de twee dochters de naam van de zoon wordt genoemd, terwijl daar de namen van de dochters zouden moeten staan. Dat betekent dat de persoonsgegevens in de vervolg plannen van aanpak van de dochters niet op alle punten feitelijk juist zijn weergegeven. Desgevraagd heeft de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling verklaard niet zeker (meer) te weten of zij deze gegevens, nadat de moeder daarom heeft verzocht, heeft gecorrigeerd. De jeugdprofessional heeft in haar verweer toegelicht dat zij het aanpassen van de plannen van aanpak op de agenda heeft gezet voor het overleg met onder meer de moeder van 31 augustus 2018. Bij dat overleg is dit onderwerp niet aan de orde gekomen, en daarna is de moeder daar zelf ook niet meer op teruggekomen. Het College overweegt echter dat op grond van artikel 16 van de Algemene verordening gegevensbescherming (verder: AVG) de moeder als wettelijk vertegenwoordiger van de twee dochters, die op dat moment jonger zijn dan zestien jaar, het recht heeft om te verzoeken bepaalde persoonsgegevens te corrigeren, voor zover deze gegevens feitelijk onjuist zijn. De jeugdprofessional heeft ter zitting zelf ook toegelicht dat een plan van aanpak een ‘levend’ document is, en dat fouten en onwaarheden moeten worden aangepast. Het College concludeert dat de jeugdprofessional de onjuiste persoonsgegevens in de plannen van aanpak van de dochters conform de daarvoor gestelde wettelijke bepaling in de AVG had moeten corrigeren.

Het College stelt daarnaast vast dat de (concept) plannen van aanpak een aantal keren laat aan de moeder zijn aangereikt, waardoor de tijd om te reageren kort was. Uit het dossier blijkt uit correspondentie van begin februari 2018 dat de moeder slechts twee dagen de tijd kreeg om te reageren op de (concept) rapportages ten behoeve van de verlenging van de ondertoezichtstelling. Het argument van de jeugdprofessional dat zij gewacht heeft op informatie en input van de uitvoerende hulpverlening, volgt het College tot op zekere hoogte. Het College heeft in het dossier teruggezien dat de jeugdprofessional [de instelling] meerdere keren heeft verzocht om deze input. Echter de jeugdprofessional had er ook voor kunnen kiezen deze informatie later als bijlage bij te voegen. Dat de (concept) plannen van aanpak in februari 2019 pas laat aan de moeder zijn verstuurd, omdat intern besloten is belangrijke informatie van het CCE over de zoon eerst nog op te nemen ten behoeve van de rechtbank, kan de jeugdprofessional niet worden aangerekend. De jeugdprofessional had de zaak in deze periode al overgedragen aan een college jeugdprofessional en zij heeft onweersproken aangevoerd dat het intern op dat moment niet duidelijk was wie verantwoordelijk werd gesteld voor de rapportages. Daardoor heeft zij deze taak alsnog op zich genomen. In de brief van 1 februari 2019 heeft de jeugdprofessional voor deze dubbele vertraging aan de moeder haar excuses aangeboden.

Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional in haar verslaglegging zorgvuldiger te werk had  moeten gaan bij het weergeven van de persoonsgegevens van de twee dochters en dat zij, na het verzoek tot correctie van de moeder, dit had moeten aanpassen. Gelet op de toelichting bij artikel M (Verslaglegging en dossiervorming) van de Beroepscode, dat verslaglegging en dossiervorming plaats dienen te vinden conform de beroepsstandaard, is het College van oordeel dat dit artikel geschonden is.   

Ten aanzien van het tweede deel van de klacht over het aanleveren van de rapportages is het College van oordeel dat de jeugdprofessional de rapportage in 2018 te laat heeft verstuurd. Ten aanzien van de te laat verzonden rapportages in 2019 kan de jeugdprofessional geen verwijt worden gemaakt. Daar was zij op dat moment niet meer verantwoordelijk voor.

4.1.4 Het College verklaart het eerste deel van de klacht gegrond en het tweede deel deels gegrond.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:

Er was sprake van slechte en niet transparante communicatie.

