De jeugdbeschermer heeft onvoldoende rekening gehouden met de voorgeschiedenis van de casus en beslissingen genomen zonder dat met de vader te bespreken.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk, voorzitter,
mevrouw J.E. Blaauw-Glas, lid-beroepsgenoot,
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[vader], hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats],
ingediende klacht tegen:

[jeugdprofessional], hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij de gecertificeerde instelling [GI] te [plaatsnaam 1], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. M. Kramer, advocaat te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 25 februari 2019;
– het verweerschrift ontvangen op 17 april 2019.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 3 juni 2019 in aanwezigheid van de vader, de jeugdprofessional en de hiervoor genoemde gemachtigde. Vanuit het College is als toehoorder tijdens de mondelinge behandeling van de klacht een tweede secretaris aanwezig geweest.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

De vader heeft een minderjarige zoon, geboren in 2004. Voordat de zoon één jaar was, is de moeder met hem vertrokken en is zij bij haar moeder en broer ingetrokken.

2.2

De vader en de moeder zijn op 12 juni 2006 gescheiden. Zij zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de zoon.

2.3

Bij beschikking van 1 april 2011 heeft de kinderrechter de zoon onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling [BJZ] [provincienaam], hierna te noemen: BJZ, voor de duur van twaalf maanden. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd.

2.4

Op verzoek van BJZ heeft de kinderrechter bij beschikking van 11 november 2013 een machtiging tot uithuisplaatsing van de zoon in een verblijf accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs verleend. De machtiging tot uithuisplaatsing is nadien steeds verlengd, laatstelijk tot 1 oktober 2017.

2.5

De zoon is eind 2013 bij [het kinderhuis], kinderhuis [plaatsnaam 2] (verder: het kinderhuis) geplaatst.

2.6

Op 20 mei 2016 is de uitvoering van de ondertoezichtstelling overgedragen van BJZ aan de GI.

2.7

In juni 2017 hebben de jeugdprofessional en haar collega jeugdprofessional de casus overgenomen van twee collega’s.

2.8

De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kinderrechter van 31 maart 2017, waarin de machtiging tot uithuisplaatsing van de zoon is verlengd. In de beschikking van 28 juni 2017 overweegt het gerechtshof als volgt: “Gelet op de verharde strijd waarin de ouders al jarenlang met elkaar verwikkeld zijn en het effect dat dit heeft op [de zoon], heeft het hof ter zitting aan de ouders een voorstel gedaan, inhoudende dat zij voor de periode van een half jaar op geen enkele wijze contact met elkaar zullen zoeken, of onderhouden, ook niet per e-mail of geschrift. Dit wordt de ‘schotten’ aanpak genoemd: er wordt als het ware een schot tussen de ouders geplaatst. Gedurende zo’n periode verlopen alle contacten op ouderniveau via de GI. In die periode kan het kind zowel bij de vader als bij de moeder verkeren. Deze periode wordt benut om rust te creëren: rust voor de ouders en met name voor [de zoon]”.

2.9

Op 28 augustus 2017 heeft de vader zich gewend tot de klachtencommissie van de GI met drie klachten. De mondelinge behandeling hiervan heeft op 10 november 2017 plaatsgevonden. In de uitspraak van de klachtencommissie van de GI van 27 november 2017 is onder meer het volgende overwogen: “Het behoort niet tot de bevoegdheden van de klachtencommissie om zich uit te spreken over het verzoek tot wijziging van een jeugdbeschermer. De klachtencommissie kiest er echter in deze casus voor wel een wijziging van jeugdbeschermer aan te bevelen. De klachtencommissie ziet niet dat vader en [de GI] anders uit de geconstateerde patstelling komen.” De klachtencommissie van de GI heeft twee klachtonderdelen (I en II) gegrond verklaard.

2.10

Op 13 september 2017 heeft een (klacht)gesprek plaatsgevonden tussen onder meer de vader, de jeugdprofessional en de collega jeugdprofessional (zie onder 2.7). In het gespreksverslag van 1 november 2017 is het volgende opgenomen: “Daarnaast heeft [de vader] een persoonlijke klacht tegen de [collega jeugdprofessional], omdat deze op 22 en 23 augustus naar [de zoon] is gegaan op [het kinderhuis] om te bespreken dat hij op 28 augustus naar [naam school] zou gaan. [De collega jeugdprofessional] geeft aan dat hij op 22 augustus naar [de zoon] is gegaan omdat hij ervan uit ging dat het allemaal geregeld was en niet wist dat er alsnog een toetsing door de Raad van de Kinderbescherming moest gebeuren. Om die reden is [de collega jeugdprofessional] op 23 augustus wederom naar [de zoon] toegegaan om het terug te draaien. [De zoon] accepteerde teleurgesteld de mededeling. [De collega jeugdprofessional] geeft toe dat hij te voorbarig is geweest en dat het niet handig was om het zo te doen. Hij biedt hiervoor zijn excuses aan [de vader] aan, maar deze worden niet geaccepteerd.”

2.11

Op 1 oktober 2017 is de zoon bij de moeder gaan wonen. Het is een proefplaatsing onder intensieve begeleiding van [de jeugdhulpinstelling] (verder: de jeugdhulpinstelling). Daarbij was het de bedoeling dat de zoon tien dagen bij de moeder en vier dagen bij vader zou gaan wonen om te bekijken of het perspectief van de zoon bij de moeder ligt, bij de vader of elders. Deze verdeling tussen de moeder en de vader is niet doorgegaan.

2.12

Vanaf november 2017 heeft de jeugdprofessional de casus alleen doorgezet, in verband met een ingediende klacht van de vader tegen de collega jeugdprofessional.

2.13

Bij beschikking van 29 maart 2018 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengd tot 1 april 2019. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt: “Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de kinderrechter van oordeel dat de ontwikkeling van [de zoon] nog steeds ernstig wordt bedreigd. De ontwikkelingsbedreiging is hierin gelegen dat [de zoon] een zodanige angst heeft ontwikkeld jegens [de vader] dat hij geen ruimte in zijn hoofd heeft om zich volledig te richten op school, hij gestrest is bij het behalen van slechte cijfers omdat [de vader] het hier niet mee eens zou zijn, hij angst heeft voor een uithuisplaatsing omdat [de vader] de plaatsing bij [de moeder] niet ondersteunt en [de zoon] dagelijks wordt geconfronteerd met herinneringen aan de uithuisplaatsing maar ook aan de ernstige voorvallen die hij heeft meegemaakt met [de vader]. Traumabehandeling is hiervoor noodzakelijk. Zonder een ondertoezichtstelling voelt [de zoon] zich niet veilig, omdat de strijd die wordt gevoerd door [de vader] bij hem een enorm gevoel van onveiligheid veroorzaakt. Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat de ouders tot op heden niet in staat zijn gebleken om de ontwikkelingsbedreigingen van [de zoon] volledig weg te nemen. De gestelde doelen zijn niet behaald. [De vader] heeft geen vertrouwen meer in de GI. Hulp in het verplichte kader is nodig zodat [de zoon] zich gesteund voelt door de gezinsvoogdijwerker.”

