De jeugdbeschermer kan enkel ten aanzien van de plotselinge terugplaatsing van de zoon bij de moeder en het onvoldoende wijzen van de moeder op de afspraken omtrent de contacten met de zoon tijdens de uithuisplaatsing, een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Het College van Beroep ziet aanleiding om de maatregel van berisping in te trekken en legt de maatregel van waarschuwing op

Het College van Beroep heeft beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.P. van der Linden, voorzitter,
mevrouw mr. H.C.L. Greuters, lid-jurist,
de heer M.M. Last, beroepsgenoot,
de heer W.L. Scholtus, beroepsgenoot,
mevrouw M. de Roos, beroepsgenoot,

in de zaak van:

[klager], klager in eerste aanleg, hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats],

tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als gezinsmanager bij de gecertificeerde instelling [GI] Regio [regio], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.V. Verweij.

De vader wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [gemachtigde], partner van de vader.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. M. Kramer, advocaat te Amsterdam.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift, met de bijlagen, dat de vader op 4 januari 2019 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– het verweerschrift, met de bijlagen, dat de jeugdprofessional op 16 oktober 2019 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 19.300T van 10 januari 2020;
– het (aangepaste) beroepschrift dat de vader op 23 maart 2020 tegen voornoemde beslissing heeft ingediend;
– het verweerschrift, tevens inhoudende incidenteel beroep, dat de jeugdprofessional op 17 juni 2020 heeft ingediend;
– het verweerschrift tegen het incidenteel beroep, dat de vader op 27 augustus 2020 heeft ingediend;
– de pleitnota die de gemachtigde van de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft overgelegd en de overgelegde notitie van de jeugdprofessional.

1.2 Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht klachtonderdeel 1 deels gegrond verklaard, de vader deels niet-ontvankelijk verklaard in de klachtonderdelen 2 en 4 en deze klachtonderdelen voor het overige ongegrond verklaard. Klachtonderdeel 3 heeft het College van Toezicht ongegrond verklaard en aan de jeugdprofessional is de maatregel van berisping opgelegd, zonder openbaarmaking van deze maatregel.

1.3 De vader heeft op 25 februari 2020 tegen deze beslissing – tijdig – beroep aangetekend.

1.4 De jeugdprofessional heeft op 17 juni 2020 een verweerschrift tegen het beroep ingediend. In dit verweerschrift heeft de jeugdprofessional tevens incidenteel beroep ingesteld tegen de beslissing van het College van Toezicht.

1.5 Op 2 juli 2020 heeft de vader een wrakingsverzoek ingediend tegen de toenmalige voorzitter van het College van Beroep met als gevolg dat de procedure in de hoofdzaak (zaaknummer 20.004B) is aangehouden. De gewraakte voorzitter heeft berust in de wraking. Hierna zijn partijen op de hoogte gebracht van de opvolgend voorzitter van het College van Beroep en is de procedure in de hoofdzaak voortgezet.

1.6 De mondelinge behandeling van het beroep heeft geruime tijd niet plaats kunnen vinden in verband met het landelijk aangescherpte COVID-19 beleid. De mondelinge behandeling van het beroep heeft uiteindelijk plaatsgevonden op 26 mei 2021 in aanwezigheid van de vader, de jeugdprofessional en de gemachtigden.

1.7 Na afloop van de mondelinge behandeling van het beroep heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken wordt verstuurd.

2     De feiten

Het College van Beroep gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft drie kinderen. Twee van de drie kinderen zijn ten tijde van het indienen van de klacht meerderjarig (hierna te noemen: de meerderjarige dochter en de meerderjarige zoon, of samen: de meerderjarigen). De jongste zoon (hierna te noemen: de zoon) is op het moment van het indienen van de klacht 17 jaar oud. Het ouderlijk gezag over de zoon werd ten tijde van zijn minderjarigheid gezamenlijk uitgeoefend door de vader en de moeder (hierna te noemen: de ouders). In oktober 2016 is het huwelijk van de ouders ontbonden. De zonen wonen bij de moeder en de dochter woont zelfstandig. Tussen de vader en de jongste zoon heeft een contactregeling bestaan.

2.2 De vader heeft een melding gedaan bij Veilig Thuis omdat hij zorgen heeft over de kinderen. Veilig Thuis heeft in eerste instantie het advies gegeven voor specialistische hulp. Omdat de moeder niet akkoord ging met dit advies was het voornemen de zaak op te schalen naar de Jeugdbeschermingstafel. Nadat de moeder tussentijds had aangegeven open te staan voor een vrijwillig traject bij de GI, is de GI op 22 juli 2016 betrokken geraakt.

2.3 De jeugdprofessional is 17 augustus 2016 van start gegaan als gezinsmanager bij het gezin (daarvoor was een andere gezinsmanager betrokken). Op 21 september 2016 heeft de jeugdprofessional afzonderlijk met de ouders kennisgemaakt. Bij de moeder thuis heeft de jeugdprofessional ook gesproken met beide zonen. Daarna heeft een aantal gezamenlijke gesprekken plaatsgevonden met de ouders, de kinderen en de jeugdprofessional.

2.4 Naar aanleiding van een e-mailbericht van de vader van 21 november 2016 heeft op 8 december 2016 een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden, waarbij aanwezig waren de vader en zijn partner, de jeugdprofessional en de teammanager.

2.5 De vader heeft op 6 maart 2017 een klacht ingediend tegen de jeugdprofessional en de teammanager bij de klachtencommissie van de GI. De klacht is ongegrond verklaard, omdat er geen concrete nalatigheden ontdekt konden worden.

2.6 Op 22 maart 2017 heeft de kinderrechter bepaald dat de zoon met ingang van deze datum tot 1 april 2017 voorlopig onder toezicht wordt gesteld van de GI. Ook is de GI gemachtigd de zoon voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor netwerkpleegzorg, te weten bij de oom en tante van vaderszijde, hierna ook te noemen: het netwerkpleeggezin. De ouders hebben beiden één bezoekmoment per week.

2.7 Op 31 maart 2017 heeft de kinderrechter de zoon per deze datum tot 31 maart 2018 onder toezicht gesteld van de GI en is een machtiging verleend de zoon voor de duur van 1 april 2017 tot 22 juni 2017 uit huis te plaatsen bij het netwerkpleeggezin.

2.8 Op 10 mei 2017 heeft de jeugdprofessional een evaluatiegesprek gevoerd met de moeder, de zoon en de oom en tante. Tijdens dit gesprek heeft de zoon aangegeven zijn broer en zus te missen, maar dat hij nog niet klaar is om terug te gaan naar de moeder.

2.9 Op 24 mei 2017 is de zoon teruggeplaatst bij de moeder. Op dezelfde dag heeft de zoon de jeugdprofessional gemaild over zijn terugplaatsing. De zoon heeft onder meer geschreven dat de terugplaatsing niet verlopen is zoals de jeugdprofessional van tevoren had aangegeven. Pas wanneer er hulp zou zijn bij de moeder thuis zouden de betrokkenen met elkaar om de tafel gaan zitten om te bespreken wanneer de zoon terug zou willen en kunnen gaan. De zoon heeft in het e-mailbericht ook verklaard dat hem altijd is gezegd dat zijn mening uitgangspunt is, maar dat achteraf blijkt dat er niet naar hem is geluisterd. De zoon gaat in die periode één weekend in de twee weken naar de vader.

