De jeugdprofessional wraakt de leden van het College van Toezicht, omdat het Tuchtreglement (1.4) op meerdere punten is geschonden. De jeugdprofessional verwijt het College daarmee partijdigheid. Het wrakingsverzoek is afgewezen. Niet is gebleken, noch aannemelijk geworden dat het College jegens de jeugdprofessional vooringenomenheid koesterde, of daarvoor een gerechtvaardigde vrees bestond. De voorzitter van het College heeft de procesorde bewaakt op een wijze die bij haar past.

21.055Ta-W1.W2.W3 Beslissing van de Wrakingskamer van het Kwaliteitsregister Jeugd van 20 oktober 2021

De Wrakingskamer heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,

mevrouw D.J.E. de Graaf, lid-beroepsgenoot,

de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[verzoeker], beklaagde in zaak 21.055Ta, hierna te noemen: de verzoeker,

op 18 juli 2021 ingediende wrakingsverzoek tegen:

  • mevrouw mr. S.C. van Duijn, optredend als voorzitter van het College van Toezicht in zaak 21.055Ta, hierna te noemen: de voorzitter,
  • mevrouw T. van der Leest-Folkerts, lid-beroepsgenoot van het College van Toezicht in zaak 21.055Ta, hierna te noemen: beroepsgenoot A,
  • de heer W.M.P. van Engelen, lid-beroepsgenoot van het College van Toezicht in zaak 21.055Ta, hierna te noemen: beroepsgenoot B, gezamenlijk aan te duiden als: het College.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

1     Het verloop van de procedure

1.1 De verzoeker heeft op 18 juli 2021 een wrakingsverzoek ingediend tegen het College.

1.2 Op 23 juli 2021 is de gemachtigde van klaagster in de zaak 21.055Ta (hierna: klaagster) geïnformeerd dat de behandeling van de klacht wordt aangehouden totdat de Wrakingskamer een beslissing heeft genomen.

1.3 Het College heeft niet in de wraking berust.

1.4 De Wrakingskamer heeft kennisgenomen van:

  • het wrakingsverzoek van verzoeker, ontvangen op 18 juli 2021;
  • de schriftelijke reacties van het College, ontvangen op 16 en 17 augustus 2021.

1.5 De Wrakingskamer heeft beslist dat voor het afdoen van het wrakingsverzoek het horen van de partijen niet noodzakelijk is. Partijen zijn hierover op 9 september 2021 geïnformeerd.

1.6 Op 22 september 2021 is het wrakingsverzoek door de Wrakingskamer behandeld.

1.7 De beslissing is op 20 oktober 2021 verzonden.

2     Het wrakingsverzoek

2.1 De verzoeker stelt zich op het standpunt dat het College het Tuchtreglement (versie 1.4), zoals gepubliceerd op de website van SKJ, op meerdere punten heeft geschonden. De handelwijze tijdens de hoorzitting (verder te noemen: de digitale, mondelinge behandeling (van de klacht)) tegenover de gemachtigde van de verzoeker was zodanig dat er sprake is van bevoordeling van de klaagster ten nadele van de verzoeker. Daarmee verwijt de verzoeker het College partijdigheid. De hoorzitting dient als niet gehouden te worden beschouwd.

