De jeugdprofessional heeft in het vrijwillig kader geen contact mogen opnemen met een GZ-psycholoog nu de toestemming van de vader ontbrak. Ook heeft hij de vader niet vooraf geïnformeerd over het voornemen om de veiligheidsafspraak over zijn dochter te wijzigen, was het dossier niet volledig en heeft hij een onzorgvuldige en onvolledige taxatie van alle zorgen gemaakt. Tot slot heeft hij zich partijdig opgesteld.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,

mevrouw A. Wilting, lid-beroepsgenoot,

mevrouw D.J.E. de Graaf , lid-beroepsgenoot,

over het door:

de heer [klager] en mevrouw [klaagster], klagers, hierna afzonderlijk te noemen de vader en de stiefmoeder, gezamenlijk aan te duiden als: de klagers, wonende te [plaatsnaam],

op 24 oktober 2019 ingediende klaagschrift tegen:

de heer [beklaagde], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als wijkcoach bij [wijkteam] van de gemeente [gemeente], hierna te noemen: de gemeente.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

De klagers worden in deze zaak bijgestaan door hun gemachtigde [naam], vertrouwenspersoon van het AKJ.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. J.S.M. Brouwer, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het aangepaste klaagschrift ontvangen op 11 november 2019;
  • het verweerschrift ontvangen op 27 december 2019;

1.2 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 5 februari 2020 in aanwezigheid van de klagers, de jeugdprofessional en de hiervoor genoemde gemachtigden. Hierbij is een collega van de jeugdprofessional als toehoorder aanwezig geweest.

1.3 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken wordt verstuurd.

2     De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft een minderjarige dochter, geboren in 2012. De vader en zijn ex-partner, de moeder van de kinderen, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, zijn uit elkaar. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de dochter.

2.2 De dochter heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder. De dochter verblijft afwisselend bij de vader en de moeder.

2.3 De jeugdprofessional is sinds 15 mei 2018 in het vrijwillig kader als wijkcoach bij het gezin van de vader betrokken nadat de dochter zorgelijke uitspraken heeft gedaan over mogelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag van de partner van de moeder. De jeugdprofessional heeft hierover contact gehad met Veilig Thuis. Op 17 mei 2018 hebben de jeugdprofessional en de ouders de veiligheidsafspraak gemaakt dat de dochter niet alleen is met de partner van de moeder. De dochter is tijdens vijf speltherapiesessies door een GZ-psycholoog geobserveerd. Daarna heeft op 14 december 2018 een evaluatiegesprek plaatsgevonden.

2.4 De vader heeft de zorgregeling stopgezet op 19 augustus 2018. De dochter is sindsdien niet meer naar de moeder gegaan. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 14 september 2018 de vader veroordeeld om de zorgregeling na te komen met in achtneming van de gemaakte veiligheidsafspraak.

2.5 Op 12 september 2018 heeft een beschermingstafel plaatsgevonden waar is besloten om een drangtraject in te zetten. De jeugdzorgwerker van de gecertificeerde instelling die het drangtraject uitvoert, verder te noemen: de GI, zal in de thuissituatie van de ouders kijken en met behulp van de jeugdprofessional en de ouders een veiligheidsplan maken. De jeugdzorgwerker van de GI heeft op 1 oktober 2018 een ‘drie huizen’ gesprek met de dochter gevoerd. De dochter heeft tijdens dit gesprek een zorgelijke uitspraak gedaan. De jeugdprofessional heeft op informele wijze navraag gedaan bij de wijkagent over de partner van de moeder.

2.6 Op 4 december 2018 hebben de GI en de jeugdprofessional besloten om terug te gaan naar de beschermingstafel vanwege de onduidelijkheid ten aanzien van de signalen van de dochter en de vastgelopen samenwerking tussen de ouders. De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) en het expertisecentrum voor seksueel geweld zijn geconsulteerd.

2.7 Op 13 maart 2019 heeft een tweede beschermingstafel plaatsgevonden waarin is besloten dat de veiligheidsafspraak langzaam moeten worden verruimd en afgebouwd. Ook wordt het drangtraject overgedragen aan een andere gecertificeerde instelling.