2.10 Op 29 mei 2017 heeft een startgesprek plaatsgevonden met [de instelling] voor opvoedondersteuning van de moeder. De hulpverlening is in september 2017 gestart, maar niet goed van de grond gekomen. In oktober en november 2017 is door de jeugdprofessional opnieuw een aanmelding gedaan voor hulpverlening door [de instelling].

2.11 Op 30 mei 2017 heeft een eindgesprek plaatsgevonden over het verblijf van de zoon bij het netwerkpleeggezin, in het bijzijn van de moeder, de oom en tante, de jeugdprofessional en een collega. De vader was uitgenodigd, maar niet aanwezig. In dat gesprek heeft het netwerkpleeggezin aangegeven dat zij zich bij de terugplaatsing onder druk gezet heeft gevoeld.

2.12 Op 11 september 2017 heeft een zitting plaatsgevonden over de hoofdverblijfplaats van de beide zonen. De vader heeft op dat moment verklaard dat het hem beter lijkt geen contact met de zonen te hebben, om hen rust te gunnen.

2.13 In december 2017 heeft de jeugdprofessional een gesprek gehad met de zoon. De jeugdprofessional heeft excuses aangeboden, omdat de zoon heeft gezegd dat er niet naar hem geluisterd is met betrekking tot de terugplaatsing bij de moeder.

2.14 In de eerste week van januari 2018 is de jeugdprofessional ziek geworden, en sindsdien niet meer bij het gezin van de vader betrokken geweest.

2.15 Op 9 maart 2018 heeft de vader voor de tweede keer een klacht ingediend bij de klachtencommissie van de GI, wederom tegen de jeugdprofessional en de teammanager. De klachtencommissie heeft op 18 september 2018 geoordeeld dat de klacht grotendeels overeenkomt met de klacht uit 2017. Daarom heeft de klachtencommissie de vader deels niet-ontvankelijk verklaard. Twee klachtonderdelen zijn wel gegrond verklaard, namelijk dat de jeugdprofessional van de ene op de andere dag eiste dat de uithuisplaatsing van de zoon in het netwerkpleeggezin stopgezet moest worden, terwijl hierover geen overleg met de zoon heeft plaatsgevonden. Daarnaast werd te lang vastgehouden aan het voeren van systeemgesprekken, terwijl al duidelijk was dat dit niet werkte, aldus de klachtencommissie.

2.16 De jeugdprofessional heeft van [datum] 2013 tot en met [datum] 2020 geregistreerd gestaan als jeugdzorgwerker in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2020 staat zij geregistreerd als jeugd- en gezinsprofessional.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College van Beroep beantwoordt de vraag of een jeugdprofessional bij het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College van Beroep toetst het (beroepsmatig) handelen van de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessionals aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en/of nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.3 Het beroepschrift van de vader richt zich tegen de beoordeling van klachtonderdeel 1 dat door het College van Toezicht deels gegrond is verklaard, tegen klachtonderdelen 2 en 4 die deels ongegrond zijn verklaard en waarin de vader voor het overige deel niet-ontvankelijk is verklaard en tegen klachtonderdeel 3 dat door het College van Toezicht ongegrond is verklaard. Het incidenteel beroepschrift van de jeugdprofessional richt zich tegen de beoordeling van klachtonderdelen 1, 2 en 4, voor zover deze gegrond zijn verklaard.

4     Ontvankelijkheid incidenteel beroep

4.1 De vader heeft in het verweerschrift tegen het incidenteel beroep de ontvankelijkheid van de jeugdprofessional in het namens haar ingestelde incidenteel beroep aan de orde gesteld. Het College van Beroep dient derhalve eerst de ontvankelijkheid te toetsen alvorens het toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden in incidenteel beroep.

4.2 De vader stelt zich op het standpunt dat de jeugdprofessional de termijnen van artikel 12.1 en 12.9 van het Tuchtreglement (versie 1.2) heeft overschreden. De jeugdprofessional heeft geen gegronde reden om na vele maanden en diverse malen uitstel incidenteel beroep in te stellen. De vader verzoekt het College van Beroep dan ook het incidenteel beroep af te wijzen.

4.3 De jeugdprofessional heeft zich tijdens de mondelinge behandeling van het beroep op het standpunt gesteld dat zij ontvangen dient te worden in het incidenteel beroep omdat incidenteel beroep kan worden ingesteld bij een verweerschrift. Aangezien er uitstel is verleend voor het indienen van het verweerschrift is eveneens uitstel gegeven voor het instellen van incidenteel beroep.

4.4 Het College van Beroep oordeelt over de ontvankelijkheid van de jeugdprofessional in het incidenteel beroep als volgt. Op grond van artikel 12.9 van het Tuchtreglement (versie 1.2) kan de andere partij dan de partij die het beroep heeft ingesteld bij het verweerschrift incidenteel beroep instellen. De voorzitter van het College van Beroep heeft naar aanleiding van een gemotiveerd verzoek van de jeugdprofessional tweemaal uitstel verleend voor het indienen van het verweerschrift. Het College van Beroep sluit zich aan bij het standpunt van de jeugdprofessional dat een verleend uitstel voor het indienen van het verweerschrift eveneens geldt voor het daarin op te nemen incidenteel beroep. Het College van Beroep ziet dan ook geen aanleiding de jeugdprofessional niet-ontvankelijk te verklaren in het incidenteel beroep.

5     Het (incidentele) beroep, verweer en de beoordeling

5.1.1 Hierna zullen de in het (incidenteel) beroepschrift aangehaalde klachtonderdelen een voor een worden besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in (incidenteel) beroep, evenals het verweer in (incidenteel) beroep. Daarna volgt het oordeel van het College van Beroep. Het geheel eindigt met een conclusie.

5.1.2 Het College van Beroep wijst er nog op dat in een beroepsprocedure alleen grieven kunnen worden aangevoerd die zien op de beoordeling van de oorspronkelijke klachtonderdelen zoals geformuleerd bij het College van Toezicht. Voor zover de vader in zijn beroepschrift nieuwe klachtonderdelen heeft opgenomen zijn deze niet in deze beslissing opgenomen en kan het College van Beroep daar geen oordeel over geven.

5.2 Klachtonderdeel 1 (principaal en incidenteel beroep)

5.2.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 1 als volgt geformuleerd: “De jeugdprofessional heeft gedurende de ondertoezichtstelling onvoldoende toezicht gehouden op het functioneren van de zoon.”