2.2 De verzoeker licht haar standpunt – zakelijk samengevat – toe aan de hand van acht voorbeelden:

2.2.1 Teamsmeeting

Het College heeft besloten om de digitale, mondelinge behandeling van de klacht op 14 juli 2021 te laten plaatsvinden via Teams. Op de dag van de digitale, mondelinge behandeling had de verzoeker nog geen link ontvangen. Deze link wilde het College alleen naar de gemachtigde van de verzoeker sturen. Daardoor is de verzoeker bewust in het nadeel gesteld door het College en hiervoor is geen motivatie gegeven. Doordat de link niet was verstuurd, is de digitale, mondelinge behandeling later gestart. De hoorzitting zou beginnen om 10:30 uur en om 11:11 uur is een e-mailbericht met link gestuurd naar verzoeker. In artikel 9.2 van het Tuchtreglement staat dat de uitnodiging uiterlijk drie weken voor de behandeling moet worden aangereikt. Daaronder valt ook het versturen van de link voor de digitale, mondelinge behandeling via Teams naar de verzoeker, haar gemachtigde en de toehoorders. Deze link moet gezien worden als de plaats waar de behandeling plaats vindt. Het College heeft daarmee niet voldaan aan genoemd artikel. Daardoor is verzoeker onnodig en bewust benadeeld ten opzichte van de klaagster, die wel onder twee accounts kon deelnemen aan de hoorzitting.

2.2.2 Toehoorders

Vanuit het College is gecommuniceerd dat er tijdens de digitale, mondelinge behandeling van de klacht geen toehoorders of getuigen aanwezig mochten zijn. Volgens artikel 9.3 van het Tuchtreglement mogen partijen zich laten vergezellen door ten hoogste twee toehoorders. Het argument dat dit vanwege Corona niet zou kunnen omdat de behandeling via Teams zou verlopen, is niet steekhoudend. Als organisator van een Teamsmeeting is het technisch en functioneel mogelijk om één persoon of alle betrokkenen te ‘muten’ en te ‘unmuten’. De organisator kan daarbij de regie over de microfoons van de deelnemers voeren. Daarnaast is er geen enkele technische belemmering om het maximaal aantal deelnemers beschreven in het Tuchtreglement hieraan deel te laten nemen. Het College kan zich er niet op beroepen dat de Teamsmeeting een onvoorziene omstandigheid is. Tijdens de publicatie van het Tuchtreglement in november 2020 was Teams wereldwijd in gebruik genomen als communicatiekanaal. Het College heeft daarmee alle tijd gehad om Teams zodanig te beheersen dat toehoorders zouden kunnen worden toegelaten. Toehoorders kunnen aantekeningen maken die nodig zijn voor vervolgprocedures. Het College heeft het Tuchtreglement niet gevolgd en verzoeker hierin onnodig benadeeld.

2.2.3 Gemachtigde

De gemachtigde, die namens de verzoeker het woord zou voeren, werd tijdens de digitale, mondelinge behandeling van de klacht monddood gemaakt. Zij mocht niet spreken, op straffe van verwijdering. Het College wilde uitsluitend de verzoeker verhoren. De situatie in deze ligt echter anders. De verzoeker werkt als gezinshuisouder in opdracht van een gecertificeerde instelling (hierna: de GI). Een autonoom jeugdprofessional kan eigen beleid bepalen en indien nodig een rechtszaak aanspannen. Een gezinshuisouder heeft deze rechtsingang niet, omdat het werk wordt uitgevoerd in opdracht van de Gl. Dit betekent dat een gezinshuisouder alleen maar het beleid mag uitvoeren dat door het kernteam van de Gl is bepaald. In de ‘Evaluatie 5 jaar tuchtrecht in de Jeugdzorg’ staat dat de zogenaamde autonomie van de verzoeker op gespannen voet staat ‘met een fundamenteel uitgangpunt ten aanzien van de manier waarop in de Jeugdzorg beslissingen worden genomen’. Als de verzoeker als ‘autonoom’ professional namelijk niet de beslissingen had uitgevoerd, had de GI haar sancties opgelegd. Hierover wilde de gemachtigde van de verzoeker uitleg geven. De verzoeker had zeker een advocaat meegenomen, als zij had geweten dat haar gemachtigde niet mocht spreken. Zo werd de indruk gewekt dat de verzoeker op eigen initiatief heeft gehandeld, los van welk protocol of beleid van de GI dan ook. Omdat de verzoeker – vanwege de heksenjacht het afgelopen jaar – wist dat zij de behandeling van de klacht zonder een inhoudelijk kundig iemand niet aan zou kunnen, heeft zij gemachtigde gevraagd. Deze gemachtigde, voormalig voogdes van de kinderen beschikt – samen met de andere voormalig voogdes – over alle cruciale kennis in deze kwestie. De voorzitter had als beroepsmatig rechter op de hoogte moeten zijn van deze juridische ongelijkheid tussen het handelen van een gezinshuisouder en een autonoom jeugdprofessional, maar heeft ervoor gekozen om dit verweer niet te accepteren. Ook een van de leden-beroepsgenoten had moeten weten van deze juridische ongelijkheid. De tweede beroepsgenoot heeft tijdens de digitale, mondelinge behandeling duidelijk laten zien niet te weten wat een gezinshuisouder is en in welke relatie deze staat tot de Gl. Het gehele College heeft de verzoeker benadeeld in het voeren van verweer.