2.14

Op 22 augustus 2018 heeft de jeugdprofessional een brief geschreven aan de vader, waarin staat dat de GI het voornemen heeft de RvdK te verzoeken een onderzoek in te stellen naar gezagsbeëindiging van de vader.

2.15

De jeugdprofessional is als jeugdzorgwerker van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

De kern van de klacht is dat de jeugdprofessional onvoldoende rekening houdt met de voorgeschiedenis van deze casus, de lopende omgangsregeling niet nakomt, de vader niet of onvoldoende heeft geïnformeerd, onvoldoende investeert in de verbetering van de werkrelatie met de vader, een verkeerd beeld van de vader neerzet en beslissingen neemt zonder vooraf met de vader te overleggen.

3.1.4

Op grond van de kamer waarin een professional bij SKJ geregistreerd is, wordt door het College het handelen van een jeugdprofessional getoetst aan – onder meer – de voor die kamer geldende Beroepscode. Voor wat betreft de registratie van de jeugdprofessional is gebleken dat zij gedurende haar betrokkenheid bij deze casus van kamer is gewisseld, zoals weergegeven onder 2.15 van deze beslissing. Het College wijst erop dat in deze beslissing onder ‘Beroepscode’ zowel de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker als de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional gelezen dient te worden, ook omdat de artikelen in deze beroepscodes overeenkomen.

3.1.5

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen en het verweer daartegen besproken, hetgeen zakelijk en verkort wordt weergegeven. De klachtonderdelen I en II worden vanwege hun samenhang onder 3.2 gezamenlijk besproken en beoordeeld. De klachtonderdelen III tot en met VII worden afzonderlijk besproken en beoordeeld. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2 Klachtonderdelen I & II

3.2.1

De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional houdt onvoldoende rekening met de voorgeschiedenis van de casus en zij komt de lopende omgangsregeling niet na.

3.2.2

Toelichting:
De jeugdprofessional is vanaf september 2017 betrokken bij de casus en gaat voorbij aan de voorgeschiedenis. Onder meer omdat de zoon vanaf 2005 geen psychologische toestemming heeft gekregen van de moeder om een band op te bouwen met de vader, is er bij beschikking van 1 april 2011 een ondertoezichtstelling uitgesproken. Op 22 augustus 2011 heeft de kinderrechter een omgangsregeling vastgesteld. Na terugplaatsing van de zoon bij de moeder op 1 oktober 2017 is deze omgangsregeling weer van kracht geworden en na het aantreden van de jeugdprofessional is deze volledig stopgezet. Begin oktober 2017 belt en schrijft de vader de GI hierover, maar krijgt hierop geen antwoord. Op 30 oktober 2017 ontvangt de vader een excuusbrief van de jeugdprofessional dat zij hem niet geïnformeerd heeft dat de zoon in een gesprek aan haar heeft aangegeven niet meer naar de vader toe te willen. De jeugdprofessional heeft echter geen juridische grond of onderbouwing gegeven voor het stopzetten van de omgangsregeling. De zoon is twaalf jaar en door de zoon terug te plaatsen bij de moeder, is de jeugdprofessional voorbijgegaan aan alle bestaande problemen die er waren bij de zoon, onder meer een groot loyaliteitsprobleem. Via de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de RvdK) heeft de vader te horen gekregen dat er meer onderzocht diende te worden en dat de GI de vader meer moet betrekken. De jeugdprofessional doet in november 2017 middels een schriftelijke aanwijzing aan de vader een verzoek tot begeleide omgang. In april 2018 wordt het verzoek tot begeleide omgang door de kinderrechter afgewezen. Tot op heden is er geen datum voorgesteld om de omgang weer op te starten. Ook de bijzondere curator heeft na onderzoek geconcludeerd dat er geen zwaarwegende bezwaren zijn tegen de omgang tussen de vader en de zoon en dat het binnen tien weken opgestart kan worden.

3.2.3

De jeugdprofessional voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
De jeugdprofessional wenst te benadrukken dat de omgangsregeling nooit is stopgezet. De omgangsregeling is in december 2017 op verzoek van de GI door de kinderrechter aangepast. De kinderrechter heeft bepaald dat de omgang (voorlopig) onder begeleiding diende plaats te vinden. Hieraan voorafgaand is de omgangsregeling kort geschorst geweest vanwege angst van de zoon voor de vader. De jeugdprofessional heeft zich ingezet voor contactherstel, dan wel de zoon gemotiveerd in het contact met de vader. Gezien de angst van de zoon voor de vader was een omgangsregeling onder begeleiding op dat moment het hoogst haalbare. Vlak na de aanstelling van de jeugdprofessional is de zoon bij de moeder geplaatst. Op advies van het gerechtshof was de inzet om de zoon in het kader van de zogenaamde ‘schottenbenadering’ gedeeltelijk bij de moeder en bij de vader te laten wonen. De vader weigerde hieraan mee te werken. Omdat het voortduren van de machtiging tot uithuisplaatsing van de zoon in het kinderhuis niet langer wenselijk was, is de zoon bij de moeder geplaatst. Uitleg over de noodzaak voor begeleiding van het contact heeft de vader eenvoudigweg niet willen horen, omdat voor hem vaststaat dat de uitlatingen van de zoon onjuist zijn. De vader vindt de beslissing om de omgang onder begeleiding te laten plaatsvinden onbegrijpelijk en heeft tot op de dag van vandaag geen gebruik willen maken van de begeleide omgangsregeling. Op 11 april 2018 heeft de kinderrechter de vader zelfs een limiet gesteld en hem verzocht het aanbod te (her)overwegen om onder begeleiding contact met zijn zoon te hebben. De vader heeft daarop verklaard van deze minimale regeling geen gebruik te willen maken.