2.8 Op 5 februari 2019, 8 april 2019 en 9 mei 2019 hebben de klagers met de jeugdprofessional en zijn leidinggevende klachtgesprekken gevoerd. Op 12 april 2018 heeft de leidinggevende van de jeugdprofessional de vader bericht dat hij een andere jeugdprofessional krijgt toegewezen.

2.9 De jeugdprofessional is van [datum] 2014 tot en met [datum] 2019 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2019 is de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.3 Op grond van de kamer waarin een professional bij SKJ geregistreerd is, toetst het College het handelen van een jeugdprofessional aan – onder meer – de voor die kamer geldende beroepscode. De jeugdprofessional is gedurende zijn betrokkenheid bij deze casus van kamer gewisseld, zoals weergegeven onder 2.9 van deze beslissing. Gelet hierop dient in deze beslissing onder ‘Beroepscode’ zowel de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker als de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional gelezen dienen te worden, ook omdat de artikelen in deze beroepscodes overeenkomen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De klagers verwijten de jeugdprofessional dat hij informatie heeft gedeeld met de GZ-psycholoog zonder toestemming en medeweten van de vader. De jeugdprofessional heeft meerdere keren inhoudelijk contact met de GZ-psycholoog van de dochter gehad en heeft enkele zinnen uit het conceptverslag van de speltherapie gedeeld met de beschermingstafel. De jeugdprofessional heeft vervolgens de privacy van de vader geschonden door in verslagen aan de beschermingstafel en in een e-mail aan de GZ-psycholoog te benoemen dat de vader onafhankelijke clientondersteuning heeft ingeschakeld. Hierdoor zijn mogelijk derden beïnvloed en heeft er focusverlegging/framing kunnen plaatsvinden doordat onnodig werd ingezoomd op het feit dat de vader klachten had. Verder heeft de jeugdprofessional de jeugdbeschermer en de GZ-psycholoog gemeld dat er strijd is tussen de vader en de moeder terwijl dat nooit onderwerp van gesprek is geweest. Daarnaast heeft de jeugdprofessional in augustus 2019 een contactjournaal naar de vader verzonden dat niet volledig was. Tot slot heeft de jeugdprofessional het voornemen tot het opheffen van de veiligheidsafspraak niet met de vader besproken en heeft de GZ-psycholoog gesteld dat de jeugdprofessional de veiligheidsafspraak niet heeft mogen staken.

4.1.2 De jeugdprofessional voert aan dat binnen de gemeente niet met toestemmingsformulieren wordt gewerkt maar dat aan de ouders toestemming wordt gevraagd voor het delen van informatie. De jeugdprofessional heeft meerdere malen contact gehad met de GZ-psycholoog. De ouders waren hiervan op de hoogte en zijn daar impliciet mee akkoord gegaan. De jeugdprofessional heeft geen verslag van de speltherapeut. Hij heeft de beschermingstafel geïnformeerd op basis van het evaluatiegesprek dat met de speltherapeut heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van de vader. De informatie over de cliëntondersteuning heeft de jeugdprofessional gedeeld om het gebrek aan perspectief en visieverschillen duidelijk te maken. De strijd tussen de vader en de moeder is onderwerp van gesprek geweest zoals ook blijkt uit het eerste beschermingstafel verslag.

Als de jeugdprofessional een onvolledig contactjournaal heeft verstuurd, is dit niet opzettelijk gebeurd.

4.1.3 Het College overweegt dat klagers in dit klachtonderdeel verschillende punten benoemen (delen van informatie zonder toestemming, het delen van verslaglegging met de beschermingstafel, het schenden van privacy van de vader en de melding van de strijd tussen de ouders). Het College zal deze punten afzonderlijk bespreken en beoordelen.