2.2.4 Gevraagde informatie door verzoeker aan het College

In het verweerschrift heeft de verzoeker een aantal vragen gesteld aan het College. Op dit verzoek is niet gereageerd, laat staan dat de gevraagde documenten aan het dossier zijn toegevoegd. Omdat de verzoeker technisch niet in staat is gesteld om meerdere documenten te uploaden (zie punt 8) heeft zij dit verzoek in het verweerschrift opgenomen. De gevraagde informatie, waaronder een afschrift van de klacht van klaagster bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, inclusief het antwoord van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, is essentieel voor de verdediging. Door deze informatie niet te verschaffen, dan wel te motiveren waarom dit niet zou worden verstrekt, heeft het College klaagster bevoordeeld en de verzoeker benadeeld.

2.2.5 Vormfouten klaagschrift

Het College heeft een klaagschrift met vormfouten geaccepteerd. Zo is niet voldaan aan artikel 7.4 onder a. Tuchtreglement: er staan geen voornamen, adres, woonplaats en geboortedatum van klaagster in het klaagschrift, en artikel 7.4 onder b.: de personalia van de gemachtigde, alsmede diens (werk) adres staan niet vermeld, terwijl klaagster wel een gemachtigde heeft. Het College had artikel 7.6 en artikel 7.7 van het Tuchtreglement ten uitvoer moeten brengen, en door dat niet te doen, is de verzoeker benadeeld. Als klaagster zich niet aan het Tuchtreglement hoeft te houden, bestaat er een rechtsongelijkheid in haar voordeel, dat bewust is toegestaan door het College.

2.2.6 Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd

Klaagster heeft exact dezelfde meldingen gedaan bij Veilig Thuís en bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Zowel Veilig Thuis als de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd hebben de klacht van klaagster beoordeeld en de dossiers gesloten. Toch heeft het College besloten om dezelfde klacht van klaagster te gaan behandelen. In artikel 7.9 Tuchtreglement staat dat het College kan beslissen een klacht niet in behandeling te nemen. Het College heeft geen motivatie gegeven waarom dezelfde klacht nogmaals wordt behandeld. Doordat de klaagster is gefaciliteerd om haar klachten bij meerdere instanties in te dienen, is de verzoeker benadeeld.

2.2.7 Pleitnota

Op 13 juli 2021, één dag voor de digitale, mondelinge behandeling van de klacht, is door de gemachtigde van de klaagster een pleitnota toegevoegd aan het dossier. In artikel 8.10 van het Tuchtreglement staat dat partijen tot twee weken voor de mondelinge behandeling van de klacht in beginsel nadere stukken kunnen inbrengen. Partijen krijgen de gelegenheid om een beknopte pleitnota voor te dragen, maar er staat niet in het Tuchtreglement dat een pleitnota mag worden toegevoegd aan het dossier. Het College heeft de pleitnota in strijd met de eigen bepalingen toegevoegd aan het dossier. Door klaagster dit toe te staan, wordt de verzoeker bewust in het nadeel gesteld.

