Het is tot op zekere hoogte aan een medewerker van het CJG om te bepalen hoe het gesprek met een ouder wordt aangegaan over de veiligheid van een kind en/of de wijze waarop zicht gekregen wordt op de veiligheid van een kind. Er is ten aanzien hiervan geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.

Het College van Beroep heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. M.M. Brink, voorzitter,
mevrouw M. Bijnoe, lid-beroepsgenoot,
mevrouw H.W. Kamphof, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager], klaagster in eerste aanleg, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

ingediende beroepschrift tegen:

[jeugdprofessional], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als gezinscoach bij het Centrum voor Jeugd en Gezin, hierna te noemen: het CJG.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

De moeder wordt in deze zaak bijgestaan door haar partner als gemachtigde, [gemachtigde]

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. S. Dik, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:
– het (aangepaste) klaagschrift dat de moeder op 21 juli 2019 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– het verweerschrift dat de jeugdprofessional op 11 oktober 2019 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 19.258Ta van 2 januari 2020;
– het beroepschrift dat de moeder op 13 februari 2020 heeft ingediend;
– het verweerschrift dat de jeugdprofessional op 27 maart 2020 heeft ingediend;
– de conclusie van repliek die de moeder op 7 mei 2020 heeft ingediend;
de conclusie van dupliek die de jeugdprofessional op 27 mei 2020 heeft ingediend.

1.2 Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht klachtonderdeel 2 gegrond en de klachtonderdelen 1, 3, 4, 5 en 6 ongegrond verklaard. Aan de jeugdprofessional is de maatregel van waarschuwing opgelegd.

1.3 Tegen deze beslissing heeft de moeder op 13 februari 2020 tijdig beroep aangetekend.

1.4 Op 29 april 2020 zijn partijen bericht dat het College van Beroep vanwege de ontwikkelingen rondom COVID-19 werkt volgens een tijdelijke regeling. De voorzitter heeft op grond van artikel 16 jo. artikel 5 van de tijdelijke regeling (versie 1) geoordeeld dat de zaak geen mondelinge behandeling behoeft. Partijen zijn conform de tijdelijke regeling in de gelegenheid gesteld om nog eenmaal schriftelijk te reageren op hetgeen de wederpartij naar voren heeft gebracht (repliek en dupliek). Deze conclusie van repliek en dupliek hebben partijen op respectievelijk 7 mei 2020 en 27 mei 2020 bij het College van Beroep ingediend.

1.5 Per e-mailbericht van 28 mei 2020 zijn partijen bericht dat de schriftelijke behandeling van het beroep – zonder aanwezigheid van partijen – zal plaatsvinden op woensdag 3 juni 2020. Tevens zijn partijen bericht dat de beslissing op 15 juli 2020 per aangetekende post aan hen wordt verzonden.

2     De feiten

Op grond van de stukken gaat het College van Beroep van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft een zoon die is geboren in 2012.

2.2 De relatie tussen de ouders is in 2012 beëindigd. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de zoon.

2.3 In 2012 is de zoon getuige geweest van fysiek geweld tussen de ouders.

2.4 De kinderrechter heeft op 18 november 2014 een zorgregeling vastgesteld waarbij de zoon drieënhalve dag per week bij de vader is.

2.5 De ouders en de zoon hebben van mei tot oktober 2016 een [naam traject] doorlopen. De veiligheid binnen het gezin is door het team in kaart gebracht. De ouders zijn na afloop van het traject doorverwezen naar ‘Ouderschap Blijft’ dat niet van start is gegaan omdat zij niet op een wachtlijst zijn gezet. De ouders hebben meerdere mediation trajecten doorlopen.

2.6 De moeder heeft de zoon op 10 maart 2017 telefonisch aangemeld bij het CJG. Zij heeft in dit telefoongesprek haar zorgen geuit over de opvoedsituatie bij de vader en de gedragsmoeilijkheden die zij bij de zoon in de thuissituatie ziet.

