De jeugdbeschermer heeft nagelaten uitvoering te geven aan de opdracht van de kinderrechter om een perspectiefonderzoek te verrichten

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mevrouw mr. C.M.H.M. van Lent, lid-jurist,
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,
de heer W.L. Scholtus, lid-beroepsgenoot

over het door:

[klager], klager, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

op 17 januari 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[beklaagde], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij [de GI], [locatie], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T.S.A. Kloos.

De moeder wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde], werkzaam als vertrouwenspersoon bij AKJ.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. M. Kramer, werkzaam als advocaat te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • de tussenbeslissing van het College van Toezicht van 19 maart 2020;
  • de beslissing van het College van Beroep met zaaknummer 20.010B van 3 september 2020;
  • het aangevulde klaagschrift ontvangen op 27 oktober 2020;
  • het verweerschrift ontvangen op 6 januari 2021;
  • de pleitnota die de gemachtigde van de vader voorafgaand aan de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft overgelegd;
  • de pleitnota met bijlage die de gemachtigde van de jeugdprofessional voorafgaand aan de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft overgelegd.

1.2 De digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 17 mei 2021 in aanwezigheid van de moeder en haar gemachtigde, en de jeugdprofessional en haar gemachtigde.

1.3 Na afloop van de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2 De feiten

Het College gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft drie minderjarige kinderen. De oudste zoon is geboren in 2004, de dochter in 2005 en de jongste zoon in 2010. Het ouderlijk gezag over de kinderen is tot 8 augustus 2018 gezamenlijk uitgeoefend door de ouders. Sindsdien voert de GI de voogdij over de kinderen uit.

2.2 De kinderrechter heeft op 11 juli 2013 de kinderen voorlopig onder toezicht gesteld en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend voor de duur van twee weken.

2.3 De kinderrechter heeft op 23 juli 2013 de kinderen voor de duur van één jaar onder toezicht gesteld. Tevens heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van drie maanden. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn nadien verlengd.

2.4 Op 8 september 2014 is het gezin in behandeling gegaan door middel van een gezinsopname bij [de kliniek]. Op 19 december 2014 is het gezin naar huis gegaan en zijn de kinderen thuis geplaatst. De Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de RvdK, heeft zich niet verzet tegen terugplaatsing. De ouders en een voorganger van de jeugdprofessional hebben afgesproken in het kader van een overbruggingsplan dat de ouders afwisselend bij de kinderen zouden wonen, zodat de ouders los van elkaar aan hun trauma’s konden werken en om de spanningen in de thuissituatie voor de ouders en de kinderen te beperken.

2.5 Op 12 januari 2015 heeft de vader verklaard te willen scheiden. De vader is later die week uit huis gegaan. In de periode januari 2015 tot en met juni 2015 leefden de ouders gescheiden. In die periode zijn twee zorgmeldingen binnengekomen bij Veilig Thuis.

2.6 Begin juni 2015 zijn de kinderen met een spoedmachtiging uit huis geplaatst in verschillende pleeggezinnen, vanwege de aanhoudende spanningen tussen de ouders. Op 16 juni 2015 is de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling.

2.7 De jeugdprofessional is vanaf 21 september 2015 namens de GI belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen.

2.8 In september 2015 heeft de dochter verteld over seksueel misbruik door de vader. Hierna is het contact tussen de vader en de dochter stopgezet. In oktober 2015 is het contact tussen de vader en de zonen stopgezet. In januari 2016 heeft de oudste zoon verteld over seksueel misbruik door de vader.