3.2.4

Het College overweegt als volgt:
Ten aanzien van het deel van de klacht dat de jeugdprofessional onvoldoende rekening heeft gehouden met de voorgeschiedenis van de casus, stelt het College voorop dat het door partijen aangeleverde dossier een veelheid aan bijlagen bevat, die zelfs teruggaan tot 2011. Op de vraag van het College tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aan de vader wat hij mist uit de voorgeschiedenis, heeft de vader geantwoord: “het hele dossier”. Gezien de grote hoeveelheid aan stukken, waaronder beschikkingen van de kinderrechter, correspondentie bestaande uit brieven en e-mailberichten, de uitspraak van de klachtencommissie en gespreks- en onderzoeksverslagen is het College van oordeel dat er in deze casus sprake is van een zeer uitgebreid dossier. Het College volgt de vader dan ook niet in dit deel van de klacht, temeer nu de vader ook bij navraag niet duidelijk aangeeft wat hij specifiek mist.
In het tweede deel van de klacht verwijt de vader de jeugdprofessional dat zij de lopende omgangsregeling niet nakomt, dan wel heeft stopgezet. Voor het College staat vast dat op 22 augustus 2011 door de kinderrechter een omgangsregeling is vastgesteld (kort gezegd: een weekendregeling). Ruim twee jaar later, op 11 november 2013, is de zoon uit huis geplaatst. Van december 2015 tot mei 2016 is er slechts één uur per week begeleid contact geweest tussen de vader en de zoon. Bij beschikking van 21 april 2016 heeft de kinderrechter bepaald dat de oorspronkelijke omgangsregeling van 22 augustus 2011 moest worden hervat. Het College heeft uit de stukken opgemaakt dat vanaf medio 2017 het perspectief van de zoon open lag en dat de zoon op dat moment zelf aangaf slechts één uur per week begeleid contact met de vader te willen. Kort daarna, in de zomer van 2017, is de jeugdprofessional bij de casus betrokken geraakt. Vast staat ook dat de zoon vanaf 1 oktober 2017 volledig bij de moeder is geplaatst en dat er vanaf dat moment geen contact meer is geweest tussen de vader en de zoon. Naar het College gebleken is, was het oorspronkelijke plan de zoon tien dagen bij de moeder en vier dagen bij de vader te plaatsen, om te onderzoeken waar de zoon het meest tot zijn recht zou komen. Het zogenaamde perspectief lag open. Uit het dossier blijkt dat de vader daar – om hem moverende redenen – geen medewerking aan heeft willen verlenen, en dat de ‘gedeelde plaatsing’ daarom geen doorgang heeft gevonden. Vervolgens is de zoon teruggeplaatst bij de moeder. Omdat de vader uitvoering van de destijds in de beschikking van de rechtbank van 22 augustus 2011 vastgestelde omgangsregeling eiste, heeft de GI besloten de vader op 9 november 2017 een schriftelijke aanwijzing te geven. Daarin is, omdat de zoon nakoming van de oude regeling niet meer aankon en die regeling derhalve niet langer in zijn belang werd geacht, het contact tussen de vader en de zoon beperkt tot één uur begeleide omgang per week. Het College leest in de beschikking van 15 december 2017 terug dat de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing heeft bekrachtigd en de regeling van de zorg- en opvoedingstaken van 11 augustus 2011 heeft gewijzigd. In dezelfde beschikking heeft de rechter opgenomen dat de zoon ernstig bedreigd wordt in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling en dat door de aanhoudende strijd een veilig en stabiel opvoedbeleid ontbreekt. Gezien de uitlatingen van de zoon tegen de jeugdprofessional, de school, de verschillende hulpverleners en ook de kinderrechter over de contacten met de vader, alsook het klem zitten van de zoon tussen de ouders en de emotionele onveiligheid die de zoon daardoor ervaart, is de kinderrechter met de GI van mening dat het contact met de vader in eerste instantie begeleid opgestart moest worden, en wel zo spoedig mogelijk, nu de zoon daar ook zelf om vraagt en schriftelijk heeft geuit dat dan de verstandhouding tussen hen wel weer zal verbeteren. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional benadrukt dat de strategie altijd gericht is geweest op het herstellen van het contact tussen de vader en de zoon. Het College overweegt echter dat voor contactherstel tussen de vader en de zoon de medewerking van de vader noodzakelijk is en dat voldoende is gebleken dat de vader daar niet, althans niet voldoende aan heeft willen meewerken. Het College verwijst in dat verband ook naar de beschikking van de kinderrechter van 10 april 2018, waarin de vader verzocht wordt het aanbod om begeleid contact met de zoon te hebben te overwegen, waarna de vader uitdrukkelijk heeft gezegd van dat aanbod geen gebruik te willen maken. De omgangsregeling is derhalve eerst geschorst en daarna gewijzigd, maar het College heeft niet kunnen vaststellen dat de jeugdprofessional de omgangsregeling niet nakomt en ziet om die reden in dit deel van de klacht geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt.
Als derde deel van de klacht wordt de jeugdprofessional verweten dat de vader op 30 oktober 2017 een brief heeft ontvangen, waarin zij excuses aanbiedt dat zij de vader niet heeft geïnformeerd dat de zoon niet naar de vader toe wil. Na het lezen van de brief is het College gebleken, dat de jeugdprofessional de zoon hierover op 4 oktober 2017 heeft gesproken. Tijdens dat gesprek bleek reeds dat de zoon, ondanks de opdracht van de kinderrechter, niet meer naar de vader wilde. Dergelijke informatie was naar het oordeel van het College, ook omdat de zoon een paar dagen daarvoor volledig bij de moeder was geplaatst, voor de vader relevant. Op die informatie had hij, als gezaghebbend vader, ook recht. Ondanks de excuses die de jeugdprofessional in de brief heeft aangeboden, levert dit niet (tijdig) informeren van de vader naar het oordeel van het College een schending op van artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en artikel G (Overeenstemming /instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode.

3.2.5

Het College verklaart de klachtonderdelen deels gegrond, voor zover het betrekking heeft op het niet tijdig informeren van de vader dat de zoon geen omgang meer met hem wilde. Voor het overige zijn de twee klachtonderdelen ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel III

3.3.1

De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional heeft hem geen informatie verstrekt over de zoon.

3.3.2

Toelichting:
Sinds de zoon per 1 oktober 2017 weer bij de moeder woont, heeft de vader geen informatie over hem ontvangen. Volgens de GI verleent de jeugdhulpinstelling vanaf oktober 2017 ondersteuning aan de moeder en de zoon. Op 28 februari 2018, tijdens het eerste en enige gesprek van de vader met de jeugdhulpinstelling, is nadrukkelijk afgesproken dat er een gesprek tussen de vader en de persoonlijke begeleider van de zoon zou worden ingepland. Sinds dat gesprek staat de voicemail van de jeugdprofessional aan, belt ze niet terug en neemt ze geen initiatief om de vader te informeren. Op 25 juli 2018 heeft de jeugdprofessional geschreven dat ze omgang gaat regelen. Helaas is dat tot op heden niet gebeurd en heeft de vader de zoon al anderhalf jaar niet gezien. Op 30 juli 2018 heeft de jeugdprofessional geschreven dat het gesprek met de begeleider van de zoon geen doorgang zal vinden, een ongehoord lange tijd. Vanaf het moment dat de zoon bij de moeder woont, heeft de vader twee keer een verslag ontvangen (oktober en november 2018) over de zoon, beiden geschreven door de moeder. De jeugdprofessional heeft de vader daarnaast schriftelijk op de hoogte gesteld dat de zoon niet wil dat er informatie over hem gedeeld wordt met de vader. De vader is van mening dat de jeugdprofessional beide ouders op gelijke wijze dient te benaderen, te behandelen en te informeren. De jeugdprofessional is in gebreke gebleven door de vader buiten te sluiten. Voorts hanteert de jeugdprofessional te lange termijnen om beslissingen door te geven. Ten slotte verschuilt de jeugdprofessional zich achter de recente ‘wens’ van de zoon, terwijl hij minderjarig is.

