Een jeugdprofessional heeft bij de ondersteuning van de vader (een goede vriend/kennis van de jeugdprofessional) haar kennis en expertise als jeugdprofessional ingezet, waarbij zij elementaire beroepsnormen niet in acht heeft genomen en niet in het belang van de kinderen heeft gehandeld. De jeugdprofessional heeft niet op haar handelen gereflecteerd.

Het College van Beroep heeft beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.P. van der Linden, voorzitter,
mevrouw mr. H.C.L. Greuters, lid-jurist,
de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,
de heer W.M.P. van Engelen, lid-beroepsgenoot,

in de zaak van:

[de jeugdprofessional], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: de jeugdprofessional,

tegen:

[de moeder], klaagster in eerste aanleg, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.V. Verweij.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. K. Walburg, advocaat te Alkmaar.

De moeder wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer W.E. van Bentem, rechtskundig adviseur.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift dat de moeder op 9 augustus 2019 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– het verweerschrift dat de jeugdprofessional op 24 september 2019 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– de aanvullingen op het klaagschrift ontvangen op 8 november 2019 en 22 november 2019;
– de aanvulling op het verweerschrift ontvangen op 8 november 2019;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 19.265Ta van 3 januari 2020;
– het beroepschrift dat de jeugdprofessional op 11 februari 2020 heeft ingediend;
– het verweerschrift, tevens inhoudende voorwaardelijk incidenteel beroep, dat de moeder op 6 april 2020 heeft ingediend;
– het verweerschrift tegen het incidenteel beroep, dat de jeugdprofessional op 12 mei 2020 heeft ingediend.

1.2 Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht de klachtonderdelen 1 tot en met 10 ongegrond en klachtonderdeel 11 gegrond verklaard. Aan de jeugdprofessional is de maatregel van berisping opgelegd, met openbaarmaking van deze maatregel.

1.3 De jeugdprofessional heeft op 11 februari 2020 tegen deze beslissing – tijdig – beroep aangetekend.

1.4 De moeder heeft op 6 april 2020 een verweerschrift tegen het beroep ingediend. In dit verweerschrift heeft de moeder tevens voorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld tegen de beslissing van het College van Toezicht.

1.5 Op 26 oktober 2020 kon de mondelinge behandeling van het beroep niet doorgaan in verband met het landelijk aangescherpte COVID-19 beleid. De mondelinge behandeling van het beroep heeft uiteindelijk plaatsgevonden op 26 augustus 2021 in aanwezigheid van de moeder, de jeugdprofessional en hun gemachtigden.

2     De feiten

Het College van Beroep gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft twee minderjarige kinderen. De dochter is geboren in 2007 en de zoon in 2009. Zij worden hierna gezamenlijk aangeduid als: de kinderen.

2.2 De moeder en haar ex-partner, de vader van de kinderen, gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, zijn in 2013 uit elkaar gegaan en zijn sinds 2015 formeel gescheiden.

2.3 De kinderrechter heeft op 15 november 2016 de kinderen onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd.

2.4 De gecertificeerde instelling [GI 2] in [vestigingsplaats], hierna te noemen: [GI 2], heeft tot 1 december 2018 de ondertoezichtstelling uitgevoerd. Sinds 1 december 2018 voert de gecertificeerde instelling [GI], hierna te noemen: de GI, de ondertoezichtstelling uit.

2.5 Het NIFP heeft op verzoek van de rechtbank een forensisch psychologisch onderzoek ingesteld naar/met betrekking tot de persoon van en de opvoedingsvaardigheden van de ouders. Het rapport is gedateerd op 28 december 2018.

2.6 De jeugdprofessional is werkzaam als jeugdbeschermer bij [GI 2] in [plaats]. Zij heeft daarnaast een eigen bedrijf dat training, coaching en advies geeft aan kinderen, jongeren, volwassenen en bedrijven. Zij is bevriend met de vader en ondersteunt hem.

