De jeugdprofessional heeft een vertrouwelijk gesprek gevoerd in een publieke ruimte. Ook heeft zij op persoonlijk betrekkingsniveau met de moeder in een whatsapp groep gecommuniceerd. Op beide punten is nauwelijks gereflecteerd.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
de heer W.M.P. van Engelen, lid-beroepsgenoot,
mevrouw D.J.E. de Graaf, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager], klager, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

op 16 februari 2021 ingediende klaagschrift tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als gezinsbegeleider bij [de instelling], hierna te noemen: [de instelling].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. M.R. Veerman.

De moeder wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer M.E. Kranenburg, werkzaam bij AKJ.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde jeugdprofessional], zakelijk directeur van [de instelling].

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift ontvangen op 16 februari 2021;
  • het verweerschrift ontvangen op 21 mei 2021.

1.2 Op grond van artikel 9 van de ‘Tijdelijke regeling werkwijzen van het College van Toezicht en het College van Beroep in verband met COVID-19 (Corona)’, versie 4 december 2020, heeft de voorzitter besloten tot een digitale mondelinge behandeling van de klacht.

1.3 De digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 15 juli 2021 in aanwezigheid van de moeder, de jeugdprofessional en de gemachtigden.

1.4 Na afloop van de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2 De feiten

Het College gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft een minderjarige dochter, geboren in 2006.

2.2 De moeder en de vader van de dochter zijn uit elkaar. De ouders hebben het gezamenlijk ouderlijk gezag over de dochter.

2.3 In juli 2019 zijn de moeder en de dochter aangemeld voor een gezinsopname bij [de instelling]. De jeugdprofessional is van 16 juli 2019 tot en met 20 oktober 2020 betrokken als gezinsbegeleider.

2.4 In de periode van juli 2019 tot december 2019 verbleef de dochter bij een buitenlandproject van [de instelling]. Daarna is de hulpverlening op locatie in Nederland voortgezet.

2.5 De hulpverlening heeft de gehele periode plaatsgevonden in het vrijwillig kader.

2.6 De jeugdprofessional staat sinds [datum] 2017 als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3 Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of een jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het (beroepsmatig) handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4 De klacht, het verweer en de beoordeling

De zeven in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk en samengevat weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De jeugdprofessional heeft de privacy van de moeder geschonden.

Toelichting:
Op 4 maart 2020 heeft een evaluatiegesprek plaatsgevonden. De jeugdprofessional heeft een locatie in [plaats] uitgezocht. Eenmaal bij de locatie aangekomen bleek dit een café te zijn waar geen afzonderlijke gespreksruimte aanwezig was. Hierdoor is privacygevoelige informatie besproken in een ruimte waar derden (andere cafébezoekers en het personeel) aanwezig waren. Zij hebben kunnen horen wat er is besproken. Voor de moeder was het op dat moment niet mogelijk om bezwaar te maken. Zij had op dat moment net een lange reis naar de locatie achter de rug. Daarnaast is zij van nature een introvert persoon en is het daarom lastig om zich naar de jeugdprofessional toe te uiten. Als de moeder van tevoren had geweten dat het evaluatiegesprek in een café zou plaatsvinden, had zij hier zeker bezwaar tegen gemaakt. De moeder vindt dat van de jeugdprofessional mag worden verwacht dat zij zorgvuldig omgaat met vertrouwelijke informatie. Daardoor kan een evaluatiegesprek in een openbaar café nooit een optie zijn, ook niet als de gesprekspartners ter plekke geen bezwaren uiten.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De moeder heeft in haar toelichting een incompleet beeld van de situatie geschetst. Gelet op de reistijd van de moeder heeft op haar verzoek het evaluatiegesprek in [plaats] plaatsgevonden. Op 24 februari 2020 hebben de moeder en de hulpverlener vanuit schoolmaatschappelijk werk een e-mail ontvangen over de locatie, inclusief de verwijzing naar de website van het restaurant. De moeder heeft niet gereageerd op de e-mail en zij heeft zowel vooraf als achteraf geen voorkeuren aangegeven of vragen gesteld over de geschiktheid van de locatie. Ook haar persoonlijke begeleider heeft niet aangegeven dat privacy een obstakel vormde voor het overleg. De hulpverlener heeft positief op het voorstel gereageerd. De jeugdprofessional heeft dit als een bevestiging gezien dat het tegemoetkomen aan de wens om het gesprek in [plaats] te houden, opwoog tegen de consequentie dat het evaluatiegesprek in een semipublieke gelegenheid zou zijn. Daarbij is meegewogen dat het een groot restaurant is, met meerdere verschillende ruim opgezette zithoeken. Wat betreft de introverte persoonlijkheid van de moeder, verwijst de jeugdprofessional naar Whatsapp-berichten die illustreren dat de moeder aandacht vraagt voor onderwerpen waar zij moeite mee heeft. Zelfs al zou de moeder tijdens het evaluatiegesprek niet de mogelijkheid hebben gehad om zich te uiten, dan had zij zich ook tot de hulpverlener kunnen wenden. De hulpverlener was ook aanwezig en had evengoed een rol kunnen spelen om eventuele aanwezige problemen rondom de locatie bespreekbaar te maken.