Toelichting:

De jeugdprofessional had gesprekken met de hulpverlening zonder de moeder daarvan op de hoogte  te stellen. De moeder kreeg daarna zaken te horen via de hulpverleners en/of de school. Een voorbeeld is het overleg dat plaatsvond op 1 november 2017, waar de moeder niet achter stond omdat zij als gevolg van omstandigheden niet aanwezig kon zijn. Het verslag wat de moeder kreeg van de jeugdprofessional was anders dan hetgeen de hulpverleners en de school haar vertelden. Bovendien kregen de hulpverleners en de school geen verslag van dit gesprek, waarna de moeder het aan hen heeft doorgestuurd. Zij hebben vervolgens gereageerd naar de jeugdprofessional, echter deze reacties zijn nooit beantwoord.

4.2.2 De jeugdprofessional voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

Dat het overleg plaatsvond op 1 november 2017 is vooraf besproken met de moeder en de vader. Tijdens het intakegesprek bij [de instelling] op 19 september 2017 heeft de hulpverlener aangegeven dat het van groot belang is dat er een hulpverleningsoverleg plaats vindt, zodat de rollen van de vele betrokkenen duidelijk zouden worden. De moeder heeft hiermee ingestemd. Op 25 oktober 2017 heeft de moeder de jeugdprofessional laten weten dat zij – na overleg met haar psycholoog – heeft besloten om de contacten met de GI en [de instelling] tijdelijk te stoppen. De moeder was tijdens dat telefoongesprek dermate overstuur dat wat de jeugdprofessional heeft gezegd, niet is aangekomen. Daarna heeft de partner van de moeder contact opgenomen om aan te geven dat het met de moeder niet goed gaat en dat de communicatie voorlopig via hem moet verlopen. De jeugdprofessional heeft op dat moment duidelijk uitgelegd dat beide ouders dezelfde uitnodiging hebben ontvangen en dat het de keuze is geweest van de moeder niet bij het overleg aanwezig te zijn. Om ervoor te zorgen dat het vertrouwen van de moeder niet zou afnemen, is er alsnog voor gekozen om de vader bij het overleg op 1 november 2017 (later) alleen voor een kennismaking te laten aanschuiven. Voordat het verslag naar de hulpverlening verzonden zou worden, is het eerst met de ouders gedeeld. Aangezien een groot deel van de hulpverleners heeft verklaard zich bezwaard te voelen om een rol te hebben en liever niet meer benaderd wilde worden, is ervoor gekozen het verslag niet meteen aan hen door te sturen.

4.2.3 Het College overweegt als volgt:

Het College volgt de moeder niet in haar stelling dat de jeugdprofessional gesprekken heeft gevoerd met hulpverleners, zonder dat zij daarvan op de hoogte was. Het enige voorbeeld dat de moeder in haar klacht heeft aangedragen, is het overleg van 1 november 2017. Uit een door de jeugdprofessional bijgevoegde telefoonnotitie van 25 oktober 2017, is het College voldoende gebleken dat de moeder zich voor genoemd overleg heeft afgemeld. Ter zitting heeft de moeder aangegeven dat zij zich er toentertijd bij neer heeft gelegd dat het overleg ook zonder haar zou doorgaan. Dat daardoor de aard van het overleg veranderd is, en de vader later is aangeschoven voor een kennismaking, maakt geen deel uit van de klacht van de moeder en wordt hier derhalve niet meegenomen. Datzelfde geldt voor de opmerking van de moeder tijdens de zitting over het nagesprek dat op die zelfde dag met de vader is gevoerd.

Hoe de gang van zaken rondom de verslaglegging van het groot overleg is gegaan en of de betrokken hulpverleners (en zo ja, welke van hen) het verslag hebben ontvangen, is voor het College niet goed vast te stellen. De moeder heeft haar klacht onvoldoende onderbouwd en bovendien spreken de jeugdprofessional en de moeder elkaar tegen. In het verweer heeft de jeugdprofessional verklaard terughoudend te zijn geweest met de verspreiding van het verslag, omdat een aantal hulpverleners zich bezwaard voelde om een rol te hebben en liever niet meer benaderd wilde worden. Vervolgens heeft de moeder gemeend het verslag zelf aan de betrokkenen te moeten sturen. Het College ziet in deze klacht geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt.