Bij de hulpverlening in het vrijwillig kader mogen jeugdprofessionals alleen met expliciete toestemming van cliënten persoonsgegevens over cliënten uitwisselen. Impliciete toestemming is niet voldoende. De jeugdprofessional dient gericht om toestemming te vragen. Dat betekent dat hij de ouders eerst informeert over de mogelijkheden en vormen van de hulp -en dienstverlening, voordat hij hen vraagt om toestemming. Nu de jeugdprofessional zonder toestemming van de vader contact heeft opgenomen met de GZ-psycholoog is de norm uit artikel J (Vertrouwelijkheid) van de Beroepscode geschonden.

Dit gedeelte van het klachtonderdeel is gegrond.

De jeugdprofessional heeft weersproken dat hij informatie uit een verslag van de speltherapie met de jeugdbeschermingstafel heeft gedeeld. Uit een door de jeugdprofessional overgelegde e-mail van de GZ-psycholoog d.d. 22 januari 2019 maakt het College op dat de jeugdprofessional geen verslag van de GZ-psycholoog heeft ontvangen. Het College acht het aannemelijk dat de informatie van de jeugdprofessional afkomstig is uit een evaluatiegesprek van 14 december 2018 waarbij de vader eveneens aanwezig is geweest. Uit de overgelegde stukken kan het College niet concluderen dat de GZ-psycholoog heeft gesteld dat de jeugdprofessional de veiligheidsafspraak niet heeft mogen staken. Dit gedeelte van het klachtonderdeel is ongegrond.

Dat de jeugdprofessional heeft benoemd dat de vader zich laat bijstaan door onafhankelijke cliëntondersteuning, merkt het College aan als een feitelijke mededeling. Artikel 4.1.9 van de Jeugdwet beschrijft dat de jeugdhulpaanbieder een vertrouwenspersoon in de gelegenheid stelt zijn taak uit te oefenen. Het is in dat licht niet ongebruikelijk dat de onafhankelijke cliëntondersteuning in het verslag staat genoemd. De privacy van de vader is naar het oordeel van het College, niet geschonden. Ook is het College niet gebleken dat derden zonder medeweten van de vader zijn beïnvloed en er framing heeft kunnen plaatsvinden, zoals klagers hebben aangevoerd. Dit gedeelte van het klachtonderdeel is ongegrond.

De vader heeft gesteld dat de strijd tussen de ouders geen onderwerp van gesprek is geweest. Uit de e-mail van 6 augustus 2018 van de jeugdprofessional aan de vader en het verslag van de beschermingstafel van 12 september 2018 maakt het College op dat er sinds kort geen samenwerking was tussen de ouders door hun verschillende perspectieven en dat de communicatie tussen hen lastig was. De beschermingstafel is georganiseerd nadat de vader de zorgregeling tussen de moeder en de dochter heeft gestopt. De moeder heeft vervolgens een kort geding aangespannen. Tijdens de beschermingstafel hebben de ouders en de jeugdprofessional over deze situatie gesproken. Dit gedeelte van het klachtonderdeel is ongegrond.

Het gedeelte van de klacht dat betrekking heeft op het versturen van een onvolledig contactjournaal is ongegrond nu de klagers niet hebben onderbouwd om welk contactjournaal het gaat.

Voor zover de klacht betrekking heeft over de wijze waarop is toegewerkt naar de laatste beschermingstafel, overweegt het College het volgende. Op grond van de richtlijn Kindermishandeling werkt de jeugdprofessional samen met de ouders en de dochter en betrekt hij hen bij het gehele proces tenzij er gegronde redenen zijn om daarvan af te wijken. Gelet op de ernstige uitspraken van de dochter heeft de jeugdprofessional voorafgaand aan de beschermingstafel de vader moeten informeren over het voornemen om de veiligheidsafspraak te wijzigen. Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling van de klacht waren er in deze zaak geen redenen om het gesprek met de vader niet aan te gaan. De jeugdprofessional heeft gehandeld in strijd met artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode. Dit gedeelte van het klachtonderdeel is gegrond.

4.1.4 Het College verklaart het klachtonderdeel gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De klagers verwijten de jeugdprofessional dat hij onzorgvuldig is omgegaan met de dossier opbouw. Het dossier bestaat uit één document; de aanmelding voor de beschermingstafel.

