De jeugdbeschermer wordt door de vader verweten dat zij onrechtmatig heeft gehandeld door de zorgregeling te wijzigen, en bovendien hebben geplande belafspraken geen doorgang vonden.

20.007Ta Beslissing van het College van Toezicht van het Kwaliteitsregister Jeugd van 10 december 2020

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,

mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,

de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager], klager, hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats],

op 27 januari 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam geweest als jeugdbeschermer bij de gecertificeerde instelling [de GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

De vader wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde de heer M.E. Kranenburg, werkzaam bij AKJ.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. D. Schut-Wolfs, werkzaam bij DAS te Amsterdam.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het aangepaste klaagschrift, inclusief een geluidsopname, ontvangen op 24 februari 2020;
  • de aanvulling op het klaagschrift, ontvangen op 20 maart 2020;
  • het verweerschrift, ontvangen op 9 juni 2020;
  • de door de gemachtigde van de vader tijdens de mondelinge behandeling van de klacht overgelegde pleitnota.

1.2 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2020 in aanwezigheid van de vader, de jeugdprofessional en de gemachtigden. Tevens is vanuit SKJ een tweede medewerker aanwezig geweest, mevrouw E.S. Tas.

1.3 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

1.4 Op 12 november 2020 zijn partijen schriftelijk geïnformeerd dat de voorzitter van het College op grond van artikel 10.3 van het Tuchtreglement (versie 1.3) heeft besloten om de termijn voor het verzenden van de beslissing met vier weken te verlengen. Nu de beslissing gereed is voor de, op 12 november 2020 nieuwe gestelde termijn, is deze op 10 december 2020 aan partijen verzonden.

2     De feiten

Het College gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft twee minderjarige kinderen. De dochter is geboren in 2006 en de zoon in 2010.

2.2 Op 30 juni 2017 heeft de rechtbank tussen de vader en de moeder van de kinderen, gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, de echtscheiding uitgesproken. Het gezag over de kinderen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend. In de beschikking heeft de rechtbank onder meer bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben. Tevens is een co-ouderschapsregeling (verder aan te duiden als: de zorgregeling) vastgesteld, waarbij de kinderen de ene week bij de moeder verblijven en de andere week bij de vader.

2.3 In september 2018 heeft de moeder eenzijdig de zorgregeling opgeschort.

2.4 De dochter heeft in een gesprek met de onderzoekers van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de RvdK) op 10 oktober 2018 aangegeven voorlopig geen contact te willen met de vader. De vader heeft zich bij de wens van de dochter neergelegd.

2.5 Bij raadsbesluit van 31 oktober 2018 is de rechtbank verzocht de kinderen voor een periode van twaalf maanden onder toezicht te stellen van de GI, gezien de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de kinderen.

2.6 De kinderen zijn op 15 november 2018 onder toezicht gesteld van de GI tot 15 november 2019. In de beschikking heeft de kinderrechter onder meer het volgende overwogen: “Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [de kinderen], omdat zij knel zitten tussen de strijd van ouders, waarbij belastende uitspraken over en weer gedaan worden.” 

2.7 De jeugdprofessional is – samen met een collega jeugdbeschermer – vanaf 15 november 2018 belast geraakt met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen. Op 22 november 2018 heeft een kennismakingsgesprek tussen de vader en de jeugdprofessional plaatsgevonden, waarbij onder meer het plan van aanpak is besproken.

2.8 Op 3 december 2018 heeft de jeugdprofessional de zorgregeling van 2017 omgezet naar begeleide omgang van de vader en de zoon. Het doel hiervan is de omgang tussen de vader en de zoon in kaart te brengen.

2.9 Op 10 december 2018 heeft de jeugdprofessional de vader bericht dat de omgang in januari 2019 begeleid kan starten. Omdat dat nog ver weg is, heeft de jeugdprofessional aangeboden de omgang tussen de vader en de zoon in de tussentijd zelf te begeleiden.

2.10 De zoon is op 12 en 27 december 2018 en op 14 januari 2019 onder begeleiding van een medewerker van de GI bij de vader op bezoek geweest.