2.7 De jeugdprofessional heeft van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd gestaan in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 staat de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College van Beroep beantwoordt de vraag of een jeugdprofessional bij het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College van Beroep toetst het (beroepsmatig) handelen van de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessionals aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en/of nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.3 Het beroepschrift van de jeugdprofessional richt zich tegen de beoordeling van klachtonderdeel 11, dat het College van Toezicht gegrond heeft verklaard.

3.4 Het voorwaardelijk incidenteel beroepschrift van de moeder richt zich tegen de beoordeling van de klachtonderdelen 1 tot en met 10, die het College van Toezicht ongegrond heeft verklaard.

4     Het (voorwaardelijk incidentele) beroep, verweer en de beoordeling

4.1.1 Hierna zullen de in het (voorwaardelijk incidentele) beroepschrift aangehaalde klachtonderdelen worden besproken en beoordeeld. De oorspronkelijke klacht wordt genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in (voorwaardelijk incidenteel) beroep, evenals het verweer in (voorwaardelijk incidenteel) beroep, waarna het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven.

4.1.2 Het College van Beroep wijst er op dat in de beslissing in zaaknummer 18.003B is geoordeeld dat het niet mogelijk is om beroep in te stellen tegen (de zwaarte van) de opgelegde tuchtrechtelijke maatregel. Voor zover een grief hiertegen is gericht, geeft het College van Beroep daar geen oordeel over.

4.2 Klachtonderdeel 11 (principaal beroep)

4.2.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 11 als volgt geformuleerd: “De moeder stelt zich in dit klachtonderdeel subsidiair op het standpunt dat het verwijtbaar handelen van de jeugdprofessional dat benoemd is in de klachtonderdelen 2 tot en met 10, valt onder artikel 3.1 sub b van het Tuchtreglement.”

4.2.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “4.2.2 Het College [van Toezicht] overweegt het volgende. Artikel 3.1 sub b van het Tuchtreglement luidt als volgt: ‘De jeugdprofessional is onderworpen aan de algemene tuchtnorm. Deze tuchtnorm wordt geschonden indien sprake is van: elk ander dan onder a. bedoeld handelen dat in strijd is met hetgeen een behoorlijk jeugdprofessional betaamt’. Handelingen van een jeugdprofessional in de privésfeer vallen in beginsel niet onder het tuchtrecht. Dit is anders als het privé handelen niet los gezien kan worden van het beroep van jeugdprofessional en dit handelen voldoende weerslag heeft op het belang van een individuele cliënt, het vertrouwen in de beroepsgroep of het jeugddomein. De eisen die hieraan worden gesteld zijn hoog. Het staat een jeugdprofessional dus in beginsel vrij om privé familie en/of vrienden te ondersteunen en te adviseren op het terrein van het jeugddomein. Hierbij dient hij of zij zich echter wel bewust te zijn van de professionele standaard en het mogelijke effect van zijn of haar handelen op de beroepsgroep in zijn geheel. Het beroep van een jeugdprofessional brengt een maatschappelijke verantwoordelijkheid met zich mee dat verweven is met de handelingen van een jeugdprofessional als privépersoon. Indien een jeugdprofessional zijn kennis en expertise inzet als privépersoon dient hij of zij zich bewust te zijn van het feit dat dit een weerslag kan hebben op de gehele beroepsgroep. Het College [van Toezicht] zal aan de hand van de handelingen van de jeugdprofessional die zijn genoemd onder de klachtonderdelen 1 tot en met 10 bezien of de tuchtnorm van artikel 3.1 sub b van het Tuchtreglement is geschonden.