4.1.3 Het College overweegt als volgt:
Tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional aangevoerd dat niet zij maar een collega van haar de locatie voor het evaluatiegesprek heeft uitgezocht en hierover met de moeder en haar hulpverlener heeft gecorrespondeerd. De moeder heeft aangegeven dat zij inderdaad op de hoogte was dat het evaluatiegesprek in een restaurant zou plaatsvinden, maar ging ervan uit – gelet op het karakter van het gesprek – dat het restaurant afzonderlijke ruimtes zou hebben. Dat deze er niet zijn, kan niet van de website worden afgeleid. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional de eindverantwoordelijkheid draagt voor de gekozen locatie. Op het moment dat het voor de jeugdprofessional duidelijk was dat het evaluatiegesprek niet in een afgesloten ruimte kon worden gevoerd, had zij het gesprek naar een andere locatie moeten verplaatsen, ook als dit zou betekenen dat het evaluatiegesprek naar een andere datum verplaatst moest worden. Door dit niet te doen heeft de jeugdprofessional er indirect mee ingestemd dat vertrouwelijke informatie over het hulpverleningstraject mogelijk door een derde is opgevangen. Zij heeft hiermee in strijd met artikel J (Vertrouwelijkheid) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (hierna: de Beroepscode) gehandeld. Doordat de jeugdprofessional geen initiatief heeft getoond te voorkomen dat vertrouwelijke informatie door een derde is opgevangen heeft zij eveneens in strijd met artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) gehandeld.

4.1.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De jeugdprofessional heeft zich onprofessioneel uitgelaten over de moeder.

Toelichting:
Op 2 september 2020 heeft de jeugdprofessional via Whatsapp met de moeder contact gehad over de mobiele telefoon van de dochter. Op 3 september 2020 komt de jeugdprofessional daar op terug in de groeps-Whatsapp. In deze groep zitten naast de moeder en de jeugdprofessional ook een medewerkster van maatschappelijk werk, de vader en de dochter zelf. In de berichten heeft de jeugdprofessional een serie aannames en interpretaties van het gedrag van de moeder geschreven. De moeder heeft vijf voorbeelden in haar klaagschrift uitgelicht.

  1. “Je liegt weer tegen mij en je gaat weer dingen regelen voor [de dochter] achter haar rug om en daar bij schroom je niet om te liegen. Dit doe je weer stiekem om mijn privé app. Zodra ik je “ontmasker” ga je weer eisen en commanderen.”
  1. “Wat ga je dus weer doen: je gaat [de dochter] weer gebruiken om te dwingen, manipuleren en liegen. Ik vind dat zo erg. Echt zo erg”.
  1. “Je hebt weer nieuwe mensen gevonden, [organisatie], om weer je gal te spuwen over [de instelling]. En dan denk ik: het gaat weer over jou, over wat je is aangedaan. Je bent niet bezig met [de dochter], wat je daarmee met haar doet. Zij heeft er veel geleerd, zegt ze. Ze wil zelfs graag af en toe naar ons komen en wat doe jij? Klagen weer over iets wat voor [de dochter] belangrijk is geweest”.
  1. “En het meest zorgelijk vind ik misschien nog wel die twee woordjes: love you, in de groepsapp. Ik heb bij jou gemerkt dat toen [de dochter] bij ons was dat, zodra je weer de ruimte kreeg om te stoken, je altijd heel hard riep tegen haar: love you. Elke keer als ik dat hoorde toen [de dochter] belde: hoe harder je dat zegt, hoe meer je weer gestookt hebt en je met jezelf bezig bent geweest. Dit klinkt heel naar en raar maar ik kreeg er altijd een naar gevoel bij”.
  1. “Nogmaals, het hoeft niet zo te zijn maar ik beschrijf nu wel een patroon wat ik van het afgelopen jaar herken, het is zo subtiel, lijkt zo niets zeggend maar het is een patroon waar je [de dochter] weer mee zuigt in je manipulaties. Ik zou je willen vragen, in het belang van [de dochter]: stop hiermee.”

Deze voorbeelden laten wat de moeder betreft zien dat de woordkeuze van de jeugdprofessional verre van professioneel is. Van een jeugdprofessional mag worden verwacht dat hij/zij positief opbouwende feedback geeft. De jeugdprofessional heeft echter gekozen om op een escalerende manier met de moeder te communiceren. De jeugdprofessional heeft hierbij gereageerd uit emotie en een verwijtende toon gebruikt, waarbij ook aannames zijn geuit.