2.9 In [maand] 2015 zijn de ouders gescheiden.

2.10 Op 19 juli 2016 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd voor de duur van één jaar. Wat betreft het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen eveneens te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, overweegt de kinderrechter als volgt: “Aangezien de kinderen niet bij vader geplaatst kunnen worden en onvoldoende duidelijk is of de noodzakelijke hulpverlening en veiligheid in de thuissituatie bij de moeder op dit moment voldoende gewaarborgd kunnen worden, is de kinderrechter van oordeel dat ook de verlenging van de uithuisplaatsing van [de oudste zoon], [de dochter] en [de jongste zoon] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW). Wel ziet de kinderrechter aanleiding de machtiging uithuisplaatsing in duur te bekorten. Ter zitting heeft de jeugdhulpverlener aangegeven dat in het Plan van Aanpak staat vermeld wat het perspectief van de kinderen is en dat dit in juni 2016 in ieder geval met moeder besproken is. Deze informatie is echter niet terug te vinden in het plan van aanpak. In het Plan van Aanpak staat slechts vermeld dat in het aankomende jaar duidelijkheid dient worden verkregen over wat “het toekomstperspectief zal zijn voor [de oudste zoon], [de dochter] en [de jongste zoon] voor wat betreft wonen”. De kinderrechter leidt hieruit, maar ook uit hetgeen door de jeugdhulpverlener ter zitting is aangegeven, af dat geen gedegen perspectiefonderzoek is gedaan door de GI. De kinderrechter is van oordeel dat daar helderheid over dient te komen, reden waarom de uithuisplaatsing, anders dan verzocht, zal worden verlengd voor de duur van zes maanden. Gedurende die maanden dient onderzoek te worden gedaan naar, en helderheid te gaan bestaan over, het perspectief van de kinderen.”

2.11 Op 28 november 2016 heeft de jeugdprofessional aan de moeder een brief gestuurd. In de brief wordt onder meer het volgende bericht: “[De GI] is van mening dat u onvoldoende veranderd bent om daadwerkelijk een voldoende veilig opvoedklimaat neer te kunnen zetten voor de kinderen, die alle drie ernstig getraumatiseerd zijn door de eerdere thuissituatie en dus extra zorg nodig hebben. De kinderen hebben meerdere breuken in hun hechting opgelopen door de verschillende woonsituaties en zijn nu ruim anderhalf jaar uit huis. Volgens de richtlijnen jeugdhulp ‘problematische gehechtheid’ en ‘uithuisplaatsing’ is het in het belang van kinderen dat het opgroeiperspectief duidelijk is. U bent van mening dat de kinderen bij u kunnen wonen op termijn. [De GI] is van mening dat het terugplaatsen van de kinderen bij u een te groot risico is voor de ontwikkeling van de kinderen.  Met het oog hierop is [de GI] bezig met het verzoek tot onderzoek naar gezagsbeëindiging (VTO) voor de Raad voor de Kinderbescherming.”

2.12 Op 17 januari 2017 heeft de kinderrechter het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing beoordeeld. In dit kader overweegt de kinderrechter onder meer als volgt: “Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting komt naar voren dat de GI in de afgelopen periode weloverwogen heeft besloten om geen perspectiefonderzoek te starten. De complexe en ernstige problematiek van [de oudste zoon], [de dochter] en [de jongste zoon], de omgangsmomenten en de situatie en mogelijkheden van ouders heeft de GI hierin meegewogen. Het perspectief van de kinderen is bepaald in de pleeggezinnen. De Raad voor de Kinderbescherming zal de komende periode een onderzoek starten naar een gezagsbeëindigende maatregel. Binnen dit onderzoek zal de Raad het perspectief van de kinderen nader onderzoeken. In afwachting van dit onderzoek is een verlenging van de uithuisplaatsing van [de oudste zoon], [de dochter] en [de jongste zoon] noodzakelijk.”

2.13 Vanaf 20 januari 2017 is de jeugdprofessional niet meer belast namens de GI met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen.

2.14 De jeugdprofessional stond van [datum] 2014 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 staat de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3 De ontvankelijkheid

3.1 Het verloop van de procedure inzake de verjaring en de ontvankelijkheid

3.1.1 Op 17 januari 2020 heeft de moeder bij het College van Toezicht een klaagschrift ingediend bestaande uit twee klachtonderdelen over het handelen (of nalaten) van de jeugdprofessional over de periode van 21 september 2015 tot en met 20 januari 2017. Na ontvangst van het klaagschrift heeft de voorzitter van het College van Toezicht de klacht ambtshalve getoetst op verjaring. De moeder is daarop in de gelegenheid gesteld een gemotiveerd verzoek in te dienen, waaruit blijkt dat zij niet eerder in de gelegenheid was om de klacht in te dienen (conform artikel 6.7 van het Tuchtreglement, versie 1.3). Bij tussenbeslissing van 19 maart 2020 heeft de voorzitter van het College van Toezicht als volgt beslist:

  • “wijst het verzoek van de moeder af en handhaaft de verjaringstermijn zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement;
  • oordeelt dat het klaagschrift tenminste aanpassing behoeft met inachtneming van de vastgestelde verjaringstermijn;
  • verklaart tegen deze beslissing met toepassing van artikel 14.3 van het Tuchtreglement voor wat betreft de procedure in beroep artikel 7.9 sub b van het Tuchtreglement van overeenkomstige toepassing;
  • houdt de zaak aan tot en met 16 april 2020 in afwachting van een eventuele beroepsprocedure.”