4.2.3 Vast staat dat de jeugdprofessional zich niet bekend heeft gemaakt aan de moeder, terwijl wel zichtbaar en kenbaar was voor de moeder dat de vader door de jeugdprofessional werd bijgestaan. Het is begrijpelijk dat de moeder het als bedreigend heeft ervaren toen zij erachter kwam dat degene die de vader bijstond een jeugdprofessional is die in dienst is van [GI 2]. Desgevraagd heeft de jeugdprofessional aangegeven dat zij zich dat kan voorstellen. Het College [van Toezicht] is van oordeel dat de jeugdprofessional gelet op het feit dat zij werkzaam is bij [GI 2] en de ondertoezichtstelling tot 1 december 2018 werd uitgevoerd door [GI 2], direct bij moeder bekend had moeten maken wie zij was en in welke hoedanigheid zij de vader bijstond. Dat de ondersteuning plaats heeft gevonden in het kader van parallel ouderschap doet hier niet aan af. Zij had hier autonoom een keuze in moeten maken en de keuze niet enkel moeten overlaten aan de jeugdbeschermers van de GI, zoals zij stelt te hebben gedaan.

4.2.4 Verder is niet in het geschil dat de jeugdprofessional vele malen aanwezig is geweest bij de overdracht van de kinderen. Zij heeft ook met de zoon gesproken terwijl zij de moeder niet gevraagd heeft om toestemming hiervoor. Dat het gesprek van korte duur was, doet hier niet aan af. Ter zitting heeft de jeugdprofessional aangegeven dat zij de zoon heeft gevraagd hoe de omgang was gegaan. Als jeugdprofessional hoort zij te weten dat een dergelijke vraag gelet op de omstandigheden en de spanningen rondom de omgang geen “luchtige” vraag was, zoals zij stelt. Ook toen bleek dat moeder niet wilde dat de jeugdprofessional bij de overdracht aanwezig was, is zij hiermee doorgegaan en zij is pas gestopt toen zij zelf onrust bij de kinderen signaleerde en deze momenten beladen vond worden.

4.2.5 Voorts heeft de jeugdprofessional niet weersproken dat zij zonder toestemming van de moeder aanwezig is geweest bij gesprekken op school, bij afspraken met een orthopedisch centrum en zeswekelijkse gesprekken met de vader en de jeugdbeschermers van de GI over de kinderen. De frequentie van haar aanwezigheid bij dergelijke gesprekken lijkt meer op die van een zeer betrokken professional dan die van iemand die privé iemand ondersteunt. Verder is niet in het geding dat de jeugdprofessional in gesprekken heeft benoemd dat zij jeugdprofessional is. De jeugdprofessional had zich ervan bewust moeten zijn dat hieraan een bepaald gezag kan worden ontleend, waardoor zij door de gesprekspartners niet (alleen) gezien zou worden als een persoon uit het netwerk van vader die hem ondersteunt.

4.2.6 Verder stelt het College [van Toezicht] vast dat de rol van de jeugdprofessional is verschoven. Zij heeft zich in eerste instantie gericht op de ondersteuning van de vader en het centraal stellen van de kinderen maar heeft in een later stadium, nadat de zorgen over de kinderen toenamen en de omgang tussen de vader en de zoon is aangepast, stelling genomen tegen de moeder zonder hoor en wederhoor toe te passen. De jeugdprofessional heeft in haar verweerschrift veelvuldig uit het NIFP rapport geciteerd en selectief stukken gebruikt die uit de context zijn gehaald. Een jeugdprofessional moet zich ervan bewust zijn dat een dergelijk rapport in samenhang met alle overige omstandigheden moet worden gelezen. Zij heeft een eigen conclusie getrokken uit het rapport en zich op basis daarvan een mening gevormd over moeder die zij niet alleen in haar verweerschrift heeft geuit maar ook in een stuk dat de advocaat van de vader in een gerechtelijke procedure heeft ingebracht en dat door de moeder in deze procedure is overgelegd. Het College [van Toezicht] kan zich voorstellen dat de jeugdprofessional mee is gegaan met de visie van de vader die het niet eens was met de aangepaste omgangsregeling maar dat betekent niet dat de jeugdprofessional zich ongenuanceerd over de moeder mag uitlaten, waarbij zij selectief uit een rapport citeert en zonder dat hoor en wederhoor is toegepast.

