De jeugdbeschermer heeft nagelaten toezicht te houden op de zoon tijdens de ondertoezichtstelling, tevens is de zoon met spoed teruggeplaatst bij de moeder, terwijl eerst onderzocht diende te worden hoe de terugplaatsing vormgegeven kon worden.

19.300T Beslissing van het College van Toezicht van het Kwaliteitsregister Jeugd van 10 januari 2020

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk, voorzitter,

de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,

mevrouw J.A. Pires, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[Vader], klager, hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats],

op 4 januari 2019 ingediende klaagschrift tegen:

[Jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als [jeugdprofessional] bij [de instelling], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

De vader wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [gemachtigde], partner van de vader. 

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. S Dik, werkzaam bij DAS te Amsterdam.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift ontvangen op 4 januari 2019;
  • het verweerschrift ontvangen op 16 oktober 2019;
  • de aanvulling op het verweerschrift ontvangen op 13 november 2019;
  • de aanvulling op het klaagschrift ontvangen op 21 november 2019, waarvan het stuk d.d.
    14 november 2019 door de voorzitter is gekwalificeerd als pleitnota.

1.2 Vanwege omstandigheden aan de zijde van de jeugdprofessional is de zaak door de voorzitter van het College gedurende een langere periode aangehouden. De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 29 november 2019 in aanwezigheid van de vader, de jeugdprofessional en de hiervoor genoemde gemachtigden. Hierbij zijn als toehoorders aanwezig geweest de broer van de vader en de teammanager van de jeugdprofessional.

1.3 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2     De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft drie kinderen. Twee van de drie kinderen zijn ten tijde van het indienen van de klacht reeds meerderjarig (hierna te noemen: de meerderjarige dochter en de meerderjarige zoon, of samen te noemen: de meerderjarigen). In de onderhavige zaak gaat het (voornamelijk) om de jongste zoon. Op het moment van indienen van de klacht is de zoon 17 jaar oud. Het ouderlijk gezag over de zoon wordt uitgeoefend door de vader en de moeder (hierna te noemen: de ouders). In oktober 2016 is het huwelijk van de ouders ontbonden. De zonen wonen bij de moeder. De dochter woont zelfstandig. Tussen de vader en de jongste zoon is er een omgangsregeling.

2.2 De vader heeft een melding gedaan bij Veilig Thuis omdat hij zorgen heeft over de kinderen. Veilig Thuis heeft in eerste instantie het advies gegeven voor specialistische hulp. Omdat de moeder niet akkoord ging met dit advies was het voornemen de zaak op te schalen naar de Jeugdbeschermingstafel. Nadat de moeder tussentijds heeft aangegeven open te staan voor een vrijwillig traject bij de GI, is de GI op 22 juli 2016 betrokken geraakt.

2.3 De jeugdprofessional is 17 augustus 2016 van start gegaan als gezinsmanager bij het gezin (daarvoor was er een andere gezinsmanager betrokken). Op 21 september 2016 heeft de jeugdprofessional met de ouders afzonderlijk kennisgemaakt. Bij de moeder thuis heeft de jeugdprofessional ook gesproken met beide zonen. Daarna heeft er een aantal gezamenlijke gesprekken plaatsgevonden met de ouders, de kinderen en de jeugdprofessional.

2.4 Naar aanleiding van een e-mailbericht van de vader van 21 november 2016 heeft op 8 december 2016 een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden, waarbij aanwezig waren de vader en zijn [gemachtigde], de jeugdprofessional en de teammanager.

2.5 De vader heeft op 6 maart 2017 een klacht ingediend tegen de jeugdprofessional en de teammanager bij de klachtencommissie van de GI. De klacht is ongegrond verklaard, omdat er geen feitelijke gedragingen of concrete nalatigheden van beide beklaagden ontdekt konden worden.

2.6 De Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de RvdK, heeft op 22 maart 2017 de kinderrechter verzocht de zoon (voorlopig) onder toezicht te stellen en een machtiging uithuisplaatsing voor hem te verlenen voor plaatsing in een netwerkpleeggezin. Bij beschikking van 22 maart 2017 heeft de kinderrechter bepaald dat de zoon met ingang van deze datum tot 1 april 2017 voorlopig onder toezicht wordt gesteld van de GI. Voorts is de GI gemachtigd de zoon voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor netwerkpleegzorg, te weten bij de oom en tante van vaderszijde, hierna ook te noemen: het netwerkpleeggezin. De ouders hebben beiden één bezoekmoment per week.

2.7 Bij beschikking van 31 maart 2017 heeft de kinderrechter de zoon per deze datum tot 31 maart 2018 onder toezicht gesteld van de GI en is een machtiging verleend de zoon voor de duur van 1 april 2017 tot 22 juni 2017 uit huis te plaatsen bij het netwerkpleeggezin.