3.1.2 Op 15 april 2020 heeft de moeder tijdig beroep aangetekend tegen de tussenbeslissing van 19 maart 2020. De jeugdprofessional heeft bij het verweer tevens incidenteel beroep ingesteld. Bij beslissing van 3 september 2020 (met zaaknummer 20.010B) heeft de voorzitter van het College van Beroep zich onbevoegd verklaard om te oordelen over het (incidentele) beroep. De voorzitter heeft de zaak terugverwezen naar het College van Toezicht.

3.1.3 Het College van Toezicht heeft de procedure hervat. Op 13 oktober 2020 is de moeder in gelegenheid gesteld het klaagschrift aan te passen (conform artikel 7.7 van het Tuchtreglement). Op 27 oktober 2020 is het aangevulde klaagschrift ingediend. Hierna heeft het College van Toezicht op 6 januari 2021 het verweerschrift van de jeugdprofessional ontvangen.

3.2 De visie van partijen op de verjaring en de ontvankelijkheid

3.2.1 De jeugdprofessional stelt zich primair op het standpunt dat de klacht van de moeder is verjaard en dat de moeder niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar klacht. De jeugdprofessional voert hiertoe aan dat het aangevulde klaagschrift van 27 oktober 2020 inhoudelijk gelijk is aan het oorspronkelijke klaagschrift van 17 januari 2020, ten aanzien waarvan het College reeds heeft beslist dat niet kan worden afgeweken van de verjaringstermijn. Daarbij heeft de moeder in de procedure tot dusver geen onderbouwing gegeven waarom het in dit specifieke geval gerechtvaardigd is om af te wijken van de verjaringstermijn.

3.2.2 Tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft de moeder het volgende aangevoerd. Er is geen sprake van een overschrijding van de verjaringstermijn. Een verzoek tot toepassing van artikel 7.6 sub a van het Tuchtreglement is dan ook niet aan de orde. De verjaringstermijn is gaan lopen op het moment dat de jeugdprofessional niet meer aan de opdracht van de rechtbank kon voldoen. Tot die tijd had zij de opdracht kunnen vervullen en was nog geen sprake van een voltooide handeling. Op het moment dat zij haar werkzaamheden in het dossier van de moeder beëindigde kon zij niet meer voldoen aan de opdracht en was er sprake van de nalatigheid die de moeder haar verwijt. Dat moment was op 20 januari 2017, waardoor de verjaringstermijn niet voor 20 januari 2020 kan zijn verstreken.

3.3 De beoordeling

3.3.1 Het College is van oordeel dat de voorzitter van het College van Toezicht met haar beslissing van 19 maart 2020 dat “niet kan worden afgeweken van de verjaringstermijn” geen bindende eindbeslissing heeft gegeven over de (gedeeltelijke) verjaring van de klacht en daarmee de ontvankelijkheid van de moeder. Nu de voorzitter van het College van Beroep dat evenmin heeft gedaan (door zich onbevoegd te verklaren), ligt de beoordeling van de verjaring van de klacht en de ontvankelijkheid van de moeder thans aan het College voor. Het College oordeelt hierover als volgt.

3.3.2 Artikel 6.5 van het Tuchtreglement luidt als volgt: “De mogelijkheid tot het indienen van een klacht vervalt door verjaring na drie jaar. De termijn van verjaring begint op de dag volgend op die waarop het desbetreffende handelen heeft plaatsgevonden, dan wel volgend op het moment waarop de belanghebbende van het handelen op de hoogte raakte.”