2.7 De jeugdprofessional is sinds [datum] 2015 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). De jeugdprofessional is vanuit het CJG van 15 mei 2017 tot en met 6 mei 2019 in het vrijwillig kader bij het gezin betrokken geweest.

2.8 De moeder heeft de kinderrechter verzocht een zorgregeling met de vader vast te stellen van één weekend per veertien dagen. Op 19 oktober 2017 heeft de kinderrechter de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de RvdK) verzocht om een onderzoek in te stellen en te adviseren over de huidige zorg- en opvoedregeling. De kinderrechter heeft de beslissing aangehouden. De RvdK heeft op 22 augustus 2018 een raadsrapport opgesteld.

2.9 De RvdK heeft voor een nieuwe zitting bij de kinderrechter op 16 januari 2019 een kort onderzoek verricht naar de huidige stand van zaken rondom de zoon en de ouders. Op 11 januari 2019 heeft de RvdK een briefrapport opgesteld.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College van Beroep beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessionals aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en/of nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4     Het beroep, verweer en de beoordeling

4.1 Het College van Beroep wijst allereerst op het volgende.

4.1.1 Hierna worden de in het beroepschrift aangehaalde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Eerst wordt het oorspronkelijke klachtonderdeel genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in beroep, evenals het verweer in beroep, de conclusie van repliek en de conclusie van dupliek, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven.

4.1.2 Het College van Beroep wijst er nog op dat in een beroepsprocedure alleen grieven kunnen worden aangevoerd die zien op de beoordeling van de oorspronkelijke klachtonderdelen zoals die zijn geformuleerd bij het College van Toezicht. Voor zover de moeder in het beroepschrift en/of de conclusie van repliek nieuwe klachtonderdelen heeft geformuleerd, zijn deze niet in deze beslissing opgenomen en kan het College van Beroep daar geen oordeel over geven.

4.1.3 Het beroepschrift van de moeder richt zich tegen de beoordeling door het College van Toezicht van de klachtonderdelen 1, 3 en 4. Het College van Beroep stelt in dat kader vast dat klachtonderdeel 4 en 5 door het College van Toezicht gezamenlijk zijn behandeld omdat deze identiek zijn. Om die reden gaat het College van Beroep ervan uit dat het beroep dat is ingesteld tegen klachtonderdeel 4, ook wordt geacht te zijn ingediend tegen klachtonderdeel 5.

4.2 Klachtonderdeel 1

4.2.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 1 als volgt geformuleerd: “De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij onzorgvuldig is omgegaan met belastende informatie over en verschillende signalen van fysiek geweld jegens de zoon door de vader. De moeder heeft de jeugdprofessional al in 2017 verteld dat de zoon aangeeft dat de vader hem tegen het hoofd slaat. Ook heeft de moeder aangegeven dat zij hier zelf getuige van is geweest. Verder heeft de moeder aan de jeugdprofessional verteld dat de zoon heeft gezegd dat de vader hem bij zijn keel heeft gegrepen en daarbij zijn keel heeft dichtgeknepen. Daarnaast heeft de moeder in latere gesprekken aangegeven dat de zoon zelf zegt dat hij wordt geslagen door de vader. Op 27 maart 2018 heeft de moeder de jeugdprofessional een e-mail gestuurd met stukken waaruit blijkt dat de vader erkent corrigerende tikken te geven. De jeugdprofessional heeft niet gereageerd op deze e-mail. De moeder heeft op 31 mei 2018 genoemde stukken persoonlijk overhandigd aan de jeugdprofessional. De stukken zijn door de jeugdprofessional niet verwerkt in de rapportage, niet met de vader besproken en zij heeft geen melding gemaakt van mogelijke kindermishandeling. De gedragingen van de zoon zijn zorgwekkend en zijn mogelijk signalen van kindermishandeling. Ook op school zijn er grote zorgen over de ontwikkeling van de zoon.”