2.8 Op 10 mei 2017 heeft de jeugdprofessional een evaluatiegesprek gevoerd met de moeder, de zoon en de oom en tante, tijdens welk gesprek de zoon heeft aangegeven zijn broer en zus te missen, maar nog niet klaar te zijn terug te gaan naar de moeder.

2.9 Op 24 mei 2017 is de zoon teruggeplaatst bij de moeder. Op dezelfde dag heeft de zoon de jeugdprofessional gemaild over zijn terugplaatsing. De zoon heeft geschreven dat de terugplaatsing niet verlopen is zoals de jeugdprofessional van tevoren had aangegeven. Pas wanneer er hulp zou zijn bij de moeder thuis zouden de betrokkenen met elkaar om de tafel gaan zitten om te bespreken wanneer de zoon terug zou willen en kunnen gaan. De zoon heeft in het e-mailbericht voorts verklaard dat hem altijd is gezegd dat zijn mening uitgangspunt is, maar dat achteraf blijkt dat er niet naar hem is geluisterd. De zoon gaat in die periode één weekend in de twee weken naar de vader.

2.10 Op 29 mei 2017 heeft er een startgesprek plaatsgevonden met [instelling 1] voor ambulante hulp voor opvoedondersteuning van de moeder. De hulpverlening is in september 2017 gestart, maar niet goed van de grond gekomen. In oktober en november 2017 is er door de jeugdprofessional opnieuw een aanmelding gedaan voor hulpverlening door [instelling 1].

2.11 Op 30 mei 2017 heeft er een eindgesprek plaatsgevonden over het verblijf van de zoon bij het netwerkpleeggezin, in het bijzijn van de moeder, de oom en tante, de jeugdprofessional en een collega. De vader was uitgenodigd, maar was niet aanwezig. In dat gesprek heeft het netwerkpleeggezin aangegeven dat zij zich bij de terugplaatsing onder druk gezet heeft gevoeld.

2.12 Op 11 september 2017 heeft er een zitting plaatsgevonden over de hoofdverblijfplaats van de beide zonen. De vader heeft op dat moment verklaard geen contact meer te willen met de zonen, om hen rust te gunnen.

2.13 In december 2017 heeft de jeugdprofessional een gesprek gehad met de jongste zoon. De jeugdprofessional heeft excuses aangeboden, omdat de zoon heeft gezegd dat er niet naar hem geluisterd is met betrekking tot de terugplaatsing bij de moeder.

2.14 In de eerste week van januari 2018 is de jeugdprofessional ziek geworden, en sindsdien niet meer bij het gezin van de vader betrokken geweest.

2.15 Op 9 maart 2018 heeft de vader voor de tweede keer een klacht ingediend bij de klachtencommissie van de GI, wederom tegen de jeugdprofessional en de teammanager. De klachtencommissie heeft op 18 september 2018 geoordeeld dat de klacht grotendeels overeenkomt met de klacht uit 2017. Daarom heeft de klachtencommissie de vader deels niet-ontvankelijk verklaard. Twee klachtonderdelen zijn wel gegrond verklaard, namelijk

2.16 De jeugdprofessional is sinds [datum] 2013 geregistreerd als jeugdzorgwerker in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft gedurende de ondertoezichtstelling onvoldoende toezicht gehouden op het functioneren van de zoon.

Toelichting:

De jeugdprofessional heeft in de periode juni 2017 tot december 2017 geen contact gehad met de zoon. In december 2017 heeft de jeugdprofessional de zoon gesproken, waarbij de zoon te horen kreeg dat het hulpverleningstraject zou eindigen. Naar de mening van de vader is dit besloten zonder dat er contact is geweest met de zoon. Er is niet gekeken of dit passend was. De zoon was nog niet toe aan terugplaatsing, zoals hij in een e-mailbericht op 24 mei 2017 aan de jeugdprofessional heeft geschreven. De vader vindt dat de jeugdprofessional de hulpverlening pas had mogen beëindigen nadat zij actuele informatie verzameld had en op de hoogte was van de laatste stand van zaken. Daarnaast heeft de jeugdprofessional het netwerkpleeggezin onder druk gezet door de terugplaatsing van de zoon naar de moeder binnen twee uur te organiseren. Bovendien heeft de jeugdprofessional niets gedaan met het bericht van het netwerkpleeggezin, dat de moeder zich niet hield aan de afspraken over de omgangsregeling met de zoon gedurende de netwerkplaatsing. De vader is dan ook van mening dat de jeugdprofessional met haar handelen artikel A, D, G en H van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker (verder: de Beroepscode) heeft geschonden.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De jeugdprofessional stelt wel degelijk vier of vijf contactmomenten met de zoon te hebben gehad, waarnaast ook nog contact via WhatsApp.