4.2.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.3 Klachtonderdeel 3

4.3.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional was moeilijk te bereiken.

Toelichting:

De jeugdprofessional was moeilijk te bereiken, dan wel afwezig voor zowel de moeder als de betrokken hulpverleners. Zo hebben de moeder en de hulpverleners op een gegeven moment gezegd dat er sprake was van een crisis om maar in contact te komen.

4.3.2 De jeugdprofessional voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

De jeugdprofessional is in die periode meerdere keren afwezig geweest wegens ziekte. In die tijd zijn er wel degelijk reacties geweest op de e-mailberichten van de moeder en was er communicatie. In verband met ziekte en drukte is de jeugdprofessional telefonisch echter minder goed bereikbaar geweest. Op 31 augustus 2018 is in een gesprek met de gebiedsmanager en de moeder afgesproken dat, als de moeder daar behoefte aan had, er wekelijks een vast belmoment ingepland kon worden. De jeugdprofessional heeft in dat gesprek ook uitgelegd dat het kan voorkomen dat zij, als gevolg van afspraken en andere werkzaamheden, telefonisch minder goed bereikbaar is. Na drie belcontacten op donderdagochtend om 9:00 uur heeft de moeder aangegeven daar geen behoefte meer aan te hebben. De mogelijkheid was er maar de moeder heeft dit niet meer opgepakt.

4.3.3 Het College overweegt als volgt:

Voor het College staat voldoende vast dat er vaste belmomenten waren tussen de moeder en de jeugdprofessional en dat deze op een bepaald moment zijn gestopt. De jeugdprofessional heeft desgevraagd toegelicht dat vervolgens gekeken is welke vorm van contact passend was en dat er in tweede instantie gekozen is voor één (face-to-face) gesprek in de zes weken. Dat deze afspraken zijn gemaakt in het gesprek van 31 augustus 2018 is door zowel de moeder als de jeugdprofessional bevestigd, en ook dat deze afspraken vervolgens niet goed van de grond zijn gekomen. Ziekte en tijdgebrek en een wisseling van leidinggevende zijn hier volgens de jeugdprofessional de oorzaak van geweest. Ter zitting heeft de jeugdprofessional verklaard dat zij de moeder tussendoor wel zag bij [de instelling], en tijdens het groot overleg, en dat zij dat ook beschouwde als zo’n zes wekelijks  gesprek. Maar de moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij deze gesprekken zeker niet zo beschouwde. Zij heeft een e-mailbericht van 5 december 2018 bijgevoegd, waarin zij verschillende data noemt waarop de moeder tussen 9 oktober en 5 december 2018 contact heeft gezocht met de jeugdprofessional. De moeder eindigt haar e-mailbericht met de mededeling dat het laatste contact is geweest op 2 oktober 2018 en dat de gemaakte afspraak op 31 augustus 2018 derhalve niet wordt nageleefd. Ondanks het feit dat de jeugdprofessional in juli 2018 intern heeft aangegeven de zaak – gezien haar caseload en de moeizame samenwerking met de moeder – te willen overdragen, kan het College de moeder volgen in haar klacht dat de jeugdprofessional in een bepaalde periode minder goed bereikbaar is geweest. Bovendien heeft het College in het dossier gezien dat er tijdens het gesprek op 5 juni 2018 al was afgesproken dat er voor de moeder en de jeugdprofessional structurele afspraken gemaakt zouden worden met een frequentie van gemiddeld één keer in de zes weken. Het College is dan ook van oordeel dat de jeugdprofessional met haar wijze van handelen artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode heeft geschonden. Zij heeft de moeder onvoldoende meegenomen om tot overeenstemming/instemming te komen over de hulp- en dienstverlening.

4.3.4 Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

4.4 Klachtonderdeel 4

4.4.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft de moeder niet gehoord (bejegening).

Toelichting:

De jeugdprofessional reageerde met regelmaat niet inhoudelijk op de vragen van de moeder en de vragen werden onder de tafel geschoven. Ook is de jeugdprofessional éénmaal bij een overleg weggelopen, omdat de moeder tijdens dit overleg frustraties uitte naar de jeugdprofessional toe. Hierdoor werd een belangrijk traject voor de zoon niet ingezet. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de moeder getracht met de jeugdprofessional in contact te komen, echter hier is niet op gereageerd.