2.2.8 Bijlagen verweer dossier

Op de website van SKJ staat het volgende: ‘Wat schrijf je in het verweerschrift? Voeg bij het verweerschrift eventueel bijlagen die jouw manier van handelen ondersteunen. Het College dat de klacht behandelt, neemt deze informatie in zijn uitspraak mee. Bovendien krijg je de kans je verweer mondeling toe te lichten.’ Technisch is het voor de verzoeker niet mogelijk geweest om meerdere documenten toe te voegen aan het dossier via SKJeugd.nl., hoewel de site SKJeugd.nl anders doet vermoeden. De verzoeker is hierdoor benadeeld ten opzichte van klaagster, die wel meerdere documenten aan de klacht kon toevoegen.

3     Het verweer van het gewraakte College

3.1 Betwist wordt dat er bij het behandelend College of bij één van de leden sprake is geweest van partijdigheid.

3.2 Opgemerkt wordt dat een gedeelte van de wrakingsgronden ziet op handelen van het bureau van SKJ waar het College geen verantwoordelijkheid voor draagt.

3.3 Bij e-mailbericht van 11 mei 2021 heeft de verzoeker aangegeven dat zij twee getuigen bij de behandeling van tuchtzaak aanwezig wilde laten zijn. In reactie daarop is aan de verzoeker bij
e-mailbericht van 17 mei 2021 bericht dat het Tuchtreglement niet voorziet in het horen van getuigen, maar dat wel de mogelijkheid bestaat om een schriftelijke getuigenverklaring aan het verweerschrift toe te voegen. De verzoeker heeft ervoor gekozen één van de getuigen, [gemachtigde], op te laten treden als haar gemachtigde. Vanwege het feit dat het Tuchtreglement niet voorziet in het horen van getuigen, heeft de voorzitter bij aanvang van de behandeling erop gewezen dat [gemachtigde] niet aanwezig was als getuige, doch als gemachtigde. [Gemachtigde] heeft daarop gereageerd dat zij in persoon aanwezig was, althans zij heeft woorden van gelijke aard of strekking gebruikt. De gemachtigde van klaagster heeft ook aangegeven er bezwaar tegen te hebben indien [gemachtigde] tijdens de digitale, mondelinge behandeling van de klacht als getuige zou optreden. De voorzitter heeft naar haar mening op een heel vriendelijke en duidelijke manier kenbaar gemaakt wat het verschil is tussen de positie van een gemachtigde en de positie van een getuige. De voorzitter heeft te kennen gegeven dat [gemachtigde] het verhaal van de verzoeker naar voren diende te brengen en niet haar eigen verhaal. Op het moment dat [gemachtigde] het woord voerde en dit deed vanuit haar eigen positie en niet vanuit de positie van de verzoeker, is op enig moment door de gemachtigde van klaagster (non-verbaal) te kennen gegeven bezwaar te hebben tegen het optreden van [gemachtigde]. Omdat ook de voorzitter van oordeel was dat [gemachtigde]  (te veel) sprak vanuit haar positie als getuige, heeft de voorzitter dit kenbaar gemaakt. Toen [gemachtigde] bij herhaling niet sprak vanuit haar positie van gemachtigde, maar als getuige, heeft de voorzitter nog stelliger te kennen gegeven dat zij enkel mocht spreken als gemachtigde en anders niet het woord mocht voeren. De voorzitter heeft dit stellig doch vriendelijk gezegd. Daarbij merkt de voorzitter op dat de verzoeker voorafgaand aan de digitale, mondelinge behandeling al was geïnformeerd dat – vanwege het Tuchtreglement – [gemachtigde] niet als getuige mocht optreden.

3.4 Beroepsgenoot B heeft supplementair verklaard zich niet te herkennen in de uitlatingen bij punt 2.2.3 van het wrakingsverzoek, over het gebrek aan kennis over gezinshuisouders en hun relatie tot de GI. De verzoeker heeft op geen enkele wijze onderbouwd waaruit dit gebrek aan kennis zou blijken. Daarom kan beroepsgenoot B hier inhoudelijk geen verweer op voeren.

