Anders dan het College van Toezicht is het College van Beroep van oordeel dat de ambulant hulpverlener gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de aangepaste verwijsbrief van de huisarts voor het inzetten van hulpverlening.

de heer mr. M.A. Stammes, voorzitter,
de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, lid-jurist,
de heer H.A. ten Hove, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M. Fokken, lid-beroepsgenoot,
mevrouw S.M.C. Bremmer – van de Kooij, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[Appellante], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als ambulant werker bij [de instelling], hierna te noemen: [de instelling],

ingediende beroepschrift tegen:

[Verweerder], klager in eerste aanleg, hierna te noemen: de vader.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. A Reijerse, werkzaam bij Reijerse-advies te Amsterdam.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:

– het door de vader bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift, met bijlagen, ontvangen op 2 augustus 2018;

– het door de jeugdprofessional bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift, met de bijlagen, ontvangen op 10 september 2018;

– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 18.101T van 31 december 2018;

– het door de jeugdprofessional ingediende beroepschrift tegen voornoemde beslissing ontvangen op 6 februari 2019;

– het door de vader ingediende verweerschrift, tevens inhoudende incidenteel beroep, ontvangen op 23 maart 2019;

– het door de jeugdprofessional ingediende verweerschrift tegen het incidenteel beroep, ontvangen op 25 april 2019.

1.2 Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht de klachtonderdelen I, II en VI ongegrond en de klachtonderdelen III, IV en V gegrond verklaard. Aan de jeugdprofessional is de maatregel van berisping opgelegd.

1.3 Tegen deze beslissing is door de jeugdprofessional op 6 februari 2019 – tijdig – beroep aangetekend.

1.4 Door de vader is op 23 maart 2019 een verweerschrift tegen het beroep ingediend. In dit verweerschrift heeft de vader tevens incidenteel beroep ingesteld tegen de beslissing van het College van Toezicht voor zover het de klachtonderdelen ongegrond heeft verklaard.

1.5 De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 19 juni 2019 in aanwezigheid van de jeugdprofessional en diens gemachtigde. De vader is, hoewel juist opgeroepen, zonder bericht van verhindering niet tijdens de mondelinge behandeling van het beroep verschenen.

1.6 Na afloop van de mondelinge behandeling van het beroep heeft de voorzitter kenbaar gemaakt dat de beslissing op 31 juli 2019 aan partijen wordt verzonden.

2     De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden, gaat het College van Beroep van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft een minderjarige zoon die is geboren in 2005.

2.2 De vader en de moeder van de zoon, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, zijn gescheiden. De beschikking betreffende de echtscheiding is op 15 december 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het ouderlijk gezag over de zoon wordt gezamenlijk uitgeoefend door de ouders. De zoon woont bij de moeder. Ten tijde van het beklaagde handelen heeft de vader, op verzoek van de zoon, nagenoeg geen contact met zijn zoon.

2.3 De moeder heeft, vanwege de echtscheidingsproblematiek tussen de ouders, voor de zoon begin 2018 bij [de instelling] een aanvraag gedaan voor de module [naam module], hierna te noemen: [afkorting module]. De jeugdprofessional is vanuit [de instelling] de medewerker die de module [afkorting module] uitvoert.

2.4 De zoon wordt middels een verwijsbrief van de huisarts d.d. 8 februari 2018 verwezen naar de jeugdprofessional. De eerste versie van de verwijsbrief luidt als volgt: “[De zoon] verwijs ik voor diagnostiek en behandeling ivm een mogelijk angst- en paniekstoornis. [De zoon] zijn ouders zijn gescheiden. Sinds een half jaar slaapt hij niet meer bij [de vader] en nu wil hij er eigenlijk helemaal niet meer heen. Hij voelt zich daar niet veilig. Als hij binnen komt voelt hij paniek. Hij is vandaag naar huis gegaan met pijn in zijn buik. Is oa bang dat [de vader] hem ontvoerd. Hij heeft lang geprobeerd een goede band met [de vader] te houden, maar het voelt nu niet goed. Zijn moeder vindt de relatie tussen [de vader] en zoon ook heel belangrijk, maar merkt aan [de zoon] dat hij eronder leidt. Ook de mentor van school, waarmee [de zoon] goede gesprekken heeft, geeft dit aan. Het gaat overigens op school heel goed met [de zoon]. Ik verwijs voor basisggz, er is sprake van matig functioneren.”.