4.4.2 De jeugdprofessional voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

Na het gesprek met het CCE op 24 januari 2018 is er tussen de jeugdprofessional en de moeder wel degelijk contact geweest. De moeder noemt één specifiek e-mailbericht, dat niet is beantwoord. Vóór dit e-mailbericht had de moeder echter verzocht om een gesprek met de gebiedsmanager en de jeugdprofessional. Omdat dit bemiddelingsgesprek inmiddels was aangevraagd, heeft de gebiedsmanager haar toen geadviseerd tijdens dit gesprek stil te staan bij het e-mailbericht van de moeder.

4.4.3 Het College overweegt als volgt:

De moeder heeft haar klacht dat de jeugdprofessional met regelmaat niet inhoudelijk reageerde op haar vragen en deze onder de tafel schoof, onvoldoende onderbouwd. De moeder heeft geen voorbeelden aangevoerd, en het is niet aan het College daar zelf naar op zoek te gaan. Het College kan zich voorstellen dat er tussen de moeder en de jeugdprofessional een verschil bestond in verwachtingen en beleving. De moeder heeft ter zitting nogmaals benadrukt dat zij zich niet gehoord voelt. In haar gezin is sprake van complexe problematiek en daarom had zij behoefte aan een persoon die naast haar stond. De jeugdprofessional heeft ter zitting aangevoerd dat zij de moeder met regelmaat gezegd heeft dat zij de expert was, dat zij nodig was, maar dat de moeder regelmatig overvraagd was en zich periodes terug trok. De jeugdprofessional heeft benadrukt dat er juist daarom niet is ingezet op ouderschapsbemiddeling en dat, ondanks dat één van de doelen van de ondertoezichtstelling (het op gang brengen van begeleide omgang tussen de vader en de kinderen) niet van de grond kwam, er aan de moeder geen schriftelijke aanwijzing is gegeven. Hieruit blijkt volgens de jeugdprofessional voldoende dat er met de moeder is meebewogen en dat zij is gehoord en is gezien. Het College meent dat dit verschil in beleving ook ziet op de opmerking van de moeder tijdens de mondelinge behandeling dat zij is weggezet als een ‘niet-meewerkende’ moeder, terwijl zij de expert is en alles over heeft voor het welzijn van haar kinderen, waar de jeugdprofessional heeft verklaard dat er bij de moeder een patroon werd gezien van een vermijdende en afhoudende houding, waardoor de omgang met de vader niet van de grond kwam en zij als niet meewerkend werd gezien.

Ten aanzien van het tweede deel van de klacht dat de jeugdprofessional tijdens het kennismakingsgesprek bij het CCE op 24 januari 2018, nadat de moeder haar frustraties had geuit, het gesprek voortijdig heeft verlaten, overweegt het College als volgt. De moeder heeft bij haar klacht een e-mailbericht gevoegd van 31 januari 2018, waarin zij onder meer terug is gekomen op dit gesprek en de onprettige manier waarop zij uit elkaar zijn gegaan. De moeder vraagt in het
e-mailbericht begrip voor haar machteloosheid. Zowel uit het verweer en door navraag ter zitting is het College gebleken dat de jeugdprofessional na overleg met de gebiedsmanager niet direct op dit e-mailbericht heeft gereageerd maar dat ervoor gekozen is het al aangevraagde bemiddelingsgesprek af te wachten en tijdens dat gesprek te reageren op deze kwestie. Nu de moeder ter zitting onweersproken heeft verklaard dat het bemiddelingsgesprek pas op 5 juni 2018 heeft plaatsgevonden, is het College van oordeel dat het beter was geweest als de jeugdprofessional in deze situatie eerder had gereageerd. Maar dat maakt niet dat het College het handelen van de jeugdprofessional zo ernstig vindt dat zij de Beroepscode heeft geschonden. Daarbij speelt mee dat zij hierover afstemming heeft gezocht met de gebiedsmanager.

3.5.5 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.5 Klachtonderdeel 5

4.5.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional komt afspraken niet na.