4.2.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “Het College [van Toezicht] overweegt het volgende. Hoewel het in de rede had gelegen dat de jeugdprofessional de relevante gedeelten uit contactjournaals in deze procedure had overgelegd, heeft zij voldoende toegelicht welke stappen zij heeft ondernomen nadat zij door de moeder op de hoogte was gebracht van signalen van fysiek geweld van de vader naar de zoon. Zo heeft zij contact opgenomen met Veilig Thuis, de school en de schoolarts. Ook heeft zij gesproken met de moeder, de vader en de zoon. Verder heeft zij het contact tussen de vader en de zoon geobserveerd. Op basis van deze acties, heeft zij geen signalen van fysiek geweld kunnen vaststellen van de vader richting de zoon. De jeugdprofessional heeft naar het oordeel van het College [van Toezicht] zorgvuldig gehandeld. Het gedeelte van de klacht dat betrekking heeft op de rapportage, wordt besproken in klachtonderdeel 2. Het klachtonderdeel is ongegrond.”

4.2.3 De moeder stelt zich op het standpunt dat zij tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft gewezen op een tekening die de zoon heeft gemaakt waarbij hij desgevraagd tegen de jeugdprofessional heeft gezegd dat hij blij is als zijn vader of moeder hem niet slaat. Dergelijke uitlatingen moeten op zijn minst vragen oproepen bij de jeugdprofessional over de veiligheid van de zoon en daarnaast zijn deze uitlatingen nergens opgenomen in de rapportage van de jeugdprofessional. De jeugdprofessional heeft deze situatie bevestigd.
Voorts is een grief gericht tegen de overweging van het College van Toezicht dat de jeugdprofessional zorgvuldig heeft gehandeld. De jeugdprofessional heeft in haar verweerschrift erkend dat zij na het ontvangen van belastende documenten de vader hierop niet heeft aangesproken omdat dit de verantwoordelijkheid van de moeder zou zijn. De moeder is van mening dat deze stukken naar chronologie en inhoud als een bevestiging van het vermoeden van lichamelijk geweld van de vader naar de zoon toe moeten worden beschouwd. Doordat zij deze stukken niet met de vader heeft besproken, heeft zij de geldende meldcode niet toegepast, noch heeft zij het bevestigde vermoeden gemeld bij een regulier meldpunt.

4.2.4 De jeugdprofessional betwist dat zij het signaal van de zoon naar aanleiding van de tekening niet heeft opgepakt dan wel heeft meegenomen. Zij heeft dit direct met collega’s besproken en aan de ouders de cursus ‘Triple P’ aangeboden, die zij vervolgens hebben gevolgd. De jeugdprofessional herhaalt dat zij wel degelijk stappen heeft ondernomen naar aanleiding van de signalen die de moeder gaf. Ten overvloede merkt zij op dat de stukken waarin vader heeft erkend corrigerende tikken te hebben gegeven, wel degelijk met hem zijn besproken en dus als signaal in het kader van de meldcode zijn meegenomen en dat zij zich daarmee ook heeft gehouden aan de Beroepscode. Dat de jeugdprofessional de moeder ook op haar eigen verantwoordelijkheid heeft gewezen, doet hier niet aan af. De moeder geeft aan dat de zoon haar meerdere malen heeft verteld dat de vader hem zou slaan. De zoon heeft slechts eenmaal aan het begin van het hulpverleningstraject aan de jeugdprofessional verteld dat hij blij is als zijn vader of moeder hem niet slaat Vanuit de school is er bovendien geen signaal met betrekking tot kindermishandeling gekomen. Omdat het aldus om eenzijdige informatie van de moeder ging, heeft de jeugdprofessional geprobeerd om de moeder te steunen in het gesprek met de vader hierover. Daarnaast heeft de jeugdprofessional met de RvdK gesproken over de verschillende informatie vanuit de ouders. De RvdK achtte op dat moment een beschermingsonderzoek niet noodzakelijk.