De keuze van de jeugdprofessional om deze berichten in de Whatsapp-groep te plaatsen kan de moeder niet begrijpen. De jeugdprofessional heeft hierover zelf het volgende aangegeven: “De reden dat ik het hier allemaal schrijf is dat ik iedereen alert wil maken op die patronen van jou zodat we niet over een half jaar weer met [de dochter] zitten die last heeft van gedrag van haar moeder en dus maar weer weg gaat lopen.” Dit bericht is schadelijk naar de dochter toe en is bovendien een vorm van negatieve stemmingmakerij over de moeder.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De voorbeelden die de moeder in haar klaagschrift heeft uitgelicht moeten gelezen worden in de context en timing van het hulpverleningstraject. Tussen de ouders was een sterk patroon van strijd gaande. Dat stabiliseerde enigszins toen de dochter bij het buitenlandproject verbleef. Toen het contact tussen de vader en de dochter in Nederland intensiveerde, riep dat in toenemende mate negatieve gevoelens bij de moeder op, die dat uitte door middel van strijd. Deze strijd en de destructieve invloed daarvan op de dochter zijn steeds centrale thema’s geweest. Dit betekent dat ouders soms een moeilijke boodschap te verwerken hebben gekregen en dat het spiegelen van hun eigen handelen pijnlijk en confronterend kon – en soms moest – zijn. De jeugdprofessional heeft steeds gezocht naar de best passende toon en het best passende medium. Soms was dat een invoelend gesprek in de avonduren voor de haard of middels aanmoedigende berichten en complimenteuze opmerkingen. Soms een beknopt telefonisch contact om de lijnen kort te houden. Een andere keer was dat via de formele overlegstructuur in de jeugdzorgketen. Maar ook door middel van een streng-appellerende toon. Elke fase van het hulpverleningstraject heeft een eigen aanpak gevraagd en de jeugdprofessional heeft steeds geprobeerd om daarbij aan te sluiten. Ondanks het herhaaldelijke appel niet te strijden en de uitnodigingen en oproepen om in plaats daarvan het constructieve gesprek aan te gaan, koos de moeder toch voor de strijd. Zij liet op allerlei manieren haar boosheid merken, maar sprak hierover niet met de jeugdprofessional of haar collega’s. Zij sprak hier wel over met de dochter en derden. De Whatsapp-berichten komen helemaal aan het eind van het traject bij [de instelling]. Het is lange tijd de insteek geweest dat de dochter bij de moeder zou gaan wonen, dit wilde de dochter zelf ook. De boosheid van de moeder werd op een gegeven moment zo groot, dat dit destructief voor de dochter bleek. Zij is daarom bij de vader gaan wonen. De houding van de moeder en de consequenties ervan voor de dochter zijn steeds op transparante wijze met de moeder besproken. Het is duidelijk dat de Whatsapp-berichten streng van toon zijn, en dat het een moeilijke boodschap is die de moeder kreeg. Maar de realiteit van die boodschap is niet door de jeugdprofessional gecreëerd. Zij heeft zich verplicht gevoeld om nog een laatste dringend appel te doen met de kleine kans dat het moeder de ogen zou openen en dat een verandering zou optreden die kans zou bieden op een gezonde relatie tussen de moeder en haar dochter en die de ontwikkeling van de dochter zou bevorderen. Hierbij is het belang van de dochter afgewogen tegen het belang van de ouder. Als resultaat van die afweging heeft de moeder nog eenmaal in alle transparantie glashelder verwoord gekregen op welke manier zij kon voorkomen dat ze haar dochter als inzet van de strijd in een loyaliteitsconflict zette tussen haar moeder, haar vader en [de instelling]. Op die manier zijn de berichten tot stand gekomen, in een poging om de belangen van de dochter op de voorgrond te zetten. Uit de toon blijkt de betrokkenheid van de jeugdprofessional bij moeder en de dochter, dit was een laatste poging om moeder nog een laatste kans te geven om tot inzicht te komen. Als onder ‘professioneel’ verstaan wordt: afstandelijk, op zakelijke toon, zonder inleving, zonder emotie en zonder urgentie, dan kwalificeren de berichten niet als professioneel. De jeugdprofessional heeft er voor gekozen om, in lijn met de letter en de geest van de Beroepscode ‘professioneel’ op te vatten als: betrokkenheid bij het welzijn en de ontwikkeling van cliënten en hun sociale omgeving, integriteit en betrouwbaarheid met een nadruk op transparantie en het kiezen voor het belang van de minderjarige boven alles. Tot slot merkt de jeugdprofessional op dat in het klaagschrift wordt verondersteld dat de dochter onderdeel was van de Whatsapp-groep waarin de berichten verzonden zijn. Dat is onjuist. Alleen de (stief)ouders en de hulpverleners waren lid van de groep.

4.2.3 Het College overweegt als volgt:
De jeugdprofessional heeft tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht uitgelegd dat in het kader van transparantie bij [de instelling] met Whatsapp-groepen wordt gewerkt. Zodra beslissingen over de betrokken minderjarige moeten worden genomen, wordt dit in de Whatsapp-groep besproken. Dit zorgt ervoor dat beide ouders en betrokken hulpverleners tegelijkertijd van dezelfde informatie worden voorzien. De minderjarige zelf neemt geen deel aan deze Whatsapp-groep.
In tegenstelling tot wat de jeugdprofessional in haar verweerschrift heeft opgenomen, is het College van oordeel dat onder professioneel communiceren wordt verstaan dat de ouder(s), minderjarigen en/of andere betrokkenen respectvol worden aangesproken. Het is daarbij niet de bedoeling dat de jeugdprofessional zich negatief uitlaat over de ene ouder in het bijzijn van de andere ouder. Dit is niet bevorderend voor het hulpverleningstraject en vergroot mogelijk de strijd tussen de ouders. De jeugdprofessional heeft naar het oordeel van het College hier onvoldoende bij stilgestaan. Uit de genoemde voorbeelden blijkt volgens het College dat de jeugdprofessional op persoonlijk betrekkingsniveau is gaan communiceren met de moeder, in aanwezigheid van derden. Hetgeen onprofessioneel wordt geacht en in strijd met artikel E (respect) van de Beroepscode.