4.2.7 Het College [van Toezicht] is van oordeel dat het handelen van de jeugdprofessional als hiervoor beschreven, in onderling verband bezien, in strijd is met hetgeen een behoorlijk jeugdprofessional betaamt. De jeugdprofessional heeft bij de ondersteuning van de vader haar kennis en expertise als jeugdprofessional ingezet, waarbij zij elementaire beroepsnormen niet in acht heeft genomen en niet in het belang van de kinderen heeft gehandeld. Voorts heeft zij zich niet aan de moeder bekend gemaakt. Ook is zij zonder toestemming van de moeder bij de overdracht van de kinderen aanwezig geweest en heeft zij gesproken met de zoon. Verder is zij zonder toestemming van de moeder aanwezig geweest bij gesprekken over de kinderen. Tot slot heeft zij stelling genomen tegen de moeder door zich ongenuanceerd over haar uit te laten en heeft zij selectief uit een rapport geciteerd zonder hoor en wederhoor toe te passen. Dat alles bij elkaar opgeteld, maakt dat dit handelen, ook al heeft zij dit in privé verricht, zijn weerslag heeft gehad op het vertrouwen in de beroepsgroep.

4.2.3 De jeugdprofessional voert primair aan dat de moeder niet ontvankelijk is in haar klacht omdat uit artikel 3.2 van het Tuchtreglement volgt dat de jeugdprofessional enkel onder het Tuchtreglement kan vallen als zij beroepsmatig handelt. Dat is in casu niet het geval. De jeugdprofessional heeft de vader nimmer als cliënt bijgestaan en hij was ook geen klant bij het bedrijf van de jeugdprofessional. Zij heeft hem enkel privé, als goede vriend, emotioneel ondersteund. De jeugdprofessional benadrukt dat het tuchtrecht niet de intentie heeft privégedrag van iemand te beoordelen en dat de ‘b-norm’ in casu niet van toepassing is.
Subsidiair stelt de jeugdprofessional dat de klacht van de moeder ongegrond verklaard had moeten worden. Het College van Toezicht heeft ten onrechte geoordeeld dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De jeugdprofessional bestrijdt uitdrukkelijk dat zij in strijd heeft gehandeld met hetgeen een behoorlijk jeugdprofessional betaamt. Het College van Toezicht heeft zwaar meegewogen dat de jeugdprofessional bij de [GI 2] werkt en op de website van haar eigen bedrijf aangeeft dat zij geen ondersteuning biedt aan cliënten van de [GI 2], terwijl zij de vader privé, als voormalig client van de [GI 2], direct na de overdracht van de ondertoezichtstelling naar de GI ondersteunt. Dat de jeugdprofessional op haar website aangeeft dat zij geen klanten van de [GI 2] bijstaat, wil niet zeggen dat zij geen klanten mag adviseren die in het verleden bij de [GI 2] liepen. De jeugdprofessional heeft op geen enkele wijze kenbaar gemaakt geen voormalige cliënten van de [GI 2] te kunnen bijstaan en dit staat ook niet op haar website. De jeugdprofessional acht het onbegrijpelijk dat haar dit verwijt wordt gemaakt, temeer omdat zij de vader nimmer als klant van haar bedrijf heeft bijgestaan. De jeugdprofessional sluit geen voormalige cliënten van de [GI 2] uit, enkel ‘lopende’ cliënten. Verder benadrukt de jeugdprofessional dat zij de vader enkel en alleen privé emotioneel ondersteunde en nimmer misbruik heeft gemaakt van haar functie door bijvoorbeeld het dossier te raadplegen. De leidinggevende van de jeugdprofessional bevestigt dit ook. Het steekt de jeugdprofessional daarnaast dat het College van Toezicht overweegt dat de jeugdprofessional geen inzicht zou hebben getoond in haar eigen handelen. Het ontbreekt de jeugdprofessional allesbehalve aan inzicht. Zij heeft zich zelfs kwetsbaar opgesteld door aan te geven dat zij begrijpt dat haar betrokkenheid in deze omstandigheden voor de moeder bedreigend kan zijn geweest. Desondanks blijft de jeugdprofessional volharden dat zij juist heeft gehandeld als privé persoon, als vriend van de vader.