3.5 Het College verzoekt de Wrakingskamer het door de verzoeker ingediende wrakingsverzoek af te wijzen.

4     De ontvankelijkheid en de beoordeling van het wrakingsverzoek

4.1 De ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek

4.1.1 De Wrakingskamer overweegt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek als volgt. Op grond van artikel 1.5 van het Wrakingsprotocol (versie 1.3) dient een wrakingsverzoek te worden ingediend zodra de wrakingsgronden bij de verzoeker bekend zijn. Het indienen daarvan kan tot aan de dag waarop de beslissing in de hoofdzaak aan partijen wordt verzonden. Ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek was de beslissing in de hoofdzaak niet verzonden. 

4.1.2 De Wrakingskamer is gelet op het bovenstaande van oordeel dat de verzoeker ontvankelijk is in het wrakingsverzoek.

4.1.3 Op grond van artikel 4.12 van het Tuchtreglement kunnen de leden van de Tuchtcolleges van SKJ door partijen worden gewraakt, als zich feiten of omstandigheden voordoen waardoor hun onpartijdigheid of integriteit in twijfel kan worden getrokken. Het uitgangspunt is dat de Collegeleden uit hoofde van hun aanstelling worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat zij jegens de verzoeker dan wel over een standpunt in de zaak vooringenomenheid koesteren (de subjectieve toets). Bij subjectieve partijdigheid gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van (één van de) Collegeleden, dat bij de verzoeker de gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid is ontstaan. Dat betekent dat er concrete feiten en omstandigheden moeten zijn, waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van het College kan worden afgeleid (de objectieve toets). Bij de objectieve aspecten gaat het om feiten of omstandigheden die, ongeacht de persoonlijke instelling van het College, grond geven voor de vrees van partijdigheid. De Wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van deze maatstaven beoordelen.

4.2 De beoordeling van het wrakingsverzoek

4.2.1 Teamsmeeting

De Wrakingskamer heeft zich – om zich een oordeel te kunnen vormen over deze wrakingsgrond – door het bureau van SKJ laten informeren over de gang van zaken rondom het verzenden van de uitnodigingen (verder te noemen: de link/de linken) voor de digitale, mondelinge behandeling van de klacht op 14 juli 2021. Vast staat dat partijen tijdig – op 4 juni 2021 – zijn geïnformeerd over en uitgenodigd voor de digitale, mondelinge behandeling van de klacht. In dat bericht staat vermeld dat partijen naar verwachting twee weken voor de behandeling per e-mailbericht nog praktische informatie en de linken voor Teams zullen ontvangen. Op maandag 12 juli 2021 om 17:54 uur, dat wil zeggen twee dagen voor de behandeling van de klacht, zijn bedoelde linken naar de privé-emailadressen van de verzoeker (door haarzelf opgegeven) en haar gemachtigde verzonden. Dit zijn niet de e-mailadressen waarmee SKJ via CRM correspondeert. Op het moment dat de digitale, mondelinge behandeling om 10:30 uur begon, bleek de verzoeker niet aanwezig te zijn. De secretaris in de hoofdzaak heeft de afdeling planning verzocht de linken nogmaals te versturen. Om 10:52 uur heeft de afdeling planning de linken opnieuw verzonden naar de privé e-mailadressen van zowel de verzoeker als haar gemachtigde. Toen kennelijk ook die linken niet aankwamen, heeft de afdeling planning om 11:11 uur de link gestuurd naar het zakelijke e-mailadres van de verzoeker. De Wrakingskamer heeft begrepen dat die link goed is ontvangen. Toen echter bleek dat de camera en microfoon van de computer/laptop van de verzoeker niet werkten, hebben de verzoeker en haar gemachtigde – die op dat moment in dezelfde ruimte waren – via de mobiele telefoon van de gemachtigde aan de behandeling van de zaak deelgenomen. De Wrakingskamer is van oordeel dat de linken door de afdeling planning van het bureau van SKJ te laat zijn verstuurd, en niet volgens afspraak twee weken van te voren. De digitale, mondelinge behandeling van de klacht is dientengevolge vertraagd begonnen en het is goed voor te stellen dat deze gang van zaken voor de verzoeker zeer ongelukkig is geweest. Dat het bureau van SKJ in strijd met de eigen berichtgeving de linken te laat heeft verstuurd, maakt naar het oordeel van de Wrakingskamer niet dat de onpartijdigheid of integriteit van het College in twijfel kan of moet worden getrokken. Van bewuste benadeling van de verzoeker door het College is ook geen sprake geweest.