Wat betreft de terugplaatsing van de zoon bij de moeder beschrijft de jeugdprofessional het volgende. Zowel vanuit de zoon als de moeder bestond er geen verdere hulpvraag in het kader van de uithuisplaatsing. Hoewel de zoon wisselende gevoelens uitte over een terugplaatsing (nog niet klaar om naar huis te gaan, maar wel zijn broer en zus heel erg te missen), was naar de mening van de jeugdprofessional de terugplaatsing het juiste om te doen. Toen de jeugdprofessional het e-mailbericht van 24 mei 2017 besprak met de zoon, kreeg zij sterk het vermoeden dat de zoon dit bericht niet zelf had opgesteld. De zoon keek weg en voelde zich zichtbaar ongemakkelijk toen het hierover ging. De jeugdprofessional heeft het belang van de zoon altijd als uitgangspunt genomen. Er kan verschil van inzicht bestaan over de invulling van het belang van de zoon, maar dit levert nog geen tuchtrechtelijk verwijt op.

De jeugdprofessional heeft geen druk willen uitoefenen op het netwerkpleeggezin met betrekking tot de terugplaatsing. Wel vond de jeugdprofessional het in het belang van de zoon om snel teruggeplaatst te worden bij zijn moeder omdat hun band mogelijk geschaad zou worden. Dit omdat de tante in het bijzijn van de zoon een negatieve houding had ten aanzien van de moeder. Overigens merkt de jeugdprofessional op dat de hulpverlening niet werd beëindigd met de terugplaatsing van de zoon. Sindsdien was er ambulante hulpverlening bij de moeder thuis.

Ten aanzien van het verwijt dat de jeugdprofessional de moeder er niet op heeft aangesproken dat zij zich niet aan de afspraken omtrent de omgangsregeling hield, stelt de jeugdprofessional het volgende. De jeugdprofessional heeft dit met de zoon besproken en hij gaf aan dit contact met zijn moeder niet vervelend te vinden. De zoon was loyaal naar zowel zijn moeder als naar het netwerkpleeggezin toe. Naar de mening van de jeugdprofessional heeft zij voldoende toezicht op de zoon gehouden.

4.1.3 Het College overweegt als volgt:

Dat er tussen juni 2017 en december 2017 geen enkel contact is geweest tussen de jeugdprofessional en de zoon kan het College niet vaststellen. Het is echter wel aannemelijk dat er relatief weinig contact is geweest en in ieder geval geen face-to-face contact. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional desgevraagd verklaard dat zij in genoemde periode Whatsappcontact met de zoon onderhield en dat die contactmomenten in het systeem van de GI zijn vastgelegd. Nu de jeugdprofessional hier geen enkel bewijs van heeft overgelegd, heeft zij naar het oordeel van het College onvoldoende aangetoond dat zij in genoemde periode regelmatig contact onderhield met de zoon. De zoon is op 24 mei 2017 – lopende de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing – teruggeplaatst bij de moeder, terwijl hij op diezelfde dag een e-mailbericht aan de jeugdprofessional heeft geschreven daar nog niet klaar voor te zijn. Vaststaat dat de jeugdprofessional en de zoon hierover pas in december 2017 met elkaar in gesprek zijn gegaan. Nu er zes maanden heeft gezeten tussen het moment van terugplaatsing van de zoon en genoemd gesprek, heeft de jeugdprofessional in de ogen van het College niet aannemelijk kunnen maken dat zij in die periode de belangen van de zoon voldoende heeft behartigd.

Ten aanzien van de plotselinge terugplaatsing van de zoon bij de moeder op 24 mei 2017 overweegt het College als volgt. De zoon verbleef sinds 22 maart 2017 in het netwerkpleeggezin. Op 10 mei 2017 heeft er een gesprek plaatsgevonden waarbij aanwezig waren de zoon, de moeder, het netwerkpleeggezin en de jeugdprofessional. Tijdens dat gesprek heeft de zoon kennelijk aangegeven (nog) niet naar huis te willen. Voor het College staat vast dat de zoon op 24 mei 2017 plotseling, en met spoed, is teruggeplaatst bij de moeder. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional verklaard dat er een plan voor terugplaatsing gemaakt zou gaan worden. Echter, toen op 10 mei 2017 bleek dat de tante een vijandige houding had naar de moeder toen én de zoon in een loyaliteitsconflict zat, is besloten de zoon eerder terug te plaatsen om te voorkomen dat de relatie tussen de zoon en de moeder verder zou worden geschaad. De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht benadrukt dat zij de beslissing de zoon eerder terug te plaatsen zowel met de RvdK heeft besproken, als intern heeft afgestemd. Nu bleek dat de zoon niet aardde, mocht zij dit nadat zij hier overleg over had gepleegd zelf beslissen. Het College verwijst in dit verband naar artikel 1:265d BW dat bepaalt dat de GI de uithuisplaatsing kan beëindigen voordat de termijn van de machtiging afloopt, mits de uithuisplaatsing niet langer noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot het verrichten van het onderzoek (van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid), bedoeld in artikel 1:265b lid 1BW en het belang van de minderjarige zich niet tegen beëindiging verzet. In het rapport van de RvdK van 10 april 2017 [pagina] (naar aanleiding van een verzoek van de rechtbank bij beschikking van 6 januari 2017 een onderzoek in te stellen) leest het College dat binnen de drie maanden na het verlenen van de machtiging tot uithuisplaatsing onderzocht diende te worden hoe de terugplaatsing van de zoon naar de moeder in zijn belang vormgegeven kon worden. In dat licht bezien, acht het College het niet navolgbaar dat de jeugdprofessional de uithuisplaatsing van de zoon op 24 mei 2017 heeft beëindigd. Temeer nu de zoon zelf aangaf daar (nog) niet aan toe te zijn en het derhalve niet in zijn belang leek te zijn. Het enkele gegeven dat de tante mogelijkerwijs negatief was over de moeder, dat de zoon aangaf zijn broer en zus te missen en dat hij volgens de jeugdprofessional in een loyaliteitsconflict verkeerde, is naar het oordeel van het College onvoldoende reden de zoon tussentijds – en zo plotseling – terug te plaatsen

