De jeugdprofessional heeft wegens de coronamaatregelen zonder overleg met de ouders de begeleiding in het vrijwillig kader aan de zoon met het syndroom van down aangepast. De jeugdprofessional heeft niet inhoudelijk gereageerd op suggesties van de ouders voor wat betreft de begeleiding. In het beëindigen van de begeleiding van de zoon heeft de jeugdprofessional zich laten leiden door persoonlijke irritaties richting de ouders.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mevrouw A. van de Haar, lid-beroepsgenoot,
mevrouw A. Wilting, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager], klager, hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats],

op 28 maart 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als begeleider, tevens directeur, bij [de instelling], hierna te noemen: [de instelling].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. M.R. Veerman.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. M.E. Scholten, werkzaam bij Anker Rechtshulp.

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift ontvangen op 28 maart 2020;
  • het verweerschrift ontvangen op 27 mei 2020;
  • de conclusie van repliek ontvangen op 12 juni 2020;
  • de conclusie van dupliek ontvangen op 18 juni 2020.

1.2 De voorzitter heeft op grond van artikel 5 van de tijdelijke regeling werkwijze van het College van Toezicht en het College van Beroep in verband met COVID-19 (Corona), hierna: tijdelijke regeling, besloten om de klacht schriftelijk af te handelen. Op grond van artikel 7 van de tijdelijke regeling zijn partijen in de gelegenheid gesteld om nog eenmaal schriftelijk te reageren op hetgeen door de wederpartij naar voren is gebracht (repliek en dupliek).

1.3 De schriftelijke behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 27 juli 2020. De beslissing is op 7 september 2020 aan partijen verzonden.

2 De feiten

Op grond van de stukken gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft een minderjarige zoon, geboren in 2003. De zoon heeft het syndroom van Down.

2.2 De vader en zijn ex-partner, de moeder van de zoon, gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, zijn uit elkaar. Het ouderlijk gezag over de zoon wordt gezamenlijk uitgeoefend door de ouders.

2.3 De jeugdprofessional biedt sinds 2018 individuele begeleiding in het vrijwillig kader aan de zoon op basis van een zorgovereenkomst.

2.4. Op 4 januari 2020 heeft de jeugdprofessional het evaluatieverslag over 2019 vastgesteld. In het evaluatieverslag staat opgenomen dat een nieuwe periode van begeleiding voor twee uur per week wenselijk is.

2.5 De zorgovereenkomst is op 1 maart 2020 niet verlengd. In de eerste helft van maart 2020 heeft de zoon tweemaal begeleiding van de jeugdprofessional ontvangen.

2.6 Op 17 maart 2020 heeft de jeugdprofessional de ouders per e-mailbericht geïnformeerd dat, gelet op de maatregelen omtrent Covid-19, de begeleiding zoals gewend er tijdelijk anders uit zal zien. In plaats van face-to-face contact, zal gebruik gemaakt worden van e-mail, brievenpost, facebook en whatsapp. Ook zal de jeugdprofessional de gewone lestijden loslaten en kleine momenten verspreid over de dag, de week of in het weekend inplannen.

2.7 Naar aanleiding van voornoemd e-mailbericht heeft er een whatsappconversatie plaatsgevonden tussen de ouders en de jeugdprofessional.

2.8 De jeugdprofessional heeft de ouders op 18 maart 2020 een factuur voor de eerste helft van maart 2020 gestuurd. Tevens heeft zij kenbaar gemaakt dat de begeleiding wordt stopgezet.

2.9 De ouders maken op 22 maart 2020 per e-mailbericht aan de jeugdprofessional kenbaar dat de zorgovereenkomst per 1 maart 2020 is verlopen en zij bereid zijn een tijdelijke verlenging van de zorgovereenkomst te bieden voor de factuur. Deze (tijdelijke) verlengingsovereenkomst wordt op 16 maart 2020 beëindigd. De ouders schrijven voorts af te zien van de gebruikelijke opzegtermijn van een maand.

2.10 Op 31 maart 2020 maakt de jeugdprofessional aan de ouders kenbaar de (tijdelijke) verlengingsovereenkomst niet te tekenen en de factuur te crediteren.

2.11 De jeugdprofessional is sinds [datum] 2018 als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3 Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4 De klacht, het verweer, de conclusie van repliek, de conclusie van dupliek en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk weergegeven en daarna volgen de conclusies van repliek en dupliek en het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende: de jeugdprofessional heeft geen overleg gevoerd over het aanpassen van de begeleiding van de zoon.