2.5 Op 21 februari 2018 vindt een kennismakingsgesprek tussen de vader en de jeugdprofessional plaats om te bezien of de vader kan instemmen met de hulp voor de zoon vanuit [de instelling]. De vader heeft tijdens dit gesprek aangegeven dat hij toestemming verleent voor de hulpverlening van de jeugdprofessional gericht op de zoon. Voor hulpverlening gericht op het verbeteren van de communicatie tussen de ouders geeft de vader geen toestemming. Na dit gesprek stuurt de jeugdprofessional een e-mail naar de ouders waarin zij onder meer het volgende kenbaar maakt: “wat ik kan bieden is : een luisterend oor voor [de zoon] die hier behoefte aan heeft en kijken of en welke vervolghulp voor [de zoon] nodig is. : onderzoeken wat [de zoon] nodig heeft om het contact met u als vader weer op te pakken en mogelijk met [de zoon] en u in gesprek hierover. : de communicatie over [de zoon] tussen jullie als ouders weer op gang te brengen in het belang van [de zoon]. De problemen die u beiden noemt zijn complex en ik wil benadrukken dat ik vanuit een vrijwillig kader werk, het zal moeten blijken of dit voldoende is.” De vader reageert per e-mail op 26 februari 2018 onder meer als volgt: “Zoals je aangaf kon je niets met de verwijsbrief van de huisarts omdat je geen deskundige bent om dsm kwalificaties te diagnosticeren en te behandelen. De moeder van [de zoon] zou een andere verwijzing regelen bij de huisarts die je uiteraard nodig hebt om je inzet vergoed te krijgen. Alvorens we dus verder kunnen ontvang ik graag een kopie van die nieuwe verwijsbrief omdat ik niet voor onverwachte kosten kan komen te staan waarvoor ik helaas de middelen niet heb.”. Vanwege vakantie van de moeder volgt een gewijzigde verwijsbrief van de huisarts na 9 maart 2018.

2.6 In de tweede versie van de verwijsbrief, ook d.d. 8 februari 2018, is de eerste zin gewijzigd in: “De zoon verwijs ik [voor] begeleiding/ behandeling [afkorting module].” De rest van de inhoud van de verwijsbrief is ongewijzigd.

2.7 De vader stuurt per e-mail op 12 maart 2018 onder meer het volgende aan de jeugdprofessional: “Ik heb het pdf bestand van de nieuwe verwijzing ontvangen. Ik kan instemmen met je inzet voor [de zoon] en hoop dat je er voor hem kan zijn zodat het hem wat lucht geeft zoals je opperde. Voor wat de communicatie betreft tussen de ouders zal het verloop van de procedures bij de rechtbank dicterend zijn.”.

2.8 Op 21 maart 2018 start de jeugdprofessional met de hulpverlening vanuit [de instelling].

2.9 De jeugdprofessional heeft met de zoon en de vader een afspraak gemaakt om op 29 maart 2018 met elkaar in gesprek te gaan. Twee dagen voor de afspraak laat de zoon weten dat hij dit toch te spannend vindt, reden waarom de afspraak door de jeugdprofessional wordt afgezegd.

2.10 De jeugdprofessional stuurt – op verzoek van moeder – op 4 april 2018 naar de ouders een e-mail waarin zij haar bevindingen tot dan toe formuleert. De moeder brengt deze op 5 april 2018 per e-mail in tijdens een kort geding procedure tussen de ouders.

2.11 De jeugdprofessional heeft met de zoon en de vader een nieuwe afspraak gemaakt om met elkaar in gesprek te gaan op 12 april 2018. Ook deze afspraak wordt op verzoek van de zoon door de jeugdprofessional afgezegd.

2.12 Op 8 mei 2018 wordt aan de ouders het conceptverslag van de module [afkorting module] van de zoon toegezonden. Dit verslag is geschreven door de jeugdprofessional. Op 29 mei 2018 stuurt de leidinggevende van de jeugdprofessional aan de vader het verslag van de module [afkorting module] van de zoon en wordt de vader verzocht binnen drie weken eventuele op- of aanmerkingen op het zogenoemde meningblad te noteren. De vader reageert per e-mail op 19 juni 2018, hij maakt onder meer het volgende kenbaar in zijn e-mail: “Het mij toegezonden verslag acht ik nietig.”

2.13 De jeugdprofessional is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2013 geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Met ingang van [datum] 2018 is zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beroep, het verweer en de beoordeling

3.1 Het College van Beroep wijst allereerst op het volgende:

3.1.1 Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2 Het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3 Het beroepschrift van de jeugdprofessional richt zich tegen de beoordeling door het College van Toezicht van de klachtonderdelen III, IV en V die door het College van Toezicht gegrond zijn verklaard.

3.1.4 Het incidentele beroepschrift van de vader richt zich tegen de beoordeling door het College van Toezicht van de klachtonderdelen I, II en VI die door het College van Toezicht ongegrond zijn verklaard.

3.1.5 Hierna worden de in het beroepschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in (incidenteel) beroep, evenals het verweer in (incidenteel) beroep, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2 Klachtonderdeel I (incidenteel beroep)

3.2.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel I als volgt geformuleerd: “De hulpverlening is vanuit [de instelling] gestart zonder toestemming van [de vader], als zijnde gezaghebbende ouder.”.