5.2.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “Dat er tussen juni 2017 en december 2017 geen enkel contact is geweest tussen de jeugdprofessional en de zoon kan het College [van Toezicht] niet vaststellen. Het is echter wel aannemelijk dat er relatief weinig contact is geweest en in ieder geval geen face-to-face contact. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional desgevraagd verklaard dat zij in genoemde periode Whatsappcontact met de zoon onderhield en dat die contactmomenten in het systeem van de GI zijn vastgelegd. Nu de jeugdprofessional hier geen enkel bewijs van heeft overgelegd, heeft zij naar het oordeel van het College [van Toezicht] onvoldoende aangetoond dat zij in genoemde periode regelmatig contact onderhield met de zoon. De zoon is op 24 mei 2017 – lopende de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing – teruggeplaatst bij de moeder, terwijl hij op diezelfde dag een e-mailbericht aan de jeugdprofessional heeft geschreven daar nog niet klaar voor te zijn. Vaststaat dat de jeugdprofessional en de zoon hierover pas in december 2017 met elkaar in gesprek zijn gegaan. Nu er zes maanden heeft gezeten tussen het moment van terugplaatsing van de zoon en genoemd gesprek, heeft de jeugdprofessional in de ogen van het College [van Toezicht] niet aannemelijk kunnen maken dat zij in die periode de belangen van de zoon voldoende heeft behartigd.
Ten aanzien van de plotselinge terugplaatsing van de zoon bij de moeder op 24 mei 2017 overweegt het College [van Toezicht] als volgt. De zoon verbleef sinds 22 maart 2017 in het netwerkpleeggezin. Op 10 mei 2017 heeft er een gesprek plaatsgevonden waarbij aanwezig waren de zoon, de moeder, het netwerkpleeggezin en de jeugdprofessional. Tijdens dat gesprek heeft de zoon kennelijk aangegeven (nog) niet naar huis te willen. Voor het College [van Toezicht] staat vast dat de zoon op 24 mei 2017 plotseling, en met spoed, is teruggeplaatst bij de moeder. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional verklaard dat er een plan voor terugplaatsing gemaakt zou gaan worden. Echter, toen op 10 mei 2017 bleek dat de tante een vijandige houding had naar de moeder toen én de zoon in een loyaliteitsconflict zat, is besloten de zoon eerder terug te plaatsen om te voorkomen dat de relatie tussen de zoon en de moeder verder zou worden geschaad. De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht benadrukt dat zij de beslissing de zoon eerder terug te plaatsen zowel met de RvdK heeft besproken, als intern heeft afgestemd. Nu bleek dat de zoon niet aardde, mocht zij dit nadat zij hier overleg over had gepleegd zelf beslissen. Het College [van Toezicht] verwijst in dit verband naar artikel 1:265d BW dat bepaalt dat de GI de uithuisplaatsing kan beëindigen voordat de termijn van de machtiging afloopt, mits de uithuisplaatsing niet langer noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot het verrichten van het onderzoek (van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid), bedoeld in artikel 1:265b lid 1BW en het belang van de minderjarige zich niet tegen beëindiging verzet. In het rapport van de RvdK van 10 april 2017 op pagina 29 (naar aanleiding van een verzoek van de rechtbank bij beschikking van 6 januari 2017 een onderzoek in te stellen) leest het College [van Toezicht] dat binnen de drie maanden na het verlenen van de machtiging tot uithuisplaatsing onderzocht diende te worden hoe de terugplaatsing van de zoon naar de moeder in zijn belang vormgegeven kon worden. In dat licht bezien, acht het College [van Toezicht] het niet navolgbaar dat de jeugdprofessional de uithuisplaatsing van de zoon op 24 mei 2017 heeft beëindigd. Temeer nu de zoon zelf aangaf daar (nog) niet aan toe te zijn en het derhalve niet in zijn belang leek te zijn. Het enkele gegeven dat de tante mogelijkerwijs negatief was over de moeder, dat de zoon aangaf zijn broer en zus te missen en dat hij volgens de jeugdprofessional in een loyaliteitsconflict verkeerde, is naar het oordeel van het College [van Toezicht] onvoldoende reden de zoon tussentijds – en zo plotseling – terug te plaatsen. Dat het netwerkpleeggezin zich daarbij mogelijk onder druk gezet heeft gevoeld, kan volgens het College [van Toezicht] een logisch gevolg zijn van deze plotselinge actie, maar is onvoldoende aangetoond en onderbouwd.
Tot slot staat voor het College [van Toezicht] voldoende vast dat de jeugdprofessional de moeder niet of onvoldoende heeft gewezen op, en gehouden heeft aan, de afspraken omtrent de contactafspraken met de zoon tijdens de uithuisplaatsing, Het dossier bevat een e-mailbericht van 10 mei 2017 van de oom aan de jeugdprofessional, waarin nauwgezet beschreven staat op welke momenten de moeder de zoon heeft benaderd. Dit was veel meer dan afgesproken en derhalve in strijd met de regeling die er lag over het contact tussen de moeder en de zoon (zie ook gezinsplan van 22 mei 2017). Het College [van Toezicht] is van oordeel dat de jeugdprofessional hier strakker de regie had moeten nemen. Zij had de moeder moeten wijzen op de gemaakte afspraken, mede om het doel van de uithuisplaatsing de zoon tijdelijk rust te gunnen en uit de strijd tussen zijn ouders te halen, te kunnen verwezenlijken. Het College [van Toezicht] is van oordeel dat de jeugdprofessional artikel A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en E (Respect) van de Beroepscode heeft geschonden. In de toelichting bij artikel E staat dat ‘respect’ in situaties waarin het welzijn van kwetsbare jeugdigen wordt bedreigd ook actieve ‘bescherming’ kan betekenen. Het College [van Toezicht] verwijst tevens naar de Richtlijn ‘Uithuisplaatsing’, waar op pagina 44 is opgenomen dat bij een beslissing over terugplaatsing het doel van de uithuisplaatsing tussen de ouder(s) en de jeugdige bereikt moet zijn. Nu het doel was de zoon rust te geven en hij zelf aangaf nog niet klaar te zijn voor terugplaatsing, is het College [van Toezicht] van oordeel dat de jeugdprofessional dit aandachtspunt onvoldoende in haar beslissing heeft meegewogen. Het College [van Toezicht] zal op het deel van de klacht dat er een gebrek was aan hulpverlening aan de zoon terugkomen bij klachtonderdeel 2.” Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel deels gegrond verklaard, namelijk voor zover het betrekking heeft op het schaarse contact tussen de zoon en de jeugdprofessional, de plotselinge terugplaatsing van de zoon bij de moeder en het ontbreken van regie naar de moeder toe met betrekking tot de contactmomenten. Het deel van de klacht dat toeziet op het onder druk zetten van het netwerkpleeggezin is door het College van Toezicht ongegrond verklaard.

5.2.3 Het College van Beroep ziet aanleiding zich uit te laten over de ontvankelijkheid van de vader in principaal beroep met betrekking tot klachtonderdeel 1, alvorens in te gaan op de grieven die hij in dit kader naar voren heeft gebracht. Het College van Beroep wijst erop dat voor zover de grieven van de vader zien op de contactmomenten tussen de jeugdprofessional en de zoon in de periode van 24 mei en december 2017 en de plotselinge terugplaatsing van de zoon bij de moeder, het College van Toezicht dit gedeelte van de klacht gegrond heeft verklaard, zodat hier door de vader geen grief tegen kan worden gericht. Het College van Beroep oordeelt dan ook dat de vader niet-ontvankelijk is in het principaal beroep, voor zover dat zich richt op de gegrondverklaring van deze onderdelen van klachtonderdeel 1.

5.2.4 De vader voert – voor zover thans nog van belang – voorts het volgende aan tegen de beoordeling van klachtonderdeel 1. Volgens de vader blijkt uit de stukken dat de jeugdprofessional op vele fronten niet handelde naar de uitspraken van de rechter en door haar gemaakte afspraken ten aanzien van de hulpverlening die zij zou inzetten. Er kwam geen hulp en de zoon stond onder toezicht, zonder dat er toezicht op hem werd gehouden. Wat betreft het oordeel van het College van Toezicht dat onvoldoende aangetoond en onderbouwd is dat het netwerkpleeggezin onder druk is gezet, verwijst de vader naar de uitspraak van de klachtencommissie van de GI van 18 september 2018. De vader merkt hierover op dat de manier waarop de jeugdprofessional druk meende te moeten zetten, geen incident is. De jeugdprofessional maakte structureel misbruik van haar positie. Niet alleen richting het netwerkpleeggezin, maar ook richting de vader, zijn partner en de zoon. De vader verzoekt het klachtonderdeel opnieuw te beoordelen en geheel gegrond te verklaren.