Toelichting:

De jeugdprofessional maakte veel mondelinge afspraken, die zij vervolgens niet op papier wilde zetten, terwijl de moeder hier regelmatig om heeft gevraagd. Ook komt de jeugdprofessional gemaakte afspraken niet na, of verdraaide ze afspraken dusdanig dat het erop leek dat de moeder de afspraken niet na kwam. Er is een verslag van gemaakte afspraken met de gebiedsmanager die nimmer zijn nagekomen en voorts is lang geleden afgesproken dat er een [jeugdbeschermer]moest komen om het traject te begeleiden, waarna de jeugdprofessional zegt dat de moeder dit verdraait en dat er ambulante hulpverlening moet worden ingezet.

4.5.2 De jeugdprofessional voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

De moeder heeft lange tijd aangegeven dat zij een [jeugdbeschermer] wil, die haar ondersteunt in de drukte rond alle hulpverlening in het gezin. Om niet nog een partij te betrekken, is er na overleg met [de instelling] besloten de intensieve gezinsbegeleider van [de instelling] de taken van [de instelling 4] op zich te laten nemen. Hierop heeft de jeugdprofessional [de instelling] de opdracht gegeven de moeder te begeleiden/ondersteunen bij haar vragen. Op 2 oktober 2018 heeft er een groot overleg plaatsgevonden, waar de jeugdprofessional tot drie keer toe aan de gedragswetenschapper van [de instelling] heeft gevraagd of [de instelling] hulp kan bieden aan de moeder. Uiteindelijk heeft de gedragswetenschapper aangegeven dat dat niet het geval is. Hierop heeft de jeugdprofessional alsnog contact opgenomen met [de instelling 4] voor aanmelding. Er was een wachtlijst. Omdat de moeder aangaf [de instelling 4] dringend nodig te hebben, heeft de jeugdprofessional contact opgenomen met de bureaudienst van [de instelling 4]. Toen is afgesproken dat de jeugdprofessional de casus en de vragen van de moeder aan [de instelling 4] zou mailen en heeft zij aangegeven dat de vragen van de moeder het beste samen met haar besproken konden worden. De moeder heeft de jeugdprofessional meerdere keren gevraagd om verslagen te sturen van de gevoerde gesprekken. De jeugdprofessional heeft steeds aangegeven dat er geen uitgebreide verslagen worden gemaakt en dat enkel de afspraken genoteerd worden. Het stond de moeder vrij zelf verslagen te maken.

4.5.3 Het College overweegt als volgt:

Het deel van de klacht over het niet nakomen van afspraken, is door de moeder summier onderbouwd. Uit de bijlage die de moeder ter ondersteuning van dit klachtonderdeel heeft bijgevoegd, heeft het College opgemaakt dat de moeder hier – onder meer – doelt op de zes-wekelijkse afspraken, die geen doorgang hebben gevonden, en op het te laat versturen van de (concept) rapportages. Hierover heeft het College in de voorgaande klachtonderdelen 1 en 3 reeds een oordeel gegeven en zal hier om die reden niet meer op ingaan. Ook voor het verdraaien van afspraken heeft de moeder geen specifieke voorbeelden aangedragen, zodat het voor het College niet is vast te stellen of dit aan de orde is geweest.

Ten aanzien van de klacht dat de afspraken alleen mondeling werden gemaakt en dat er geen gespreksverslagen zijn gemaakt, heeft de jeugdprofessional zowel in haar verweer als ter zitting toegelicht dat het niet gangbaar is om gespreksverslagen te maken en dat zij dat ook met de moeder besproken heeft. De jeugdprofessional heeft ter zitting aangevoerd dat zij er voor gekozen heeft zoveel mogelijk via de e-mail met beide ouders te communiceren, zoals ook staat opgenomen in het bijgevoegde contactjournaal van 9 februari 2018. Het College heeft geen aanwijzingen dat de jeugdprofessional met de manier waarop zij de afspraken maakte tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Binnen het tuchtrecht gaat het er niet om of het beter had gekund, maar of de jeugdprofessional is gebleven binnen de grenzen van een redelijke beroepsuitoefening.