4.2.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

4.3 Klachtonderdeel 3

4.3.1 De jeugdprofessional heeft zich dreigend naar de moeder toe uitgelaten.

Toelichting:
De moeder heeft enige tijd contact gehad met de moeder van een andere minderjarige die ook bij [de instelling] verbleef. Beide moeders waren niet tevreden over [de instelling]. De jeugdprofessional heeft actief gepoogd om het contact van de moeder met de andere moeder te verbieden. Dit heeft zij in gradaties gedaan. De moeder verwijst hiervoor naar delen uit een Whatsapp-gesprek tussen haar en de jeugdprofessional. Eerst stelt de jeugdprofessional dat zij niets te zeggen heeft over met wie de moeder contact heeft. Vervolgens legt zij een koppeling die neerkomt op een verkapte dreiging en emotionele chantage. De jeugdprofessional stelt namelijk dat de andere moeder met haar aan het strijden is en daardoor haar dochter kwijtraakt. De moeder interpreteert dit ‘als je met mij strijd zoekt, dan zal je dochter niet meer thuiskomen’. Dit zegt de jeugdprofessional ook letterlijk in haar rapport, zij kan de dochter niet naar huis laten gaan, tenzij de moeder kan veranderen (in het projecteren van boosheid op [de instelling].)
Een paar dagen later schrijft de jeugdprofessional via Whatsapp dat ze de moeder adviseert om het contact met de andere moeder te verbreken. Dit advies is een feitelijke opdracht aan de moeder om het contact met de andere moeder te verbreken. Zo niet, dan zou dat heel slecht voor de moeder zijn. Vervolgens blijft de jeugdprofessional bij herhaling een antwoord eisen.

4.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Tijdens het hulpverleningstraject werd steeds duidelijker dat de moeder haar strijd tegen de vader en [de instelling] liet prevaleren boven het belang van de dochter. De dochter kwam regelmatig terug van verlof waarbij zij aangaf het moeilijk te vinden dat de moeder over haar vader en [de instelling] klaagde. De dochter durfde dit niet tegen de moeder te zeggen. Ze heeft het wel laten merken, door bij de moeder weg te lopen waardoor zij tot twee keer toe in een bedreigende situatie terecht is gekomen. Op een gegeven moment vertelde de dochter dat zij Whatsapp-berichten tussen haar moeder en een andere moeder had gelezen, waarvan zij was geschrokken. Zij was bang dat haar moeder door de andere moeder beïnvloed zou worden en met de dochter zou gaan strijden. Vanuit [de instelling] is toen met de dochter besproken dat zij dit zelf tegen de moeder moet zeggen, maar de dochter durfde dit niet. Er zijn veelvuldige gesprekken met de moeder geweest, maar het lukte niet om haar duidelijk te maken dat zij haar boosheid niet met de dochter moest delen. Doordat de strijd steeds venijniger werd, en de moeder de dochter hiermee belastte heeft dit ertoe geresulteerd dat de dochter steeds minder bij de moeder alleen mocht zijn, dat ze bij de verloven niet zomaar alleen naar moeder mocht maar onder begeleiding van de partner van de vader. Dit maakte de moeder nog bozer, waardoor de dochter nog meer werd belast. De jeugdprofessional heeft de moeder duidelijk gemaakt dat juist haar contact met de andere moeder zo slecht voor de moeder zelf was en voor de dochter. De moeder had namelijk verteld dat zij heel beïnvloedbaar is en gevoelig voor wat anderen zeggen. De andere moeder was ook een sterke strijder, had meerdere conflicten met haar omgeving en was heel goed in het betrekken van anderen in haar strijd. De gesprekken met de moeder en de Whatsapp-berichten kunnen ongepast overkomen, maar ze waren een laatste middel om de moeder in te laten zien dat ze, in het belang van de dochter moest stoppen met strijden en zeker niet met de andere moeder in gesprek moest blijven, want zij zou daar niet tegen op kunnen. Het is begrijpelijk dat de moeder zich beklaagt, als ze het handelen van de jeugdprofessional opvat als een aanval. De jeugdprofessional is echter door de Beroepscode steeds gedwongen geweest om het belang van de dochter te laten prevaleren.

4.3.3 Het College overweegt als volgt:
Uit artikel H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode volgt dat de jeugdprofessional de invloed die zij heeft ten opzichte van cliënt(en) ten positieve aanwendt en deze niet misbruikt. Het College is van oordeel dat het niet aan de jeugdprofessional is om te bepalen met wie de moeder contact heeft. Daarnaast heeft de jeugdprofessional een consequentie verbonden aan het contact, namelijk dat de dochter niet meer bij de moeder kon wonen. Bovendien heeft zij – zonder tussenkomst van de rechter – besloten dat de dochter tijdens haar verlof niet meer alleen naar de moeder mocht. Hiermee heeft de jeugdprofessional in strijd met voornoemd artikel uit de Beroepscode gehandeld.

4.3.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

4.4 Klachtonderdeel 4

4.4.1. De jeugdprofessional heeft de veiligheid van de dochter niet gewaarborgd.

Toelichting:
De dochter is een aantal keer op verlof bij de moeder geweest. De reisafstand tussen [de instelling] en de woonplaats van de moeder is aanzienlijk. De dochter was volgens de moeder niet in staat om alleen of zonder begeleiding van een volwassene deze reis te maken. Zij was immers pas veertien jaar. De moeder heeft ervaren dat de jeugdprofessional op meerdere momenten het vervoer terug naar [de instelling] slecht geregeld had en van de moeder verwachtte dat zij de dochter zonder toezicht van een volwassene de dochter terug zou laten reizen. De moeder voert hiertoe twee voorbeelden aan. Op 16 maart 2020 was afgesproken dat de moeder de dochter op een bepaald tijdstip zou terugbrengen naar de jeugdprofessional. Eenmaal daar aangekomen op de afgesproken tijd en locatie was de jeugdprofessional afwezig. Hierdoor heeft zij een situatie gecreëerd waarin van de moeder werd verwacht dat zij de dochter zou achterlaten bij een zestienjarige jongen die op de locatie aanwezig was. Tijdens het omgangsmoment van 13 april 2020 waren de plannen voor wat betreft het terugbrengen gewijzigd. In eerste instantie wilde de moeder de dochter een dag later terugbrengen zodat haar middelste dochter kon rijden. De jeugdprofessional wilde dit niet en heeft uiteindelijk opgelegd hoe het vervoer zou gaan: “Ik ga niet met je in de strijd. Ze wordt dinsdag opgehaald in [plaats 1]. We zullen de tijden nog doorgeven”. De moeder wist dat de dochter door twee jongeren van de groep zou worden opgehaald, maar voelde zich zodanig door de jeugdprofessional geïntimideerd dat zij de dochter toch maar naar [plaats 1] heeft gebracht.