3.3.3

De jeugdprofessional voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Op 28 februari 2018 is er een overleg met de vader georganiseerd bij de jeugdhulpinstelling over de zorgelijke uitingen van de zoon over de vader. Zo kon de vader horen hoe het met de zoon ging. De vader heeft van dat overleg een gespreksverslag gemaakt dat niet (geheel) overeenkomt met het gevoerde gesprek. Dit is een terugkerend patroon van de vader in zijn verslaglegging en zorgmeldingen. Na overleg tussen de jeugdhulpinstelling en de gedragswetenschapper van de GI is door de jeugdhulpinstelling besloten om niet meer persoonlijk met de vader in gesprek te gaan. De reden hiervoor was dat de vader de zaken verdraait en men conflicten wilde voorkomen. De jeugdhulpinstelling heeft de vader de mogelijkheid geboden zijn vragen over de zoon schriftelijk te stellen. Van deze mogelijkheid heeft de vader nooit gebruik gemaakt, ondanks dat de jeugdprofessional de vader hier wel herhaaldelijk op heeft gewezen. De vader heeft de jeugdprofessional in augustus 2018 gewezen op de informatieplicht van de moeder. De jeugdprofessional heeft dit vervolgens na de zomervakantie van 2018 opgepakt met de moeder. Sinds september 2018 stuurt de moeder maandelijks een verslag over de zoon aan de jeugdprofessional en zij verstuurt dit per aangetekende post aan de vader. De vader stelt niet alle verslagen te hebben ontvangen. Onderzoek bij Post NL heeft uitgewezen dat er aan de postbezorger was doorgegeven dat de vader niet meer woonde op het betreffende adres. Hoewel de vader dit ontkent, is hij hierover wel geïnformeerd. Daarna is alle aangetekende post bij de vader afgeleverd en is er voor ontvangst getekend. De vader blijft bij zijn standpunt dat hij geen post heeft ontvangen. De jeugdprofessional heeft daarom een overzicht gestuurd van de stukken die door de GI zijn verstuurd. Zij heeft de vader gevraagd aan te geven welke stukken hij niet heeft ontvangen, zodat de GI deze alsnog kon nasturen en daarop heeft de jeugdprofessional geen enkele reactie ontvangen. Hetzelfde geldt voor informatie van de school. De vader heeft gesteld niet door de school te worden geïnformeerd. De jeugdprofessional heeft in 2017 en 2018 de school erop gewezen de vader te informeren. Navraag bij de school heeft de jeugdprofessional doen inzien dat de vader wel degelijk informatie ontvangt en ook aanwezig is geweest op de ouderavond.

3.3.4

Het College overweegt als volgt:
Het College heeft niet kunnen vaststellen dat de vader niet door de jeugdprofessional is geïnformeerd over de zoon. Op 1 oktober 2017, relatief kort nadat de jeugdprofessional betrokken is geraakt, is de zoon volledig bij de moeder gaan wonen. Uit diverse stukken in het dossier (onder andere brieven van 18 en 19 oktober 2017 en 1 november 2017 van de jeugdprofessional aan de vader) heeft het College afgeleid dat de vader vanaf oktober 2017 geen contact (meer) wenste met de jeugdprofessional. Vast staat dat er op 28 februari 2018 een gesprek heeft plaatsgevonden over de zoon tussen de vader, de jeugdprofessional en de jeugdhulpinstelling. Het College ziet in het dossier de brief van 25 juli 2018 van de jeugdprofessional aan de vader over – onder meer – de omgang. In de brief staat duidelijk geschreven dat de jeugdprofessional de jeugdhulpinstelling zal benaderen om de omgang te begeleiden, doch dat de vader wel tegemoet zal moeten komen aan de wensen van de zoon. Tevens heeft de jeugdprofessional in de brief opgenomen dat de jeugdhulpinstelling contact op zal nemen met de vader in de week van 20 augustus 2018 voor een afspraak. Voorts is het College gebleken dat de jeugdprofessional de vader op 30 juli 2018 schriftelijk heeft geïnformeerd dat de jeugdhulpinstelling – onder meer – gelet op het gesprek van 28 februari 2018 zeker genegen is de vader te informeren, maar er de voorkeur aan geeft de vragen van de vader schriftelijk te beantwoorden. De jeugdprofessional heeft in haar verweer onbetwist verklaard dat de vader van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt. Het College leest in dezelfde brief dat de communicatie met de vader moeizaam verloopt, maar dat wel degelijk een aantal keren telefonisch contact is geweest en dat de jeugdprofessional de vader op 10 juli 2018 heeft aangegeven waarom zij – als gevolg van een auto-ongeluk – beperkt beschikbaar was. Tussentijds, op 29 maart 2018, is de ondertoezichtstelling van de zoon met een jaar verlengd, omdat de ontwikkeling van de zoon nog steeds ernstig bedreigd wordt (zie onder 2.13). Uit de beschikking is het College gebleken dat zowel de jeugdprofessional als de vader ter zitting aanwezig waren. De jeugdprofessional heeft verklaard dat op dat moment de afspraak is gemaakt dat de vertrouwenspersoon van de vader contact op zou nemen met de jeugdprofessional, waarvan het College niet heeft kunnen vaststellen of dat ook is gebeurd. Daarnaast heeft de jeugdprofessional in haar verweer gesteld dat zij na de zomer van 2018 de moeder erop heeft aangesproken de vader te informeren, waarna een aantal verslagen van de moeder door de jeugdprofessional aangetekend naar de vader is gestuurd. Tot slot overweegt het College dat een ouder met gezag ook zelf informatie kan opvragen, bij de andere ouder, bij de school en bij de hulpverleners. Tegelijkertijd hebben de hulpverlening en de school ook een eigen verantwoordelijkheid om de vader als gezaghebbend ouder uit te nodigen en te informeren, hetgeen volgens het College kan nagaan, ook is gebeurd. Het College overweegt derhalve dat de jeugdprofessional zich voldoende heeft ingezet om de vader – over de zoon – te spreken en zij de moeder heeft aangespoord verslagen over de zoon te schrijven, die zij vervolgens aan de vader heeft gestuurd. Daarom ziet het College in deze klacht geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt en is de jeugdprofessional met haar handelen gebleven binnen de grenzen van een redelijke beroepsuitoefening.

3.3.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel IV

3.4.1

De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional heeft de vader geen informatie verstrekt over de hulpverlening.

3.4.2

Toelichting:
Tijdens het klachtgesprek op 13 september 2017 bij de GI is afgesproken dat de vader vragen mag stellen over de werkwijze van de GI, over het toekomstige plan van aanpak en de mogelijke hulpverlening. De afspraak hierover is door de GI afgezegd. De vader heeft zijn vragen daarom op 20 september 2017 schriftelijk gesteld en dit gedurende 17 maanden 20 keer herhaald. Op 18 december 2018 is door de GI toegezegd dat de vragen, samen met de jeugdhulpinstelling, beantwoord zullen worden voor de volgende afspraak op 14 februari 2019. De antwoorden in de uiteindelijke reactie zijn volgens de vader zeer onvolledig. De jeugdprofessional heeft gesteld dat de vader niet meewerkt aan de hulpverlening, maar de vader is na de beantwoording van de vragen nog steeds niet duidelijk wat de hulpverlening inhoudt en wat er van hem verwacht wordt. In oktober 2018 heeft de jeugdprofessional ook toestemming gevraagd voor de behandeling van de zoon, echter zonder uitleg waarvoor dit nodig is. De vader stelt steeds schriftelijke vragen maar ontvangt geen antwoord. De vader vindt daarnaast dat de jeugdprofessional hem stelselmatig buiten het gehele onderzoek heeft gehouden en daarmee uit het leven van de zoon heeft gerukt.