Dat het netwerkpleeggezin zich daarbij mogelijk onder druk gezet heeft gevoeld, kan volgens het College een logisch gevolg zijn van deze plotselinge actie, maar is onvoldoende aangetoond en onderbouwd.

Tot slot staat voor het College voldoende vast dat de jeugdprofessional de moeder niet of onvoldoende heeft gewezen op, en gehouden heeft aan, de afspraken omtrent de contactafspraken met de zoon tijdens de uithuisplaatsing, Het dossier bevat een e-mailbericht van 10 mei 2017 van de oom aan de jeugdprofessional, waarin nauwgezet beschreven staat op welke momenten de moeder de zoon heeft benaderd. Dit was veel meer dan afgesproken en derhalve in strijd met de regeling die er lag over het contact tussen de moeder en de zoon (zie ook gezinsplan van 22 mei 2017). Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional hier strakker de regie had moeten nemen. Zij had de moeder moeten wijzen op de gemaakte afspraken, mede om het doel van de uithuisplaatsing de zoon tijdelijk rust te gunnen en uit de strijd tussen zijn ouders te halen, te kunnen verwezenlijken. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional artikel A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en E (Respect) van de Beroepscode heeft geschonden. In de toelichting bij artikel E staat dat ‘respect’ in situaties waarin het welzijn van kwetsbare jeugdigen wordt bedreigd ook actieve ‘bescherming’ kan betekenen. Het College verwijst tevens naar de Richtlijn ‘Uithuisplaatsing’, waar op pagina 44 is opgenomen dat bij een beslissing over terugplaatsing het doel van de uithuisplaatsing tussen de ouder(s) en de jeugdige bereikt moet zijn. Nu het doel was de zoon rust te geven en hij zelf aangaf nog niet klaar te zijn voor terugplaatsing, is het College van oordeel dat de jeugdprofessional dit aandachtspunt onvoldoende in haar beslissing heeft meegewogen.

Het College zal op het deel van de klacht dat er een gebrek was aan hulpverlening aan de zoon terugkomen bij klachtonderdeel 2.

4.1.4 Het College verklaart het klachtonderdeel deels gegrond, voor zover het betrekking heeft op het schaarse contact tussen de zoon en de jeugdprofessional, de plotselinge terugplaatsing van de zoon bij de moeder en het ontbreken van regie naar de moeder toe met betrekking tot de contactmomenten. Het deel van de klacht dat toeziet op het onder druk zetten van het netwerkpleeggezin is niet onderbouwd en derhalve ongegrond.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft niet in het belang van de jongste zoon gehandeld en is onzorgvuldig geweest naar de meerderjarige zoon en dochter.

Toelichting:

De vader wijst bij dit klachtonderdeel op het e-mailbericht van 24 mei 2017, waarin de zoon bij de jeugdprofessional aangeeft niet klaar te zijn voor terugplaatsing bij zijn moeder. Ten onrechte heeft de jeugdprofessional hier niet op gereageerd. Dat heeft ervoor gezorgd dat de zoon niet meer met de jeugdprofessional in gesprek wilde en geen vertrouwen meer had in de hulpverlening. Daarnaast heeft de jeugdprofessional de meerderjarige zoon en dochter ten onrechte niet gesproken over de gezinssituatie, terwijl zij hier wel zichtbaar onder leden.