3.3.3 Klachtonderdeel 1 houdt in dat de jeugdprofessional geen uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank van 19 juli 2016. In klachtonderdeel 2 wordt de jeugdprofessional verweten dat zij zich niet bereid heeft getoond de moeder te helpen. Beide klachtonderdelen betreffen daarmee een nalaten, dat doorgaans een voortdurend karakter heeft. De verjaringstermijn bij een handelen of nalaten met een voortdurend karakter begint in beginsel pas te lopen op de dag volgend op die waarop daaraan een einde komt. Met betrekking tot klachtonderdeel 1 merkt het College als deze datum aan 17 januari 2017 (de datum van de beschikking van de rechtbank), omdat de jeugdprofessional, ingevolge de andersluidende beslissing van de kinderrechter, vanaf die datum aan de eerdere opdracht van de rechtbank geen uitvoering meer hoefde te geven. Het nalaten dat de jeugdprofessional in klachtonderdeel 2 wordt verweten, beslaat naar het oordeel van het College de periode van betrokkenheid van de jeugdprofessional die is geëindigd op 20 januari 2017. Dit betekent dat in deze zaak de verjaringstermijnen beginnen op 18 januari 2017 (voor klachtonderdeel 1) en op 21 januari 2017 (voor klachtonderdeel 2). De moeder had tot en met 17 januari 2020 respectievelijk 20 januari 2020 de mogelijkheid de betreffende klachtonderdelen in te dienen. Het klaagschrift van de moeder is ingekomen op 17 januari 2020, aldus binnen de termijn.

3.3.4 De conclusie is dat de moeder in (alle onderdelen van) de klacht kan worden ontvangen.

4 Het beoordelingskader

4.1 Het College beantwoordt de vraag of de jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

4.2 Het College toetst het (beroepsmatig) handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en het nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5 De klacht, het verweer en de beoordeling

5.1.1 De twee in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden één voor één besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk en samengevat weergegeven. Hierna volgt het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.

5.1.2 De reikwijdte van een klachtonderdeel dient voor alle betrokkenen helder te zijn, inclusief de tuchtcolleges van SKJ. Het College richt zich dan ook uitsluitend op de twee klachtonderdelen zoals die zijn ingediend op 27 oktober 2020. Voor zover de moeder tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht nieuwe aspecten of voorbeelden naar voren heeft gebracht of de klachtonderdelen heeft uitgebreid, zijn deze dan ook niet in de beslissing opgenomen en geeft het College daar geen oordeel over.

5.2 Klachtonderdeel 1

5.2.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij geen uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank.

Toelichting:
Sinds de uithuisplaatsing in 2015 heeft de moeder meermaals verzocht om onderzoek naar de mogelijkheden tot thuisplaatsing van de kinderen. Daarentegen heeft de GI consequent gepersisteerd in de overtuiging dat het perspectief van de kinderen niet bij de moeder lag.
Op 19 juli 2016 heeft de kinderrechter aan de jeugdprofessional ondubbelzinnig de opdracht gegeven tot het doen van perspectiefonderzoek, zoals ook weergegeven onder 2.10 van deze beslissing. Dit was ook de reden om de machtiging tot uithuisplaatsing maar voor zes maanden te verlengen (en niet langer zoals verzocht). De kinderrechter overwoog hierbij: “Gedurende die maanden dient onderzoek te worden gedaan naar, en helderheid te gaan bestaan over, het perspectief van de kinderen.” De jeugdprofessional heeft de opdracht van de kinderrechter terzijde geschoven. Dit blijkt onder meer uit de brief van 28 november 2016, zoals weergegeven onder 2.11 van deze beslissing en de verklaring van de jeugdprofessional tijdens de zitting van 17 januari 2017 dat een perspectiefonderzoek geen meerwaarde zal hebben boven de informatie die nu al bekend is. Dit standpunt van de jeugdprofessional (of de GI) is niet het resultaat van enig onderzoek. Er heeft geen onderzoek plaatsgevonden naar haar opvoedcapaciteiten of naar de veiligheid in het huis van de moeder, anders dan het onderzoek van [de kliniek] in 2014 na de (eerste) uithuisplaatsing van de kinderen. Dit terwijl alle zorgen die in eerdere stadia tot uithuisplaatsing hadden geleid aantoonbaar waren weggenomen, omdat de vader uit beeld was verdwenen.