3.2.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Voor wat betreft de startdatum van de hulpverlening, volgt het College [van Toezicht] het standpunt van [ de jeugdprofessional] dat de door haar geboden hulpverlening op 21 maart 2018 gestart is. Het College [van Toezicht] leidt dit af uit het overgelegde evaluatieverslag van de hulpverlening, waarin 21 maart 2018 als startdatum opgenomen is. Voorts leest het College [van Toezicht] in de overgelegde e-mailcorrespondentie, zoals deels weergegeven onder 2.7 van deze beslissing, dat [de vader] op 12 maart 2018 toestemming verleend heeft voor wat betreft de inzet van [de jeugdprofessional] om hulpverlening aan de zoon te bieden. Hoewel [de vader] stelt dat de hulpverlening, die [de jeugdprofessional] vanuit [de instelling] geboden heeft, gestart is zonder zijn toestemming, is dit het College [van Toezicht] uit de overgelegde stukken niet gebleken. Het College [van Toezicht] acht het voorts voldoende aannemelijk dat [de jeugdprofessional] in de periode voorafgaand aan 21 maart 2018 de moeder slechts geïnformeerd heeft over de module [afkorting module] en op welke manier de verwijzing geregeld moest worden. Voor wat betreft het eerste contactmoment tussen [de vader] en [de jeugdprofessional], overweegt het College [van Toezicht] als volgt. Gebleken is dat [de vader] het eerste (telefonische) contactmoment tussen hem en [de jeugdprofessional] tot stand heeft laten komen. Het College [van Toezicht] is het met [de vader] eens dat het wellicht beter was geweest wanneer [de jeugdprofessional], nadat de zoon middels de verwijsbrief van de huisarts d.d. 8 februari 2018 aangemeld was bij [de instelling], initiatief had getoond om in contact met [de vader] te komen. Bij een tuchtrechtelijke toetsing gaat het er echter niet om of het handelen beter had gekund. [De jeugdprofessional] valt hier naar het oordeel van het College [van Toezicht] dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt in te maken. Te meer nu [de jeugdprofessional] tijdens de mondelinge behandeling van de klacht kenbaar gemaakt heeft dat [de vader] haar slechts “voor was geweest” voor wat betreft het eerste contactmoment, hetgeen het College [van Toezicht] voldoende aannemelijk acht. Het College [van Toezicht] concludeert dat ten aanzien van dit klachtonderdeel [de jeugdprofessional] met haar handelen gebleven is binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.”. Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

3.2.3 De vader acht het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van dit klachtonderdeel onjuist nu er wordt uitgegaan van de juistheid van de rapportage van de jeugdprofessional. De vader stelt echter dat hij nooit de voorwaarden heeft gekregen en dat er over een rapportage nooit is gesproken. De vader heeft het College van Toezicht gevraagd de rapportage niet mee te laten wegen nu deze nietig dan wel vernietigbaar is. De vader is van mening dat er niet eenzijdig wat op papier gezet kan worden als ware het zo is overeengekomen. De jeugdprofessional heeft de datum als zodanig vermeld dat het suggereert alsof er niet eerder uitgebreid contact is geweest.

3.2.4 De jeugdprofessional handhaaft haar verweer zoals gevoerd tijdens de procedure bij het College van Toezicht. In de bestreden beslissing is dit als volgt weergegeven. Volgens de jeugdprofessional is de hulpverlening (de module [afkorting module]) gestart met schriftelijke toestemming van beide (gezaghebbende) ouders en instemming van de zoon. In de periode voorafgaand aan de daadwerkelijke start van [afkorting module] heeft de jeugdprofessional een aantal keren telefonisch contact met de moeder gehad. De jeugdprofessional stelt dat zij de moeder uitsluitend informatie heeft gegeven over wat de module [afkorting module] inhoudt en op welke manier de verwijzing geregeld moest worden. Daarbij is steeds uitgelegd dat [afkorting module] alleen gestart kon worden indien beide ouders akkoord zouden gaan met de start en de wijze van de interventie. De aanmelding voor [afkorting module] is gedaan via de huisarts op 8 februari 2018, waarna de eerste stap van de jeugdprofessional was om in gesprek te gaan met de zoon. Dit gesprek heeft op 21 februari 2018 plaatsgevonden. Als tweede stap heeft de jeugdprofessional een e-mail verzonden naar beide ouders waarin de doelen voor het aanbod vanuit [afkorting module] stonden beschreven. Zowel de moeder als de vader hebben hiermee per e-mail ingestemd. Op 21 maart 2018 is de hulpverlening bij de zoon en de moeder thuis gestart. In aanvulling op het verweer zoals gevoerd bij het College van Toezicht stelt de jeugdprofessional zich op het standpunt dat het dossier als bewijs geldt tenzij en voor zover de vader aantoont dat er kennelijke onjuistheden in staan.

3.2.5 Het College van Beroep stelt vast dat uit het door de vader overgelegde e-mailbericht van 12 maart 2018 blijkt dat de vader toestemming heeft gegeven voor de inzet van de hulpverlening door de jeugdprofessional aan de zoon. Voor zover de grief van de vader er op ziet dat het College van Toezicht ten onrechte van het evaluatieverslag uitgaat voor wat betreft de startdatum van de hulpverlening, overweegt het College van Beroep als volgt. Blijkens het verslag – en dit wordt ook niet door de vader betwist – is de vader in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verslag, maar heeft hij in reactie daarop volstaan met dat hij het verslag nietig acht. Hoewel het op de weg van de vader lag heeft hij nagelaten te specificeren op welke punten het verslag feitelijke onjuistheden bevat. Nu de vader hiertoe in de gelegenheid is gesteld en dit niet als zodanig aan de jeugdprofessional kenbaar heeft gemaakt, is het College van Beroep van oordeel dat er uitgegaan kan worden van een startdatum van de hulpverlening van 12 maart 2018. Er is voor het College van Beroep niet gebleken, zoals de vader stelt, dat de jeugdprofessional de datum als zodanig heeft vermeld dat het lijkt alsof er niet eerder uitgebreid contact is geweest. Voor zover de vader in zijn grief stelt dat er door de jeugdprofessional niet is gesproken over de voorwaarden van de hulpverlening en de rapportage, verwijst het College van Beroep naar klachtonderdeel V.