Ook heeft de jeugdprofessional voor onduidelijkheid gezorgd door het gezin meerdere keren aan te melden voor [instelling 1] om het vervolgens toch weer af te melden. De vader vindt daarnaast dat hij in het gezinsplan van 8 februari 2018 en 23 februari 2018 ten onrechte is neergezet (geframed) als een verwarde man en hierdoor buitenspel is gezet. De jeugdprofessional had moeten investeren in de band tussen de vader en de zoon. De vader is dan ook van mening dat de jeugdprofessional met haar handelen de artikelen A, C, D, E, G en H van de Beroepscode heeft geschonden.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

Op het e-mailbericht van 24 mei 2017 heeft de jeugdprofessional wel degelijk gereageerd. Hoewel de jeugdprofessional de zoon hier al eerder over probeerde te bellen, hebben zij uiteindelijk in december 2017 een gesprek gehad. De jeugdprofessional heeft ook met de meerderjarige zoon en dochter gesprekken gevoerd. Met de dochter heeft zij eenmalig gesproken, waarna de dochter aangaf geen behoefte meer te hebben aan vervolggesprekken. Aangezien de dochter toen al meerderjarig was en op kamers woonde, heeft de jeugdprofessional deze keuze gerespecteerd. Met de oudste zoon heeft de jeugdprofessional meerdere gesprekken gevoerd.

Met betrekking tot de aanvraag tot hulpverlening van [instelling 1] merkt de jeugdprofessional op dat er lange wachtlijsten waren waardoor de aanmelding is vertraagd. Toen het gezin aan de beurt was, heeft de jeugdprofessional de ouders via de e-mail een uitnodiging gestuurd voor een intakegesprek. Na een telefoongesprek met de moeder bleek de jeugdprofessional dat zij niet open stond voor hulpverlening. Vandaar dat de jeugdprofessional toen heeft besloten de aanmelding niet door te laten gaan.

4.2.3 Het College overweegt als volgt:

Het eerste deel van deze klacht gaat wederom over de terugplaatsing van de zoon. Het College verwijst naar het uitgebreide oordeel hierover bij klachtonderdeel 1.

Het deel van de klacht dat de jeugdprofessional niet gesproken zou hebben met de meerderjarige zoon en dochter volgt het College niet. In het dossier, en dat is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht door de jeugdprofessional ook onweersproken bevestigd, is terug te lezen dat de jeugdprofessional wel degelijk meerdere gesprekken heeft gevoerd met de meerderjarige zoon. Het eerste gesprek was op 21 september 2016 bij de moeder thuis. Vervolgens hebben er op 26 september 2016 en op 4 oktober 2016 gesprekken plaatsgevonden waar de meerderjarige zoon ook bij aanwezig was en is er op 9 maart 2017 en gesprek geweest bij de vader thuis waar beide zonen bij waren. Tevens heeft de jeugdprofessional een gesprek gehad met de dochter. Nu de dochter op dat moment meerderjarig was, op kamers woonde en zelf aangaf geen vervolggesprekken meer te willen voeren, kan het College begrijpen dat de jeugdprofessional dat heeft gerespecteerd.

Ten aanzien van de hulpverlening van [instelling 1] heeft het College in de bijgevoegde stukken gelezen dat de hulpverlening voor de ouders op 24 mei 2017 is aangevraagd en in september 2017 van start zou gaan. Doordat de moeder kennelijk geen behoefte meer had aan hulp is dit toen niet van de grond gekomen. Voor het College staat voldoende vast dat de jeugdprofessional de ouders vervolgens op 9 oktober 2017 heeft bericht over een intake bij [instelling 1] op 10 oktober 2017. Op dezelfde dag schrijft de jeugdprofessional de ouders dat de intake geen doorgang zal vinden omdat zij merkt dat er geen motivatie is. Op 10 oktober 2017 heeft de vader de jeugdprofessional gemaild met de mededeling dat hij openstaat voor [instelling 1] en niet begrijpt waarom de afspraak is afgezegd. Vervolgens heeft het College in het dossier een e-mailbericht van 7 november 2017 van de jeugdprofessional aan de vader gezien waarin zij antwoordt dat dat verwarrend is, nu hij in september 2017 heeft verklaard zich terug te trekken als vader. De jeugdprofessional heeft de vader in hetzelfde e-mailbericht ook geadviseerd alsnog het gesprek met [instelling 1] aan te gaan. In een volgend e-mailbericht van de vader aan de teammanager van 16 november 2017 leest het College dat hij opziet tegen een gesprek met [instelling 1] maar wel wil dat er opnieuw een aanmelding wordt gedaan. Op 20 november 2017 is de vader door de teammanager geïnformeerd dat de jeugdprofessional opnieuw een aanmelding voor hulpverlening door [instelling 1] heeft gedaan. Uit het dossier blijkt het College daarom geenszins dat de jeugdprofessional hierin geen actie heeft ondernomen. De jeugdprofessional heeft het gezin wel degelijk, zelfs meerdere keren voor hulpverlening aangemeld en heeft zich naar het oordeel van het College hier voldoende voor ingespannen.