5.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Toen de jeugdprofessional in september 2015 bij het gezin betrokken raakte, waren de kinderen uithuisgeplaatst. Beetje bij beetje kwam steeds meer aan het licht over de traumatische gebeurtenissen die de kinderen hadden meegemaakt. Gedurende de betrokkenheid van de jeugdprofessional heeft het welzijn van de kinderen continu centraal gestaan. De trauma’s en emotionele en fysieke uitingen die de kinderen lieten zien, waren van dien aard dat hier de focus op lag voor een goed herstel.
De jeugdprofessional heeft wel degelijk uitvoering gegeven aan de ondertoezichtstellingsopdracht van de rechtbank, namelijk door het belang van de kinderen voorop te zetten en hun problematiek en traumaverwerking centraal te stellen. De kinderen waren ernstig getraumatiseerd door de eerdere thuissituatie (huiselijk geweld, seksueel misbruik, uithuisplaatsing, thuisplaatsing en opnieuw uithuisplaatsing) en zij kampten met diepgewortelde gevoelens van angst en stress. De onveiligheid in de thuissituatie hebben de kinderen ervaren bij de vader, maar ook bij de moeder. De onveiligheid ten aanzien van de moeder was onder meer gelegen in het misbruik van de vader (waartegen zij de kinderen niet heeft kunnen beschermen), de relatieproblemen en het huiselijk geweld. Als gevolg van de traumatiserende levensgebeurtenissen waren de kinderen ernstig beschadigd in hun algemene ontwikkeling. De kinderen misten fundamenteel vertrouwen en zij hadden onvoldoende een veilige gehechtheidsrelatie met de ouders kunnen aangaan. Hierdoor was sprake van een verzwaarde opvoedbehoefte bij de kinderen. Zij waren langdurig aangewezen op intensieve hulpverlening. Het laten uitvoeren van een perspectiefonderzoek met daarbij de mogelijkheid (en de angst voor de kinderen) weer terug bij de moeder thuis te gaan wonen, zou de onrust en onveiligheid bij de kinderen alleen vergroten.
Bovendien was in 2016 het politieonderzoek naar de vader nog gaande. De vader was nog niet veroordeeld en hij liep vrij rond. Dit zorgde voor veel onrust en angst bij de kinderen, mede veroorzaakt door het feit dat de moeder in het verleden meerdere keren heeft getracht het huwelijk te laten slagen en om die reden ook geen aangifte heeft willen doen van de vermoedens van seksueel misbruik door de vader. Uiteindelijk is het de vader geweest die besloten heeft het huwelijk te beëindigen. Er waren gerede zorgen over hoe bestendig en emotioneel krachtig de moeder was ten opzichte van (het buiten de deur houden van) de vader. Complicerende factor was dat de moeder van mening was dat er geen beletsel meer was voor opvoeding van de kinderen door haar toen de vader op enig moment geen onderdeel meer uitmaakte van het gezin.
Met de moeder is in meerdere gesprekken geprobeerd uit te leggen wat de thuissituatie met de kinderen heeft gedaan en dat het voor de kinderen moeilijk is om de moeder hiervan los te zien. Zij is onderdeel van de trauma’s die de kinderen hebben. Tevens ondervonden de kinderen lichamelijke en psychische klachten (spanning, angsten, broekpoepen bij de oudste zoon en gedragsproblematiek, spanningsopbouw, dwars en opstandig gedrag van de jongste zoon) voor en na de omgangsmomenten. In dit kader verwijst de jeugdprofessional ook naar de risicotaxaties van de kinderen van 19 september 2016. Hieruit blijkt dat het normaliseren van de omgang tussen de moeder en de kinderen het uitgangspunt was.
De GI en de jeugdprofessional constateerden samen met de pleegzorgaanbieder dat de moeder onvoldoende was veranderd om daadwerkelijk een voldoende veilig opvoedklimaat neer te kunnen zetten voor de kinderen. Het terugplaatsen van de kinderen bij de moeder was een te groot risico voor de ontwikkeling van de kinderen. Het opvoedperspectief van de kinderen lag dan ook in de pleeggezinnen. Daarbij in overweging nemende dat volgens de ‘Richtlijn Problematische gehechtheid voor jeugdhulp en jeugdbescherming’ en de ‘Richtlijn Uithuisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming’ het in het belang van de kinderen is dat het opgroeiperspectief duidelijk is.
In de beschikking van 17 januari 2017 heeft de kinderrechter de beslissing dat er geen perspectiefonderzoek wordt gestart, ook onderschreven, zoals weergegeven onder 2.12 van deze beslissing. De kinderrechter noemt het een weloverwogen beslissing van de GI. De kinderrechter heeft op dit punt een duidelijke overweging gegeven en derhalve het besluit getoetst. Overigens heeft de moeder zich niet tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing verzet. Het standpunt van de rechtbank dat een perspectiefonderzoek niet hoefde plaats te vinden, is bovendien herhaald in de beschikking van 17 oktober 2017.
Tot slot merkt de jeugdprofessional op dat het verwijt geformuleerd in dit klachtonderdeel ook is behandeld bij de klachtencommissie van de GI op 7 maart 2017. De klachtencommissie kwam toen tot het oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. “Gebleken is dat dat het belang van de kinderen ertoe leidt dat [de GI] het perspectief elders ziet”, “Er is vanuit [de GI] niet gebleken dat er onvoldoende onderzoek is gedaan” en “[De GI] stelt hier, terecht, het belang van de kinderen voorop”.
Desgevraagd tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional toegelicht dat het na de beschikking van 19 juli 2016 nog niet vaststond dat er geen perspectiefonderzoek zou worden verricht. Het besluit om geen perspectiefonderzoek (meer) te verrichten was onder meer gelegen in de zorgelijke ontwikkelingen van de kinderen, hun angsten en hun behoefte aan veiligheid.