5.2.5 De jeugdprofessional voert het volgende aan, voor zover thans nog aan de orde. De klacht van de vader over het onder druk zetten van het netwerkpleeggezin heeft geen betrekking op de vader maar op het netwerkpleeggezin, zodat de vader op grond van artikel 7.5 sub e van het Tuchtreglement (versie 1.2) op dit punt niet-ontvankelijk is. Daarnaast sluit het verwijt dat de jeugdprofessional het netwerkpleeggezin onder druk heeft gezet niet aan bij het klachtonderdeel.
De jeugdprofessional stelt in incidenteel beroep dat klachtonderdeel 1 ten onrechte (gedeeltelijk) gegrond is verklaard. Daarnaast treedt het College van Toezicht in de beoordeling van de klacht buiten het geformuleerde klachtonderdeel. Verder voert de jeugdprofessional aan dat uit de stukken en de feitelijke situatie (het netwerkpleeggezin heeft niet het pleegzorgtraject doorlopen) volgt dat de plaatsing van de zoon bij het netwerkpleeggezin tijdelijk zou zijn. Bovendien heeft de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) reeds in april 2017, nog voor de daadwerkelijke terugplaatsing van de zoon bij de moeder, geconcludeerd dat de verblijfplaats van de zoon bij de moeder dient te zijn. Daarnaast blijkt uit de onderzoeken van de RvdK en de beschikking van de kinderrechter van 31 maart 2017 dat de (tijdelijke) uithuisplaatsing bedoeld was om de impasse te doorbreken (de vader weigerde de zoon terug te brengen naar de moeder en hield hem thuis van school) en om de zoon rust te geven. De impasse is met de uithuisplaatsing weliswaar doorbroken, maar de vereiste rust is met de tijdelijke uithuisplaatsing niet bereikt. Om een nieuwe impasse te voorkomen heeft de jeugdprofessional de terugplaatsing bij de moeder, die zij op 10 mei 2017 met betrokkenen had besproken, bespoedigd door de terugplaatsing op 24 mei 2017 te laten plaatsvinden. Wat betreft het contact met de zoon na de terugplaatsing bij de moeder voert de jeugdprofessional aan dat zij de zoon na de terugplaatsing heeft gezien tijdens het huisbezoek op 20 mei 2017, waarbij het intakegesprek heeft plaatsgevonden met de ambulant werker van [de instelling], de moeder en de zoon. Een gesprek over de terugplaatsing wilde de jeugdprofessional persoonlijk met hem voeren, maar dat lukte niet tijdens datzelfde huisbezoek in verband met voornoemd intakegesprek. Na dat huisbezoek hield de zoon face to face contact structureel af en reageerde hij niet op haar verzoeken voor een afspraak. In december 2017 is het uiteindelijk tot een goed gesprek gekomen. Voor het toezicht op de zoon (en daar gaat klachtonderdeel 1 over) heeft de jeugdprofessional ambulante hulpverlening ingezet, onderhield de jeugdprofessional contact met de school en is de jeugdprofessional op huisbezoek geweest. De zoon wilde niet deelnemen aan dat gesprek. Het verwijt dat het de jeugdprofessional niet eerder is gelukt om een persoonlijk gesprek met de zoon te voeren, is niet hetzelfde als het verwijt dat de jeugdprofessional te weinig toezicht had op de zoon.

5.2.6 De vader heeft tegen het incidenteel beroep van de jeugdprofessional geen inhoudelijk verweer gevoerd.

5.2.7 Het College van Beroep overweegt, voor zover thans nog aan de orde, als volgt. Ten aanzien van de klacht van de vader dat de jeugdprofessional het netwerkpleeggezin onder druk heeft gezet voert de jeugdprofessional aan dat de vader niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deze klacht geen betrekking heeft op de vader, maar op het netwerkpleeggezin. Het College van Beroep kan dit standpunt niet volgen en ziet geen aanleiding de vader niet-ontvankelijk te verklaren in dit gedeelte van de klacht. Het onder druk zetten van het netwerkpleeggezin kan immers ook gevolgen hebben voor de vader en/of de zoon, zodat de vader er belang bij kan hebben hierover een klacht in te dienen. Van een uitbreiding van de klacht op dit punt, zoals de jeugdprofessional heeft betoogd, is naar het oordeel van het College van Beroep geen sprake. Dit verwijt is immers terug te lezen in klachtonderdeel 1, zoals door de vader geformuleerd. Het voorgaande doet er echter niet aan af dat het College van Beroep zich aansluit bij het oordeel van het College van Toezicht dat de vader onvoldoende heeft aangetoond en onderbouwd dat de jeugdprofessional het netwerkpleeggezin onder druk heeft gezet. Ook in beroep heeft de vader geen stukken overgelegd waaruit dit blijkt. In zoverre faalt de grief van de vader. Ten aanzien van het principaal beroep verwijst het College van Beroep voor het overige naar hetgeen in deze beslissing is opgenomen onder 5.1.2. De beroepsgronden kunnen alleen betrekking hebben op de beoordeling van het College van Toezicht van de oorspronkelijke klachtonderdelen.
In incidenteel beroep heeft de jeugdprofessional naar voren gebracht dat het College van Toezicht klachtonderdeel 1 (te) ruim heeft uitgelegd, voor zover de klacht betrekking heeft op de plotselinge terugplaatsing van de zoon bij de moeder. Het College van Beroep oordeelt dat het verwijt van de vader over de gang van zaken met betrekking tot de plotselinge terugplaatsing betrekking heeft op een deel van klachtonderdeel 1 en een deel van klachtonderdeel 2, zoals het College van Toezicht terecht heeft overwogen. Omwille van de leesbaarheid van deze beslissing zal het College van Beroep de klacht met betrekking tot de plotseling terugplaatsing van de zoon bij de moeder, welk onderdeel dus in de bestreden beslissing aan de orde komt bij klachtonderdeel 1 en waarnaar wordt verwezen in klachtonderdeel 2, thans inhoudelijk beoordelen. In beroep heeft de jeugdprofessional (opnieuw) toegelicht welke afwegingen zij heeft gemaakt in aanloop naar de terugplaatsing van de zoon bij de moeder. Het College van Beroep heeft geen nieuwe gezichtspunten kunnen ontdekken die de stelling van de jeugdprofessional ondersteunen dat dit gedeelte van de klacht ten onrechte gegrond is verklaard en neemt het oordeel van het College van Toezicht volledig over. Het College van Toezicht heeft in het oordeel alle omstandigheden van het geval meegewogen en heeft naar het oordeel van het College van Beroep terecht geoordeeld dat er onvoldoende redenen waren de zoon zo plotseling en abrupt terug te plaatsen naar de moeder. Alhoewel het College van Beroep het navolgbaar acht dat de jeugdprofessional zorgen had over het verblijf van de zoon in het netwerkpleeggezin, valt naar het oordeel van het College van Beroep niet in te zien dat de situatie zo bedreigend en acuut was dat direct ingrijpen noodzakelijk was.
Voor zover de jeugdprofessional aanvoert dat het gedeelte van de klacht over de contactmomenten tussen de jeugdprofessional en de zoon in de periode van 24 mei tot december 2017 niet onder klachtonderdeel 1 valt, kan het College van Beroep dit standpunt niet volgen. Deze klacht volgt duidelijk uit de toelichting van de vader bij klachtonderdeel 1 en sluit naar het oordeel van het College van Beroep aan bij de formulering van het klachtonderdeel. Ditzelfde geldt voor de klacht met betrekking tot het onvoldoende wijzen van de moeder op de contactafspraken met de zoon. Wel volgt het College van Beroep de jeugdprofessional dat het College van Toezicht het gedeelte van de klacht met betrekking tot de contactmomenten tussen de jeugdprofessional en de zoon ten onrechte gegrond heeft verklaard. Zo spreken partijen elkaar ten aanzien van de (frequentie) van de contacten tussen de jeugdprofessional en de zoon in de periode van 24 mei tot december 2017 tegen. Het is vaste jurisprudentie dat onder deze omstandigheid de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan het verwijt niet vastgesteld kunnen worden, zodat dit gedeelte van de klacht niet gegrond kan worden bevonden. In zoverre vernietigt het College van Beroep het oordeel van het College van Toezicht en zal het klachtonderdeel op dit punt alsnog ongegrond worden verklaard. Ten aanzien van het klachtonderdeel inhoudende dat moeder niet of onvoldoende is gewezen op de contactafspraken met de zoon, oordeelt het College van Beroep dat zij in dit opzicht strakker de regie had moeten nemen en zij zich meer had moeten inspannen om de voor de zoon benodigde rust te creëren. De beslissing van het College van Toezicht wordt op dit punt dan ook gehandhaafd.