3.4.3

De jeugdprofessional voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Het is onjuist dat de vader geen informatie ontvangt. De jeugdprofessional verwijst in dit verband naar de uitvoerige correspondentie tussen haar en de vader. De vader is het echter niet eens met de antwoorden die hij ontvangt en daarom stelt hij dat hij geen reactie op zijn vragen krijgt. De informatieverstrekking wordt bemoeilijkt doordat de vader niet in gesprek wenst te gaan, respectievelijk niet ingaat op de uitnodiging om in gesprek te gaan met de jeugdprofessional. In de beschikking van 15 december 2017 staat over de door de GI opgelegde aanwijzing aan de vader dat deze zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is gemotiveerd. In de beschikking staat dat bij herhaling, helaas tevergeefs, pogingen zijn ondernomen om de vader op de hoogte te stellen van het voornemen (en de redenen) van de GI over te gaan tot het geven van een schriftelijke aanwijzing. Dat de vader niet bereid was tot overleg, is de GI volgens de kinderrechter niet aan te rekenen. Ook is veelvuldig getracht de vader zowel schriftelijk als telefonisch te informeren over het contract voor de schottenbenadering. Aangetekende post is echter door de vader geweigerd.

3.4.4

Het College overweegt als volgt:
Het College begrijpt de klacht van de vader aldus dat hij informatie over de hulpverlening aan de zoon niet volledig, dan wel niet tijdig ontvangt. Het College heeft geconstateerd dat er vanaf het moment dat de jeugdprofessional betrokken is geraakt op veel momenten contact is gezocht met vader. In oktober en november 2017 zijn er diverse brieven verstuurd aan de vader, waarin hij is uitgenodigd in gesprek te gaan. Uit de brieven maakt het College op dat de vader daar niet altijd toe bereid is geweest of voorwaarden stelde aan (de locatie van) het contact. Ook uit de beschikking van de kinderrechter van 15 december 2017 leidt het College af dat de vader geen medewerking wenste te verlenen aan het observatieplan en dat telkens tevergeefs gepoogd is met de vader contact te leggen. Vast staat dat, nadat de zoon op 1 oktober 2017 bij de moeder is geplaatst, de jeugdhulpinstelling intensieve hulpverlening is gaan bieden aan de moeder en de zoon. Uit het dossier blijkt voldoende dat de vader op de hoogte is geweest van deze vorm van hulpverlening. Op 28 februari 2018 is er een gesprek geweest met de vader bij de jeugdhulpinstelling. In de feedback van de jeugdhulpinstelling van 12 maart 2018 op het verslag dat de vader van de bespreking heeft gemaakt, leest het College terug dat de vader niet betrokken is bij de hulpverlening omdat hij geen handtekening heeft gezet onder de voorwaarden tot thuisplaatsing, zoals opgesteld door de GI. In de maanden oktober en november 2018 ziet het College een briefwisseling tussen de vader en de jeugdprofessional over traumabehandeling voor de zoon, waarvoor de vader om toestemming wordt gevraagd. Voorts zijn de door de vader genoemde vragen, gesteld in het gesprek op 18 december 2018, door de jeugdprofessional beantwoord op 8 februari 2019. Over de stelling van de vader dat deze antwoorden onvolledig zijn, kan het College geen oordeel geven. Voor het College is voldoende duidelijk geworden dat de communicatie tussen de jeugdprofessional en de vader over het algemeen moeizaam verliep. Het College ziet ook dat de vader bij tijd en wijlen relatief lang op antwoorden heeft moeten wachten, zeker in de periode dat de jeugdprofessional als gevolg van een auto-ongeluk uit roulatie was, en de GI het kennelijk niet noodzakelijk vond de jeugdprofessional te laten waarnemen. Maar het College ziet ook een jeugdprofessional, die gezien de complexheid van de casus en de opstelling van de vader voldoende inspanningen heeft verricht om de vader te betrekken en te informeren over de hulpverlening, terwijl haar voornaamste taak is dat zij de belangen van de zoon behartigt. Wellicht had het handelen van de jeugdprofessional op bepaalde momenten beter gekund, maar dat wordt niet getoetst door de tuchtrechter. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional ten aanzien van dit klachtonderdeel dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

3.4.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond

3.5 Klachtonderdeel V

3.5.1

De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional investeert niet in verbetering van de werkrelatie met de vader.

3.5.2

Toelichting:
De vader stelt dat de werkrelatie met de jeugdprofessional en de GI erg is verslechterd. In februari 2017 is er afgesproken dat er twee jeugdbeschermers zouden zijn maar inmiddels is de jeugdprofessional de enige jeugdbeschermer. In september 2017 zijn er afspraken gemaakt maar die worden niet nagekomen. De jeugdprofessional is slecht bereikbaar, geeft geen antwoord, zegt afspraken af of komt deze niet na. De vader heeft naar aanleiding van de terugplaatsing van de zoon bij de moeder een klacht ingediend bij de klachtencommissie van de GI. De klachtencommissie heeft in november 2017 uitspraak gedaan ten gunste van de vader. Op de vraag van de vader hoe de GI de communicatie wil verbeteren, komt geen plan, doch alleen een verwijzing naar de kinderombudsman. Er zijn afspraken gemaakt, maar er komt geen verbetering of een reactie. Er wordt niet vastgehouden aan termijnen, waarbinnen gereageerd moet worden en telefoongesprekken worden vroegtijdig afgekapt. Het verbeteren van de communicatie staat steeds niet op de agenda. Inzage in het dossier wordt grotendeels afgewezen omdat de zoon zich hiertegen zou verzetten. De jeugdprofessional doet derhalve niets met de uitspraak van de klachtencommissie en niets met de afspraken die zijn gemaakt bij de kinderombudsman. De GI wil alleen per post communiceren en beperkt sinds november 2018 de reacties tot eens per drie weken.

3.5.3

De jeugdprofessional voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
De jeugdprofessional blijft het contact zoeken met de vader en blijft zich inzetten voor goede communicatie en een werkrelatie met de vader. De communicatiemogelijkheden zijn bemoeilijkt vanwege de grote hoeveelheid e-mailberichten en brieven van de vader. De uitvoering van deze ondertoezichtstelling vraagt een bovengemiddelde tijdsinvestering alleen al voor de contacten met de vader, waardoor de tijd voor de zoon in het gedrang komt. De vader heeft maar één oplossing en dat is dat de jeugdprofessional wordt vervangen. Daardoor staat de vader niet open voor verbetering van de werkrelatie en ziet hierin niet het belang van zijn zoon. De jeugdprofessional heeft juist in het belang van de zoon de afweging gemaakt bij de casus betrokken te blijven, ook omdat de procedure kindermishandeling is ingezet. Een belemmering is dat de vader een geheel andere visie heeft op de reden waarom hij geen contact heeft met de zoon. Ook heeft de jeugdprofessional haar medewerking verleend aan een intensief traject bij de kinderombudsman. Het gesprek bij de kinderombudsman is vanuit de vader bedoeld om de jeugdprofessional te vervangen. Daarom mochten de jeugdprofessional en de manager niet bij het gesprek aanwezig zijn. De gedragswetenschapper en relatiebeheerder waren wel bij het gesprek aanwezig. De inhoud van het gesprek mocht van de vader niet met de jeugdprofessional gedeeld worden. Alleen de afspraken zijn gedeeld. Overigens heeft de kinderombudsman geen standpunt ingenomen.