3.2.6 De grief faalt. Het College van Beroep handhaaft het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdeel I.

3.3 Klachtonderdeel II (incidenteel beroep)

3.3.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel II als volgt geformuleerd: “[De jeugdprofessional] is partijdig geweest in haar begeleiding.”.

3.3.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Van een jeugdprofessional mag men verwachten, dat deze, uit hoofde van zijn functie en professionaliteit, onpartijdig is. [De vader] meent echter dat [de jeugdprofessional] partijdig heeft gehandeld ten aanzien van de geboden hulpverlening, omdat zij volgens [de vader] is meegegaan met de plannen van de moeder. Alhoewel [de vader] stelt dat [de jeugdprofessional] vooringenomen is geweest voorafgaand aan de geboden hulpverlening en tijdens het kennismakingsgesprek met hem, heeft [de vader] geen stukken ter onderbouwing van deze verwijten overgelegd. Gelet hierop en gelet op de gemotiveerde betwisting van [de jeugdprofessional] op dit punt, ziet het College [van Toezicht] geen aanleiding voor een tuchtrechtelijk verwijt richting [de jeugdprofessional]. Voor wat betreft het gegeven dat [de jeugdprofessional] heeft getracht de ouders samen om de tafel te krijgen, overweegt het College [van Toezicht] als volgt. Het is het College [van Toezicht] gebleken dat in dit verband het onderdeel van de module [afkorting module], te weten: de communicatie tussen de ouders verbeteren, in beginsel niet uitgevoerd kon worden, omdat de toestemming van [de vader] hiervoor ontbrak. Het College [van Toezicht] verwijst hiervoor naar hetgeen [de vader] hierover tijdens het kennismakingsgesprek kenbaar gemaakt had, zoals weergegeven onder 2.5 van deze beslissing, en naar de e-mail van [de vader] van 12 maart 2018, zoals weergegeven onder 2.7 van deze beslissing. Desalniettemin heeft [de jeugdprofessional] (tevergeefs) getracht de ouders om de tafel te krijgen, hetgeen [de jeugdprofessional] erkend heeft. [De jeugdprofessional] heeft hiervoor als reden gegeven dat dit een gebruikelijk onderdeel van de module betreft en zij het in het belang van de zoon achtte wanneer ook op dit onderdeel werd ingezet. Het College [van Toezicht] concludeert dat [de jeugdprofessional] aldus gemotiveerd geprobeerd heeft trouw te blijven aan de module, in ieder geval in het beginstadium van de hulpverlening. Onder deze omstandigheden is het College [van Toezicht] van oordeel dat de gevolgde werkwijze geen partijdig handelen oplevert aan de zijde van [de jeugdprofessional]. Dat [de vader] het mogelijkerwijs niet eens is geweest met deze aanpak, maakt volgens het College [van Toezicht] nog niet dat [de jeugdprofessional] daarmee de schijn van partijdigheid zou hebben gewekt. In de beschreven voorbeelden in het klachtonderdeel en de overgelegde onderbouwing van [de vader] ziet het College [van Toezicht] aldus geen aanwijzingen voor vooringenomenheid.”. Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

3.3.3 De vader betwist dat de jeugdprofessional volgens de module zou hebben geprobeerd te handelen noch dat dit zou blijken uit een e-mailbericht waarin is opgenomen dat de jeugdprofessional de ouders met elkaar zou willen laten spreken. Er is enkel met de moeder over de module gesproken en niet met de vader. Op het e-mailbericht waarin werd voorgesteld iets met de communicatie tussen de ouders te doen, heeft de vader direct afkeurend gereageerd. Ondertussen werd tussen de moeder en jeugdprofessional gesproken over het aanpassen van de verwijsbrief. Vervolgens kwam op verzoek van de moeder de verklaring voor de rechtbank op de laatste dag voor de zitting, waardoor de vader naar eigen zeggen ‘volledig de zwarte piet kreeg toegespeeld’. Dat gegeven wordt door het College van Toezicht ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Naar de mening van de vader toont dit echter zonder meer aan dat de jeugdprofessional partijdig is geweest. Daarnaast bevreemdt het de vader dat de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft aangegeven zich gemangeld te hebben gevoeld door de ouders.