Ten aanzien van het derde deel van deze klacht dat de vader op pagina 5 in het gezinsplan van
8 februari 2018 en het aangepaste plan van 23 februari 2018 is neergezet als een man, die warrig en achterdochtig overkomt, verklaart het College de vader niet-ontvankelijk. Het College wijst erop dat de jeugdprofessional vanaf de eerst week van januari 2018 ziek is geworden en vanaf dat moment niet meer betrokken is geweest bij de vader en het gezin. Ook al heeft zij mogelijk een aandeel gehad in het opstellen van genoemd gezinsplan was zij niet meer in staat dit af te ronden.

4.2.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond met betrekking tot het niet spreken van de meerderjarige zoon en dochter en de onduidelijkheid over de hulpverlening. De vader is niet-ontvankelijk in het deel van de klacht over het gezinsplan van 23 februari 2018.

4.3 Klachtonderdeel 3

4.3.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft de schijn van partijdigheid gewekt.

Toelichting:

Vanaf het eerste moment dat de jeugdprofessional bij het gezin is betrokken, is enkel met de moeder samengewerkt en niet met de vader. Het eerste gesprek is met de moeder en de kinderen gezamenlijk gevoerd, zonder dat de vader daarbij betrokken is. Het gezinsplan is met de moeder opgesteld, zonder dat de kinderen en de vader daarbij betrokken zijn. In de gesprekken waar de vader wel bij werd betrokken, koos de jeugdprofessional regelmatig de kant van de moeder. Gedurende de ondertoezichtstelling zijn er nauwelijks gesprekken gevoerd met de vader, en over de gesprekken met de moeder is de vader niet ingelicht. Vooral in het laatste half jaar van 2017 heeft de vader zich niet serieus genomen gevoeld door de jeugdprofessional. E-mailberichten werden niet beantwoord. De jeugdprofessional ging volledig uit van het verhaal van de moeder dat de vader tijdens de rechtszaak gezegd zou hebben geen contact meer met de zoon te willen, zonder dit bij de vader na te vragen. Doordat de jeugdprofessional dit daarna met de zoon deelde, kreeg ook de zoon een verkeerd beeld van de vader. De vader is tot de conclusie gekomen dat de jeugdprofessional hem onterecht heeft genegeerd, niet heeft geïnformeerd en informatie over hem niet heeft geverifieerd. De vader is dan ook van mening dat de jeugdprofessional met haar handelen de artikelen A, C, D, E, G en H van de Beroepscode heeft geschonden.

4.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De jeugdprofessional heeft inderdaad gemerkt dat de vader wantrouwend was ten aanzien van de gesprekken die gevoerd werden bij de moeder en de beide zonen thuis. De jeugdprofessional heeft daarom collegiaal overleg gevoerd om handvatten te krijgen om over dit wantrouwen met de vader in gesprek te gaan. Hiertoe heeft de jeugdprofessional een gesprek gevoerd met de zonen bij de vader thuis. Dit gesprek liep echter niet volgens verwachting, omdat de vader het gesprek zonder toestemming opnam. Hierdoor nam het vertrouwen van de zonen in de vader weer af. Daarna is het plannen van een gezamenlijk gesprek niet meer gelukt, ondanks diverse pogingen hiertoe. Hierdoor werden de mogelijkheden om zaken te bespreken beperkt. Dat de vader hierdoor het gevoel heeft gekregen dat de jeugdprofessional partijdig was, valt de jeugdprofessional niet aan te rekenen.

4.3.3 Het College overweegt als volgt:

Het College kan niet vaststellen dat de jeugdprofessional de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Nadat de jeugdprofessional op 22 juli 2016 betrokken raakte als jeugdbeschermer van de zoon zijn er in september 2016 en oktober 2016 zowel met de moeder als met de vader verschillende gesprekken gevoerd, waar bij sommige gesprekken ook de kinderen aanwezig zijn geweest. Vast staat dat de jeugdprofessional op 9 maart 2017 bij de vader thuis is geweest om met hem en de zonen te praten. Nu de jongste zoon zowel voor de uithuisplaatsing als daarna bij de moeder woonde en de vader in september 2017 besloot geen omgang meer te willen hebben met de beide zonen om hen rust te gunnen, vindt het College het niet onbegrijpelijk dat er mogelijk meer gesprekken met de moeder zijn gevoerd. De aantijging van de vader dat de jeugdprofessional tijdens de gezamenlijke gesprekken de kant van de moeder zou hebben gekozen, kan het College niet vaststellen nu daarvoor door de vader geen bewijzen zijn overgelegd. Dat e-mailberichten door de jeugdprofessional onbeantwoord zijn gebleven, is het College niet gebleken. Uit het dossier valt op te maken dat er regelmatig met de vader is gemaild. Hetzelfde geldt voor de klacht van de vader over de wijze waarop het gezinsplan tot stand is gekomen. In het gezinsplan van 2017 ziet het College voldoende terug dat naast de moeder, ook de vader en de kinderen zijn gehoord en hun verhaal hebben kunnen doen. Het College ziet in deze klacht dan ook geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt en is van oordeel dat de jeugdprofessional met haar handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

4.3.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.4 Klachtonderdeel 4

4.4.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

Het gezinsplan is een eenzijdige weergave en daarom onvolledig en onjuist opgesteld.