3.5.4

Het College overweegt als volgt:
Ongeveer twee maanden nadat de jeugdprofessional betrokken is geraakt bij de casus, volgt op 28 augustus 2017 de uitspraak van de klachtencommissie van de GI. In de uitspraak staat onder meer dat de vader tijdens de hoorzitting door de GI is geïnformeerd dat alleen de jeugdprofessional betrokken blijft bij de casus, en dat de collega jeugdprofessional vanwege een door de vader tegen hem ingediende klacht van de casus zal worden afgehaald. De klachtencommissie van de GI sluit haar uitspraak af met de volgende aanbeveling: “Het behoort niet tot de bevoegdheden van de klachtencommissie om zich uit te spreken over het verzoek tot wijziging van een jeugdbeschermer. De klachtencommissie kiest er echter in deze casus voor wel een wijziging van jeugdbeschermer aan te bevelen. De klachtencommissie ziet niet dat vader en [de GI] anders uit de geconstateerde patstelling komen”. Hieruit leidt het College af dat de verhouding tussen de vader en de twee jeugdprofessionals op dat moment al ernstig verstoord is en dat er derhalve een impasse is ontstaan in de communicatie en samenwerking. Uit het gesprek dat de vader op 13 september 2017 gevoerd heeft met zijn partner, de jeugdprofessional en de collega jeugdprofessional maakt het College op dat de vader op dat moment vooral een probleem heeft met de collega en dat er kennelijk daarom door de GI voor gekozen is alleen met de jeugdprofessional door te gaan. Dat de vader desondanks kennelijk ook geen contact meer wenste met de overgebleven jeugdprofessional, leest het College terug in de eerder genoemde beschikking van de kinderrechter van 15 december 2017. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional desgevraagd verklaard dat er in het multidisciplinaire casuïstiek overleg wel besproken is een andere jeugdbeschermer aan te wijzen. Echter, de afweging is gemaakt dat de jeugdprofessional bij de casus betrokken zou blijven omdat zij het dossier goed kent, de hulpverleningsrelatie met de zoon goed is en er een capaciteitsprobleem bestond binnen de GI. Nu multidisciplinair besloten is dat de jeugdprofessional betrokken zou blijven bij de casus, is het College van oordeel dat zij, gezien de complexe situatie waarin zij moest opereren, voldoende heeft gedaan om de relatie met de vader werkbaar te houden. Het College ziet een veelheid aan brieven, verslagen en pogingen van de jeugdprofessional om tot overleg te komen met de vader.
Ten aanzien van het verwijt van de vader dat hem inzage in het dossier wordt geweigerd omdat de zoon zich hiertegen zou verzetten, overweegt het College als volgt. Op grond van artikel 4.1.1 lid 3 van de Jeugdwet dient een jeugdprofessional bij zijn werkzaamheden de zorg van een goede hulpverlener in acht te nemen en daarbij te handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de geldende professionele standaard. In het Privacyreglement ten behoeve van gecertificeerde instellingen van Jeugdzorg Nederland (versie 2.0 van 8 januari 2016, artikel 11 lid 4 sub b, toelichting op dit artikel op pagina 27 en 28) is opgenomen dat een jeugdprofessional op basis van genoemd artikel mag weigeren (bepaalde) informatie te verstrekken. Er kan sprake zijn van een zogenoemde weigeringsgrond wanneer de jeugdprofessional van mening is dat het belang van de jeugdige zich verzet tegen informatieverstrekking aan bijvoorbeeld de ouder met gezag. Daarbij kan het gaan om gevallen waarin gevreesd moet worden voor het toebrengen van psychische schade aan de jeugdige, maar ook wanneer het verstrekken van informatie de vertrouwensband tussen de jeugdige en de jeugdprofessional ernstig zou schaden. Een jeugdige moet aan de jeugdprofessional vrijelijk zijn gevoelens kunnen uiten en dat is alleen mogelijk indien ouders niet automatisch kennis nemen van alles wat een jeugdige aan de jeugdprofessional vertelt. Het verzetten van een jeugdige tegen informatieverstrekking kan een reden zijn om informatie te weigeren aan de ouders, in casu de vader. Zeker indien de jeugdige twaalf jaar is of ouder. In het dossier heeft het College een brief van 31 december 2018 aangetroffen, waarin de jeugdprofessional aan de vader schrijft dat de zoon niet wil dat informatie over hem met de vader wordt gedeeld. De zoon is op dat moment 14 jaar oud. Het College overweegt dat de jeugdprofessional daar kennelijk een afweging in heeft gemaakt en besloten heeft de belangen van de zoon zwaarder te laten wegen dan het recht van de vader op informatie. Gelet op genoemde (wettelijke) bepalingen is het voor een jeugdprofessional mogelijk een dergelijke afweging te maken, hetgeen niet met zich meebrengt dat zij in strijd heeft gehandeld met de op haar van toepassing zijnde Beroepscode.
Dat de jeugdprofessional volgens de vader niet geïnvesteerd heeft in de werkrelatie, kan het College niet vaststellen. Het College heeft begrepen dat de jeugdprofessional in de eerste helft van 2018 enige tijd uit roulatie is geweest als gevolg van een auto-ongeluk en dat zij niet is vervangen. Hoewel het College niet bevoegd is om klachten over het handelen en nalaten van de instelling te toetsen, meent het wel te moeten opmerken dat deze keuze van de GI, gezien de complexheid van de casus, niet verstandig is geweest. Het College overweegt voorts dat de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van de klacht onbetwist heeft gesteld dat zij is meegegaan in het traject met de kinderombudsman, maar dat zij van de vader bij het gesprek niet aanwezig mocht zijn en ook het verslag niet mocht ontvangen. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft het College alsnog getracht een afspraak te maken tussen de vader en de jeugdprofessional voor een periodiek overlegmoment, teneinde de werkrelatie te verbeteren. De jeugdprofessional heeft zich staande de hoorzitting daartoe bereid verklaard. De vader heeft aangegeven geen enkel vertrouwen meer te hebben in de jeugdprofessional en heeft het voorstel van het College van de hand gewezen. Gezien alle hierboven geschetste omstandigheden, is het College van oordeel dat de jeugdprofessional binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven.