4.2.2 De jeugdprofessional voert aan dat in de klachtgesprekken is besproken dat de dossieropbouw beter had gekund. De jeugdprofessional heeft in een klachtgesprek excuses aangeboden, het dossier volledig gemaakt en hij heeft het dossier inzichtelijk gemaakt voor de vader. Door de hoeveelheid tijd die hij aan deze zaak heeft besteed en de caseload heeft hij onvoldoende prioriteit gegeven aan het bundelen van de documentatie. Volgens de jeugdprofessional was dat minder van belang omdat de gemeente geen uitgebreide verslaglegging bijhoudt en er veel via de e-mail is gecommuniceerd. Door deze communicatie waren de ouders op de hoogte van de doelen, de te nemen stappen en afspraken. Ook is in het verslag van de beschermingstafel uitgebreid beschreven welke stappen er zijn doorlopen.

4.2.3 Het College overweegt het volgende. Op grond van artikel 7.3.8 van de Jeugdwet richt een jeugdprofessional een dossier in met betrekking tot de verlening van jeugdhulp. Artikel M van de Beroepscode (dossiervorming/verslaglegging) omschrijft dat dossiervorming plaatsvindt conform de beroepsstandaard. Het bijhouden van een dossier is van belang voor de kwaliteit en continuïteit van de hulpverlening. Het geeft weer welke afwegingen een jeugdprofessional heeft gemaakt. Als er een vermoeden is van seksueel misbruik moet de jeugdprofessional op grond van de richtlijn Kindermishandeling zorgvuldig verslag doen van de vermoedens en feiten, alle overleg en overwegingen, besluiten en handelen. De jeugdprofessional heeft zowel in het verweerschrift als tijdens de mondelinge behandeling van de klacht erkend dat het dossier niet volledig was. De gemeente heeft in een klachtgesprek op 8 april 2019 aan de vader excuses aangeboden. Artikel 7.3.8 van de Jeugdwet en artikel M van de Beroepscode zijn geschonden.

4.2.4 Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

4.3 Klachtonderdeel 3

4.3.1 De klagers verwijten de jeugdprofessional dat de informatie die hij bij de beschermingstafel heeft ingebracht, onvoldoende en selectief is. De jeugdprofessional is hierbij uitgegaan van aannames en onwaarheden. Zo heeft hij nagelaten een verslag van een jeugdzorgwerker van een drie huizen gesprek van 22 oktober 2018 over te leggen waaruit blijkt dat de dochter uitspraken heeft gedaan. Ook heeft de jeugdprofessional een onvolledig verslag van de speltherapie met de beschermingstafel gedeeld, is het vonnis van het kort geding van 14 september 2018 niet besproken en heeft hij gezegd dat ‘er toch niet zoveel spannends in het vonnis stond’. Verder is niet benoemd dat de moeder heeft geweigerd om met de vader in gesprek te gaan over de uitspraken van de dochter. Tot slot heeft de jeugdprofessional de reactie van de wijkagent uit zijn verband en context gehaald en heeft hij niet benoemd dat de dochter in 2015 al uitspraken heeft gedaan over mogelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag van de partner van de moeder.

4.3.2 De jeugdprofessional voert aan dat hij niet het volledige verslag van het drie huizen gesprek heeft overgelegd omdat de kern van dit verslag voldoende was verwoord. De jeugdprofessional was niet in het bezit van het verslag van de speltherapeut. Hij heeft de informatie gebaseerd op het evaluatiegesprek. Verder heeft de jeugdprofessional het onder 2.4 genoemde vonnis met de beschermingstafel gedeeld. Hij heeft inderdaad gezegd dat er in het vonnis niet zoveel spannends stond. Wellicht was een andere woordkeuze netter geweest. Het vonnis heeft onvoldoende aanknopingspunten geboden om een andere uitkomst van het traject te hebben. Het was de vraag of het voortduren van een veiligheidsafspraak zonder dat iemand schuldig is bevonden, rechtvaardig en in het belang van de dochter was. Deze vraag lag voor bij de beschermingstafel. De inschatting is vervolgens gemaakt dat de kans op overschrijdend gedrag zeer klein is maar dat de GI hier verder naar zou moeten kijken. De vader heeft altijd open gestaan voor een gesprek met de moeder maar zij heeft redenen gehad om het gesprek niet met de vader aan te gaan. De jeugdprofessional heeft op informele wijze met de wijkagent gesproken over de partner van de moeder. De vader interpreteert dit gesprek op een andere wijze. Het perspectief van de vader is opgenomen in de stukken. De jeugdprofessional kan niet met zekerheid zeggen dat er geen seksueel grensoverschrijdend gedrag is geweest met de dochter. Dat geldt voor alle betrokkenen en is niet meer te achterhalen.