Tot slot heeft de jeugdprofessional voldoende aangetoond dat zij zich heeft ingespannen een [jeugdbeschermer] voor de moeder in te zetten. Nadat [de instelling] de jeugdprofessional had geadviseerd niet nog een extra hulpverlenende instantie in te zetten, heeft de jeugdprofessional gevraagd of zij gezinsondersteuning (intensieve gezinsondersteuning) aan de moeder kon gaan bieden. Het College kan deze gedachtegang goed volgen. Vast staat dat [de instelling] daar aanvankelijk ook aan begonnen is, maar kennelijk niet kon beantwoorden aan de vragen van de moeder. Tijdens het overleg op 2 oktober 2018 heeft [de instelling] aangegeven bij nader inzien geen gezinsondersteuning (meer) te kunnen bieden. Ook vanaf dat moment heeft de jeugdprofessional zich naar het oordeel van het College voldoende ingezet om via [de instelling 4] voor de moeder een [jeugdbeschermer] te regelen. Toen bleek dat er een wachtlijst was, heeft de jeugdprofessional er druk op gelegd en aangegeven dat de moeder niet te lang meer kon wachten. Mogelijk is de periode tussen het verzoek en de datum waarop [de instelling 4] uiteindelijk begonnen is, relatief lang geweest, maar het College ziet wel een jeugdprofessional die zich voor de moeder heeft ingezet. In dit deel van de klacht ligt dan ook geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt.

4.5.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.6 Klachtonderdeel 6

4.6.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft geen regie gevoerd.

4.6.2 Toelichting:

In een gezinssysteem met veel hulpverlening en diagnoses is het van groot belang dat er een goede regievoering is. Omdat de jeugdprofessional, ondanks hier herhaaldelijk op aangesproken te zijn door de moeder en de hulpverlening, dat niet heeft opgepakt, is de druk bij de moeder terecht gekomen. Daardoor werd de moeder continu gezien als de boeman waardoor de zaken niet liepen.

4.6.3 De jeugdprofessional voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

Tijdens het gesprek op 5 juni 2018 tussen de gebiedsmanager, de moeder en de jeugdprofessional is uitleg gegeven over de taken van een jeugdzorgwerker en wat regievoering inhoudt. Daarnaast heeft de jeugdprofessional meerdere keren aangegeven dat de GI het traject van [de instelling] ondersteunt en dat als de moeder ontevreden is over het functioneren van [de instelling] zij daar een klacht kan indienen. De moeder heeft regelmatig aangegeven dat het aantal hulpverleners in haar gezin te groot werd. De moeder heeft in haar bijgevoegde e-mailbericht aan de jeugdprofessional en aan de gemeente verklaard dat zij wordt overvraagd. Hierop heeft de jeugdprofessional contact gehad met de gemeente over de wens van de moeder een [jeugdbeschermer] te willen en dat deze wens niet passend is bij de rol van jeugdzorgwerker. Zij heeft iemand nodig, die haar kan ondersteunen in het onderhouden van de contacten met de hulpverlening en de coördinatie hiervan. De gemeente was het hiermee eens en de GI heeft een aanvraag gedaan voor een [jeugdbeschermer]. Later heeft de moeder haar wens bijgesteld en wilde zij een regiemanager. Overigens wil de jeugdprofessional bij dit klachtonderdeel opmerken verrast te zijn over het door [de instelling] gevoerde verweer over de regievoering van de jeugdprofessional. De jeugdprofessional was tot nu toe onbekend met dit verweerschrift en zij is ook nimmer aangesproken op haar regie door [de instelling].