5.2.3 Het College overweegt als volgt:
Het College kan de jeugdprofessional volgen in haar overwegingen om geen perspectiefonderzoek (meer) te verrichten, temeer nu uit de inhoud van het dossier is af te leiden dat, hoewel niet in naam van een perspectiefonderzoek, zij het woonperspectief van de kinderen wel zorgvuldig heeft afgewogen en onderzocht, waarbij zij, zo wil het College haar meegeven, heeft gehandeld naar de geest van de opdracht van de kinderrechter, namelijk het belang van de kinderen. Het heeft daarbij echter naar het oordeel van het College kennelijk wel ontbroken aan duidelijke regie en communicatie aan de zijde van de jeugdprofessional. Door duidelijk de lijnen uit te zetten en de betrokkenen, niet in de laatste plaats de moeder, daarin mee te nemen was het voor iedereen navolgbaar geweest dat en/of op welke wijze zij uitvoering wilde geven ­- en gaf – aan de opdracht van de kinderrechter. Nu zij dit kennelijk heeft nagelaten, bestaat de indruk en moet daarom ook de conclusie zijn dat de jeugdprofessional aan de opdracht van de rechtbank geen uitvoering heeft gegeven. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional heeft gehandeld in strijd met artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker, hierna te noemen: de Beroepscode.

5.2.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

5.3 Klachtonderdeel 2

5.3.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij zich niet bereid heeft getoond de moeder te helpen.

Toelichting:
De overtuiging van de jeugdprofessional dat de moeder (blijvend) ongeschikt is in het bieden van veiligheid voor haar kinderen is alleen gebaseerd op het seksueel misbruik door de vader en het is niet gebaseerd op de rol die de moeder heeft gespeeld in de levens van de kinderen. Het lijkt of de jeugdprofessional haar (mede)verantwoordelijk houdt voor het seksueel misbruik dat is gepleegd door de vader. In het verleden heeft zij haar zorgen over het gedrag van de vader echter meermaals kenbaar gemaakt (zonder dat hier voldoende mee is gedaan). Bovendien was zij van de details van de gedragingen van de vader niet op de hoogte. De vader heeft zijn gedragingen ook voortgezet in de periode in 2014 dat de moeder, op last van de GI, niet steeds bij de kinderen kon en mocht zijn in verband met de afgewisselde zorgverdeling.
Uit het verzoek van de GI tot raadsonderzoek naar gezagsbeëindiging van februari 2017 is ten aanzien van de moeder slechts opgenomen dat “het terugplaatsen van de kinderen bij moeder een te groot risico is voor de ontwikkeling”. Deze stelling wordt niet onderbouwd. Bij herhaling heeft de moeder verzocht om onderzoek naar haar persoonlijke omstandigheden, naar de mogelijkheden om de omgang tussen haar en haar kinderen te verbeteren en de mogelijkheden om (op termijn) te komen tot een thuisplaatsing. De moeder meent dat de jeugdprofessional op grond van informatie uit 2014 heeft besloten dat dit is uitgesloten, waarmee volgens de moeder geen bereidheid is geweest van de jeugdprofessional om de moeder te helpen. Het blijvend uitsluiten van perspectief op hereniging van kinderen met hun moeder is niet in het belang van het welzijn van de kinderen.