5.2.8 Het College van Beroep is van oordeel dat de vader niet-ontvankelijk is zijn beroep voor zover dit zich richt tegen de gegrond verklaarde onderdelen van klachtonderdeel 1. Voor het overige faalt de grief van de vader. Het incidentele beroep van de jeugdprofessional ten aanzien van klachtonderdeel 1 slaagt voor zover het betrekking heeft op de contactmomenten tussen de zoon en de jeugdprofessional in de periode van 24 mei tot december 2017 en voor het overige falen de grieven in incidenteel beroep.

5.3 Klachtonderdeel 2 (principaal en incidenteel beroep)

5.3.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 2 als volgt geformuleerd: “De jeugdprofessional heeft niet in het belang van de jongste zoon gehandeld en is onzorgvuldig geweest naar de meerderjarige zoon en dochter.

5.3.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “Het eerste deel van deze klacht gaat wederom over de terugplaatsing van de zoon. Het College [van Toezicht] verwijst naar het uitgebreide oordeel hierover bij klachtonderdeel 1. Het deel van de klacht dat de jeugdprofessional niet gesproken zou hebben met de meerderjarige zoon en dochter volgt het College [van Toezicht] niet. In het dossier, en dat is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht door de jeugdprofessional ook onweersproken bevestigd, is terug te lezen dat de jeugdprofessional wel degelijk meerdere gesprekken heeft gevoerd met de meerderjarige zoon. Het eerste gesprek was op 21 september 2016 bij de moeder thuis. Vervolgens hebben er op 26 september 2016 en op 4 oktober 2016 gesprekken plaatsgevonden waar de meerderjarige zoon ook bij aanwezig was en is er op 9 maart 2017 en gesprek geweest bij de vader thuis waar beide zonen bij waren. Tevens heeft de jeugdprofessional een gesprek gehad met de dochter. Nu de dochter op dat moment meerderjarig was, op kamers woonde en zelf aangaf geen vervolggesprekken meer te willen voeren, kan het College [van Toezicht] begrijpen dat de jeugdprofessional dat heeft gerespecteerd. Ten aanzien van de hulpverlening van [de instelling] heeft het College [van Toezicht] in de bijgevoegde stukken gelezen dat de hulpverlening voor de ouders op 24 mei 2017 is aangevraagd en in september 2017 van start zou gaan. Doordat de moeder kennelijk geen behoefte meer had aan hulp is dit toen niet van de grond gekomen. Voor het College [van Toezicht] staat voldoende vast dat de jeugdprofessional de ouders vervolgens op 9 oktober 2017 heeft bericht over een intake bij [de instelling] op 10 oktober 2017. Op dezelfde dag schrijft de jeugdprofessional de ouders dat de intake geen doorgang zal vinden omdat zij merkt dat er geen motivatie is. Op 10 oktober 2017 heeft de vader de jeugdprofessional gemaild met de mededeling dat hij openstaat voor [de instelling] en niet begrijpt waarom de afspraak is afgezegd. Vervolgens heeft het College [van Toezicht] in het dossier een e-mailbericht van 7 november 2017 van de jeugdprofessional aan de vader gezien waarin zij antwoordt dat dat verwarrend is, nu hij in september 2017 heeft verklaard zich terug te trekken als vader. De jeugdprofessional heeft de vader in hetzelfde e-mailbericht ook geadviseerd alsnog het gesprek met [de instelling] aan te gaan. In een volgend e-mailbericht van de vader aan de teammanager van 16 november 2017 leest het College [van Toezicht] dat hij opziet tegen een gesprek met [de instelling] maar wel wil dat er opnieuw een aanmelding wordt gedaan. Op 20 november 2017 is de vader door de teammanager geïnformeerd dat de jeugdprofessional opnieuw een aanmelding voor hulpverlening door [de instelling] heeft gedaan. Uit het dossier blijkt het College [van Toezicht] daarom geenszins dat de jeugdprofessional hierin geen actie heeft ondernomen. De jeugdprofessional heeft het gezin wel degelijk, zelfs meerdere keren voor hulpverlening aangemeld en heeft zich naar het oordeel van het College [van Toezicht] hier voldoende voor ingespannen. Ten aanzien van het derde deel van deze klacht dat de vader op pagina 5 in het gezinsplan van 8 februari 2018 en het aangepaste plan van 23 februari 2018 is neergezet als een man, die warrig en achterdochtig overkomt, verklaart het College [van Toezicht] de vader niet-ontvankelijk. Het College [van Toezicht] wijst erop dat de jeugdprofessional vanaf de eerst week van januari 2018 ziek is geworden en vanaf dat moment niet meer betroken is geweest bij de vader en het gezin. Ook al heeft zij mogelijk een aandeel gehad in het opstellen van genoemd gezinsplan was zij niet meer in staat dit af te ronden.” Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard met betrekking tot het niet spreken van de meerderjarige zoon en dochter en de onduidelijkheid over de hulpverlening. De vader is niet-ontvankelijk verklaard in het deel van de klacht over het gezinsplan van 23 februari 2018.

5.3.3 Ten aanzien van de meerderjarige zoon en dochter voert de vader aan dat hij niet beweert dat de jeugdprofessional niet met hen gesproken heeft, maar dat zijn klacht er op ziet dat zij geen hulp kregen. De vader verwijst in dit kader naar het verslag dat hij heeft opgesteld van een gesprek dat op 26 september 2016 heeft plaatsgevonden. Wat betreft de verwijzing van het College van Toezicht naar een e-mail van de jeugdprofessional aan de vader van 7 november 2017, waarin de jeugdprofessional schrijft dat de vader in september 2017 heeft verklaard zich terug te trekken als vader, wijst de vader er op dat deze e-mail slechts gedeeltelijk is geciteerd. De vader was zelfs bereid met de moeder in gesprek te gaan als dit zou betekenen dat er hulp zou komen. Ook vóór 16 november 2017 blijkt uit niets dat de vader niet gemotiveerd zou zijn voor hulp, integendeel. Het is om die reden bijzonder pijnlijk dat de vader wordt verweten dat hij niet duidelijk zou zijn geweest in zijn vraag om hulp en dat hij bovendien zou hebben gezegd geen contact te willen met zijn kinderen. De vader verzoekt het College van Beroep zijn reactie op het tweede bemiddelingsgesprek mee te nemen in de beoordeling. Verder voert de vader aan dat het College van Toezicht de suggestie wekt dat de vader klaagt omdat de jeugdprofessional geen actie zou hebben ondernomen. De vader beweert niet dat de jeugdprofessional geen actie heeft ondernomen, maar dat de hulpverlening niet is opgestart en hij nergens bij betrokken is. Tot slot is de vader het eens met het College van Toezicht dat de klachten over het aangepaste gezinsplan van 23 februari 2018 geen onderdeel zouden mogen uitmaken van de klacht. De vader verzoekt dit onderdeel echter te negeren, in plaats van niet-ontvankelijk te verklaren.