Toelichting:

In het gezinsplan komt maar gedeeltelijk de inhoud van het veiligheidsplan van Veilig Thuis terug. De vader vindt dat de negatieve feiten en handelingen van de moeder, die wel in het veiligheidsplan zijn neergelegd, niet zijn terug te vinden in het gezinsplan. Zo stond er in het veiligheidsplan dat de moeder is vreemdgegaan, dat de moeder de vader heeft mishandeld en dat de moeder niet gemotiveerd was om hulpverlening aan te nemen. De moeder wilde geen verantwoording nemen en kwam afspraken niet na. Over de vader zijn wel negatieve uitlatingen uit het veiligheidsplan overgenomen in het gezinsplan. Bovendien wordt de vader in het gezinsplan neergezet als iemand met problematiek. Daarnaast zijn belangrijke gebeurtenissen rond de kinderen niet meegenomen in het gezinsplan, zoals het ‘coma zuipen’ van de zoon en problemen rond de skivakantie. Het gevolg van deze eenzijdige informatie is dat de vader volledig buitenspel wordt gezet en hij zich ‘ontvaderd’ voelt. De vader heeft aangegeven het gezinsplan als geheel niet te kunnen accepteren. Op 8 februari 2018 heeft de vader zijn klachten geuit in een gesprek met de leidinggevende van de jeugdprofessional. Dit gesprek is volgens de vader onbevredigend verlopen. De vader is van mening dat de jeugdprofessional met haar handelen de artikelen A, C, D, E, G en H van de Beroepscode heeft geschonden.

4.4.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De jeugdprofessional heeft het gezinsplan per e-mail aan beide ouders verstuurd met daarbij het verzoek of zij een reactie wilden geven. De moeder heeft dit gedaan door een aantal aandachtspunten in het gezinsplan te verwerken. De vader heeft nagelaten dit te doen, ondanks meerdere verzoeken hiertoe. De jeugdprofessional heeft het gezinsplan daarna binnen haar team besproken en het gezinsplan naar beide ouders verstuurd. De jeugdprofessional is dan ook van mening dat haar geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

4.4.3 Het College overweegt als volgt:

In deze casus zijn twee gezinsplannen naar voren gebracht: een van 22 mei 2017 en een van 23 februari 2018. De jeugdprofessional is ziek uitgevallen in de eerste week van januari 2018. Het gezinsplan van 23 februari 2018 is derhalve uit de periode dat de jeugdprofessional niet langer bij het gezin van de vader betrokken was. Daardoor kan het College over dit gezinsplan geen oordeel geven. Ten overvloede merkt het College op dat uit het dossier blijkt dat de vader over het gezinsplan voor het jaar 2018 veelvuldig contact heeft gehad met de teammanager.

Het gezinsplan van 22 mei 2017 valt wel onder de verantwoordelijkheid van de jeugdprofessional. Dat de negatieve feiten en handelingen van de moeder in het veiligheidsplan van Veilig Thuis niet terugkomen in het gezinsplan van 2017 en negatieve uitlatingen over de vader wel, kan het College niet vaststellen. De vader heeft hiervoor geen enkel bewijs overgelegd. Het College leest in het gezinsplan van 22 mei 2017 dat er zorgen zijn, maar ziet ook dat de krachten van de vader worden benoemd, bijvoorbeeld dat de vader een lieve en betrokken vader is die het beste voorheeft met zijn kinderen (pagina […]) en dat de kinderen graag met beide ouders goed contact willen (pagina […]). Bij die krachten staat beschreven dat de vader hulp heeft gezocht voor zijn problematiek, hetgeen door het College anders wordt geïnterpreteerd dan dat de vader wordt neergezet als iemand met problematiek. De opmerking van de vader dat er niets geschreven wordt over de kinderen kan het College eveneens niet volgen. Op pagina […] van het gezinsplan wordt uitgebreid ingegaan op de kinderen, waarbij ook is terug te lezen dat de zoon grote hoeveelheden alcohol heeft gedronken en als gevolg daarvan een nacht in het ziekenhuis is opgenomen. De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht verklaard dat het gezinsplan van 2017 naar beide ouders is toegestuurd. De gemachtigde van de vader heeft ter zitting benadrukt dat zij na ontvangst van het gezinsplan duidelijk hebben aangegeven het plan niet te kunnen accepteren. Een bericht, waaruit zou kunnen blijken dat de vader niet akkoord is gegaan met het gezinsplan uit 2017, heeft de vader – ook bij navraag door het College tijdens de mondelinge behandeling van de klacht – niet overgelegd. Derhalve acht het College het standpunt van de vader en zijn gemachtigde dat het gezinsplan eenzijdig is opgesteld en hen geen gelegenheid is geboden daarop te reageren niet onderbouwd.