4.3.3 Het College overweegt het volgende. Bij een vermoeden van seksueel misbruik is het van belang dat de jeugdprofessional duidelijk vastlegt welke acties hij onderneemt en wat hij gezamenlijk met de ouders heeft besproken. De jeugdprofessional is met de ouders om de tafel gegaan en heeft met hen veiligheidsafspraken gemaakt. Ook heeft hij contact gehad met onder andere Veilig Thuis, de huisarts, de RvdK, het expertisecentrum voor seksueel geweld en de beschermingstafel.

De richtlijn Kindermishandeling biedt de jeugdprofessional inhoudelijke ondersteuning met betrekking tot de vervolgstappen. De jeugdprofessional heeft stappen gezet maar heeft niet doorgepakt en heeft niet aan procesregie gedaan en dat vastgelegd. Zo heeft hij nagelaten een taxatie te maken van alle zorgen. Vervolgens heeft hij deze niet in zijn geheel gewogen om een inschatting te maken van de ernst en impact van het vermoeden van seksueel misbruik en of er risico is op herhaling. Een volledig verslag van het drie huizen gesprek, de weigering van de moeder om met de vader in gesprek te gaan en de uitlating van de dochter van 2015 zijn op grond van het voorgaande naar het oordeel van het College van belang om in het dossier op te nemen en aan de beschermingstafel over te leggen. Op grond van de stukken kan het College niet vaststellen dat de jeugdprofessional een gedragswetenschapper bij deze zaak heeft betrokken. Het College concludeert dat de jeugdprofessional niet planmatig heeft gewerkt door de feiten niet tijdig en onvoldoende op te nemen in het dossier. Daarnaast heeft hij de zorgen slechts deels en via een officieus kanaal, het contact met de wijkagent, gewogen. Op grond van het voorgaande heeft de jeugdprofessional een onzorgvuldige en onvolledige taxatie van alle zorgen gemaakt. De jeugdprofessional heeft in strijd gehandeld met artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en artikel M (dossiervorming/verslaglegging) van de Beroepscode. Dit gedeelte van het klachtonderdeel is gegrond.

Verder is uit de mondelinge behandeling van de klacht gebleken dat het vonnis niet tijdens de beschermingstafel is besproken vanwege tijdgebrek. De jeugdprofessional heeft erkend dat hij heeft gezegd dat er niet zoveel spannends in het vonnis stond. Het College acht deze uitspraak ongelukkig maar is van oordeel dat de jeugdprofessional is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Dit gedeelte van het klachtonderdeel is ongegrond.

4.3.4 Het College verklaart het klachtonderdeel gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond.

4.4 Klachtonderdeel 4

4.4.1. De klagers verwijten de jeugdprofessional dat hij zich onvoldoende heeft ingespannen. Hij heeft de vader na twee maanden het verslag van de beschermingstafel gestuurd en heeft niet aangestuurd op een gesprek tussen de vader en de moeder.