2.11 Op 3 januari 2019 heeft de advocaat van de vader de jeugdprofessional op de hoogte gesteld van de uitspraak van de Hoge Raad van 14 december 2018. De Hoge Raad heeft bij de beantwoording van prejudiciële vragen – samengevat en voor zover hier van belang – bepaald dat een GI niet de bevoegdheid heeft om door middel van het geven van een schriftelijke aanwijzing houdende beperking van de omgang, een eerdere beschikking van de rechter inzake omgang opzij te zetten […]”. In zo’n geval dient de GI zich op de voet van art. 1:265g lid 1 BW te wenden tot de kinderechter met een verzoek tot wijziging van de eerdere regeling. Eveneens op 3 januari 2019 heeft de vader de jeugdprofessional gemaild dat juridisch niets in de weg staat de zorgregeling te hervatten.

2.12 Op 4 januari 2019 heeft de jeugdprofessional naar de vader gereageerd dat zij de oude regeling niet wil terugdraaien voordat zij zeker weet dat dat juridisch correct is. Op 10 januari 2019 heeft de advocaat van vader de jeugdprofessional gerappelleerd. Op diezelfde dag heeft de jeugdprofessional gemaild dat zij nog niets heeft gehoord van de juristen van de GI. Op 17 januari 2019 hebben de juristen van de GI het standpunt van de advocaat van de vader ten aanzien van de gewijzigde zorgregeling bevestigd.

2.13 Bij e-mailberichten van 17, 21 en 23 januari 2019 heeft de jeugdprofessional de vader geïnformeerd dat – naar aanleiding van hetgeen de Hoge Raad heeft bepaald (zie punt 2.11) – de voorheen geldende zorgregeling hersteld moet worden, en dat de zoon daarom weer om de week een week bij de vader zal gaan verblijven.

2.14 Wegens ziekte heeft de jeugdprofessional de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen op 7 februari 2019 overgedragen aan twee collega’s.

2.15 Op 30 april 2019 is de jeugdprofessional uit dienst getreden van de GI.

2.16 De jeugdprofessional staat sinds [datum] 2018 als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de jeugdprofessional met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij onrechtmatig heeft gehandeld door de zorgregeling te wijzigen en niet te reageren op zijn e-mailberichten.

Toelichting:

De jeugdprofessional heeft de op 30 juni 2017 door de rechtbank vastgestelde zorgregeling op
3 december 2018 zonder overleg met de vader gewijzigd naar begeleide omgang van één uur per twee weken. Daarna heeft de vader de jeugdprofessional op 3 december 2018 een e-mailbericht gestuurd, waarin hij aangeeft dat de rechter tijdens de zitting op 15 november 2018 heeft uitgesproken dat de oude zorgregeling dient te worden hersteld. De advocaat van de vader heeft op 3 januari 2019 een e-mailbericht gestuurd aan de jeugdprofessional, waarin staat dat zij niet bevoegd is de zorgregeling eigenmachtig te wijzigen. De advocaat heeft daarbij verwezen naar het uitspraak van de Hoge Raad van 14 december 2018. Op 10 januari 2019 heeft de advocaat de jeugdprofessional gerappelleerd. De jeugdprofessional heeft pas op 17 januari 2019 gereageerd, en gemeld dat de oude zorgregeling voor wat betreft de zoon hersteld dient te worden. Tot 17 januari 2019 heeft de jeugdprofessional geen enkele actie ondernomen.

Tot slot heeft de jeugdprofessional, zonder opgave van redenen, de uitvoering van de ondertoezichtstelling overgedragen aan twee collega’s.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De jeugdprofessional is geïnformeerd door een collega jeugdbeschermer, die aanwezig was op de rechtszitting van 15 november 2018. Volgens deze collega heeft de rechter uitgesproken dat het de taak is van de GI om beslissingen te nemen over de zorgregeling. De jeugdprofessional en de vader verschillen van mening over wat is besproken op 15 november 2018. Op 3 december 2018 heeft de jeugdprofessional, samen met haar ervaren collega’s, de gebiedsmanager en de gedragswetenschapper tijdens de casuïstiekbespreking besloten de zorgregeling wijzigen. Die beslissing heeft zij op dezelfde dag via een e-mailbericht aan de ouders gecommuniceerd. In datzelfde bericht heeft zij de ouders gemeld dat zij de rechtbank heeft verzocht de betreffende beschikking versneld op te sturen, zodat zij de informatie van haar collega kan verifiëren. Op 11 december 2018 heeft de jeugdprofessional opnieuw contact gezocht met de rechtbank, maar de beschikking blijkt dan nog niet te zijn geschreven.