5.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Allereerst merkt de jeugdprofessional op dat de onderbouwing van de moeder bij dit klachtonderdeel dezelfde strekking heeft als de onderbouwing bij klachtonderdeel 1. De jeugdprofessional verwijst daarom naar het verweer bij klachtonderdeel 1 dat hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Ten overvloede voert de jeugdprofessional het volgende aan.
Uit de voorgeschiedenis blijkt dat sprake was van zeer complexe en intensieve problematiek in het gezin, waarbij veel verschillende hulpverleningstrajecten zijn ingezet, ook gericht op de beide ouders. Tevens is de moeder meegenomen in het proces wat zich afspeelde bij de kinderen en de zorgelijke ontwikkelingen die de kinderen lieten zien. Hierover heeft de jeugdprofessional meerdere gesprekken met de moeder gevoerd, waarbij zij werd ondersteund door AKJ of een vertrouwenspersoon. In de gesprekken is steeds geprobeerd de aansluiting met de moeder te vinden en met haar het gesprek aan te gaan. Tijdens de gesprekken bleek het niet mogelijk de moeder inzicht te verschaffen in het feit dat zij onderdeel was van het trauma van de kinderen. Juist vanwege het feit dat de moeder haar aandeel niet inzag c.q. niet kon onderschrijven wat de kinderen nodig hadden, kon zij niet aansluiten bij de behoeften van de kinderen. Dit wordt ook geïllustreerd door het feit dat de moeder ter onderbouwing van klachtonderdeel 1 stelt dat de zorgen die hebben geleid tot de uithuisplaatsing zijn weggenomen vanwege het uit beeld verdwijnen van de vader. Dat de moeder niet kon bieden wat de kinderen nodig hadden, maakt niet dat de jeugdprofessional niet bereid was de moeder te helpen. Temeer daar uit de klacht blijkt dat de moeder onder bereidheid tot helpen (alleen) verstaat: een perspectiefonderzoek bij de moeder.
Een rode draad in de hulpverlening was het gevoel van de moeder niet gehoord te worden. Hierover zijn gesprekken gevoerd met zowel de voorganger van de jeugdprofessional als de jeugdprofessional zelf. De jeugdprofessional heeft steeds gekeken naar het belang van de kinderen en daarbij rekening proberen te houden met de wens(en) van de moeder.

5.3.3 Het College overweegt als volgt:
Het College is van oordeel dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting niet is gebleken dat de jeugdprofessional zich niet bereid heeft getoond om de moeder te helpen. Dat partijen een andere visie hadden over het perspectief van de kinderen (en over het instellen van een perspectiefonderzoek), rechtvaardigt naar het oordeel van het College niet de conclusie dat de jeugdprofessional niet bereid was om de moeder te helpen.

5.3.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

5.4 Conclusie

5.4.1 Het College komt tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot klachtonderdeel 1 tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, doordat zij heeft nagelaten uitvoering te geven aan de opdracht van de kinderrechter van 19 juli 2016. Met dit nalaten heeft de jeugdprofessional artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode geschonden.

5.4.2 Het College ziet onder de gegeven omstandigheden af van het opleggen van een maatregel, nu de jeugdprofessional hoewel niet in naam van een perspectiefonderzoek, het woonperspectief van de kinderen wel zorgvuldig heeft afgewogen en onderzocht, waarbij het belang van de kinderen voor haar leidend is geweest. Het College gaat ervan uit dat gelet op de reflectieve houding van de jeugdprofessional tijdens deze procedure, dit oordeel eraan bijdraagt dat zij voor toekomstige gevallen haar werkwijze aanpast, zodat deze in lijn is met de professionele standaard.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdeel 1 gegrond;
  • verklaart klachtonderdeel 2 ongegrond;
  • ziet af van het opleggen van een maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 28 juni 2021 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. S.C. van Duijn
voorzitter

mevrouw mr. T.S.A. Kloos
secretaris