4.4.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Met de ouders is altijd expliciet afgesproken dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer tijdens het verlof van de dochter. Dit staat ook in de Algemene Voorwaarden van [de instelling] waarmee de moeder akkoord is gegaan. In het klaagschrift wordt een situatie van 16 maart 2020 omschreven, waarbij een bepaald misvormde weergave van de gang van zaken wordt gepresenteerd. Uit het Whatsapp-gesprek zoals overgelegd bij het klaagschrift blijkt dat dat de moeder heeft aangegeven dat zij de dochter rond 14:00 uur terugbrengt naar de locatie. De jeugdprofessional zou daar rond die tijd aanwezig zijn, maar een andere afspraak liep uit. Zij heeft toen de moeder gebeld en gevraagd of zij tien minuten kon wachten. Bij aankomst bleek de moeder al weg te zijn. De dochter heeft later verteld dat de moeder erg boos op de jeugdprofessional was en haar niet wilde zien. Daarom was de moeder snel vertrokken. Gelet op de tijdsindicatie ‘rond 14:00 uur’ en de lange reistijd, is het onrealistisch om te stellen dat het onmogelijk was om tien minuten te wachten. De moeder heeft er zelf voor gekozen om niet de tien minuten te wachten en de dochter achter te laten bij de zestienjarige jongen. Als de moeder dit een onveilige situatie vond, dan heeft ze deze zelf gecreëerd. Wat betreft de situatie van 13 april 2020 was een afspraak gemaakt voor een verlof van een bepaalde periode bij de moeder. De jeugdprofessional verwijst naar een Whatsapp-gesprek van 12 april 2020 waaruit blijkt dat de moeder probeert af te wijken van de gemaakte afspraak door eenzijdig te bepalen dat de dochter wordt teruggebracht op het moment dat het de moeder uitkomt. De jeugdprofessional reageert vervolgens dat het niet goed is om het verlof te veranderen en onvoorspelbaar te maken voor de dochter. Voor de dochter was de duidelijkheid en structuur belangrijk, om te voorkomen dat zij zelf ruimte zou nemen om de regels te nemen zoals het haar uitkwam. In de dynamiek van de moeder en ook van de dochter was het manipuleren en ombuigen van afspraken juist een thema. Het is de jeugdprofessional die in deze situatie in het belang van de dochter duidelijkheid schept, zodat zij op het afgesproken moment weer terug kon komen. Omdat de moeder zich niet aan de afspraak heeft gehouden om het vervoer te organiseren heeft de jeugdprofessional hiervoor een noodoplossing gevonden: de dochter kan met de trein meereizen met twee groepsgenoten (waarvan één meerderjarige) vanuit [plaats 1]. In het klaagschrift staat niet vermeld dat de orthopedagoog van [de instelling] speciaal naar station [plaats] is gegaan om de dochter te begeleiden bij het overstappen met de trein. Op die manier is het risico tot acceptabel niveau geminimaliseerd en is de dochter veilig en zonder problemen door de jeugdprofessional opgehaald van het station. De jeugdprofessional en [de instelling] zijn het met de moeder eens dat het beter was als de dochter door de moeder werd teruggebracht, maar stellen ook dat de moeder geen verantwoordelijkheid heeft genomen om dat te doen. Het gevolg daarvan was dat de dochter bij wijze van noodoplossing heeft moeten reizen met de trein. Opnieuw wordt in het klaagschrift genoemd dat de moeder zich dusdanig door de jeugdprofessional geïntimideerd voelde dat ze geen tegenspraak durfde te bieden. In het Whatsapp-gesprek staat echter niets wat als intimiderend kan worden opgevat. Bovendien heeft de moeder wel degelijk een weerwoord op het verzoek van de jeugdprofessional om de dochter op het afgesproken tijdstip terug te brengen van verlof.

4.4.3 Het College overweegt als volgt:
Wat betreft het voorbeeld op 16 maart 2020 oordeelt het College dat vastgesteld kan worden dat de jeugdprofessional met de moeder heeft gecommuniceerd dat zij vanwege een uitgelopen afspraak later op de locatie aanwezig zou zijn. De moeder heeft tijdens de digitale behandeling van de klacht aangevoerd dat de jeugdprofessional ook na de aangegeven wachttijd van 10 minuten nog steeds niet op de locatie aanwezig was. In dit geval had het volgens het College op de weg van de moeder gelegen om, indien zij zich zorgen zou maken over de veiligheid van de dochter, de jeugdprofessional te vragen wanneer zij verwachtte op de locatie aanwezig te zullen zijn. Het kan in een situatie als deze dan niet aan de jeugdprofessional worden tegengeworpen dat zij de veiligheid van de dochter onvoldoende gewaarborgd zou hebben. De moeder is zelf van de locatie vertrokken. Voorts is het tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht onweersproken vast komen te staan dat het voor de ouders vanaf het begin af aan duidelijk was dat zij zelf verantwoordelijk waren voor het vervoer van de dochter tijdens haar verlof. Reeds daarom kan de jeugdprofessional wat betreft het voorbeeld van 13 april 2020 geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden. Bovendien heeft de jeugdprofessional meegedacht in een oplossing. Dat de moeder deze oplossing niet de meest veilige manier van reizen vond maakt ook niet dat er sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, in die zin dat de jeugdprofessional de veiligheid van de dochter onvoldoende gewaarborgd zou hebben. De moeder was namelijk zelf verantwoordelijk voor het vervoer van de dochter tijdens haar verlof.