De jeugdprofessional voert aan dat zij wel degelijk meermaals tussen 3 december 2018 (wijzigen van de zorgregeling) en 17 januari 2019 (reactie van de jeugdprofessional op de berichten van de vader en diens advocaat) telefonisch en per e-mail contact heeft gehad met de vader en zijn advocaat. Op 4 januari 2019 heeft de jeugdprofessional de vader geïnformeerd dat zij de zorgregeling niet zomaar kan terugdraaien, alvorens zij weet hoe het juridisch in elkaar steekt. Diezelfde dag heeft de jeugdprofessional de advocaat van de vader telefonisch laten weten dat zij het advies van de juristen van de GI wil afwachten. Met de advocaat is afgesproken dat de jeugdprofessional direct zal terugkoppelen als er meer duidelijkheid is. Op 17 januari 2019 hebben de juristen van de GI de jeugdprofessional uiteindelijk bericht dat de zorgregeling niet door de GI kan worden gewijzigd. De juristen verwijzen eveneens naar de uitspraak van de Hoge Raad van 14 december 2018. Nog diezelfde dag heeft de jeugdprofessional aan de ouders laten weten dat de voorheen geldende zorgregeling direct wordt hersteld en de zoon weer om de week bij de vader zal verblijven. De jeugdprofessional betreurt het dat de vader zijn zoon enige tijd niet heeft gezien vanwege deze onduidelijkheid. Ook heeft zij begrip dat de vader klaagt over de late medewerking aan het herstel van de zorgregeling. Achteraf gezien, had de regeling niet gewijzigd mogen worden. Zij heeft vertrouwd op de kennis en kunde van haar collega’s. Dat de beschikking en het advies van de juristen van de GI zo lang op zich lieten wachten, is daarbij niet behulpzaam geweest. Lange tijd was ook niet duidelijk wat de bevoegdheden waren van een GI voor wat betreft het beperken van de omgang. Daarover zijn nu juist de prejudiciële vragen gesteld. De advocaat van de vader heeft de jeugdprofessional pas op 3 januari 2019 van deze onduidelijkheid op de hoogte gesteld. De jeugdprofessional heeft zich echter wel bijzonder ingespannen om helderheid te geven over haar handelwijze in deze periode.

Voor wat betreft het overdragen van de uitvoering van de ondertoezichtstelling, voert de jeugdprofessional aan dat zij op 7 februari 2019 door ziekte is uitgevallen. Zij heeft haar gebiedsmanager gevraagd of het nodig was de ouders hierover te berichten om het af te kunnen sluiten. De manager heeft aangegeven dat dit al was geregeld.