3.3.4 De jeugdprofessional handhaaft ten aanzien van dit klachtonderdeel haar verweer zoals gevoerd tijdens de procedure bij het College van Toezicht. In de bestreden beslissing is dit als volgt weergegeven. De jeugdprofessional herkent zich absoluut niet in het verwijt dat zij partijdig is geweest. Zowel de moeder als de vader hebben haar verzocht stukken in te zien rondom de echtscheiding, hetgeen zij bewust niet gedaan heeft. Als de jeugdprofessional al partijdig is geweest, ging haar partijdigheid uit naar de zoon. De jeugdprofessional erkent dat zij getracht heeft om de ouders samen aan tafel te krijgen, in verband met de derde doelstelling van de module [afkorting module], luidende: “de communicatie over [de zoon] tussen ouders weer op gang brengen in het belang van [de zoon].”. De vader had hier echter een andere mening over, hij had aangegeven geen gezamenlijk gesprekken met de moeder te willen voeren. Gelet op dit standpunt en omdat de zoon zo klem bleek te zitten heeft de jeugdprofessional, na collegiaal overleg, er bewust voor gekozen om tijdens haar begeleiding van de [afkorting module] methodiek af te wijken en deze gedeeltelijk los te laten. De jeugdprofessional heeft zich vooral gericht op het contactherstel tussen de vader en de zoon. De noodzaak hiertoe werd zowel door de zoon, als door de vader en de moeder aangegeven. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft de jeugdprofessional kenbaar gemaakt dat zij het betreurt dat de vader het gevoel heeft dat de jeugdprofessional partijdig is geweest. De jeugdprofessional stelt echter dat het niet mogelijk was om met de vader inhoudelijk in gesprek te komen. In zaken waar er sprake is van een complexe scheiding is het vaak het geval dat een van de ouders zich benadeeld voelt. Terugkijkend op haar handelen is de jeugdprofessional van mening dat zij deze zaak niet alleen, maar met een collega samen in behandeling had moeten nemen.

3.3.5 Het College van Beroep stelt vast dat de vader, net als tijdens de procedure bij het College van Toezicht, geen stukken heeft overgelegd die het standpunt onderbouwen dat de jeugdprofessional partijdig zou zijn geweest. Het College van Beroep overweegt dat de vader in de communicatie met de jeugdprofessional ook zijn eigen rol heeft gehad. Er is gebleken dat de vader en de jeugdprofessional nagenoeg niet inhoudelijk met elkaar in gesprek zijn gekomen over de hulpverlening aan de zoon. Daardoor is de jeugdprofessional in een lastige positie gekomen; zij heeft voornamelijk af moeten gaan op de informatie die zij vanuit de moeder en de zoon heeft gekregen. Het College van Beroep is echter van oordeel dat daardoor nog niet gesteld kan worden dat zij partijdig is geweest. Voor zover het College van Toezicht heeft geoordeeld dat er geen sprake is van het wekken van de schijn van partijdigheid, is het College van Beroep van oordeel dat dit een omissie betreft nu het door de vader geformuleerde klachtonderdeel ziet op partijdig zijn, en niet op de (enkele) schijn daartoe wekken. In zoverre repareert het College van Beroep aldus het oordeel van het College van Toezicht.

3.3.6 De grief faalt. Het College van Beroep handhaaft, onder aanvulling van de motivering, het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdeel II.

3.4 Klachtonderdeel III (principaal beroep)

3.4.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel III als volgt geformuleerd: “Het belang van de gezondheid van de zoon is door [de jeugdprofessional] uit het oog verloren.”.

3.4.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Uit de overgelegde stukken stelt het College [van Toezicht] vast dat de verwijsbrief van de huisarts d.d. 8 februari 2018, zoals weergegeven onder 2.4 van deze beslissing, na 9 maart 2018 gewijzigd is. In die zin dat waar de zoon door de huisarts eerst verwezen werd voor diagnostiek en behandeling, vanwege een mogelijke angst- en paniekstoornis, dit gewijzigd is in een verwijzing naar begeleiding en behandeling [afkorting module], zoals weergegeven onder 2.6 van deze beslissing. Uit de toelichting op het klachtonderdeel begrijpt het College [van Toezicht] dat [de jeugdprofessional] in dit klachtonderdeel wordt verweten dat zij, doordat zij een dergelijk verzoek tot wijziging gedaan heeft, de gezondheid van de zoon uit het oog verloren is. [De jeugdprofessional] heeft erkend dat de wijziging is doorgevoerd op haar verzoek, gezien zij niet beschikte over expertise rondom diagnostiek en behandeling van een mogelijke angst- en paniekstoornis. Naar het oordeel van het College [van Toezicht] heeft [de jeugdprofessional] onjuist gehandeld en had zij, nadat zij erkend had niet over de juiste expertise te beschikken waarnaar de huisarts verwezen had, de casus niet mogen aannemen. In plaats daarvan heeft [de jeugdprofessional] verzocht om een andere verwijsbrief (te regelen). Dat [de jeugdprofessional] een verzoek tot wijziging van de verwijsbrief heeft gedaan om haar hulpaanbod passend te maken op de casus, waarmee mogelijk de gezondheid van de zoon uit het oog is verloren, levert volgens het College [van Toezicht] een schending op van artikel O (beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional, hierna te noemen: de Beroepscode. Een jeugdprofessional dient immers conform dit artikel de grenzen van zijn eigen expertise te erkennen. Volgens de toelichting op voornoemd artikel is de inzet en erkenning van de eigen beroepsdeskundigheid van de jeugdprofessional essentieel voor de kwaliteit van de jeugdzorg. Dat [de vader] ermee ingestemd heeft dat de verwijsbrief gewijzigd zou worden, doet volgens het College [van Toezicht] niet af aan de professionele verantwoordelijkheid die [de jeugdprofessional] heeft voor wat betreft het (h)erkennen (van de grenzen) van haar eigen expertise.”. Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel gegrond verklaard.