3.5.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.6 Klachtonderdeel VI

3.6.1

De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional zet de vader onterecht weg als niet meewerkend en agressief. 3.6.2 Toelichting:
De vader werkt al dertien jaar mee aan alle onderzoeken, komt bij alle zittingen en besprekingen en is door alle instanties positief beoordeeld. Sinds de GI en de jeugdprofessional hebben besloten om bij de moeder onderzoek te laten verrichten door de jeugdhulpinstelling, wordt gesteld dat de vader niet meewerkt. Maar de vader weet niet waaraan hij zou moeten meewerken. Als hij vragen stelt, wordt hij niet gehoord, en als hij iets wil vertellen, wordt er niet geluisterd. Voorbeelden van agressief gedrag zijn nooit benoemd, behalve dat de telefoongesprekken niet soepel verlopen. De vader wordt onterecht omschreven als ‘agressief’, terwijl hij alleen zijn stem verheft tijdens telefoongespreken, omdat de GI verkeerde of geen informatie aan de vader verstrekt. Ook heeft de vader een vertrouwenspersoon ingeschakeld om de gesprekken beter te laten verlopen, maar de jeugdprofessional blijft volharden in haar omschrijving en versterkt dit beeld in meerdere brieven en in de evaluatie van de ondertoezichtstelling: ‘de vader zou grensoverschrijdend zijn en onvoorspelbaar’. Dit wordt echter veroorzaakt door frustratie. De jeugdprofessional gaat volledig voor bij aan de voorgeschiedenis van 13 jaar en neemt dezelfde houding aan als de moeder. Nergens geeft de jeugdprofessional voorbeelden van agressief gedrag. Het advies van de klachtencommissie om de jeugdprofessional te laten vervangen om weer een werkbare relatie te kunnen opbouwen, is door de GI afgewezen. De vader wil een rectificatie van de jeugdprofessional van iedere melding van agressie, en een verwijdering daarvan uit het dossier.

3.6.3

De jeugdprofessional voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
De jeugdprofessional betwist dat zij de vader beschreven heeft met louter het woord ‘agressief’. Zij heeft vanuit haar eigen ervaringen en die van haar voorganger de vader wel omschreven als ‘verbaal agressief’. De verbale agressie van de vader richt zich op de jeugdprofessional en op haar voorganger maar hij is ook verbaal agressief in aanwezigheid van de zoon. De vader gaat regelmatig over de grenzen van de jeugdprofessional heen door tegen haar te schreeuwen, haar met grote regelmaat te onderbreken, regelmatig schriftelijke en mondelinge onwaarheden te uiten en door te dreigen dat hij ervoor zal zorgen dat zij van de casus afgehaald wordt. De GI heeft de procedure kindermishandeling ingezet op basis van informatie van de zoon, maar ook gebaseerd op het verbaal agressieve gedrag jegens zowel de jeugdprofessionals van de GI als van Veilig Thuis. De jeugdprofessional is van mening dat zij gerechtvaardigd en met gegronde redenen de verbale agressie van de vader heeft beschreven.

3.6.4

Het College overweegt als volgt:
Het College heeft de stelling van de vader dat de jeugdprofessional hem ‘agressief’ heeft genoemd niet kunnen vaststellen. De vader heeft dit niet met objectieve stukken onderbouwd. De jeugdprofessional heeft in haar verweer en tijdens de mondelinge behandeling van de klacht ook ontkend dat zij dergelijke uitlatingen heeft gedaan, doch wel heeft zij de vader als ‘verbaal agressief’ omschreven. Wat het College in de rapportage omtrent de verlenging van de ondertoezichtstelling van 8 mei 2018 heeft gelezen, is dat de vader zich jegens de jeugdprofessionals grensoverschrijdend heeft gedragen. Bovendien staat, zeker nu de vader dat in zijn klacht ook zelf erkent, voldoende vast dat menig telefoongesprek met de vader niet goed verlopen is en voorts dat hij ook in het bijzijn van zijn zoon gefrustreerd heeft gereageerd. Hoewel het College zich bewust is van de onwenselijke impact op de vader van bepaalde beschrijvingen van zijn gedrag, is het College van oordeel dat het een jeugdprofessional vrij staat dergelijk gedrag van een betrokken ouder te benoemen. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional hier geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het College gaat hier overigens niet nader in op het deel van de klacht dat de vader door de jeugdprofessional is weggezet als ‘niet meewerkend’. Al eerder bij de voorgaande klachtonderdelen heeft het College overwogen dat de vader een aandeel heeft gehad in de moeizame samenwerking.

3.6.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.7 Klachtonderdeel VII

3.7.1

De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional neemt beslissingen zonder dit met de vader te bespreken of toe te lichten.

3.7.2

Toelichting:
De vader ontvangt voor de zomervakantie een brief waarin staat dat het multidisciplinair overleg overweegt een verzoek tot gezagsbeëindiging van de vader in te dienen. De grond hiervoor, of verdere toelichting hierop, ontbreekt en de vader moet binnen 24 uur reageren. De jeugdprofessional geeft pas na twee maanden gehoor aan de reactie van de vader. Er is op geen enkel moment met de vader besproken, of aan hem toegelicht, waarom de GI tot deze verstrekkende maatregel wil overgaan. In oktober 2018 ontvangt de vader de evaluatie van de ondertoezichtstelling van 8 mei 2018, hetgeen niet met hem is besproken. De jeugdprofessional dient op 24 oktober 2018 een verzoek in bij de rechtbank waarvan de vader pas in januari 2019 een afschrift ontvangt. De jeugdprofessional behoort de vader gelijktijdig met de moeder en op dezelfde manier te informeren. Ook dient de jeugdprofessional de vader de stukken tijdig en correct toe te sturen. Tot slot behoort de jeugdprofessional evaluaties, beslissingen en onderzoeken met vader te bespreken, zowel vooraf als achteraf.

3.7.3

De jeugdprofessional voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
De jeugdprofessional heeft verschillende pogingen gedaan, zowel mondeling als schriftelijk, om met de vader in contact te komen en zaken met hem te bespreken. De opstelling van de vader heeft het plannen van een gesprek echter ernstig bemoeilijkt. De jeugdprofessional heeft contact gezocht met de vader om zijn mening te horen over het voornemen tot gezagsbeëindiging, zodat dit meegenomen kon worden in de besluitvorming binnen het multidisciplinaire casuïstiek overleg. De vertrouwenspersoon van de vader heeft aan het einde van de zitting op 15 maart 2018 voorgesteld een gesprek te hebben. Daar is hij nimmer op teruggekomen. In plaats daarvan heeft de vader ervoor gekozen het traject bij de kinderombudsman aan te gaan. De vader stelt dat de jeugdprofessional op 24 oktober 2018 een verzoek heeft ingediend bij de rechtbank waarvan de vader pas in januari 2019 een afschrift heeft ontvangen. De procedure is dat het verzoekschrift naar de rechtbank wordt verstuurd en dat de rechtbank dit doorstuurt naar partijen. De vader is hier bij brief van 22 augustus 2018 van op de hoogte gesteld. De rechtbank zou het verzoekschrift pas verzenden als er een zittingsdatum bekend was. De jeugdprofessional heeft er gezien de lange duur voor gezorgd dat het verzoekschrift alsnog aan de vader is verstuurd. De vader heeft in het laatste bemiddelingsgesprek gezegd geen enkel poststuk ontvangen te hebben. Onderzoek bij PostNL wijst anders uit. Het gezinsplan is helaas later opgesteld dan gepland, omdat de jeugdprofessional een periode is uitgevallen wegens een operatie. Over het gezinsplan had de jeugdprofessional ook in gesprek willen gaan. Echter nu vader vanaf september 2017 niet met de jeugdprofessional in gesprek wil, dient alles schriftelijk te verlopen. Ook deze communicatie verloopt moeilijk en wordt gekleurd door interpretaties van vader.