4.2.4 De moeder voert aan dat de voortdurend herhaalde stelling van de jeugdprofessional dat zij niet beroepsmatig heeft gehandeld, maar enkel als privé persoon haar goede vriend emotioneel heeft willen ondersteunen, geen hout snijdt. Uit de handelwijze van de jeugdprofessional volgt onmiskenbaar dat zij veel verder is gegaan dan enkel en alleen emotionele ondersteuning bieden. In eerste aanleg heeft het College van Toezicht ook vastgesteld dat de jeugdprofessional gedurende haar betrokkenheid steeds meer positie is gaan innemen tegen de moeder. Tegen die overweging heeft de jeugdprofessional geen grieven gericht, zodat daarvan rechtens uitgegaan dient te worden.
Evenmin wordt door de jeugdprofessional in haar beroepschrift bestreden dat zij in gesprekken met derden heeft benoemd dat zij jeugdprofessional is en dat zij zich ervan bewust had moeten zijn dat hieraan een bepaald gezag kan worden ontleend, waardoor zij door de gesprekspartners niet (alleen) gezien zou worden als een persoon uit het netwerk van de vader. Het vilein van de handelwijze van de jeugdprofessional zit er juist in dat zij zegt beroepsmatig werkzaam te zijn als jeugdprofessional, maar in deze kwestie enkel als privépersoon en goede vriend van de vader handelt. Zij heeft tegenover derden een beroep gedaan op haar professionele en beroepsmatige achtergrond met het doel om het vertrouwen van die derden in haar te winnen of te versterken. Een belangrijk voorbeeld daarvan is het incident van 12 augustus 2019 waarbij de zoon volgens de vader niet wilde terugkeren naar de moeder. De moeder verwijst in dit kader naar een e-mailbericht dat de vader hierover die dag aan de GI heeft gestuurd en die volgens de moeder geredigeerd is door de jeugdprofessional. De jeugdprofessional roept om het hardst dat zij een goede vriendin van de vader is en niet als professional betrokken is en vervolgens geeft zij wel haar advies aan de politie. Door een beroep te doen op haar functie als jeugdbeschermer bij de [GI 2] wordt geappelleerd aan het vertrouwen dat derden in een jeugdprofessional stellen. Dat de jeugdprofessional aangeeft in deze specifieke aangelegenheid als privépersoon te handelen doet aan het gewekte vertrouwen niet meer af. Dat heeft de jeugdprofessional geweten, althans had zij redelijkerwijs behoren te begrijpen.
Verder voert de moeder aan dat zij recentelijk de beschikking over e-mailberichten heeft gekregen waarbij de jeugdprofessional direct of indirect betrokken is geweest. Daaruit blijkt duidelijk hoe intensief de jeugdprofessional bij de kwestie betrokken is geweest. De jeugdprofessional is zelfs zo ver gegaan dat zij een taak van de GI heeft overgenomen. Dit volgt uit een e-mailbericht van de jeugdprofessional aan de GI waarmee zij overeenkomstig hetgeen met hem is besproken een concept van het door haar opgestelde besprekingsverslag met [instelling 2] doet toekomen. Het College van Toezicht heeft dan ook terecht tot het oordeel kunnen komen dat de betrokkenheid van de jeugdprofessional het karakter van een incidentele emotionele ondersteuning van een goede vriend ver heeft overschreden. Indien al moet worden aangenomen dat de jeugdprofessional niet beroepsmatig heeft gehandeld, dan valt dat handelen wel degelijk onder de ‘b-norm’. Gelet op het voorgaande faalt het beroep van de jeugdprofessional op de niet-ontvankelijkheid van de moeder ten aanzien van klachtonderdeel 11. Daaraan kan niet afdoen dat de jeugdprofessional in haar beroepschrift de strekking miskent van de woorden ‘in beginsel’, die zijn opgenomen in artikel 3.2 van het Tuchtreglement. Wanneer het gaat om de toetsing aan de ‘b-norm’ wijkt dat ‘in beginsel’. Een andere rechtsopvatting zou tot gevolg hebben dat nooit een toetsing aan de ‘b-norm’ zou kunnen plaatsvinden.