4.4.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.5 Klachtonderdeel 5

4.5.1 De jeugdprofessional heeft onvoldoende toegezien op de schoolgang van de dochter.

Toelichting:
In het schooljaar 2019-2020 heeft de dochter nauwelijks les gehad. Omdat zij op de locatie van [de instelling] verbleef, had de moeder geen invloed op de schoolgang van de dochter. De jeugdprofessional had dit wel en heeft toegestaan dat de dochter een jaar achterstand heeft opgelopen. Er is geen sprake geweest van een vrijstelling voor onderwijs.

4.5.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Het klopt dat er een jaar lang minder aandacht is geweest voor onderwijs in de klassikale zin van het woord. In plaats daarvan is juist geïnvesteerd in het haalbaar maken van gangbaar onderwijs voor de dochter. Het was duidelijk dat de dochter vanwege haar gedragsproblematiek en ontwikkelingsachterstand niet kon profiteren van het eerder genoten onderwijs, dat zelfs al speciaal onderwijs was met aangepaste kleine klassen. De school maakte zich ernstige zorgen over de jongeren met wie de dochter omging en hoe gevoelig ze was voor hun invloed. Dat maakte het risico op seksueel misbruik en seksuele uitbuiting zeer groot. In overleg met de ouders en hulpverlening is toen besloten om tijdens het hulpverleningstraject van [de instelling] te focussen op de ontwikkeling van de dochter, zodat ze daarna weer succesvol (en veilig) kon instromen op school. Dat wil niet zeggen dat de dochter helemaal geen onderwijs genoot. Tijdens het buitenlandproject was er sprake van een privédocent die aan de slag ging met het schoolwerk. De dochter is tijdens haar verblijf bij [de instelling] formeel ingeschreven gebleven bij haar school. Nu er geen sprake was van hulpverlening in het dwangkader, was de moeder, als ouder met gezag, verantwoordelijk voor de schoolgang van de dochter. De leerplichtambtenaar had bij de moeder navraag kunnen doen naar de schoolgang en had maatregelen kunnen treffen indien in strijd met de leerplichtwet zou worden gehandeld. Voor zover bij de jeugdprofessional bekend, is dit niet gedaan en is ook geen contact met haar of [de instelling] opgenomen. De moeder heeft op geen enkele wijze te kennen gegeven dat ze niet langer achter de afspraak stond, omdat ze wilde dat het onderwijs een andere plek kreeg dan het had. Het is dan ook onredelijk dat de jeugdprofessional of [de instelling] nu wordt verweten dat de dochter een jaar pas op de plaats heeft moeten maken in het onderwijscurriculum. Bovendien is de moeder gevraagd om een werkboek voor Engels te kopen, maar zij heeft dat steeds niet gedaan. Uiteindelijk heeft de vader dit boek voor de dochter besteld.

4.5.3 Het College overweegt als volgt:
Het is tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht duidelijk geworden dat de dochter gedurende de periode dat zij in [buitenland] verbleef een vrijstelling van het onderwijs had gekregen van de school waar de dochter ingeschreven stond. In [buitenland] heeft de dochter les gehad van een privédocent. Dit werd tijdens de digitale mondelinge behandeling door de moeder bevestigd. Het College zal zich daarom in dit klachtonderdeel beperken tot de periode dat de dochter bij [de instelling] op locatie in Nederland verbleef. Vaststaat dat tijdens deze periode de dochter niet naar school ging en bovendien geen officiële vrijstelling van de leerplicht had. Ook staat vast dat de moeder gedurende deze periode hier geen vragen over heeft gesteld aan de jeugdprofessional. Tijdens de digitale mondelinge behandeling heeft zij dit punt in het verweerschrift niet weersproken. Het College gaat er daarom vanuit dat het voor de moeder duidelijk was dat de dochter niet naar school ging en achter de gemaakte afspraken stond zoals gesteld in het verweerschrift.

4.5.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.6 Klachtonderdeel 6

4.6.1 De jeugdprofessional heeft de moeder als ouder met gezag buiten spel gezet door haar niet te betrekken bij het nemen van beslissingen.