Toelichting:
De zoon krijgt individuele begeleiding om zijn zelfstandigheid en zelfredzaamheid te vergroten. In verband met de maatregelen rondom Covid-19 heeft de jeugdprofessional de ouders per e-mailbericht geïnformeerd over de aangepaste begeleiding, zoals onder 2.6 van deze beslissing weergegeven. De ouders hebben de jeugdprofessional op 17 maart 2020 per whatsapp gevraagd of zij individuele begeleiding voor één uur per week kan bieden via Skype of Whatsapp-videobellen. Dit heeft de jeugdprofessional geweigerd. Toen de ouders aangaven de aangepaste begeleiding niet te zien als vervanging van de individuele begeleiding, was er geen gesprek of overleg met de jeugdprofessional mogelijk. Er werd ook niet gezamenlijk gezocht naar een oplossing die de ouders acceptabel vonden.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Naar het professionele oordeel van de jeugdprofessional zijn de mogelijkheden van de zoon dermate beperkt dat het werken via de voorgestelde media voor de duur van één uur niet haalbaar is. De zoon is niet tot nauwelijks verstaanbaar als hij spreekt. De jeugdprofessional wilde daarom meerdere korte contactmomenten inplannen. Het zwaartepunt van de begeleiding zou daarbij, gelet op de maatregelen rondom Covid-19, verschuiven naar het trainen van de ouders. De ouders zouden op deze manier zelf een deel van de begeleiding kunnen invullen. Dit paste niet in het idee van de vader. De jeugdprofessional merkt op dat de ouders hun eigen versie van één uur individuele begeleiding per week niet hebben voorgesteld, maar min of meer geëist. Tevens hebben de ouders in hun opstelling naar de jeugdprofessional toe hun gebrek aan responsiviteit en aanhoudend gebrek aan respect voor het deskundig oordeel van de jeugdprofessional aan de dag gelegd. De jeugdprofessional verwijst hiervoor naar de bijgevoegde whatsappconversatie van 17 maart 2020.

4.1.3 De vader voert in de conclusie van repliek het volgende aan:
De voornaamste wens van de ouders was om visueel contact in te plannen. Helaas werd dit in het plan voor aangepaste begeleiding niet expliciet genoemd. Ook werd het in de whatsapp conversatie  niet aangeboden en werd er op het verzoek van de ouders niet ingegaan. Als toen de mogelijkheid was geboden om meerdere contactmomenten van een kwartier in te plannen, dan hadden de ouders dit meteen geaccepteerd.

4.1.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:
De jeugdprofessional heeft bij ieder van de door haar begeleide cliënten een uitstekend beeld van de mogelijkheden. Zo ook ten aanzien van de zoon. Niet voor het eerst hebben de ouders de professionele beoordeling van de mogelijkheden door de jeugdprofessional – in de uitzonderlijke omstandigheden van dat specifieke moment, waarin niemand kon inschatten wat er nog aan maatregelen zou volgen – genegeerd en vervangen door hun eigen eisen. Dat de vader ook nu niets opmerkt over de onbetwiste kwaliteit van de inhoud van het werk van de jeugdprofessional met de zoon, maar boven alles de jeugdprofessional op andere onderwerpen de maat neemt, bevestigt voor de jeugdprofessional de juistheid van haar beslissing de zorgovereenkomst te beëindigen.