4.2.5 De primaire grief van de jeugdprofessional komt er in de kern op neer dat zij niet beroepsmatig heeft gehandeld en zij de vader enkel privé, als goede vriend, emotioneel heeft ondersteund. Volgens de jeugdprofessional dient de moeder in dit licht niet-ontvankelijk in de klacht te worden verklaard, omdat zij enkel onder het tuchtrecht kan vallen als zij beroepsmatig handelt. Het College van Beroep deelt dit oordeel niet. Het College van Toezicht heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat handelingen van een jeugdprofessional in de privésfeer in beginsel niet onder het tuchtrecht vallen, maar dat dit anders is als het privé handelen niet los gezien kan worden van het beroep van jeugdprofessional en dit handelen voldoende weerslag heeft op het belang van een individuele cliënt, het vertrouwen in de beroepsgroep of het jeugddomein. Anders dan de jeugdprofessional stelt hoeft het daarbij niet steeds te gaan om gedragingen die voor een jeugdprofessional in het licht van zijn beroepsuitoefening absoluut ongeoorloofd moeten worden geacht. Het kan daarbij ook gaan om een situatie waarbij vastgesteld kan worden dat sprake is van een ongeoorloofde vermenging van de privéhoedanigheid en de hoedanigheid van jeugdprofessional. Van belang is dat er voldoende verwevenheid met de praktijkuitoefening is. Net als het College van Toezicht gaat het College van Beroep bij de beoordeling uit van het Tuchtreglement, versie 1.3, nu de klachten van de moeder zien op een voortdurend handelen van de jeugdprofessional, dat niet uitsluitend de periode vóór de inwerkingtreding van het Tuchtreglement, versie 1.3, beslaat (4 maart 2019). Gelet op het voorgaande sluit het College van Beroep zich aan bij het oordeel van het College van Toezicht dat het handelen van de jeugdprofessional te toetsen is aan artikel 3.1 sub b van het Tuchtreglement, versie 1.3, zodat de moeder terecht ontvankelijk verklaard is in de klacht.
Subsidiair voert de jeugdprofessional aan dat het College van Toezicht klachtonderdeel 11 ten onrechte gegrond heeft verklaard. Het College van Beroep stelt vast dat de jeugdprofessional geen specifieke grieven heeft gericht tegen de beoordeling door het College van Toezicht van de afzonderlijke verwijten. Het ligt op de weg van diegene die beroep instelt om te onderbouwen waarom bepaalde informatie bijvoorbeeld verkeerd is geïnterpreteerd of ten onrechte buiten beschouwing is gelaten en waarom dit maakt dat het oordeel van het College van Toezicht onjuist is. Dit heeft de jeugdprofessional nagelaten. De (algemene) stelling dat de jeugdprofessional de vader alleen in privé emotioneel heeft ondersteund en dat door het College van Toezicht (te) zwaar is meegewogen dat zij bij de [GI 2] werkt, kan naar het oordeel van het College van Beroep niet tot vernietiging van de bestreden beslissing leiden. Het College van Beroep handhaaft dan ook het oordeel van het College van Toezicht.