4.6.4 Het College overweegt als volgt:

Dit laatste klachtonderdeel over het ontbreken van de regie is in de ogen van het College de kern van de onvrede van de moeder over de jeugdprofessional. In het algemeen komt het College tot de conclusie dat de jeugdprofessional in deze casus meer de regie had kunnen en moeten nemen. Er is sprake van een gezin met complexe problematiek, waar veel hulpverlening bij betrokken is. [de instelling] heeft in het najaar van 2017 van de GI de opdracht gekregen om het traject te starten, dat zorgt voor omgangsbegeleiding en ouderschapsbemiddeling. Aan de ene kant staat voor het College voldoende vast dat deze rolverdeling tussen de GI en [de instelling] voor de nodige onduidelijkheid heeft gezorgd, waar juist een strakke regievoering door de jeugdprofessional nodig zou zijn geweest. Het College ziet dit gebrek aan duidelijkheid onder meer terug in het door de jeugdprofessional bijgevoegde e-mailbericht van 9 februari 2018, gericht aan de ouders en in het verweer van [de instelling] van 5 februari 2019 (pagina 3 over ‘communicatie’) naar aanleiding van de klacht die de moeder bij [de instelling] heeft ingediend. Aan de andere kant ziet het College een moeder die zich af en toe – vanwege persoonlijke omstandigheden – terug trok waardoor de hulpverlening vertraging opliep, op andere momenten veel verwachtte van de jeugdprofessional en ook zelf acties ondernam. Maar de werkzaamheden van een jeugdbeschermer dienen er nu eenmaal op gericht te zijn passende (gespecialiseerde) hulp door derden in te zetten en toezicht te houden op het hulp- en dienstverleningsproces en het samenwerken met de hele keten (lokale instellingen, scholen enz.). Dit alles ter bevordering van een integrale aanpak. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional deze rol van regievoerder te weinig naar zich toe heeft getrokken. De jeugdprofessional heeft met de moeder over het algemeen onvoldoende overeenstemming/instemming omtrent de hulp- en dienstverlening gezocht en bereikt. Daarmee heeft zij onvoldoende bijgedragen aan een transparante en eenduidige regie van de hulpverlening en aan de ketenhulpverlening. De jeugdprofessional heeft naar het oordeel van het College artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening), artikel N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening en artikel O (Beroepsuitoefening en samenwerking) geschonden.

4.6.5 Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

4.7 Conclusie

4.7.1 Het College komt op grond van het vorenstaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot de klachtonderdelen 3 en 6 (geheel) en klachtonderdeel 1 (deels) tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. De jeugdprofessional heeft ook na een verzoek van de moeder foutieve informatie in de rapportages niet aangepast, de jeugdprofessional was in een bepaalde periode minder bereikbaar en heeft onvoldoende de regie genomen. De jeugdprofessional heeft in strijd gehandeld met artikel G (Overeenstemming/instemming over de hulp- en dienstverlening),
M (Verslaglegging/dossiervorming), N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening) en artikel O (Beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode.

4.7.2 Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid houdt het College rekening met de omstandigheden waaronder de jeugdprofessional heeft moeten handelen. De jeugdprofessional is een startende professional die zich naar het oordeel van het College steviger had moeten positioneren. Zij is tijdens haar betrokkenheid echter geconfronteerd met een gezin met complexe problematiek en veel hulpverlening. Daarbij was er [de instelling] die in opdracht van de GI de feitelijke hulpverlening uitvoerde, een moeder die de expert was over de kinderen, die veel verwachtte van de jeugdprofessional, maar zich als gevolg van omstandigheden ook periodes terug trok, wat de hulpverlening vervolgens vertraagde. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de jeugdprofessional zich leerbaar opgesteld door aan te geven dat zij beter had moeten toelichten waarom zij voor de moeder in een periode minder goed bereikbaar was. Volgens de jeugdprofessional zijn dat leermomenten. Daarnaast is het College gebleken dat de jeugdprofessional veelvuldig intern heeft overlegd over deze casus, en ook op een aantal momenten haar excuses heeft aangeboden voor de gang van zaken. In juli 2018 heeft zij intern gevraagd of zij de zaak mocht overdragen omdat de aan haar toebedeelde caseload zwaar was en de samenwerking met de moeder op dat moment al niet meer naar tevredenheid verliep. Dat verzoek heeft de jeugdprofessional in september 2018 herhaald. Dat er voor overdacht van de zaak binnen de GI tot twee keer toe geen ruimte was, betreurt het College, maar dat kan de jeugdprofessional niet worden aangerekend. Gelet op bovengenoemde omstandigheden ziet het College af van het opleggen van een maatregel aan de jeugdprofessional.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart de klachtonderdelen 3 en 6 gegrond;
– verklaart klachtonderdeel 1 deels gegrond;
– verklaart de klachtonderdelen 2, 4 en 5 ongegrond;
– ziet af van het opleggen van een maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 9 oktober 2019 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns                                                  mevrouw mr. E.C. Abbing

voorzitter                                                                                             secretaris