4.1.5 Het College overweegt als volgt:
Vooropgesteld staat dat in de periode waarop de klacht toeziet sprake was van een unieke situatie. De landelijke overheidsmaatregelen omtrent Covid-19 waren net afgekondigd.  Eenieder moest een weg zien te vinden om zich aan de overheidsmaatregelen aan te passen. De jeugdprofessional heeft ervoor gekozen om haar cliënten in een algemeen e-mailbericht op de hoogte te stellen van de aanpassingen in haar begeleiding, hetgeen het College (gelet op de omstandigheden) niet tuchtrechtelijk verwijtbaar acht. Uit de hierop volgende whatsappcorrespondentie leest het College dat de vader voorstelt om één uur individuele begeleiding per week via Skype te bieden en dat de moeder naast de zoon zou zitten om hem te helpen. Vervolgens stellen de ouders voor om individuele begeleiding te bieden via Whatsapp-videobellen via de computer. In plaats van inhoudelijk te reageren op de voorstellen van de ouders, verwijst de jeugdprofessional hen steeds terug naar het reeds gestuurde e-mailbericht. Het College concludeert derhalve dat geen overleg heeft plaatsgevonden over de aanpassing van de begeleiding van de zoon, noch dat tot overeenstemming/instemming is gekomen over de aangepaste begeleiding. Voorts merkt het College op dat de jeugdprofessional heeft nagelaten om professionele distantie te bewaren. De jeugdprofessional heeft bij haar verweerschrift de whatsappconversatie voorzien van haar eigen opmerkingen. Hieruit blijkt voor het College dat de jeugdprofessional vooral op betrekkingsniveau heeft gereageerd en ook achteraf niet heeft gereflecteerd op haar eigen handelen, hetgeen ook blijkt uit haar conclusie van dupliek. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional met haar handelen onvoldoende met de sociale omgeving van de zoon heeft samengewerkt om hem in zijn opvoeding en ontwikkeling tot zijn recht te laten komen. Door het niet inhoudelijk op de voorstellen van de ouders te reageren, heeft de jeugdprofessional naar het oordeel van het College onvoldoende stilgestaan bij de eigen verantwoordelijkheid en opvoedingsvisie van de ouders. Tevens heeft zij nagelaten om de ouders te voorzien van informatie over andere mogelijkheden voor wat betreft de individuele begeleiding van de zoon, zoals bijvoorbeeld de korte contactmomenten die zij in haar verweerschrift beschrijft. Het College concludeert dat de artikelen A (jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), E (respect), F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (hierna te noemen: de Beroepscode) zijn geschonden.

4.1.6 Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende: beëindiging van de begeleiding.

Toelichting:
De jeugdprofessional heeft de begeleiding van de zoon op 18 maart 2020 per direct stopgezet en de ouders en de gemeente hierover geïnformeerd. Er is geen afsluitend gesprek of eindevaluatie geweest met de zoon. Ook heeft zij de ouders en de zoon niet doorverwezen naar een andere begeleider. Er is geen telefonisch contact geweest, alles is verlopen via Whatsapp en per e-mail. Dit is geen goede zorg en begeleiding en daar is de zoon helaas het slachtoffer van.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Allereerst stelt de jeugdprofessional zich op het standpunt dat de vader niet-ontvankelijk moet worden verklaard in dit klachtonderdeel. Het contract ten aanzien van de begeleiding van de zoon was reeds op 1 maart 2020 beëindigd. Dit geeft de vader zelf ook aan in zijn e-mailbericht van 22 maart 2020, waarin hij kenbaar maakt – ook namens de moeder – geheel in te stemmen met het niet-voortzetten van de zorgovereenkomst. Tevens heeft de vader in hetzelfde e-mailbericht kenbaar gemaakt af te zien van de gebruikelijke opzegtermijn van een maand. De evaluatie over 2019 was kort daarvoor al gereed gemaakt. De jeugdprofessional kan het verwijt van de vader derhalve niet goed volgen en stelt dat het klachtonderdeel leidt aan innerlijke tegenstrijdigheid waartegen zij geen behoorlijke argumenten kan inbrengen en enkel kan stellen dat de vader in dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat het klachtonderdeel ongegrond moet worden verklaard.
Subsidiair stelt de jeugdprofessional zich op het standpunt dat de vader zelf niets heeft ondernomen om duidelijkheid te scheppen over de situatie na 1 maart 2020, terwijl bij hem en de moeder de primaire verantwoordelijkheid ligt om na afloop van het contract voorzieningen ten behoeve van de zoon te treffen. Dat de jeugdprofessional bij het ontbreken van duidelijkheid aan de kant van de vader, de zoon nog wel tweemaal heeft willen zien, geeft eerder blijk van zorgvuldigheid jegens de zoon dan van verwijtbaar gedrag.
Een afsluitend gesprek met de zoon zou alleen zinvol zijn geweest in een één op één setting. Dit is vanwege de Covid-19 maatregelen niet gelukt. De jeugdprofessional betreurt het ten zeerste als de zoon daar een vervelend gevoel aan heeft overgehouden.
Tot slot voert de jeugdprofessional aan dat zij per e-mailbericht van 31 maart 2020 zowel de klachtenprocedure heeft toegezonden alsmede heeft aangeboden het dossier van de zoon aan haar opvolger over te dragen, hetgeen ook is geschied: de ouders hebben het dossier ontvangen. Van het aanbod om aan de opvolgende professional telefonisch over te dragen is geen gebruik gemaakt.