5.3.4 De jeugdprofessional stelt dat de vader niet kan worden ontvangen in het onderdeel van de klacht dat ziet op het betrekken van de meerderjarige zoon en dochter, dan wel het inzetten van hulp voor hen, omdat een klacht geen betrekking kan hebben op meerderjarige kinderen. Daarnaast benadrukt de jeugdprofessional dat zij meermalen actie heeft ondernomen om de ouders bij [de instelling] aan te melden voor hulpverlening. Omdat de moeder niet gemotiveerd bleek voor deze hulpverlening en de vader in september 2017 had aangegeven zich terug te trekken als vader, heeft de jeugdprofessional de ouders afgemeld voor de hulpverlening. Naar aanleiding van de e-mail van de vader van 16 november 2017 heeft de jeugdprofessional opnieuw een aanmelding voor hulpverlening gedaan. De overwegingen van het College van Toezicht zijn derhalve terecht en de bezwaren van de vader ongegrond. Ten aanzien van het gezinsplan van 23 februari 2018 merkt de jeugdprofessional op dat zij begin januari 2018 is uitgevallen. Het gezinsplan betreft het voornemen om geen verlenging van de ondertoezichtstelling aan te vragen. Dit besluit is niet genomen door de jeugdprofessional en dit gezinsplan is niet door de jeugdprofessional opgesteld. Ten overvloede merkt de jeugdprofessional op dat zij een autonome hulpverlener is en mag beschrijven uit eigen waarneming hoe een ouder op hem (of haar) overkomt.In incidenteel beroep stelt de jeugdprofessional dat klachtonderdeel 2 ten onrechte (gedeeltelijk) gegrond is verklaard. Hoewel in de beoordeling van het klachtonderdeel zelf klachtonderdeel 2 ongegrond is verklaard, is onder punt 5 van de beslissing (het dictum) opgenomen dat klachtonderdeel 2 deels ongegrond is. De jeugdprofessional merkt hierover op dat de klachtonderdelen 1 en 2 weliswaar beiden gedeeltelijk gegrond zijn verklaard, maar dat het gedeelte dat gegrond wordt verklaard in klachtonderdeel 2 toeziet op hetzelfde verwijt als in klachtonderdeel 1. Ten onrechte is in het dictum opgenomen dat klachtonderdeel 2 deels ongegrond is, terwijl is aangetoond dat (het ontvankelijke deel van) klachtonderdeel 2 geheel ongegrond is. Het kan niet zo zijn dat eenzelfde (identieke) klacht ten aanzien van de jeugdprofessional twee keer gegrond wordt verklaard. De jeugdprofessional verzoekt het College van Beroep dan ook om het huidige dictum ten aanzien van klachtonderdeel 2 aan te passen.

5.3.5 De vader heeft tegen het incidenteel beroep van de jeugdprofessional geen inhoudelijk verweer gevoerd.

5.3.6 Het College van Beroep oordeelt ten aanzien van het principaal beroep als volgt. Wat betreft de klacht van de vader over de meerderjarige zoon en dochter voert de vader in beroep aan dat zijn klacht niet inhoudt dat de jeugdprofessional geen contact met de meerjarige zoon en dochter heeft gehad, maar dat zij geen hulp kregen. Het College van Beroep is van oordeel dat dit verwijt geen onderdeel uitmaakt van het oorspronkelijke klachtonderdeel zoals geformuleerd bij het College van Toezicht. Het College van Beroep wijst op hetgeen hierover in deze beslissing onder 5.1.2 is opgenomen en laat dit verwijt buiten beschouwing. Ditzelfde geldt voor de klacht van de vader die hij in zijn beroepschrift formuleert en die inhoudt dat de jeugdprofessional haar taak niet uitvoerde en hem nergens bij betrok.
Ten aanzien van hulpverlening van [de instelling] werpen de grieven van de vader geen ander licht op het oordeel van het College van Toezicht. Het College van Toezicht heeft naar het oordeel van het College van Beroep zorgvuldig gemotiveerd dat de jeugdprofessional zich voldoende heeft ingespannen om de hulpverlening bij [de instelling] op te starten. Het valt te betreuren dat de hulpverlening niet van de grond is gekomen, maar dit kan de jeugdprofessional naar het oordeel van het College van Beroep niet worden verweten. Voor zover de vader in beroep grieft tegen de niet-ontvankelijkverklaring in zijn klacht over het gezinsplan van 23 februari 2018 en verzoekt dit klachtonderdeel te negeren in plaats van niet-ontvankelijk te verklaren, oordeelt het College van Beroep dat het College van Toezicht de vader terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in dit gedeelte van de klacht. Het is vaste jurisprudentie dat niet-ontvankelijkheid volgt wanneer geklaagd wordt over handelen dat voor of na de betrokkenheid van de jeugdprofessional ligt.
Ten aanzien van het incidenteel beroep oordeelt het College van Beroep als volgt. De grief van de jeugdprofessional die inhoudt dat het College van Toezicht klachtonderdeel 2 ten onrechte (gedeeltelijk) gegrond heeft verklaard, kan het College van Beroep niet volgen. Deze grief berust naar het oordeel van het College van Beroep op een onjuiste lezing van de beslissing door de jeugdprofessional, nu zij stelt dat de klacht van de vader over de plotselinge terugplaatsing van de zoon bij de moeder tweemaal gegrond is verklaard, te weten onder klachtonderdeel 1 en klachtonderdeel 2. Het College van Toezicht heeft in het oordeel bij klachtonderdeel 2 ten aanzien van dit gedeelte van de klacht enkel verwezen naar het oordeel bij klachtonderdeel 1. Anders dan de jeugdprofessional stelt is dit gedeelte van de klacht niet meegenomen in het oordeel bij klachtonderdeel 2 en suggereert de formulering van het dictum naar het oordeel van het College van Beroep niet dat een gedeelte van de klacht gegrond is verklaard.

5.3.7 Het College van Beroep is van oordeel dat de grieven van de vader falen en ook de grief van de jeugdprofessional faalt.

5.4 Klachtonderdeel 3 (principaal beroep)

5.4.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 3 als volgt geformuleerd: “De jeugdprofessional heeft de schijn van partijdigheid gewekt.