3.7.4

Het College overweegt als volgt:
Het College leest de klacht van de vader aldus dat hij een brief heeft ontvangen waarin staat dat de GI overweegt de RvdK te verzoeken een onderzoek in te stellen naar een gezagsbeëindigende maatregel, dat de vader twee dagen de tijd heeft gekregen daarop te reageren, waarna de vader gedurende twee maanden niets meer van de jeugdprofessional heeft gehoord. Voor het College staat vast dat de vader op 22 augustus 2018 van de jeugdprofessional een brief heeft ontvangen waarin staat dat, ondanks diverse pogingen, met de vader geen contact gelegd kan worden, waardoor een aantal besluiten schriftelijk aan hem wordt gecommuniceerd. Eén van de besluiten betreft het voornemen van de GI de RvdK te verzoeken een onderzoek in te stellen naar gezagsbeëindiging van de vader. Het College leest in de genoemde brief dat er zorgen over de vader bestaan en dat hij hiervoor verwezen wordt naar een eerder verzoekschrift van 17 november 2017 en stukken die zijn ingediend bij de rechtbank op 11 december 2017. Het College overweegt dat het niet zo kan zijn dat de vader uit eerdere stukken heeft moeten kunnen begrijpen, dan wel afleiden, dat een dergelijke ingrijpende maatregel als gezagsbeëindiging in de verwachting lag. Stel dat dit al zo zou zijn, dan nog had het op de weg van de jeugdprofessional gelegen om de vader tenminste te vragen naar zijn mening hierover. Het College overweegt voorts dat de inhoud van de overwegingen om tot dit besluit te komen zeer summier zijn en de termijn die de vader is gegeven om te reageren, te weten 24 uur, te kort is en derhalve niet realistisch. Mocht enkel schriftelijke communicatie mogelijk zijn met de vader, en het College is zich bewust van het verweer van de jeugdprofessional dat de vader niet in gesprek wilde en ook de postbezorging bij de vader niet vlekkeloos verliep, dan nog had de jeugdprofessional – gelet op de mogelijke impact hiervan op de vader – het verzoekschrift aan de vader moeten doen toekomen en hem daarnaast de gelegenheid moeten geven binnen een redelijke termijn te reageren, alvorens het verzoekschrift naar de rechtbank te sturen. Dat de vader pas in januari 2019 het verzoekschrift ontvangt, terwijl de vader onweersproken heeft gesteld hier tussentijds contact over opgenomen te hebben met de bureaudienst, acht het College de jeugdprofessional tuchtrechtelijk te verwijten. De maatregel tot gezagsbeëindiging wordt ervaren als een (zeer) verstrekkende maatregel, en om die reden is het volgens het College noodzakelijk dat het voornemen hiertoe door de jeugdprofessional zorgvuldig gemotiveerd wordt. Het verweer van de jeugdprofessional dat zij zich heeft ingespannen het verzoekschrift in januari 2019 alsnog naar de vader te sturen, doet aan deze plicht niet af. Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat de jeugdprofessional niet in lijn heeft gehandeld met artikel E (Respect) van de Beroepscode, in die zin dat de jeugdprofessional onvoldoende oog heeft gehad voor de rol en de positie van de vader als
gezaghebbend ouder. Voorts heeft de jeugdprofessional artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode geschonden, nu zij de vader onvoldoende heeft meegenomen in het traject de RvdK te verzoeken een onderzoek in te stellen naar gezagsbeëindiging.
Ten aanzien van het deel van de klacht van de vader dat het gezinsplan te laat is opgemaakt en niet met hem is besproken, overweegt het College als volgt. De jeugdprofessional heeft onbetwist verklaard dat het gezinsplan te laat is opgesteld als gevolg van de operatie die zij heeft ondergaan. Al eerder bij klachtonderdeel V heeft het College geopperd dat het verstandig was geweest de jeugdprofessional gedurende haar afwezigheid te vervangen. Dat dit niet is gebeurd en daardoor het gezinsplan te laat is opgesteld, kan in de ogen van het College de jeugdprofessional niet worden aangerekend. Terugkerend punt in de klachten van de vader is dat er niets met hem besproken wordt, waar hij bij het onderhavige klachtonderdeel doelt op het gezinsplan. Het College heeft zich reeds eerder uitgesproken over de moeizame samenwerking, waar de vader naar het oordeel van het College een groot aandeel in heeft gehad, en overweegt dat dat eveneens toeziet op het bespreken van het gezinsplan.

3.7.5

Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond, doch voor zover het toeziet op het te laat opgestelde gezinsplan niet verwijtbaar.

3.8 Conclusie

Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot de klachtonderdelen I en II (gedeeltelijk), en VII tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. De jeugdprofessional heeft de vader te laat geïnformeerd over een gesprek, waarin de zoon heeft verklaard geen contact (meer) met de vader te willen. Voorts heeft de jeugdprofessional de vader schriftelijk, zonder vooroverleg, geïnformeerd over het voornemen om een gezagsbeëindigende maatregel te gaan verzoeken, en is de vader een te korte termijn gegeven om daarop te kunnen reageren. Artikel E (Respect), artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en artikel G (Overeenstemming /instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode zijn geschonden.
Het College dient zich aldus te buigen over de op te leggen maatregel en overweegt hiertoe als volgt. Nu er meerdere klachtonderdelen (gedeeltelijk) gegrond zijn verklaard, is vast komen te staan dat de jeugdprofessional op een aantal punten verwijtbaar tekort is geschoten in haar beroepsuitoefening, hetgeen het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming niet heeft bevorderd. Het College heeft echter wel begrip voor de jeugdprofessional, en de situatie waarin zij heeft verkeerd. De jeugdprofessional heeft in de ogen van het College veel moeite gedaan de samenwerking met de vader te zoeken en deze goed te laten verlopen. De jeugdprofessional heeft onder moeilijke omstandigheden terecht het belang van de zoon als leidraad genomen voor haar handelen. Daarbij heeft zij ook regelmatig overleg gehad met haar collega’s. Een aantal misstappen die zij heeft gemaakt, heeft zij erkend en zij heeft daarvoor haar excuses aangeboden. Het College stelt het reflectieve vermogen van de jeugdprofessional op prijs. Het College heeft ook oog voor het verdriet van de vader en zijn frustratie over het feit dat hij de zoon niet ziet. Doch de vader heeft naar het oordeel van het College hier zelf ook een aandeel in, wat niet maakt dat de jeugdprofessional (met uitzondering van de genoemde misstappen) haar werk niet goed heeft gedaan. Al het voorgaande in aanmerking genomen, acht het College het opleggen van de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart de klachtonderdelen I en II deels gegrond;
– verklaart klachtonderdeel VII gegrond;
– verklaart de klachtonderdelen III, IV, V en VI ongegrond;
– legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College en op 15 juli 2019 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk                                                                              mevrouw mr. E.C. Abbing

voorzitter                                                                                                                          secretaris