3.4.3 De jeugdprofessional stelt ten aanzien van dit klachtonderdeel dat de moeder de jeugdprofessional heeft benaderd met de vraag of [afkorting module] zou kunnen worden ingezet voor de zoon. Nu hiervoor een verwijzing van de huisarts nodig is, heeft de moeder contact opgenomen met de huisarts. De huisarts heeft vervolgens een verwijsbrief geschreven voor het diagnosticeren en behandelen van angst- en paniekstoornissen. Omdat hiermee het inzetten van [afkorting module] niet mogelijk is, heeft de huisarts op verzoek van de moeder de verwijsbrief aangepast. Daarna zijn de ouders akkoord gegaan met het inzetten van [afkorting module]. Als de vader op dat moment had aangegeven dat hij niet akkoord was met de aangepaste verwijsbrief, was er wel degelijk een alternatief aanbod mogelijk geweest. Er bestond voor de jeugdprofessional geen enkele reden om wegens financiële overwegingen vast te houden aan het voortzetten van [afkorting module]. Het verzoek voor het aanpassen van de verwijsbrief houdt naar de mening van de jeugdprofessional niet in dat zij de grenzen van expertise niet in acht genomen heeft. Er is daarnaast beslist geen sprake dat de inzet van [afkorting module] als alternatief zou kunnen gelden voor diagnostisch onderzoek en behandeling. In het kader van de volledige problematiek vindt de jeugdprofessional het spijtig dat zij niet voldoende alert is geweest om aandacht te schenken aan het handhaven van de oorspronkelijke verwijsbrief voor basis GGZ, naast het inzetten van [afkorting module]. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft de jeugdprofessional toegelicht dat zij op een later moment, toen bleek dat het niet mogelijk was om door te verwijzen naar andere hulp, de huisarts heeft gesproken om zo te kunnen bezien welke hulp in de voorliggende situatie het best passend was. De jeugdprofessional stelt echter dat dit contact aan het einde van de hulpverlening heeft plaatsgevonden en dat zij niet eerder, in het kader van de verwijzing naar [afkorting module], contact heeft gehad met de huisarts.

3.4.4 De vader is van mening dat de jeugdprofessional nu een en ander probeert af te schuiven op de moeder. Dit terwijl de jeugdprofessional zelf de huisarts heeft gesproken en hier ook heeft aangegeven de deskundigheid te hebben om de hulpverlening aan de zoon te kunnen bieden.

3.4.5 Het College van Beroep stelt vast, zoals weergegeven onder 2.4 en 2.6 van deze beslissing, dat de huisarts d.d. 8 februari 2018 een verwijsbrief voor de zoon heeft geschreven. Blijkens het evaluatieverslag d.d. 29 mei 2018 heeft de moeder via de site van [de instelling] een aanvraag gedaan voor de module [afkorting module]. Voor zover de vader hetgeen zou betwisten dat in dit evaluatieverslag is opgenomen verwijst het College van Beroep naar hetgeen hierover reeds is overwogen onder 3.2.5 van deze beslissing. Gelet op dat uit het voorgaande blijkt dat op initiatief van de moeder de module [afkorting module] is gestart, acht het College van Beroep ook aannemelijk dat de moeder de huisarts heeft benaderd hier een verwijsbrief voor te schrijven en heeft verzocht deze aan te passen nu dit nodig was om [afkorting module] te kunnen starten. Het College van Beroep heeft in het dossier en uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden, geen aanknopingspunten gevonden waaruit zou blijken dat de jeugdprofessional deze contacten met de huisarts heeft gelegd. Het College van Beroep overweegt voorts, anders dan het College van Toezicht, dat niet is gebleken dat de jeugdprofessional door middel van de moeder te verzoeken de verwijsbrief aan te laten passen, de gezondheid van de zoon uit het oog heeft verloren. Hierbij betrekt het College van Beroep dat de jeugdprofessional alleen op basis van een geschikte verwijzing [afkorting module] in mocht zetten. Het had op de weg van de huisarts gelegen om kenbaar te maken, op het moment dat de moeder bij hem kwam om de verwijsbrief aan te laten passen, dat hij [afkorting module] niet passend achtte gelet op de door hem geconstateerde problematiek bij de zoon. Nu de huisarts ervoor heeft gekozen de verwijsbrief aan te passen, mocht de jeugdprofessional, naar het oordeel van het College van Beroep, er gerechtvaardigd op vertrouwen dat deze module voor de zoon door de huisarts geschikt werd bevonden. Het College van Beroep ziet aldus geen aanleiding om ten aanzien van dit klachtonderdeel de jeugdprofessional een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

3.4.6 De grief slaagt. Het College van Beroep verklaart klachtonderdeel III alsnog ongegrond.

3.5 Klachtonderdeel IV (principaal beroep)

3.5.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel IV als volgt geformuleerd: “[De jeugdprofessional] heeft informatie met moeder gedeeld zonder [de vader] daarvan tijdig op de hoogte te brengen.”. Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel gegrond verklaard.