4.4.2 De jeugdprofessional vraagt aandacht voor de context (tijd, prioriteit onvoorziene omstandigheden, agenda’s van anderen) waarbinnen de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. De termijn voor het schrijven van het verslag heeft wellicht te lang geduurd maar het is niet te wijten aan onvoldoende inspanning. De inzet van de jeugdprofessional was gericht om de vader en de moeder met elkaar om de tafel te krijgen. Dat de moeder niet gedwongen is om het gesprek met de vader aan te gaan, heeft niets te maken met het gebrek aan inspanning, partijdigheid of niet bereid zijn om de vader te helpen. De jeugdprofessional heeft zich voldoende ingespannen gezien de hoeveelheid telefoontjes, e-mails, face-to-face gesprekken, intercollegiale overleggen en het inbrengen van de casus bij casuïstiekbesprekingen en de beschermingstafel.

4.4.3 Het College overweegt het volgende. De jeugdprofessional heeft in deze zaak hard gewerkt maar hij heeft niet de goede stappen ondernomen. Het College verwijst in dit verband naar het gedeelte van de klacht dat gegrond is verklaard in klachtonderdeel 3. Het College is verder van oordeel dat een periode van twee maanden voor het opstellen van het verslag van de beschermingstafel in deze complexe zaak te lang is. De jeugdprofessional heeft tot slot een eigen professionele verantwoordelijkheid om bij de gemeente aan de bel te trekken als hij het te druk heeft. Dat behoort tot de beroepsstandaard en is expliciet verwoord in artikel Q van de Beroepscode. De jeugdprofessional heeft met de gemeente moeten overleggen of en op welke wijze hij voldoende kwaliteit van hulp kon bieden. De jeugdprofessional heeft in strijd gehandeld met artikel Q van de Beroepscode.

4.4.4 Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

4.5 Klachtonderdeel 5

4.5.1 De klagers verwijten de jeugdprofessional dat hij onvoldoende neutraal is geweest. De jeugdprofessional heeft in het klachtgesprek op 8 april 2019 bevestigd dat hij meegaat in de visie van de moeder dat er geen sprake kan zijn van seksueel grensoverschrijdend gedrag door de partner van de moeder. Daarnaast heeft de jeugdprofessional niet objectief en concreet benoemd waar het probleem van de communicatie tussen de vader en de moeder zit zodat de vader twijfelt over de onpartijdigheid van de jeugdprofessional.

4.5.2 De jeugdprofessional voert aan dat hij respectvol is geweest naar de vader. De jeugdprofessional heeft de vader serieus genomen en heeft hem geprobeerd om zijn visie uit te leggen. Uit de twee verslagen van de beschermingstafel blijkt dat de jeugdprofessional alle perspectieven in beeld heeft gebracht en van meerzijdige partijdigheid is uitgegaan. De jeugdprofessional heeft zijn visie geformuleerd naar aanleiding van de gesprekken en intercollegiaal overleg. Hij is kritisch op zijn handelen geweest vanwege de ernst en impact van deze zaak.

4.5.3 Het College overweegt het volgende. De houding van meervoudige partijdigheid brengt met zich mee dat de jeugdprofessional oog heeft voor zowel de visie van de vader als de visie van de moeder, waarbij het belang van het kind in principe de doorslag geeft bij een afweging.

De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht toegelicht dat hij een eigen visie heeft en dat het ongelukkig is dat deze visie meer richting de moeder gaat. De jeugdprofessional heeft daarnaast gezegd dat de partner van de moeder gelet op zijn beroep een verklaring omtrent gedrag (VOG) zou hebben. Tot slot heeft de jeugdprofessional aangegeven dat hij niet meegaat in de hetze van een antecedentenonderzoek en de hetze tegen de partner van de moeder. Volgens de jeugdprofessional heeft de partner van de moeder zich meewerkend opgesteld, is hij niet agressief en is uit het informele contact met de wijkagent gebleken dat de jeugdprofessional zich geen zorgen hoefde te maken. Het College is van oordeel dat de voorgaande uitlatingen getuigen van een partijdige opstelling van de jeugdprofessional. De jeugdprofessional heeft slechts aangenomen dat de partner van de moeder een VOG had en heeft dat niet onderzocht. Bij een complexe casus als deze, waarbij de dochter zorgelijke uitlatingen heeft gedaan en de vader ongerust is, is nader onderzoek met specialistische expertise nodig en kan niet worden uitgegaan van een hetze. De jeugdprofessional heeft in strijd gehandeld met artikel E (respect) van de Beroepscode.