4.4.4 De vader is niet-ontvankelijk in het deel van de klacht over het gezinsplan van 23 februari 2018. Het College verklaart het klachtonderdeel voor het overige ongegrond.

4.5 Conclusie

 4.5.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot klachtonderdeel 1 deels tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De jeugdprofessional heeft de zoon teruggeplaatst bij de moeder voordat de machtiging tot uithuisplaatsing was verlopen, terwijl de zoon had aangegeven daar (nog) niet aan toe te zijn. De jeugdprofessional heeft tot een half jaar na de terugplaatsing van de zoon schaars contact met hem onderhouden. Tot slot heeft de jeugdprofessional geen regie genomen naar de moeder toe, die tegen de afgesproken omgangsmomenten in, contact zocht met de zoon. De jeugdprofessional heeft volgens het College in strijd gehandeld met artikel 1:265d BW en met artikel A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en E (Respect) van de Beroepscode. Ook heeft de jeugdprofessional niet in lijn gehandeld met de richtlijn ‘Uithuisplaatsing’.

4.5.2 Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid en de op te leggen maatregel overweegt het College als volgt. Allereerst wordt het de jeugdprofessional kwalijk genomen dat zij de zoon op onzorgvuldige wijze heeft teruggeplaatst bij de moeder. Daarbij weegt mee dat de terugplaatsing binnen een dag heeft plaatsgevonden. Van de jeugdprofessional mag verwacht worden dat zij een plan tot terugplaatsing opstelt en overleg heeft hierover met alle betrokkenen en zeker ook met de zoon die op dat moment 17 jaar oud was. Bovendien lag er een raadsrapport dat aangaf dat in de periode van drie maanden dat de machtiging uithuisplaatsing van kracht was er een plan moest komen voor terugplaatsing van de zoon. Het College kan zich voorstellen dat de handelswijze rondom de terugplaatsing nadelig is geweest voor de zoon. Daarbij is het College van oordeel dat de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van de klacht onvoldoende heeft gereflecteerd op dit specifieke handelen. De jeugdprofessional heeft wel verklaard het oprecht jammer te vinden dat de vader haar handelen zo beleefd heeft, terwijl het de bedoeling was de band tussen de vader en de zoon te verbeteren. Dit gebrek aan reflectie weegt mee en het College gaat ervan uit dat het oordeel over het handelen van de jeugdprofessional bijdraagt aan een verdere bewustwording.

Het College heeft echter ook begrip voor de jeugdprofessional en de situatie waarin zij heeft verkeerd. De jeugdprofessional heeft zich in een complexe situatie ingespannen om de samenwerking met de vader te zoeken en geprobeerd deze goed te laten verlopen. Daarbij heeft zij regelmatig overleg gehad met haar collega’s. Daarnaast heeft het College oog voor het verdriet van de vader over het contact met zijn zonen. Wellicht had de vader te hoge verwachtingen van de mogelijkheden van de GI. Een kinderbeschermingsmaatregel is geen garantie voor het tot stand brengen van de communicatie tussen de ouders onderling en met de kinderen. De ouders zijn voornamelijk aan zet om dit mogelijk te maken. De jeugdbeschermer reikt de middelen aan, maar het is uiteindelijk aan de ouders om het te doen slagen.

4.5.3 Concluderend acht het College het gelet op de ernst van het handelen passend en geboden om aan de jeugdprofessional de maatregel van berisping op te leggen. Het openbaar maken van de maatregel van berisping zou met zich mee brengen dat deze maatregel, met daarbij vermelding van de persoonsgegevens van de jeugdprofessional, gedurende vijf jaar zichtbaar is in het openbare deel van het Kwaliteitsregister Jeugd. Vanwege de geschetste (verzachtende) omstandigheden ziet het College voldoende aanleiding om daarvan af te zien. Aan de jeugdprofessional wordt dan ook de maatregel van berisping opgelegd, zonder openbaarmaking van deze maatregel.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdeel 1 deels gegrond;
  • verklaart de klachtonderdelen 2 en 4 deels ongegrond en verklaart de vader in het overige deel van de klachten niet-ontvankelijk;
  • verklaart klachtonderdeel 3 ongegrond;
  • legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van berisping, zonder openbaarmaking van deze maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 10 januari 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk, voorzitter

mevrouw mr. E.C. Abbing, secretaris