4.1.3 Het College overweegt als volgt:

Voor zover bedoeld is te klagen over de onrechtmatigheid van het wijzigen van de zorgregeling wijst het College eerst op het eigen beoordelingskader onder kopje 3 in deze beslissing. Daar staat dat het College de vraag beantwoordt of de jeugdprofessional met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Toetsend aan dit kader overweegt het College dat de jeugdprofessional van een collega jeugdbeschermer heeft vernomen dat de rechter in deze casus heeft uitgesproken dat het de taak is van de GI om beslissingen te nemen over de zorgregeling. Omdat de vader aangaf dat de rechter tijdens de zitting juist heeft uitgesproken dat de oude zorgregeling hersteld dient te worden, heeft de jeugdprofessional de rechtbank benaderd met het verzoek de beschikking zo spoedig mogelijk te mogen ontvangen. Daarna heeft de  jeugdprofessional over deze kwestie overleg gevoerd met haar collega’s, de gebiedsmanager en de gedragswetenschapper. Na deze casuïstiekbespreking op 3 december 2018 heeft de jeugdprofessional de ouders een e-mailbericht gestuurd. Er is besloten de omgang met de dochter (voorlopig) niet te herstellen, en de omgang met de zoon in eerste instantie te laten begeleiden door een professional. De jeugdprofessional geeft ook aan daar op dat moment een professional voor te zoeken. Het doel van de wijziging is volgens de jeugdprofessional zicht te krijgen op de omgang tussen de zoon en de vader, nu de moeder deze omgang in september 2018 – vanwege haar zorgen over de thuissituatie bij de vader – eenzijdig heeft opgeschort. Het College volgt de jeugdprofessional in haar motivatie de omgang tussen de vader en de zoon in de huidige situatie in kaart te willen brengen. Het is de taak van de jeugdprofessional de zoon actief te beschermen, wanneer de kans bestaat dat zijn welzijn wordt bedreigd. Bovendien heeft de jeugdprofessional – in lijn met artikel S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (hierna te noemen: de Beroepscode) – vooraf afstemming gezocht binnen haar team. Daarmee erkent de jeugdprofessional de grenzen van de eigen expertise. Dat geldt overigens ook voor de afstemming die de jeugdprofessional heeft gezocht met de juridische afdeling van de GI. Nadat de jeugdprofessional op 3 januari 2019 door de advocaat van de vader werd gewezen op de uitspaak van de Hoge Raad en de reikwijdte van de bevoegdheid van de GI ten aanzien van het wijzigen van een zorgregeling, heeft de jeugdprofessional contact opgenomen met de juristen van de GI. Nadat de jeugdprofessional op 17 januari 2019 door de juristen van de GI is geïnformeerd, heeft de jeugdprofessional aan de ouders laten weten dat de voorheen geldende zorgregeling direct wordt hersteld en de zoon weer om de week bij de vader zal verblijven. In dit kader voelt het College de behoefte te wijzen op de datum van de uitspraak van de Hoge Raad. Deze uitspraak, waar duidelijkheid is verstrekt over de bevoegdheid van een GI bij het wijzigen van een zorgregeling, is gedateerd op 14 december 2018. Dat is ná de datum van 3 december 2018 waarop de zorgregeling is gewijzigd. Alles afwegende is het College van oordeel dat dit verwijt van de vader geen grond oplevert voor een tuchtrechtelijk verwijt. Dat neemt echter niet weg dat de jeugdprofessional de vader vooraf meer bij de beslissing de zorgregeling te wijzigen had kunnen betrekken, door bijvoorbeeld te besluiten eerst met de vader in overleg te gaan en te trachten tot instemming/overeenstemming te komen.

Ten aanzien van het verwijt dat de jeugdprofessional niet heeft gereageerd op de e-mailberichten van de vader, overweegt het College als volgt. De jeugdprofessional heeft in haar verweerschrift en ook tijdens de mondelinge behandeling van de klacht onweersproken verklaard dat zij in de periode tussen 3 december 2018 en 17 januari 2019 wel contact heeft gehad met de vader, en ook met zijn advocaat. Zij heeft gemotiveerd aangegeven welke e-mailberichten zij heeft gestuurd en voorts dat er tussendoor ook telefonisch contact is geweest. Dat de relatief lange periode tussen het e-mailbericht van 3 januari 2019 en het juridisch advies op 17 januari 2019 niet behulpzaam is geweest voor de vader (en de zoon), heeft de jeugdprofessional erkend en betreurt zij ook, maar dit valt naar het oordeel van het College buiten haar invloedssfeer.

Tot slot verwijst het College, voor wat betreft het verwijt van de vader dat de jeugdprofessional, zonder opgave van redenen, de uitvoering van de ondertoezichtstelling heeft overgedragen aan twee collega’s, naar artikel I (Beëindiging van de professionele relatie) van de Beroepscode. Dit artikel stelt dat een jeugdprofessional verantwoordelijk is voor een zorgvuldige afsluiting van de hulpverlening als hij/zij niet (meer) kan voldoen aan de hulpvraag. In zo’n geval dient de jeugdprofessional zijn/haar beslissing tegenover de cliënt te verantwoorden, deze eventueel te begeleiden bij een verwijzing en bereid te zijn tot nazorg. Vast staat dat de jeugdprofessional op 7 februari 2019 ziek is geworden. Dat is naar het oordeel van het College een situatie waar artikel I niet in voorziet. Bovendien heeft de jeugdprofessional onweersproken gesteld dat zij bij haar gebiedsmanager te rade is gegaan of zij de professionele relatie met de vader zelf zou moeten afsluiten en heeft de gebiedsmanager kennelijk verklaard dat dit geregeld was. Dit aspect van de klacht levert dan ook geen grond op voor een tuchtrechtelijk verwijt. 

4.1.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij het plan van aanpak heeft geantedateerd. Daarnaast heeft de jeugdprofessional niet gereageerd op de schriftelijke opmerkingen van de vader op het plan van aanpak.