4.2.5 De moeder stelt in haar conclusie van repliek dat in de rapportage van het CJG is te lezen dat na het telefonisch aanmelden in 2017, medewerkers al hebben gecommuniceerd over het aanmelden bij Triple P. Dit is nog voordat de moeder op intakegesprek is geweest en ruim voordat de zoon de tekening heeft gemaakt. In mei 2018 is Triple P pas aangeboden aan de vader, dit is ruim een jaar na de tekening van de zoon. De conclusie van de jeugdprofessional dat er geen zorgen zijn over de veiligheid is enkel gebaseerd op twee observaties die de jeugdprofessional bij de vader thuis heeft gedaan en de ontkenning van de vader zelf. De stukken die de moeder op 31 mei 2018 aan de jeugdprofessional heeft overlegd, heeft de jeugdprofessional niet met de vader besproken omdat zij aangaf dat het de taak van de moeder was om dit te doen.

4.2.6 De jeugdprofessional stelt in haar conclusie van dupliek dat de Triple P cursus in die tijd standaard aan alle ouders op de wachtlijst werd aangeboden. Om die reden is de moeder hierover gebeld en kon zij hier al eerder mee starten. De vader is later dan de moeder gestart met de Triple P cursus omdat eerst gewerkt moest worden aan het vertrouwen. De jeugdprofessional heeft een aantal maanden haar best gedaan om de vader te betrekken bij de hulpverlening en zicht te krijgen op de opvoedsituatie, wat uiteindelijk is gelukt. Vanaf januari 2018 is de jeugdprofessional met beide ouders in gesprek gegaan over de opvoedsituatie en de belangen van de zoon. Omdat de hulpverlening op gang kwam en een positieve ontwikkeling liet zien, hoefde er op dat moment geen spoedmelding te worden gedaan bij Veilig Thuis. De jeugdprofessional stelt verder dat zij de zorgen naar aanleiding van de tekening en de stukken die de moeder heeft overgelegd, wel degelijk met de vader heeft besproken.

4.2.7 Het College van Beroep overweegt over dit klachtonderdeel als volgt. Uit het beroepschrift blijkt dat de moeder niet betwist dat de jeugdprofessional de stappen heeft genomen zoals het College van Toezicht heeft beschreven in de bestreden beslissing. Deze stappen behoeven in de beroepsprocedure dan ook geen bespreking meer. Het College van Beroep stelt daarnaast vast dat de tekening die de zoon heeft gemaakt geen onderdeel uitmaakt van het klachtonderdeel zoals de moeder deze bij het College van Toezicht heeft geformuleerd. Tussen partijen is niet in geschil dat deze tekening bij de mondelinge behandeling van de klacht wel ter sprake is gekomen. Dit laat echter onverlet dat deze tekening geen onderdeel uitmaakt van het geformuleerde klachtonderdeel. Het College van Beroep verwijst volledigheidshalve naar hetgeen in deze beslissing onder 4.1.2 is opgenomen. De reikwijdte van een klachtonderdeel dient voor alle betrokkenen, inclusief de tuchtcolleges, helder te zijn. Het is dan ook niet mogelijk om tijdens een (mondelinge) behandeling van de klacht c.q. beroep met een nieuw aspect/voorbeeld of uitbreiding van het klachtonderdeel te komen. Het College van Beroep verklaart de moeder dan ook in zoverre niet-ontvankelijk in haar grief. Volledigheidshalve wijst het College van Beroep er nog op dat voor zover de grief van de moeder ziet op het onzorgvuldig rapporteren van de jeugdprofessional, het College van Toezicht dit klachtonderdeel gegrond heeft verklaard en hier aldus geen grief tegen kan worden gericht.