4.2.2 Toehoorders

Gelet op de ontwikkelingen met betrekking tot COVID-19 is de werkwijze van het College van Toezicht en het College van Beroep tijdelijk aangepast. Sinds 8 juni 2020 is de ‘Tijdelijke regeling werkwijze van het College van Toezicht en het College van Beroep in verband met COVID-19 (Corona)’ van toepassing, welke regeling op 4 december 2020 is herzien. Bovenaan de Tijdelijke regeling staat: ‘Bij strijd of onverenigbaarheid met de inhoud en/of de strekking van het Tuchtreglement van SKJ, gaat deze tijdelijke regeling voor.’ Dat wil zeggen dat punt 18 van de van toepassing zijnde versie, waarin staat dat partijen zich tijdens de mondelinge behandeling van de klacht niet mogen laten vergezellen door toehoorders, prevaleert boven artikel 9.3 van het Tuchtreglement met betrekking tot toehoorders. De tuchtprocedure bij SKJ kent een vertrouwelijk karakter; de mondelinge behandeling vindt plaats achter gesloten deuren (artikel 9.1 van het Tuchtreglement). Met het oog op deze vertrouwelijkheid heeft SKJ ervoor gekozen de digitale, mondelinge behandelingen van de klacht kleinschalig te houden en tijdelijk geen toehoorders toe te laten. SKJ heeft de verzoeker hier op 8 juni 2021 over geïnformeerd. Genoemd COVID-19-gerelateerd beleid ten aanzien van toehoorders is opgesteld door (het bureau) van SKJ. De Wrakingskamer oordeelt daarom dat de onpartijdigheid van het College hierbij niet in het geding is.

4.2.3 Gemachtigde

Conform artikel 8.6 van het Tuchtreglement kunnen partijen zich laten bijstaan door een gemachtigde. Partijen kunnen in principe zelf een gemachtigde kiezen. Voor de Wrakingskamer staat vast dat de verzoeker eerst op 11 mei 2021 twee voogden heeft voorgedragen als getuigen. Toen SKJ op 17 mei 2021 de verzoeker heeft laten weten dat het Tuchtreglement niet voorziet in het horen van getuigen, heeft zij op 15 juni 2021 alsnog één van de twee getuigen aangesteld als haar gemachtigde. De voorzitter heeft in het verweer verklaard dat vanwege het feit dat het Tuchtreglement niet voorziet in het horen van getuigen, zij aan het begin van de digitale, mondelinge behandeling erop heeft gewezen dat de voormalige voogd aanwezig was als gemachtigde en niet als getuige. Toen ook de gemachtigde van de klaagster kennelijk reageerde op de rol die de gemachtigde van de verzoeker (wederom) op zich nam, heeft de voorzitter nog duidelijker kenbaar gemaakt dat zij enkel mocht spreken als gemachtigde. De Wrakingskamer overweegt dat de voorzitter van het College de regie heeft over de digitale, mondelinge behandeling van een klacht. Die positie geeft de voorzitter de ruimte de gemachtigde van de verzoeker aan te spreken als deze zich niet aan de vooraf aangegeven regels houdt. De Wrakingskamer begrijpt dat de verzoeker dit als nadelig heeft ervaren, maar de stelling van de verzoeker dat haar gemachtigde monddood is gemaakt, heeft zij onvoldoende onderbouwd. Ten overvloede merkt de Wrakingskamer op dat het College het (beroepsmatig) handelen van de bij SKJ geregistreerde professional toetst aan de algemene tuchtnorm. Dat betekent dat het College tijdens de behandeling van een tuchtklacht in eerste instantie de jeugdprofessional bevraagt, en dat waar nodig de gemachtigde een aanvulling geeft.