Toelichting:

Het plan van aanpak is opgesteld op 16 januari 2019. Op 17 januari 2019 heeft de jeugdprofessional het plan van aanpak per e-mailbericht voorgelegd aan de vader. Echter, op het plan van aanpak heeft zij de datum 30 november 2018 genoteerd. Daarnaast heeft de jeugdprofessional niet gereageerd op de reactie van de vader op het plan van aanpak. Tot op heden weet de vader niet of zijn opmerkingen hierin zijn verwerkt.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

Op 22 november 2018 is de jeugdprofessional op huisbezoek geweest bij de vader om kennis te maken en het plan van aanpak te bespreken. Op de eerste pagina van het plan van aanpak staan schaalvragen. Beide ouders hebben kunnen aangeven in hoeverre zij het eens zijn met het plan van aanpak. De vader heeft het plan van aanpak destijds een acht gegeven. Op pagina zes van het plan van aanpak staan schaalvragen die gaan over de werkrelatie. De vader heeft daarvoor het cijfer nul gegeven, omdat er volgens hem geen communicatie is met de moeder. De jeugdprofessional heeft het plan van aanpak daarom wel degelijk met de ouders besproken voor de vastgestelde datum van 30 november 2018. Zij kan niet terugvinden wanneer zij het plan van aanpak naar de ouders heeft gestuurd. Daarnaast kan zij zich niet herinneren dat zij van de vader een reactie op het plan van aanpak heeft ontvangen. Dit staat niet in de contactjournaals.

4.2.3 Het College overweegt als volgt:

De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht nogmaals, net als in haar verweerschrift, verklaard dat zij op 22 november 2018 bij de vader op huisbezoek is geweest. In het door de jeugdprofessional bijgevoegde contactjournaal van 22 november 2018 leest het College dat het plan van aanpak met de vader is besproken. Desgevraagd heeft de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat het plan van aanpak door haar voorganger is opgesteld, dat zij daar verder mee is gegaan en dat zij geen enkel belang heeft gehad het plan van aanpak te antedateren. Ook het College ziet hier geen plausibele reden voor. De vader heeft bovendien nagelaten zijn klacht met relevante stukken te onderbouwen. In de overgelegde pleitnota van de gemachtigde van de vader wordt verwezen naar de agenda van de vader van die dag, waaruit zou blijken dat hij zakelijke afspraken had, met als kennelijke conclusie dat er geen huisbezoek heeft kunnen plaatsvinden. Deze agenda, en ook het e-mailbericht waarmee de vader zegt te kunnen aantonen dat de jeugdprofessional hem een vragenlijst heeft gestuurd voor een nog te schrijven plan van aanpak, zijn niet bij de pleitnota gevoegd. Nu de jeugdprofessional het verwijt van de vader gemotiveerd heeft weersproken, is dit deel van de klacht naar het oordeel van het College dan ook ongegrond.

Het tweede deel van de klacht van de vader, dat de jeugdprofessional niet heeft gereageerd op zijn schriftelijke opmerkingen, is niet dan wel onvoldoende komen vast te staan. De jeugdprofessional heeft verklaard zich niet te kunnen herinneren een reactie van de vader ontvangen te hebben. Zij heeft dit ook niet kunnen terugvinden in de contactjournaals. De vader heeft nagelaten het
e-mailbericht, waarin de vader de jeugdprofessional zijn schriftelijke opmerkingen stuurt, en waar in de genoemde pleitnota naar wordt verwezen, bij te voegen. In het licht van hetgeen door de  jeugdprofessional is aangevoerd, is het door de vader gestelde onvoldoende gemotiveerd. Dit gedeelte van de klacht wordt dan ook ongegrond verklaard vanwege het gebrek aan onderbouwing.

4.2.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.3 Klachtonderdeel 3

4.3.1 De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij heeft nagelaten te handelen ondanks dat zij op de hoogte was van de wanhoop van de zoon.

Toelichting:

In december 2018 heeft de vader sporadisch telefonisch contact gehad met de zoon. In deze opgenomen telefoongesprekken is de zoon in tranen en zegt hij dat hij zijn vader wil zien. De jeugdprofessional is hiervan door de vader op de hoogte gesteld, heeft niet gereageerd en nagelaten te handelen.