Tussen partijen is in deze beroepsprocedure nog wel in geschil of de jeugdprofessional de vader heeft aangesproken op de ontvangen documenten van de moeder. Het College van Beroep volgt de moeder niet in haar standpunt dat de jeugdprofessional in haar verweerschrift heeft ontkend de documenten met de vader te hebben besproken. Het College van Beroep verwijst naar punt 9. van het verweerschrift dat de jeugdprofessional heeft ingediend bij het College van Toezicht. Hieruit blijkt dat jeugdprofessional in het kader van de Triple P cursus met de vader heeft gesproken over slaan, corrigerende tikken en stressmanagement. Dat de jeugdprofessional mogelijk niet de exacte documenten met de vader heeft besproken leidt niet tot een tuchtrechtelijk verwijt. Het College van Beroep wijst in dat kader op het geformuleerde klachtonderdeel dat erop ziet dat de jeugdprofessional onzorgvuldig is omgegaan met belastende informatie over de fysieke veiligheid van de zoon. Het is tot op zekere hoogte aan de jeugdprofessional om te bepalen hoe zij het gesprek hierover aangaat en/of de wijze waarop zij zicht krijgt op de veiligheid van de zoon. Door met de vader over deze onderwerpen het gesprek aan te gaan, kan niet gesteld worden dat de jeugdprofessional hier onzorgvuldig mee is omgegaan. Het College van Beroep volgt daarnaast het standpunt van de jeugdprofessional dat het ging om eenzijdige informatie vanuit de moeder. Het College van Beroep heeft, althans niet uit de overgelegde stukken, af kunnen leiden dat er meerdere instanties en/of personen zorgen over de veiligheid van de zoon hebben geuit, noch heeft de RvdK aanleiding gezien om het onderzoek dat zij heeft  gedaan uit te breiden met een beschermingsonderzoek. Het College van Beroep is aldus concluderend van oordeel dat de jeugdprofessional ten aanzien van dit klachtonderdeel geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

4.2.8 Het College van Beroep verklaart de moeder deels niet-ontvankelijk in de grief voor zover deze betrekking heeft op de tekening die de zoon heeft gemaakt. Voor het overige faalt de grief. Het College van Beroep handhaaft het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdeel 1.

4.3 Klachtonderdeel 3

4.3.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 3 als volgt geformuleerd: “De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij onzorgvuldig is geweest in haar adviezen over de behandeling van de zoon. Zij heeft in maart 2018 een persoonlijkheidsonderzoek geadviseerd en de zoon hiervoor aangemeld. De aanmelding is daarna geannuleerd omdat de vader zijn toestemming had ingetrokken. In december 2018 heeft de jeugdprofessional geadviseerd om bij de zoon een breed persoonlijkheidsonderzoek af te nemen. Na een overleg met een gz-psychologen, heeft zij dat niet meer wenselijk geacht.”

4.3.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Het College [van Toezicht] overweegt het volgende. Het is begrijpelijk dat de jeugdprofessional het persoonlijkheidsonderzoek niet heeft uitgevoerd omdat de toestemming van de vader ontbrak. De jeugdprofessional heeft daarna opnieuw een persoonlijkheidsonderzoek geadviseerd maar is teruggekomen op haar advies nadat de gz-psychologen kenbaar hebben gemaakt dat zij de zoon hiermee niet wilden belasten. Het College [van Toezicht] is met de jeugdprofessional van oordeel dat het beter was geweest als zij eerder met de gz-psychologen hierover had gesproken maar zij is hiermee niet getreden buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Het klachtonderdeel is ongegrond.”

4.3.3 De moeder betwist dat dit klachtonderdeel erop ziet dat het persoonlijkheidsonderzoek niet is uitgevoerd. Het klachtonderdeel ziet erop dat de jeugdprofessional vanaf het voorjaar 2018 tot aan januari 2019 steeds een persoonlijkheidsonderzoek heeft geadviseerd. Vervolgens heeft de jeugdprofessional op eigen initiatief in februari 2019 contact opgenomen met een gz-psycholoog om het advies te bespreken en vervolgens de ouders, de school en het schoolondersteuningsteam tegenovergesteld te adviseren. De moeder beschouwt dit gelet op de reikwijdte en het belang van het advies als uiterst onzorgvuldig en onprofessioneel.