Toelichting:
Op 16 juni 2020 heeft de dochter een poging gedaan om weg te lopen bij [de instelling]. Hierover volgt op 17 juni 2020 een Whatsapp-gesprek met de jeugdprofessional, de moeder en de vader, waarin de optie voor gesloten plaatsing is besproken. Op 18 juni 2020 heeft de jeugdprofessional via Whatsapp uitgebreid verslag gedaan van haar gesprekken met de dochter over het weglopen. De daaropvolgende dagen heeft de moeder om een update gevraagd. Wat volgt is een relaas waaruit blijkt dat de jeugdprofessional zelfstandig besluiten heeft genomen, dan wel in samenspraak met de vader. De jeugdprofessional heeft in een gesprek met de vader en zijn partner vergaande (gezags)beslissingen genomen over de opvoeding, huisregels en bewegingsvrijheid van de dochter. De moeder had hierin geraadpleegd moeten worden. De jeugdprofessional heeft dit niet eens geprobeerd, terwijl hier wel tijd en ruimte voor was. De moeder is pas achteraf over de beslissingen geïnformeerd. Eerder gaf de jeugdprofessional nog aan dat een spoedplaatsing niet mogelijk is, van een spoedeisend belang om de moeder niet te raadplegen is dus geen sprake. De moeder heeft keer op keer aangegeven dat beslissingen worden genomen zonder haar te betrekken. Daarover geeft de jeugdprofessional slechts aan dat zij dat begrijpt en geeft vervolgens een uitleg met het doel bij de genomen besluiten, maar gaat niet in op waarom er niet met de moeder is gesproken. Wanneer de moeder dan aangeeft dat dit geen uitleg is, volstaat de jeugdprofessional slechts met ‘mijn excuus’. Hiermee erkent zij dat haar handelen fout was.

4.6.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Zoals het in het klaagschrift staat beschreven lijkt het net alsof de jeugdprofessional zelfstandig allerlei ingrijpende maatregelen heeft genomen. Dat is een misrepresentatie van de omstandigheden. De dochter leed in die periode erg aan een loyaliteitsconflict waarin zij werd geplaatst. Zij was loyaal aan de moeder en wilde daar wonen, maar het werd ook steeds duidelijker dat dat niet kon. Dat zou pas een optie zijn als er geen strijd meer was. De dochter kreeg van de moeder ook geen (emotionele) toestemming om bij de vader te wonen. Dit heeft op 16 juni 2020 geleid tot het opnieuw weglopen. Daarop is gereageerd met een periode van intens overleg en het zoeken naar oplossingen. Het werd de ouders aangeboden om naar de locatie van [de instelling] te komen. De vader en zijn partner hebben hier gebruik van gemaakt, maar de moeder niet. Er is in breed overleg in de keten en met moeder gezocht naar wat voor de dochter de beste oplossing zou zijn. Het uiteindelijke besluit om wel of niet een traject richting gesloten jeugdhulp te starten lag bij de casemanager, niet bij de jeugdprofessional. De gemaakte afspraken met de vader betroffen het regulier geplande verlof waarbij de dochter bij hem zou verblijven. De moeder is kennelijk van mening dat deze afspraken met haar afgestemd moeten worden. Het voert te ver om alle bij het klaagschrift toegevoegde correspondentie te bespreken, maar bij een integrale lezing valt het op dat de jeugdprofessional steeds haar afwegingen en haar overwegingen transparant deelt, waarbij ze zich bewust is van de mogelijke beperkingen van haar inzichten en ideeën. De jeugdprofessional benadrukt tot slot dat de moeder op 9 juni 2020 zelf heeft aangegeven dat ze wilde dat de dochter gesloten zou worden geplaatst en op 17 juni 2020 heeft zij dit nogmaals bevestigd. Op het moment dat de moeder aangaf dat zij nog meer betrokken had willen worden, gaat de jeugdprofessional zelfs zover om haar excuses aan te bieden.

4.6.3 Het College overweegt als volgt:
Vooropgesteld staat dat de jeugdprofessional hulp verleent in het vrijwillig kader en zowel de vader als de moeder het ouderlijk gezag over de dochter heeft. Dit betekent dat beide ouders betrokken moeten worden bij te nemen beslissingen over de hulpverlening aan de dochter. Op grond van artikel G (overeenstemming/instemming omtrent de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode behoort het tot de verantwoordelijkheid van de jeugdprofessional met beide gezaghebbende ouders te overleggen voordat zij (veiligheids)afspraken maakt over de dochter. Het is het College niet gebleken dat de jeugdprofessional de moeder bij het maken van de veiligheidsafspraken heeft betrokken. Hierdoor is in strijd gehandeld met voornoemd artikel uit de Beroepscode. Dat de moeder niet op het aanbod is ingegaan om naar [provincie] af te reizen voor overleg, kan niet aan haar worden tegengeworpen. Het is immers de werkwijze van [de instelling] om – in het kader van transparantie –  de te nemen beslissingen over de betrokken minderjarige in de Whatsapp-groep te bespreken (zie hiervoor hetgeen de jeugdprofessional heeft aangevoerd onder 4.2.3 van deze beslissing). Het had daarom op de weg van de jeugdprofessional gelegen om de gemaakte afspraken omtrent de dochter in de Whatsapp-groep te bespreken en zo de moeder bij de besluitvorming te betrekken.

4.6.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

4.7 Klachtonderdeel 7

4.7.1 De jeugdprofessional heeft in een open jeugdzorgsetting een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd.

Toelichting:
De jeugdprofessional heeft op 18 juni 2020 het volgende via Whatsapp geschreven: “Ik heb wel, met jullie toestemming, alle deuren en ramen op slot gedaan. Als ze wegrent, krijg ik haar gewoon niet te pakken. Ze zou alleen nog via het raam op haar kamer kunnen of van [minderjarige X] haar kamer maar dan moet ze springen en de kans dat ze zich dan bezeerd is dan groot”. De jeugdprofessional heeft door alle deuren en ramen ‘s nachts op slot te doen de dochter feitelijk wederrechtelijk van haar vrijheid beroofd. Vrijheidsbeperkende maatregelen mogen op grond van artikel 6.1.2 en 6.1.3 van de Jeugdwet ingezet worden wanneer sprake is van een machtiging voor een gesloten plaatsing. Daar is hier geen sprake van. Dat hierover afspraken zijn gemaakt met de vader als ouder met gezag is niet relevant, omdat hij ook geen bevoegdheid heeft om een kind op te sluiten of te doen opsluiten. Dat de jeugdprofessional stelt dat zij toestemming van de ouders heeft gehad, betwist de moeder. Zij heeft hier geen toestemming voor gegeven.