5.4.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “Het College [van Toezicht] kan niet vaststellen dat de jeugdprofessional de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Nadat de jeugdprofessional op 22 juli 2016 betrokken raakte als jeugdbeschermer van de zoon zijn er in september 2016 en oktober 2016 zowel met de moeder als met de vader verschillende gesprekken gevoerd, waar bij sommige gesprekken ook de kinderen aanwezig zijn geweest. Vast staat dat de jeugdprofessional op 9 maart 2017 bij de vader thuis is geweest om met hem en de zonen te praten. Nu de jongste zoon zowel voor de uithuisplaatsing als daarna bij de moeder woonde en de vader in september 2017 besloot geen omgang meer te willen hebben met de beide zonen om hen rust te gunnen, vindt het College [van Toezicht] het niet onbegrijpelijk dat er mogelijk meer gesprekken met de moeder zijn gevoerd. De aantijging van de vader dat de jeugdprofessional tijdens de gezamenlijke gesprekken de kant van de moeder zou hebben gekozen, kan het College [van Toezicht] niet vaststellen nu daarvoor door de vader geen bewijzen zijn overgelegd. Dat e-mailberichten door de jeugdprofessional onbeantwoord zijn gebleven, is het College [van Toezicht] niet gebleken. Uit het dossier valt op te maken dat er regelmatig met de vader is gemaild. Hetzelfde geldt voor de klacht van de vader over de wijze waarop het gezinsplan tot stand is gekomen. In het gezinsplan van 2017 ziet het College [van Toezicht] voldoende terug dat naast de moeder, ook de vader en de kinderen zijn gehoord en hun verhaal hebben kunnen doen. Het College [van Toezicht] ziet in deze klacht dan ook geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt en is van oordeel dat de jeugdprofessional met haar handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.” Het College van Toezicht heeft de klacht ongegrond verklaard.

5.4.3 De vader verbaast zich over het oordeel van het College van Toezicht dat niet vastgesteld kon worden dat de jeugdprofessional de schijn van partijdigheid heeft gewekt. De voorzitter van het College van Toezicht besloot tijdens de mondelinge behandeling van de klacht dat zij inmiddels over voldoende informatie beschikte over dit klachtonderdeel en verzocht partijen dit klachtonderdeel over te slaan. Beide partijen gingen akkoord. De vader verzoekt het College van Beroep zich op de hoogte te stellen van de communicatie van de jeugdprofessional aan de RvdK over het gezin. Niet alleen via de RvdK heeft de jeugdprofessional een grote rol gespeeld bij de echtscheidingsprocedure. Verder voert de vader aan dat de zoon onder toezicht stond, maar dat er slechts gesprekken met moeder werden gevoerd en dat de vader (met gezag) werd genegeerd. De jeugdprofessional heeft dit blijkbaar zo opgevat dat de vader geen contact meer met hen zou willen. De jeugdprofessional had in het belang van de zoon duidelijkheid moeten creëren en de vader moeten motiveren voor hulp indien hij dat niet wilde. Daarnaast is de vader van mening dat wel degelijk uit de stukken blijkt dat de jeugdprofessional steeds de kant van de moeder koos. Het is bijzonder pijnlijk dat deze klacht is afgewezen. Het feit dat de jeugdprofessional in het eerste gesprek, nog voordat zij over veiligheidsmaatregelen was begonnen, zelf het initiatief nam om de zoon te vragen of hij naar de reeds geplande familiedag wilde gaan is een van de vele voorbeelden waarop de jeugdprofessional meende te moeten handelen. De vader verzoekt het College van Beroep het klachtonderdeel alsnog gegrond te verklaren.

5.4.4 De jeugdprofessional voert aan dat de opmerking van de vader over de mondelinge behandeling bij het College van Toezicht niet als grief kan worden aangemerkt. Daarnaast maakt de vader niet concreet en onderbouwt hij niet waarom het College van Toezicht ten onrechte heeft overwogen dat zij niet kan vaststellen dat de jeugdprofessional de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Het College van Toezicht heeft op goede gronden overwogen dat zij de aantijging van de vader dat de jeugdprofessional tijdens de gezamenlijke gesprekken de kant van de moeder zou hebben gekozen niet kan vaststellen, omdat daarvoor door de vader geen bewijzen zijn overgelegd. De vader onderbouwt thans ook niet met stukken waaruit dat blijkt.

5.4.5 Het College van Beroep sluit voor wat betreft de beoordeling van dit klachtonderdeel aan bij hetgeen hierover door het College van Toezicht is overwogen. De behandeling in beroep heeft geen ander licht geworpen op het oordeel van het College van Toezicht. Zo heeft de vader (ook in beroep) geen onderbouwende stukken overgelegd waaruit blijkt dat de jeugdprofessional de schijn van partijdigheid heeft gewekt. De vader heeft in beroep nog verwezen naar (een gedeelte van) de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming van 10 april 2017, maar heeft niet toegelicht en onderbouwd waaruit zou moeten blijken dat de jeugdprofessional de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Het College van Beroep is dan ook net als het College van Toezicht van oordeel dat de jeugdprofessional in het kader van dit klachtonderdeel geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

5.4.6 Het College van Beroep is van oordeel dat de grief van de vader faalt.

5.5 Klachtonderdeel 4 (principaal en incidenteel beroep)

5.5.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 4 als volgt geformuleerd: “Het gezinsplan is een eenzijdige weergave en daarom onvolledig en onjuist opgesteld.”

5.5.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “In deze casus zijn twee gezinsplannen naar voren gebracht: een van 22 mei 2017 en een van 23 februari 2018. De jeugdprofessional is ziek uitgevallen in de eerste week van januari 2018. Het gezinsplan van 23 februari 2018 is derhalve uit de periode dat de jeugdprofessional niet langer bij het gezin van de vader betrokken was. Daardoor kan het College [van Toezicht] over dit gezinsplan geen oordeel geven. Ten overvloede merkt het College [van Toezicht] op dat uit het dossier blijkt dat de vader over het gezinsplan voor het jaar 2018 veelvuldig contact heeft gehad met de teammanager.
Het gezinsplan van 22 mei 2017 valt wel onder de verantwoordelijkheid van de jeugdprofessional. Dat de negatieve feiten en handelingen van de moeder in het veiligheidsplan van Veilig Thuis niet terugkomen in het gezinsplan van 2017 en negatieve uitlatingen over de vader wel, kan het College [van Toezicht] niet vaststellen. De vader heeft hiervoor geen enkel bewijs overgelegd. Het College [van Toezicht] leest in het gezinsplan van 22 mei 2017 dat er zorgen zijn, maar ziet ook dat de krachten van de vader worden benoemd, bijvoorbeeld dat de vader een lieve en betrokken vader is die het beste voorheeft met zijn kinderen (pagina 4) en dat de kinderen graag met beide ouders goed contact willen (pagina 6). Bij die krachten staat beschreven dat de vader hulp heeft gezocht voor zijn problematiek, hetgeen door het College [van Toezicht] anders wordt geïnterpreteerd dan dat de vader wordt neergezet als iemand met problematiek. De opmerking van de vader dat er niets geschreven wordt over de kinderen kan het College [van Toezicht] eveneens niet volgen. Op pagina 19 van het gezinsplan wordt uitgebreid ingegaan op de kinderen, waarbij ook is terug te lezen dat de zoon grote hoeveelheden alcohol heeft gedronken en als gevolg daarvan een nacht in het ziekenhuis is opgenomen. De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht verklaard dat het gezinsplan van 2017 naar beide ouders is toegestuurd. De gemachtigde van de vader heeft ter zitting benadrukt dat zij na ontvangst van het gezinsplan duidelijk hebben aangegeven het plan niet te kunnen accepteren. Een bericht, waaruit zou kunnen blijken dat de vader niet akkoord is gegaan met het gezinsplan uit 2017, heeft de vader – ook bij navraag door het College [van Toezicht] tijdens de mondelinge behandeling van de klacht – niet overgelegd. Derhalve acht het College [van Toezicht] het standpunt van de vader en zijn gemachtigde dat het gezinsplan eenzijdig is opgesteld en hen geen gelegenheid is geboden daarop te reageren niet onderbouwd.” Het College van Toezicht heeft de vader niet-ontvankelijk verklaard in het deel van de klacht over het gezinsplan van 23 februari 2018. Voor het overige is het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