4.3.4 De jeugdprofessional stelt zich op het standpunt dat de moeder zelf een persoonlijkheidsonderzoek wenste. De jeugdprofessional is hierin meegegaan omdat dit haar passend leek gezien van de vermoedens van autisme die er waren bij de zoon. Bij het initiëren van dit proces stuitte de jeugdprofessional echter tegen haar verwachting in op een andere mening van het team van gz-psychologen bij het CJG. Zij adviseerden eerst behandeling op het gebied van trauma en hechting op basis van de invalshoek dat er systematisch gewerkt zou moeten worden. Dit advies heeft de jeugdprofessional vervolgens overgebracht aan de ouders. De moeder koos er daarna voor om door te gaan met een andere instantie om toch een persoonlijkheidsonderzoek af te kunnen laten nemen bij haar zoon. De vader is hiermee akkoord gegaan.

4.3.5 De moeder betwist in haar conclusie van repliek dat zij zelf een persoonlijkheidsonderzoek wenste. Al vanaf januari 2017 heeft de moeder aan de vader speltherapie voorgesteld, nog voordat het traject bij het CJG was gestart. De vader weigerde hiermee akkoord te gaan. Daarop heeft de jeugdprofessional in maart 2018 een persoonlijkheidsonderzoek aan de vader voorgesteld waarmee hij in eerste instantie akkoord is gegaan. In februari 2019 komt de jeugdprofessional met een volledig tegenstrijdig advies.

4.3.6 De jeugdprofessional stelt in haar conclusie van dupliek dat de moeder wel degelijk zelf een persoonlijkheidsonderzoek wenste. In haar conclusie van dupliek heeft de jeugdprofessional ter onderbouwing van haar standpunt een passage uit een gespreksverslag van 18 december 2018 geciteerd.

4.3.7 Het College van Beroep maakt uit het beroepschrift op dat er bij de moeder verwarring is ontstaan over de wijze waarop het oordeel van het College van Toezicht is geformuleerd, althans voor zover daarin is opgenomen dat het begrijpelijk wordt geacht dat de jeugdprofessional het persoonlijkheidsonderzoek niet heeft uitgevoerd. Dit is inderdaad niet de kern van het klachtonderdeel zoals de moeder deze bij het College van Toezicht heeft geformuleerd. Na deze (inleidende) zin gaat het College van Toezicht echter wel in op het klachtonderdeel van de moeder over het proces rondom het persoonlijkheidsonderzoek. Het College van Toezicht heeft reeds helder uiteengezet hoe dit proces is verlopen en het College van Beroep acht het daarbij niet relevant – waar partijen in beroep wel uitvoerig op zijn ingegaan – wie het persoonlijkheidsonderzoek heeft gewenst. Het College van Beroep beperkt zich in beroep tot het (uiteindelijke) tegenstrijdige advies dat de jeugdprofessional naar aanleiding van het overleg met de gz-psycholoog heeft gegeven. Het College van Beroep acht het zorgvuldig dat de jeugdprofessional bij de gz-psycholoog advies heeft ingewonnen. Onverhoopt is zij daarbij op een tegenstrijdig advies van de gz-psycholoog gestuit. Het was van de jeugdprofessional zorgvuldiger geweest, zoals het College van Toezicht ook reeds heeft overwogen, als de jeugdprofessional in een eerder stadium dit advies bij de gz-psycholoog had ingewonnen. Het College van Beroep is echter van oordeel dat het hier handelen van de jeugdprofessional betreft dat beter had gekund, maar dat het te ver voert om de jeugdprofessional ten aanzien hiervan een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