4.2.3 De vader voert in de conclusie van repliek het volgende aan:
De jeugdprofessional geeft aan dat zij al langere tijd voornemens was om het contract voor begeleiding van de zoon te beëindigen. Dat voornemen is voor het eerst aan de ouders gemeld in het e-mailbericht van 18 maart 2020. In de evaluatie van 4 januari 2020 werd nog een voortzetting voorgesteld en een nieuwe periode van begeleiding als gewenst beschouwd. Het is een goed gebruik, en kenmerkend voor professioneel handelen om een beëindiging van de zorgovereenkomst tijdig aan te kaarten en te bespreken met de cliënt zodat hij/zij in de gelegenheid wordt gesteld om naar alternatieven te zoeken. De vader begrijpt niet dat de jeugdprofessional de laatste twee sessies als nazorg na beëindiging van het contract beschouwt, deze sessies waren in alle opzichten de reguliere begeleiding.
Tot slot stelt de vader zich op het standpunt dat de afloop van een zorgovereenkomst de jeugdprofessional niet verlost van de professionele plicht om een begeleidingstraject goed af te ronden. Ook in bijzondere tijden zoals met de Covid-19 pandemie. Het beëindigen van de begeleiding had ook gekund middels een (video) gesprek met de zoon en de ouders, het doen van een eindevaluatie en het geven van een advies voor een vervolgtraject. Zeker in dit geval, omdat de jeugdprofessional zelf in de evaluatie van 4 januari 2020 aangeeft dat voortzetting van de begeleiding wenselijk is. Bovendien heeft de jeugdprofessional geen verwijzing naar een andere geschikte zorgaanbieder voorgesteld.

4.2.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:
De jeugdprofessional heeft herhaaldelijk bij zowel de vader als de moeder aangegeven dat zij zich niet kon vinden in de houding van de ouders en dat zij van hen verlangde dat de ouders zich met haar methode zouden verenigen, althans deze niet stelselmatig ter discussie zouden stellen. De evaluatie ziet op de ontwikkeling van de zoon en is in januari 2020 opgesteld. Dat is ruim voor het einde van de zorgovereenkomst. En dus ook ruim voor het moment waarop ouders hun standpunt over de tijdelijke werkwijze van de jeugdprofessional aan haar wilden opdringen. Daarbij geldt voor de jeugdprofessional dat met dit incident de maat vol was en zij de – onvermijdelijke – conclusie moest trekken dat voortzetting van de begeleiding niet langer in het belang van de zoon zou zijn omdat de opstelling van de ouders deze zou blijven overschaduwen.