4.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

Zij is zich terdege bewust geweest van de dringende wens van de zoon zijn vader te zien en te spreken en heeft deze wens ook erkend. Tijdens het telefoongesprek tussen de vader en de zoon in december 2018 is gesproken over belafspraken en over fysieke omgang. De jeugdprofessional heeft nooit gewild dat de geplande belafspraken geen doorgang zouden vinden, maar dit was het gevolg van een geschil tussen de ouders. Zij heeft hierover meerdere malen met de ouders gesproken en hen gewezen op hun verplichtingen. Dit blijkt onder meer uit haar e-mailbericht aan de ouders van 6 december 2018. Anderzijds heeft zij de vader – via zijn advocaat – aangesproken om de zoon geen verwarrende boodschappen te geven, omdat dit zijn wanhoop zou aanwakkeren. Uit de opname van het telefoongesprek van 3 december 2018 komt naar voren dat de vader de zoon vertelt dat hij per direct weer naar hem toe mag van de mevrouw van de kinderbescherming. Daarnaast heeft de jeugdprofessional het gezin aangemeld bij verschillende organisaties en trajecten om zo spoedig mogelijk het contact tussen de vader en de zoon, en de communicatie tussen de ouders te herstellen.

4.3.3 Het College overweegt als volgt:

In september 2018 heeft de moeder de zorgregeling eenzijdig opgeschort. Op 15 november 2018 zijn de kinderen onder toezicht gesteld en vanaf die datum is de jeugdprofessional betrokken geraakt. Vervolgens is op 3 december 2018 de zorgregeling van 2017 omgezet naar begeleide omgang van de vader en de zoon. Het College begrijpt dat de vader zijn zoon in deze periode heeft gemist. Het College heeft kennisgenomen van het telefoongesprek tussen de vader en de zoon op 17 december 2018 en hoort het verdriet van de zoon. Desondanks volgt het College de vader niet in zijn verwijt dat de jeugdprofessional – terwijl zij hiervan op de hoogte was – heeft nagelaten te handelen. In het verweerschrift heeft de jeugdprofessional verklaard zich bewust te zijn geweest van de wens van de zoon de vader te zien. Onweersproken heeft zij gesteld dat zij heeft gehandeld door – onder meer – op zoek te gaan naar een professional die de omgang tussen de vader en de zoon kon begeleiden, door zelf de omgang te hebben begeleid, en door het gezin aan te melden bij diverse organisaties en trajecten om het contact tussen de vader en de zoon en de communicatie tussen de ouders te herstellen. Vast staat ook dat de zoon op 12 en 27 december 2018 en op 14 januari 2019 onder begeleiding van een medewerker van de GI bij de vader op bezoek is geweest. Daarmee heeft zij naar het oordeel van het College voldoende aannemelijk gemaakt dat zij – in de relatief korte periode dat zij betrokken was – wel degelijk heeft gehandeld.

Ten aanzien van de geplande belafspraken tussen de vader en de zoon erkent de jeugdprofessional in haar verweerschrift dat deze, als gevolg van het geschil tussen de ouders, geen doorgang hebben gevonden. In het bijgevoegde e-mailbericht van 10 december 2018 van de jeugdprofessional aan de ouders leest het College: “Als dit de afspraken zijn die bij [het traject] zijn gemaakt en de afspraken zijn die al deze tijd zijn aangehouden denk ik dat we dit moeten blijven doen. Bij [het traject] kan er opnieuw worden gekeken of deze afspraken gehandhaafd moeten blijven of dat deze anders moeten.” Voorts staat in de contactjournaals van 22 en 23 december 2018 dat de ouders elkaar over en weer verwijten maken over het niet nakomen van deze belafspraken. Het College kan zich tot op zekere hoogte voorstellen dat het – mede doordat de ouders niet in staat waren constructief met elkaar te communiceren – niet eenvoudig is geweest de belafspraken structureel doorgang te laten vinden. Dat neemt volgens het College echter niet weg dat van de jeugdprofessional – in haar functie als regievoerder – verwacht mocht worden dat zij zich meer had kunnen inspannen de belcontacten vorm te geven, en wanneer dit niet haalbaar was de ouders hier (schriftelijk) op aan te spreken. De jeugdprofessional had zich hier meer kunnen en moeten positioneren. Dat wil echter niet zeggen dat sprake is van een normoverschrijding en dat de jeugdprofessional een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden.

4.3.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart de klachtonderdelen 1, 2 en 3 ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 10 december 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter

mevrouw mr. E.C. Abbing, secretaris