5.5.3 De vader voert aan dat door niemand ontkend wordt dat hij een lieve en betrokken vader is en graag contact wil met zijn kinderen. Anders dan het College van Toezicht is de vader niet onder de indruk van dit soort complimenten, die geen andere functie lijken te hebben dan vader te sussen en te paaien. Het gezinsplan staat vol met herhalingen en tegenstrijdigheden, leest zeer onprettig, biedt geen enkele structuur, bronnen worden niet vermeld en het staat vol met oordelen van de jeugdprofessional die niet zijn onderbouwd. De vader verwijst naar het rapport van de RvdK van 10 april 2017 waaruit duidelijk blijkt hoe de jeugdprofessional denkt over de gezinssituatie. Wat betreft het oordeel van het College van Toezicht dat geen stukken zijn overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat de vader niet akkoord is gegaan met het gezinsplan uit 2017, merkt de vader op dat de jeugdprofessional nauwelijks kan aantonen wat zij beweert. Zij beschikt om onduidelijke redenen niet meer over haar eigen dossier en over de communicatie die zij had met het gezin via Whatsapp. De reden dat de gemachtigde van de vader hierover niets kon overleggen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht is gelegen in het feit dat zij niet over stukken beschikt van iets wat nooit heeft plaatsgevonden. De vader verzoekt het klachtonderdeel ontvankelijk en alsnog gegrond te verklaren.

5.5.4 De jeugdprofessional voert aan dat de vader niet concreet heeft gemaakt en niet heeft onderbouwd waarom het College van Toezicht ten onrechte heeft overwogen dat zij niet kan vaststellen dat het gezinsplan een eenzijdige weergave is en daarom onvolledig en onjuist is opgesteld. Dit blijkt ook niet uit de stukken waarnaar de vader verwijst.
In incidenteel beroep stelt de jeugdprofessional dat klachtonderdeel 4 ten onrechte (gedeeltelijk) gegrond is verklaard. De beslissing bevat volgens de jeugdprofessional op dit punt een aantoonbare fout. Onder punt 5 van de beslissing van het College van Toezicht (het dictum) is vermeld dat klachtonderdeel 4 deels ongegrond is, terwijl in de overwegingen van klachtonderdeel 4 staat: verklaart de klachtonderdelen 2 en 4 deels ongegrond en verklaart de vader in het overige deel van de klachten niet-ontvankelijk. Dit is niet juist. Klachtonderdeel 4 is in zijn geheel ongegrond. Het College van Toezicht heeft immers onder 4.4.4 geoordeeld dat de vader niet-ontvankelijk is in het deel van de klacht over het gezinsplan van 23 februari 2018 en dat het klachtonderdeel voor het overige ongegrond is. De jeugdprofessional verzoekt het College van Beroep het dictum aan te passen.

5.5.5 De vader heeft tegen het incidenteel beroep van de jeugdprofessional geen inhoudelijk verweer gevoerd.

5.5.6 Het College van Beroep overweegt ten aanzien van het principaal beroep als volgt. Naar het oordeel van het College van Beroep heeft het College van Toezicht terecht en op goede gronden geoordeeld dat de klacht van de vader dat het gezinsplan van 22 mei 2017 eenzijdig is opgesteld onvoldoende is onderbouwd. Ook in beroep heeft de vader geen onderbouwende stukken overgelegd die ertoe zouden moeten leiden dat de jeugdprofessional een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Verder deelt het College van Beroep het oordeel van het College van Toezicht dat in het gezinsplan zorgen zijn te lezen, maar dat ook de krachten van de vader worden genoemd. Het College van Beroep leest in het gezinsplan ook dat er naast de door het College van Toezicht aangehaalde zorgen en krachten die specifiek zien op de vader, ook zorgen zijn benoemd over beide ouders. Zo is in het gezinsplan onder meer het volgende opgenomen: “De kinderen zitten klem tussen de situatie van de ouders en de nieuwe partner van de vader. De verstoorde communicatie en verhouding van ouders, blijkt onder andere uit het feit dat zij niet in staat zijn om in het belang van de kinderen tot afspraken te komen. Beide ouders leggen de oorzaak van de problematiek veelal bij de andere ouder. De strijd gaat ten koste van de kinderen en het lukt ouders niet om dit destructieve patroon te doorbreken.” Dat het gezinsplan eenzijdig is opgesteld kan het College van Beroep dan ook niet vaststellen. Gezien het voorgaande is het College van Beroep van oordeel dat de jeugdprofessional niet in strijd met de professionele standaard heeft gehandeld.
Ten aanzien van het incidenteel beroep overweegt het College van Beroep als volgt. Het is volgens het College van Beroep een misvatting van de jeugdprofessional dat klachtonderdeel 4 door het College van Toezicht (gedeeltelijk) gegrond is verklaard. De vader is immers niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel 4 voor zover de klacht betrekking heeft op het gezinsplan van 23 februari 2018 en voor het overige is de klacht ongegrond verklaard.

5.5.7 Het College van Beroep is van oordeel dat zowel de grief van de vader als die van de jeugdprofessional faalt.

5.6 Conclusie

5.6.1 Het College van Beroep komt tot de conclusie dat de grief van de jeugdprofessional in incidenteel beroep met betrekking tot de contactmomenten tussen de zoon en de jeugdprofessional slaagt en de (overige) grieven van zowel de vader als de jeugdprofessional falen. Het College van Beroep komt daarmee tot de slotsom dat de jeugdprofessional enkel ten aanzien van de plotselinge terugplaatsing van de zoon bij de moeder en het onvoldoende wijzen van de moeder op de afspraken omtrent de contacten met de zoon tijdens de uithuisplaatsing, een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Gelet hierop ziet het College van Beroep aanleiding de opgelegde maatregel van berisping te heroverwegen. Het College van Beroep heeft oog voor de positie van partijen. Het College van Beroep heeft het onbegrip van de vader gezien over de samenwerking met de jeugdprofessional en de overtuiging dat hij door de jeugdprofessional buitenspel is gezet. Daarnaast heeft het College van Beroep opgemerkt dat de jeugdprofessional in een complexe situatie heeft moeten handelen, waarbij sprake was van een hevige strijd tussen de ouders en een moeizame samenwerking met de vader en zijn partner. Alhoewel de vader naar voren heeft gebracht dat de jeugdprofessional niet gereflecteerd heeft op haar handelen, heeft het College van Beroep die reflectie wel gezien. De jeugdprofessional heeft naar het oordeel van het College van Beroep inzicht gegeven in de afwegingen die zij heeft gemaakt in de onderhavige casus. Daarnaast heeft het College van Beroep de overtuiging dat zij het belang van de zoon voor ogen heeft gehad. Gelet op deze omstandigheden ziet het College van Beroep aanleiding om de maatregel van berisping in te trekken en de jeugdprofessional de maatregel van waarschuwing op te leggen.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

  • verklaart – opnieuw rechtdoende – de klacht met betrekking tot de contactmomenten tussen de jeugdprofessional en de zoon in de periode van 24 mei tot december 2017 (eerste deel van klachtonderdeel 1) alsnog ongegrond onder vernietiging van de bestreden beslissing in zoverre;
  • legt aan de jeugdprofessional, onder intrekking van de maatregel van berisping, de maatregel van waarschuwing op;
  • handhaaft voor het overige het oordeel van het College van Toezicht.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 7 juli 2021 aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.P. van der Linden                                              mevrouw mr. A.V. Verweij

voorzitter                                                                                       secretaris