Het College is verder van oordeel dat de jeugdprofessional als regisseur eindverantwoordelijk is voor deze casus. De jeugdprofessional dient niet alleen af te gaan op de informatie van de wijkagent maar heeft een eigen objectieve afweging van de situatie moeten maken aan de hand van de risicofactoren. Artikel N (Samenwerking in de hulp -en dienstverlening) is geschonden. Het informeel en zonder medeweten en toestemming van de vader navraag doen bij de wijkagent en de aanname dat de partner van de moeder een VOG heeft, is hiervoor onvoldoende.

4.5.4 Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

4.6 Conclusie

4.6.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), E (respect), G (instemming/afstemming omtrent hulp -en dienstverlening), J (vertrouwelijkheid), M (verslaglegging/dossiervorming), N (samenwerking in de hulp -en dienstverlening) en Q (toetsing beroepsmatig en functioneel handelen aan de waarden en normen van het beroep) van de Beroepscode zijn geschonden.

Nu het handelen van de jeugdprofessional in het vrijwillig kader heeft plaatsgevonden, had hij zich bewust moeten zijn van de grenzen van zijn bevoegdheid op het moment dat hij zonder toestemming van de vader contact heeft opgenomen met de GZ-psycholoog. Doordat er niet procesmatig is gewerkt, zijn de door partijen gemelde zorgen onvoldoende zorgvuldig onderzocht en gewogen. Het College benadrukt dat het tot de verantwoordelijkheid van de jeugdprofessional behoort om aan de hand van een vaste en gedegen structuur procesmatig te werken. Ook moet alle van belang zijnde informatie in samenwerking met meerdere collega’s en een gedragswetenschapper worden gewogen en vastgelegd, zodat besluitvorming zorgvuldig en zoveel als mogelijk in samenspraak met de klagers tot stand komt. De jeugdprofessional heeft een onzorgvuldige en onvolledige taxatie van alle zorgen gemaakt. Daarnaast heeft de jeugdprofessional de feiten, de vermoedens en verslagen die in dat kader van belang zijn, niet tijdig en onvoldoende vastgelegd in het dossier. Dat maakt dat het niet meer mogelijk is om duidelijkheid te krijgen of en in hoeverre er gevolgen waren voor de veiligheid van de dochter. Tot slot hebben de uitlatingen van de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van de klacht ertoe geleid dat hij zich niet meervoudig partijdig heeft opgesteld.

4.6.2 Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid en de op te leggen maatregel overweegt het College dat drie klachtonderdelen gegrond zijn verklaard en dat twee klachtonderdelen gedeeltelijk gegrond zijn. Verder heeft de jeugdprofessional, met uitzondering van de verslaglegging en dossiervorming, niet op zijn handelen gereflecteerd. Het College heeft de indruk dat de jeugdprofessional zich in deze complexe casus te weinig heeft gerealiseerd wat voor effect zijn handelen op de klagers heeft gehad. Deze casus vraagt om specialistische expertise. De jeugdprofessional heeft niet of onvoldoende deze casus besproken met anderen dan zijn collega’s. Het College acht het zinvol dat de jeugdprofessional naar aanleiding van deze casus met de gemeente in gesprek gaat over zijn werkwijze en beveelt de jeugdprofessional aan om een cursus te volgen die gericht is op reflectie.

Het College acht het op grond van bovengenoemde omstandigheden passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van berisping zonder openbaarmaking op te leggen.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdelen 1 en 3 gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond;
  • verklaart klachtonderdelen 2, 4 en 5 gegrond;
  • legt aan de jeugdprofessional op een berisping zonder openbaarmaking van deze maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 18 maart 2020 aan partijen toegezonden.

 

 

 

 

mevrouw mr. S.C. van Duijn                                                          mevrouw mr. A.C. Veerman

voorzitter                                                                                           secretaris