4.3.8 De grief faalt. Het College van Beroep handhaaft het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdeel 3.

4.4 Klachtonderdeel 4 en 5

4.4.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht zijn de klachtonderdelen 4 en 5 als volgt geformuleerd: “De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij de RvdK onzorgvuldig heeft geïnformeerd over de fysieke veiligheid van de zoon bij de vader. Zij heeft in het raadsrapport en de aanvullingen hierop gesteld dat het CJG geen zorgen heeft over de veiligheid van de zoon. Dat staat in contrast met de vele meldingen van de moeder. Ook heeft de jeugdprofessional de RvdK onzorgvuldig geïnformeerd over de veiligheid van de zoon als gevolg van het blokkeren van de zorg door de vader. De jeugdprofessional heeft de RvdK niet gemeld dat de vader heeft geweigerd om mee te werken aan een onderzoek van het CJG omdat hij bang was dat de informatie tegen hem kon worden gebruikt. Zij heeft de RvdK verteld dat de vader geen behoefte had aan contact met het CJG omdat hij geen problemen ervaart met het gedrag van de zoon en zijn opvoeding. De voortdurende weigering van de vader om mee te werken of toestemming te geven voor de zorg en behandeling voor de zoon dient te worden beschouwd als zorgonthouding en dat is een onveilige ontwikkelingssituatie voor de zoon.”

4.4.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van deze klachtonderdelen als volgt: “Het College [van Toezicht] overweegt het volgende. Het is duidelijk dat de moeder zorgen heeft. In een situatie als deze, is het aan de jeugdprofessional om zich een mening te vormen over de fysieke veiligheid van de zoon bij de vader. Het behoort tot de taak van de jeugdprofessional om zelf een standpunt in nemen en dat te ventileren, ook als dat afwijkt van het standpunt van de moeder. In de beoordeling van klachtonderdeel 1 staat opgenomen welke acties de jeugdprofessional heeft ondernomen naar aanleiding van de signalen van de moeder. Zij heeft op basis hiervan een eigen inschatting gemaakt die in het raadsrapport is opgenomen, net als de mening van de moeder. Dat moeder het niet eens met de visie van de jeugdprofessional, maakt niet dat de jeugdprofessional verwijtbaar heeft gehandeld. Tot slot maakt het College [van Toezicht] uit onder andere het briefrapport van de RvdK van 11 januari 2019 op dat er voor de zoon hulpverlening is ingezet. Zo heeft hij logopedie gekregen, heeft hij op school ondersteuning van een multidisciplinair team ontvangen en is de cursus ‘Piep zei de Muis’ afgerond. De vader is niet met een persoonlijkheidsonderzoek en met speltherapie voor de zoon akkoord gegaan, maar het College [van Toezicht] concludeert hieruit niet dat hij alle zorg voor de zoon heeft geblokkeerd. De jeugdprofessional valt geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.” Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

4.4.3 De moeder verwijst ten aanzien van dit klachtonderdeel naar hetgeen reeds is aangevoerd onder klachtonderdeel 1, waarin uiteen is gezet dat de moeder van mening is dat de jeugdprofessional ernstig tekort is geschoten bij het volgen van de Beroepscode. De moeder heeft in haar conclusie van repliek niet gereageerd op deze klachtonderdelen.

4.4.4 De jeugdprofessional is van mening, zoals ook gesteld in haar verweer ten aanzien van klachtonderdeel 1, dat zij alle signalen van mogelijke kindermishandeling die er waren voldoende in kaart heeft gebracht en dat zij naar aanleiding daarvan actie heeft ondernomen. De jeugdprofessional is dan ook van mening dat haar oordeel over de veiligheid van de zoon zoals gecommuniceerd naar de RvdK voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen.

4.4.5 Het College van Beroep overweegt over de grief van de moeder als volgt. De moeder heeft bij het onderbouwen van de beroepsgronden volstaan met een enkele verwijzing naar hetgeen zij reeds heeft aangevoerd bij klachtonderdeel 1. Omdat het College van Beroep al tot het oordeel is gekomen dat de moeder deels niet-ontvankelijk is in deze grief en dat deze voor het overige is verworpen, kan ook de grief gericht tegen klachtonderdeel 4 en 5 niet kan slagen.

4.4.6 Het College van Beroep verwerpt de grief en handhaaft het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van de klachtonderdelen 4 en 5.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

  • handhaaft de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 19.258Ta van 2 januari 2020, voor zover aan het oordeel van het College van Beroep onderworpen.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 15 juli 2020 aan partijen toegezonden.

 

mevrouw mr. M.M. Brink                                                            mevrouw mr. T. Kuijs

voorzitter                                                                                        secretaris