4.2.5 Het College overweegt als volgt:
Op 4 januari 2020 heeft de jeugdprofessional in het evaluatieverslag aangegeven dat voortzetting van de zorgovereenkomst wenselijk is. Vaststaat dat de zorgovereenkomst liep tot 1 maart 2020. De jeugdprofessional heeft na deze datum nog twee keer begeleiding aan de zoon gegeven. Op 18 maart 2020 heeft de jeugdprofessional een factuur gestuurd en in het begeleidend schrijven aangegeven dat de samenwerking wordt stopgezet. Op grond van het voorgaande heeft de jeugdprofessional naar het oordeel van het College bij de vader het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de zorgovereenkomst na 1 maart 2020 werd verlengd. De vader is derhalve ontvankelijk in dit klachtonderdeel.
Het College leest uit de toelichting op het klachtonderdeel dat de vader de jeugdprofessional verwijt dat de individuele begeleiding van de zoon op een ondeugdelijke wijze is beëindigd. Op grond van artikel I (Beëindiging van de professionele relatie) van de Beroepscode is een jeugdprofessional verantwoordelijk voor een zorgvuldige afsluiting van de hulpverlening. Eveneens verantwoordt een jeugdprofessional de beslissing tot beëindiging tegenover de cliënt en geeft hij/zij aan waarom de beëindiging bijdraagt aan het belang van de jeugdige cliënt. Uit de overgelegde stukken is naar het oordeel van het College niet gebleken dat de jeugdprofessional het voornemen had om de zorgovereenkomst te beëindigen, noch dat zij dit besluit heeft verantwoord tegenover de zoon. De jeugdprofessional heeft tevens nagelaten om zich in haar afweging tot voortzetting of beëindiging van de begeleiding te baseren op de belangen van de zoon. De jeugdprofessional heeft zich uitsluitend laten leiden door haar eigen interpretatie van het gedrag van de ouders. Ze heeft de kritische houding van deze ouders uitgelegd als een gebrek aan erkenning van haar expertise. Dat heeft haar geïrriteerd en die irritatie is de reden geweest voor het beëindigen van de hulp aan de zoon. Bij deze keuze heeft niet het inhoudelijke belang van de zoon een rol gespeeld, waarmee ze heeft nagelaten zich te baseren op zijn belangen. Door dit nalaten heeft de jeugdprofessional voornoemd artikel uit de Beroepscode geschonden. In het e-mailbericht van 18 maart 2020 leest het College dat de begeleiding wordt beëindigd vanwege de houding van de ouders jegens de jeugdprofessional, hetgeen ook terugkomt in haar verweerschrift en conclusie van dupliek. Uit het verweerschrift blijkt dat de jeugdprofessional al langere tijd aanliep tegen de manier van communiceren/de houding van de ouders. Het College merkt op dat de jeugdprofessional geen blijk heeft gegeven van zelfreflectie op dit punt. Van een bij SKJ geregistreerd professional mag verwacht worden dat wanneer hij/zij aanloopt tegen problemen in de samenwerking met de ouder(s), dit in ieder geval wordt besproken in een intervisie groep. De jeugdprofessional heeft naar het oordeel van het College, net als in klachtonderdeel 1, onvoldoende de samenwerking met de sociale omgeving van de zoon opgezocht door voornamelijk op betrekkingsniveau te communiceren. Hiermee heeft zij tevens in strijd gehandeld met artikel A (jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) van de Beroepscode.

4.2.6 Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

4.3 Conclusie

 4.3.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot beide klachtonderdelen tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De jeugdprofessional heeft onvoldoende de samenwerking met de ouders opgezocht en heeft niet in overleg willen treden over de voorstellen van de ouders voor wat betreft de aangepaste werkwijze vanwege de Covid-19 maatregelen. Bovendien heeft de jeugdprofessional de individuele begeleiding van de zoon op een onzorgvuldige manier beëindigd. De jeugdprofessional heeft met haar handelen artikelen A (jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), E (respect), F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening), G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) en I (beëindiging van de professionele relatie) van de Beroepscode geschonden.

4.3.2 Het College weegt bij het opleggen van de maatregel mee dat de jeugdprofessional ten aanzien van beide klachtonderdelen tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De jeugdprofessional heeft onvoldoende professionele distantie bewaard. Zij is naar aanleiding van vragen van de ouders direct op betrekkingsniveau met hen gaan communiceren, in plaats van inhoudelijk te reageren, hetgeen (mede) heeft geleid tot de beëindiging van de zorgovereenkomst. Het College acht dit kwalijk en niet in het belang van de zoon. Het College weegt tevens mee dat de jeugdprofessional in haar verweerschrift en conclusie van dupliek heeft nagelaten te reflecteren op haar handelen. Concluderend acht het College het passend en geboden om aan de jeugdprofessional de maatregel van berisping op te leggen. Het openbaar maken hiervan zou met zich mee brengen dat deze maatregel, met daarbij vermelding van de persoonsgegevens van de jeugdprofessional, gedurende vijf jaar zichtbaar is in het openbare deel van het Kwaliteitsregister Jeugd. Nu er tegen de jeugdprofessional voor de eerste keer een tuchtklacht is ingediend en het handelen toeziet op een beperkte periode waarin bovendien net overheidsmaatregelen omtrent Covid-19 waren afgekondigd, ziet het College voldoende aanleiding om af te zien van openbaarmaking van de maatregel. Op grond van artikel 5.1 sub b van het Tuchtreglement, versie 1.3, legt het College aan de jeugdprofessional op de maatregel van berisping, zonder openbaarmaking van deze maatregel.

5 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdelen 1 en 2 gegrond;
  • legt aan de jeugdprofessional op een berisping, zonder openbaarmaking van deze maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 7 september 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. S.C. van Duijn                                                       mevrouw mr. M.R. Veerman

voorzitter                                                                                    secretaris