4.7.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De situatie rondom de dochter werd steeds ingewikkelder. Op een gegeven moment kwam zij de keuken binnen rennen en riep zij opnieuw weg te gaan lopen. Er is toen overleg geweest met de verwijzer, de vader en de moeder. De moeder gaf aan dat de dochter naar een gesloten instelling moest. De vader gaf aan dat hij direct naar [de instelling] toe ging rijden om er voor de dochter te zijn. De angst was aanwezig dat de dochter toch zou weglopen. De vader gaf vervolgens aan dat het dan een idee was om de dochter in haar kamer op te sluiten. Het is de vader toen aangegeven dat dit niet kon, omdat [de instelling] geen gesloten instelling is. Er is toen besproken wat schadelijker voor de dochter is: haar op haar kamer zetten totdat de vader er is, of dat niet doen met de kans dat ze wegloopt en een week onvindbaar is. Daar kwam nog een argument bij. De politie had aangegeven dat zij de dochter niet meer zo hard zouden zoeken, omdat zij vonden dat de jeugdhulpverleners verantwoordelijk zijn om te voorkomen dat ze wegloopt. Daarbij had de politie aangegeven dat ze de dochter naar een gesloten instelling zouden sturen. Dat moest worden voorkomen. Met ouders is toen besproken dat, als blijkt dat de dochter niet binnengehouden kon worden, dit een veel negatiever effect op haar leven zou hebben dan even voor twee uur op haar kamer zitten. De vader heeft toestemming gegeven om de dochter op haar slaapkamer te zetten en de deur dicht te doen. de moeder heeft gezegd dat ze naar een gesloten instelling moest. Uiteindelijk is besloten om met de dochter in gesprek te blijven tot haar vader er was om haar mee te nemen.

4.7.3 Het College overweegt als volgt:
Desgevraagd heeft de jeugdprofessional aangegeven dat de dochter niet opgesloten is geweest. De jeugdprofessional heeft totdat de vader op de locatie was aangekomen met de dochter in de keuken gezeten. De dochter kon de keuken en de locatie verlaten, maar moest daarvoor wel eerst langs de jeugdprofessional. De moeder heeft dit niet kunnen tegenspreken, zij was hierbij niet aanwezig. De feiten en gronden van de klacht zijn daardoor voor het College onvoldoende vast komen te staan. Het is dan vaste jurisprudentie dat het verwijt niet gegrond kan worden bevonden. Aan het woord van de één kan immers niet meer waarde worden gehecht dan aan het woord van de ander.

4.7.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.8 Conclusie

4.8.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot klachtonderdelen 1, 2, 3 en 6 tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Zij heeft met haar handelen artikelen D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming), E (Respect), G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening), H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) en J (Vertrouwelijkheid) van de Beroepscode geschonden.

4.8.2 Het College overweegt over de zwaarte van de op te leggen tuchtrechtelijke maatregel als volgt. De jeugdprofessional is gelet op de gegrondverklaring van de klachtonderdelen in haar handelen verwijtbaar tekort geschoten. Allereerst wordt het de jeugdprofessional aangerekend dat zij in een publieke ruimte een vertrouwelijk gesprek heeft gevoerd. Dat zij zelfs achteraf hier niet op heeft gereflecteerd, acht het College kwalijk. Daarnaast vindt het College het zorgelijk dat de jeugdprofessional op persoonlijk betrekkingsniveau met de moeder heeft gecommuniceerd, niet alleen in een privésetting, maar ook in het bijzijn van derden in de Whatsapp-groep. Ook op dit punt heeft de jeugdprofessional nauwelijks reflectie laten zien. Voorts heeft de jeugdprofessional de moeder onvoldoende betrokken bij het nemen van beslissingen over de dochter. Tot slot is de jeugdprofessional zich onvoldoende bewust geweest van haar machtspositie ten opzichte van de moeder.

4.8.3 Concluderend acht het College het passend en geboden om aan de jeugdprofessional de maatregel van berisping op te leggen. Het openbaar maken van de maatregel van berisping zou met zich mee brengen dat deze maatregel, met daarbij vermelding van de persoonsgegevens van de jeugdprofessional, gedurende vijf jaar zichtbaar is in het openbare deel van het Kwaliteitsregister Jeugd. Het College ziet van de openbaarmaking van de maatregel af en weegt hierbij mee dat het de eerste keer is dat een tuchtklacht tegen de jeugdprofessional is ingediend. Ook gaat het College ervan uit dat de jeugdprofessional lering trekt uit deze beslissing en haar handelwijze aanpast in toekomstige gevallen. Aan de jeugdprofessional wordt dan ook de maatregel van berisping opgelegd, zonder openbaarmaking van deze maatregel.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdelen 1, 2, 3 en 6 gegrond;
  • verklaart klachtonderdelen 4, 5 en 7 ongegrond;
  • legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van berisping, zonder openbaarmaking van deze maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 26 augustus 2021 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. S.C. van Duijn                                                          mevrouw mr. M.R. Veerman
voorzitter                                                                                         secretaris