4.2.6 Het College van Beroep is van oordeel dat de grief van de jeugdprofessional faalt.

4.3 Klachtonderdelen 1 tot en met 10 (voorwaardelijk incidentele beroep)

4.3.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht zijn de klachtonderdelen 1 tot en met 10 als volgt geformuleerd: “De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij de integriteit en het vertrouwen van het beroep van de jeugd- en gezinsprofessional heeft geschonden. De jeugdprofessional werkt als jeugdzorgwerker bij de [GI 2] en heeft een eigen bedrijf dat onder meer ouders begeleidt bij een ondertoezichtstelling. Zij verleent diensten aan de vader terwijl zij heeft geweten of redelijkerwijs heeft kunnen weten dat [GI 2] eerder de ondertoezichtstelling van de kinderen heeft uitgevoerd. Het past een goede jeugd- en gezinsprofessional niet om diensten aan de vader, een voormalig cliënt van [GI 2], te verlenen terwijl [GI 2] eerder belast was met een ondertoezichtstelling van de kinderen. Zij heeft ook moeten weten dat de uitvoering van de ondertoezichtstelling door [GI 2] tot conflicten heeft geleid. Voorts verwijt de moeder de jeugdprofessional dat zij haar werkzaamheden heeft verricht zonder zich bij de moeder bekend te maken. Zij heeft ook zonder medeweten van de moeder gesproken met de kinderen en is aanwezig geweest bij het terugbrengen van de kinderen van de vader naar de moeder. Verder heeft de jeugdprofessional volgens de moeder deelgenomen aan gesprekken met derden over de kinderen, heeft zij de meerzijdige partijdigheid geschonden en heeft zij de aspecten van huiselijk geweld niet bij haar handelen en afwegingen betrokken. Zij heeft gehandeld in strijd met de vertrouwelijkheid en heeft correspondentie voor de vader opgesteld als zou dit door hemzelf zijn opgesteld. Tot slot heeft zij in de door haar opgestelde correspondentie diskwalificerende opmerkingen over de moeder gemaakt.”

4.3.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “Zoals eerder overwogen begrijpt het College [van Toezicht] de klacht zo dat de klachtonderdelen 1 tot en met 10 enkel betrekking hebben op het beroepsmatig handelen van de jeugdprofessional en oordeelt hierover als volgt. De jeugdprofessional heeft haar stelling dat zij niet beroepsmatig betrokken is, onderbouwd met bijlagen. Het lag op de weg van de moeder om haar stelling dat de jeugdprofessional beroepsmatig heeft gehandeld (nader) te onderbouwen. Dit heeft zij niet gedaan. Daarom is niet komen vast te staan dat de jeugdprofessional vanuit haar bedrijf of vanuit [GI 2] diensten heeft verleend aan de vader. De klachtonderdelen 1 tot en met 10 zijn dus ongegrond.”

4.3.3 De moeder stelt zich op het standpunt dat het handelen van de jeugdprofessional moet worden aangemerkt als beroepsmatig handelen van een jeugd- en gezinsprofessional, indien geoordeeld mocht worden dat geen sprake is van schending van de ‘b-norm’. Het is evident dat de jeugdprofessional haar professionele vaardigheden heeft ingezet en zich ook naar buiten toe als professional heeft gepresenteerd.

4.3.4 De jeugdprofessional benadrukt dat in onderhavige kwestie geen sprake is geweest van beroepsmatig handelen. Een jeugdprofessional werkt planmatig en aan de hand van een aantal te doorlopen stappen. Die stappen heeft zij op geen enkele wijze met de vader doorlopen. De vader is een vriend, niets meer en niets minder.

4.3.5 Het College van Beroep stelt vast dat de moeder incidenteel beroep heeft ingesteld tegen de beoordeling van klachtonderdelen 1 tot en met 10, onder de voorwaarde dat het principaal beroep van de jeugdprofessional in enig opzicht doel treft. Nu de grief van de jeugdprofessional in principaal beroep faalt, komt het College van Beroep niet toe aan de beoordeling van het voorwaardelijk incidentele beroep van de moeder.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

  • handhaaft het oordeel van het College van Toezicht in zaaknummer 19.265Ta, voor zover aan het oordeel van het College van Beroep onderworpen.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 7 oktober 2021 aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.P. van der Linden                                                  mevrouw mr. A.V. Verweij

voorzitter                                                                                          secretaris