4.2.4 Gevraagde informatie door verzoeker aan het College

De Wrakingskamer overweegt dat partijen de – voor hun stelling(en) en betwisting(en) – benodigde bewijsstukken en overige onderbouwing zelf aan het dossier moeten toevoegen. Dat is geen taak van het College. Noch één of beiden partijen op verzoek te voorzien van nadere informatie met betrekking tot de klacht. Wanneer het College in deze anders had gehandeld en op de vragen van de verzoeker in haar verweerschrift was ingegaan, zou dat juist vrees voor partijdigheid kunnen opleveren.

4.2.5 Vormfouten klaagschrift

In het Tuchtreglement staat in artikel 7.4 onder a. dat het klaagschrift de naam, voornamen, adres, woonplaats en geboortedatum van de klager moet bevatten. De klaagster heeft deze gegevens in het klaagschrift opgenomen, echter in verband met de privacy van de klaagster is voor de beklaagde wederpartij alleen de voorletters en de achternaam zichtbaar. Dit geldt overigens in alle tuchtzaken. De Wrakingskamer stelt vast dat het klaagschrift daarom voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 7.4, onder a. van het Tuchtreglement. Ten aanzien van de personalia van de gemachtigde van de klaagster (artikel 7.4 onder b.) merkt de Wrakingskamer op dat ten tijde van indiening van het eerste klaagschrift de klaagster nog geen gemachtigde had. Op 12 maart 2021 is namens de klaagster een gemachtigde gesteld. Bij de aanpassing van de klacht op 24 maart 2021 hadden deze gegevens door de klaagster en/of haar gemachtigde ingevuld kunnen en moeten worden. Nu de verzoeker direct op 12 maart 2021 per e-mailbericht op de hoogte is gebracht dat zich voor de klaagster een gemachtigde heeft gesteld, inclusief de naam, volgt de Wrakingskamer de verzoeker niet in haar stelling dat het College door dit toe te staan bewust rechtsongelijkheid in het voordeel van de klaagster heeft laten ontstaan.

4.2.6 Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd

Op grond van artikel 7.9 van het Tuchtreglement ‘kan’ het College van Toezicht beslissen een klacht niet in behandeling te nemen of kan de behandeling daarvan opschorten, als blijkt dat daarover eerder een beslissing is genomen of zal worden genomen in een andere met voldoende waarborgen omklede procedure. Dit is geen dwingende bepaling en bovendien staat in het betreffende artikel niet dat het College deze beslissing dient te motiveren. Daarbij merkt de Wrakingskamer in dit verband op dat het binnen het tuchtrecht van SKJ thans vaste jurisprudentie is, dat het niet bij het doel van een tuchtrechtelijke procedure past een klager niet-ontvankelijk te verklaren omdat er al één of meerdere andere procedures zijn doorlopen. De Wrakingskamer ziet overigens niet in dat de verzoeker hierdoor door het College is benadeeld.