3.5.2 De jeugdprofessional stelt ten aanzien van dit klachtonderdeel dat zij zich had moeten realiseren dat er door haar handelswijze nadeel voor de vader is ontstaan en dat het misschien passend was geweest om met hem tot een goede afronding te komen en te onderzoeken of de schade nog te beperken was. De jeugdprofessional betreurt het dat de vader, door haar toedoen, het vertrouwen in haar is kwijtgeraakt.

3.5.3 Het College van Beroep stelt vast dat de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van het beroep desgevraagd heeft toegelicht dat zij van mening is dat dit klachtonderdeel terecht gegrond is verklaard en dat zij in de beroepsprocedure dit klachtonderdeel enkel van een nadere toelichting heeft willen voorzien, maar daarmee niet het oordeel van het College van Toezicht probeert te veranderen. Het College van Beroep is van oordeel dat nu het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van dit klachtonderdeel door de jeugdprofessional niet wordt betwist, de jeugdprofessional niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar grief gericht tegen dit klachtonderdeel.

3.5.4 Het College van Beroep verklaart de jeugdprofessional niet-ontvankelijk in haar grief gericht tegen klachtonderdeel IV.

3.6 Klachtonderdeel V (principaal beroep)

3.6.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel V als volgt geformuleerd: “[De jeugdprofessional] heeft zich niet aan de beroepscode gehouden door onaangekondigd en tegen de afspraken in te komen met rapportages.”. Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel gegrond verklaard.

3.6.2 De jeugdprofessional licht ten aanzien van dit klachtonderdeel toe dat de inzet van [afkorting module] doorgaans plaatsvindt op verzoek van een regiehouder (gezinsvoogd of [medewerker CJG]). In deze casus was er echter geen sprake van een regiehouder. Hoewel de jeugdprofessional stelt veel ervaring te hebben met het inzetten van de methode als zodanig, was de situatie waarin er sprake was van het ontbreken van een regiehouder nieuw voor haar. Hierdoor is zij onvoldoende alert geweest en heeft zij daardoor onvoldoende regie genomen voor wat betreft het informeren van ouders en het afwegen van haar handelen. Dat er niet gewerkt kan worden zonder regiehouder is de lering die de jeugdprofessional hieruit heeft getrokken en dit is inmiddels door haar ook binnen [de instelling] besproken. Afgesproken is dat dit ook niet meer op deze wijze zal plaatsvinden.

3.6.3 Het College van Beroep overweegt ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft de jeugdprofessional erkend dat hetgeen de vader stelt, dat over het opstellen van een rapportage niet is gesproken en dat zij dit wel had moeten doen, correct is. De jeugdprofessional betwist aldus het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van dit klachtonderdeel niet. Gelet op het voorgaande is het College van Beroep van oordeel dat de jeugdprofessional niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar grief gericht tegen klachtonderdeel V.

3.6.4 Het College van Beroep verklaart de jeugdprofessional niet-ontvankelijk in haar grief gericht tegen klachtonderdeel V.

3.7 Klachtonderdeel VI (incidenteel beroep)

3.7.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel VI als volgt geformuleerd: “[De jeugdprofessional] is nalatig geweest in een goede afronding van haar betrokkenheid en in de reactie op de klachten van [de vader].”.

3.7.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Het College [van Toezicht] acht het, gelet op het verweer van [de jeugdprofessional] en haar uitleg hierover tijdens de mondelinge behandeling van de klacht, voldoende aannemelijk geworden dat [de jeugdprofessional] zich heeft ingezet om de zoon bij [de instelling] “uit zorg te laten plaatsen”. Voorts overweegt het College [van Toezicht] dat uit de overgelegde stukken de gang van zaken op dit punt voor het College [van Toezicht] onvoldoende vast te stellen is. Het College [van Toezicht] ziet met betrekking tot dit klachtonderdeel dan ook geen aanleiding om te concluderen dat [de jeugdprofessional] een beroepsnorm geschonden zou hebben met haar handelen omtrent het afmelden van de zoon bij [de instelling].”. Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

3.7.3 De vader is van mening dat het niet redelijk gevonden kan worden dat er zoveel tijd zit tussen het stoppen van de interventie en de noodzakelijke afmelding. Het College van Toezicht heeft hier uitsluitend op het verweer gereageerd van de jeugdprofessional, die eigenlijk aangeeft niet te weten hoe een en ander afgehandeld moet worden en door wie. In plaats van voorafgaand aan haar vakantie een collega opdracht te geven, wordt er niets ondernomen en heeft de vader maar zitten wachten. Door de actie van de vader en een telefoontje van een lid van het sociaal team blijkt het opgelost. De vader acht dit onzorgvuldig en niet in het belang van zijn zoon.

3.7.4 Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft de jeugdprofessional ten aanzien van dit klachtonderdeel toegelicht dat het ‘uit zorg plaatsen’ van de zoon anders dan gebruikelijk is verlopen. Er was sprake van een buitenregionaal traject waardoor de huisarts niet kon doorverwijzen. Nu de jeugdprofessional inhoudelijk hiervan niet voldoende op de hoogte was, heeft zij de casus bij de clustermanager gelegd die hier verder mee aan de slag zou gaan. In de tussentijd is de jeugdprofessional op vakantie gegaan. De jeugdprofessional erkent dat het ‘uit zorg plaatsen’ meer tijd dan gebruikelijk heeft gekost, maar zij stelt zich daarbij echter wel op het standpunt dat dit haar niet als individueel handelende jeugdprofessional te verwijten is.

3.7.5 Het College van Beroep stelt vast dat in het evaluatieverslag d.d. 29 mei 2018 de situatie is beschreven over het ‘uit zorg plaatsen’ van de zoon, hetgeen overeenkomt met hoe de jeugdprofessional dit tijdens de mondelinge behandeling van het beroep nader heeft toegelicht. Zoals reeds overwogen in deze beslissing heeft de vader nagelaten, hoewel daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, inhoudelijk te reageren op hetgeen opgenomen in dit verslag. Gelet hierop en uit het feit dat het College van Beroep in het dossier geen stukken heeft aangetroffen die het standpunt van de vader onderbouwen en de verklaring van de jeugdprofessional betwisten, is het College van Beroep van oordeel dat de grief faalt.

3.7.6 Het College van Beroep verwerpt de grief en handhaaft het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdeel VI.

 

3.8 Conclusie

3.8.1 Het College van Beroep komt tot de slotsom dat de grief van de jeugdprofessional gericht tegen klachtonderdeel III slaagt, waardoor dit klachtonderdeel ongegrond wordt verklaard. De jeugdprofessional wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar grieven gericht tegen de klachtonderdelen IV en V. Alle grieven van de vader falen. Gelet op het voorgaande kan de jeugdprofessional ten aanzien van de klachtonderdelen IV en V een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Het College van Toezicht heeft aan de jeugdprofessional de maatregel van berisping opgelegd. Het College van Beroep dient zich aldus, nu er één klachtonderdeel minder gegrond wordt verklaard, nog te buigen over de (zwaarte) van de tuchtrechtelijke maatregel die het aan de jeugdprofessional oplegt.

3.8.2 Het College van Beroep neemt bij de zwaarte van de op te leggen maatregel in overweging dat de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft gereflecteerd op haar handelen en ook ten aanzien van diverse klachtonderdelen heeft erkend dat haar handelen niet binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Het College van Beroep overweegt voorts echter ook dat het tuchtrechtelijk verwijtbare handelen ten aanzien van de klachtonderdelen IV en V de jeugdprofessional zwaar kan worden aangerekend. Zo is de vader in een nadelige positie gebracht door het opstellen van het tussentijdse verslag van 4 april 2018 op verzoek van de moeder. Daarnaast heeft de jeugdprofessional nagelaten de vader (en de moeder) te informeren over onder meer de wijze van verslaglegging rondom de module [afkorting module].

3.8.3 Al het voorgaande in acht genomen acht het College van Beroep het passend en geboden om de door het College van Toezicht opgelegde maatregel van berisping te handhaven. Wel ziet het College van Beroep af van de openbaarmaking van deze maatregel en overweegt hiertoe als volgt. Op 4 maart 2019 is het Tuchtreglement van SKJ gewijzigd. In deze vernieuwde versie (1.3) van het Tuchtreglement is het mogelijk om de maatregel van berisping op te leggen zonder dat deze openbaar gemaakt wordt. Het Tuchtreglement dat van toepassing is op de onderhavige beroepsprocedure, versie 1.2, voorziet niet in deze mogelijkheid. Het openbaar maken van de maatregel van berisping zou met zich meebrengen dat deze maatregel, met daarbij de vermelding van de persoonsgegevens van de jeugdprofessional, gedurende vijf jaar zichtbaar is in het openbare deel van het Kwaliteitsregister Jeugd. Nu er tegen de jeugdprofessional voor de eerste keer een tuchtklacht is ingediend, de jeugdprofessional gereflecteerd heeft op haar handelen en heeft toegegeven dat zij ten aanzien van een aantal klachtonderdelen verwijtbaar tekort is geschoten, ziet het College van Beroep voldoende aanleiding om van de openbaarmaking van de maatregel af te zien. Het College van Beroep legt aldus met toepassing van artikel 5.1 sub b van het Tuchtreglement, versie 1.3, de maatregel van berisping op, zonder deze openbaar te maken.

4     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

  • verklaart – opnieuw rechtdoende – klachtonderdeel III, alsnog ongegrond en vernietigt in zoverre de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 18.101T van 31 december 2018;
  • verklaart de jeugdprofessional niet-ontvankelijk in de grieven gericht tegen klachtonderdeel IV en V;
  • handhaaft het oordeel van het College van Toezicht in die beslissing betreffende klachtonderdelen I, II, IV, V en VI, zij het onder aanvulling van de motivering ten aanzien van klachtonderdeel II;
  • handhaaft de opgelegde maatregel van berisping, maar ziet af van de openbaarmaking van deze maatregel.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 31 juli 2019 aan partijen toegezonden.

 

de heer mr. M.A. Stammes
voorzitter

mevrouw mr. T. Kuijs
secretaris