4.2.7 Pleitnota

Elke partij kan tijdens de mondelinge behandeling van de klacht een korte pleitnota voordragen (artikel 9.5 van het Tuchtreglement). Op 13 juli 2021, de dag voor de digitale, mondelinge behandeling, heeft de gemachtigde van de klaagster een pleitnota gemaild. De secretaris van het College heeft de ontvangst van de pleitnota bevestigd aan de gemachtigde van de klaagster. Zij schrijft op 14 juli 2021: ‘Gisteren hebben wij uw pleitnotitie in de bovenstaande zaak ontvangen. De pleitnotitie is geüpload in de digitale omgeving onder het kopje ‘bijlagen bij klacht’ en dan ‘overige documenten’.’ Op dezelfde datum heeft de secretaris de verzoeker hierover per e-mail bericht. De Wrakingskamer volgt de verzoeker in haar stelling dat in het Tuchtreglement niet staat dat de pleitnota in de digitale omgeving mag worden geüpload. Echter in de informatie die voor de digitale, mondelinge behandeling van de klacht door het bureau van SKJ aan beiden partijen is verstuurd, staat vermeld: ‘Indien u een pleitnota wenst voor te dragen tijdens de digitale, mondelinge behandeling, dan verzoeken wij u deze uiterlijk de dag voor de digitale behandeling aan ons toe te zenden via tuchtrecht@skjeugd.nl, onder vermelding van het bovengenoemd zaaknummer. Kort voor de digitale mondelinge behandeling zal de pleitnota aan de wederpartij worden toegezonden.’ De klaagster heeft conform deze informatie van het bureau van SKJ gehandeld. Naar het oordeel van de Wrakingskamer kan het College dan ook geen enkele partijdigheid worden verweten. Bovendien is niet gebleken dat de verzoeker hierdoor bewust in een nadelige positie is gesteld.

4.2.8 Bijlagen bij verweer dossier

De Wrakingskamer overweegt dat zowel een klager als een beklaagde de mogelijkheid heeft om aan het klaagschrift en het verweerschrift bijlagen en producties toe te voegen. Zowel de ‘Mijn-SKJ’ omgeving van de verzoeker als van de klaagster in de hoofdzaak biedt hiertoe de ruimte. De verzoeker heeft verklaard dat het voor haar technisch gezien niet mogelijk was om meerdere documenten aan het dossier toe te voegen. Het had in zo’n geval op de weg van de verzoeker en/of haar gemachtigde gelegen SKJ hierover te benaderen. Navraag bij het bureau van SKJ leert de Wrakingskamer dat SKJ geen melding of verzoek om assistentie van de verzoeker heeft ontvangen. Mocht er sprake zijn geweest van een technisch hiaat, dan ligt de verantwoordelijkheid daarvoor bij het bureau van SKJ en geenszins bij het College.

4.3 Conclusie

Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking hanteert de Wrakingskamer als hoofdregel: ‘Iedereen mag ervan uitgaan dat een voorzitter en de overige leden van het College van Toezicht en het College van Beroep op grond van hun aanstelling onpartijdig is.’ Dat geldt dus ook voor het gewraakte College. De Wrakingskamer concludeert dat niet is gebleken – noch aannemelijk is geworden – dat zich feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het College jegens de verzoeker een vooringenomenheid koesterde, of dat daarvoor een  gerechtvaardigde vrees bestond. De voorzitter van het College heeft bovendien de procesorde bewaakt op een wijze die past bij haar rol.

Daarbij heeft de Wrakingskamer uitdrukkelijk betrokken dat het niet eens zijn met procedurele regels geen grond kan zijn voor toewijzing van een wrakingsverzoek. Geen van deze door de verzoeker aangevoerde gronden leidt tot het oordeel dat het College onvoldoende onpartijdig zou zijn, noch dat de verzoeker bewust is benadeeld.

De Wrakingskamer wijst het wrakingsverzoek daarom af.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt de Wrakingskamer tot de volgende beslissing:

  • verklaart de verzoeker ontvankelijk in het wrakingsverzoek;
  • wijst het wrakingsverzoek af;
  • beveelt de secretaris onverwijld aan de verzoeker, het College en klaagster in de hoofdzaak een afschrift van deze beslissing toe te zenden;
  • beveelt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Aldus gedaan door de Wrakingskamer en op 20 oktober 2021 aan partijen toegezonden.

 

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter

mevrouw mr. E.C. Abbing, secretaris