Een jeugdbeschermer heeft het concept plan van aanpak significant gewijzigd nadat de moeder haar visie gegeven had.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. M. Fiege, voorzitter,
de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdbeschermer bij de gecertificeerde instelling [GI] te [plaatsnaam], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. W.G. ten Have, werkzaam als advocaat te Winschoten.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde], werkzaam als jurist bij de GI.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift, op verzoek van het College aangevuld met de handtekening van klaagster, ontvangen op 28 januari 2019, met de bijlagen;
– het verweerschrift ontvangen op 8 maart 2019, met de bijlagen;
– de door de gemachtigde van beklaagde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht overgelegde pleitnota.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 24 mei 2019 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Vanuit het College zijn als toehoorders tijdens de mondelinge behandeling van de klacht een tweede secretaris en een lid-jurist aanwezig geweest.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is de moeder van een minderjarige dochter. De dochter is geboren in 2011. Het ouderlijk gezag over de dochter wordt uitgeoefend door klaagster.

2.2

De kinderrechter heeft bij beschikking van 22 januari 2016 de dochter onder toezicht gesteld. Tevens heeft de kinderrechter bij beschikking van 29 april 2016 een machtiging tot uithuisplaatsing van de dochter in een voorziening voor pleegzorg verleend. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de dochter zijn nadien steeds verlengd.

2.3

Beklaagde is van 22 januari 2016 tot 16 februari 2018 belast geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

2.4

Beklaagde heeft op 7 april 2017 de Checklist Oudercontacten in de Pleegzorg (hierna te noemen: de CHOP) ingevuld. De uitkomsten hiervan zijn mede van invloed geweest voor het vaststellen van de omgangsregeling tussen klaagster en de dochter zoals verwoord in de schriftelijke aanwijzing van 13 april 2017.

2.5

Op 13 april 2017 heeft de GI middels voornoemde schriftelijke aanwijzing besloten om de contacten tussen klaagster en de dochter te beperken. In de periode van 13 april 2017 tot 4 juni 2018 zijn de contacten beperkt tot begeleide contactmomenten eens per acht weken gedurende één uur in het kantoor van de GI. Deze schriftelijke aanwijzing is door het hof bij beschikking van 20 maart 2018 vervallen verklaard, mede omdat klaagster niet voldoende in staat is gesteld om haar zienswijze te geven op het voornemen om de contacten tussen haar en de dochter te beperken.

2.6

Op 28 april 2017 heeft beklaagde aan klaagster verzocht een reactie te geven op het concept plan van aanpak voor de dochter.

2.7

Klaagster heeft op 10 juli 2017 bij het College van Toezicht van SKJ een tuchtklacht bestaande uit zeven klachtonderdelen tegen beklaagde ingediend. Bij beslissing van 22 december 2017 verklaart het College van Toezicht Klachtonderdeel VII gegrond, maar ziet af van oplegging van een maatregel.

2.8

Op 12 februari 2018 stelt klaagster bij het College van Beroep van SKJ tijdig beroep in tegen de beslissing van het College van Toezicht. Het beroep richt zich tegen de ongegrond verklaring van klachtonderdelen I en II en de gegrondverklaring van klachtonderdeel VII. Bij beslissing van 25 juli 2018 handhaaft het College van Beroep het oordeel van het College van Toezicht, zij het onder aanvulling van de motivering ten aanzien van de klachtonderdelen I en II. Klaagster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep gericht tegen klachtonderdeel VII.

2.9

Op verzoek van klaagster heeft de kinderrechter bij beschikking van 16 februari 2018 de GI vervangen voor de gecertificeerde instelling [gecertificeerde instelling 2] (hierna te noemen: [GI 2]) en haar belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

2.10

Beklaagde heeft op 22 februari 2018 aan een administratief medewerker van de GI gevraagd om het dossier van de dochter naar [GI 2] te sturen. Op 17 mei 2018 vraagt beklaagde de administratief medewerker naar de status van het dossier. Het dossier van de dochter is vervolgens door de administratief medewerker naar [GI 2] verzonden.

2.11

Op 15 juni 2018 heeft beklaagde de CHOP aan de huidige jeugdbeschermer van [GI 2] toegezonden. Op 1 augustus 2018 heeft klaagster de CHOP via de huidige jeugdbeschermer ontvangen.

2.12

Beklaagde is van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is beklaagde als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3 De ontvankelijkheid van de klacht

3.1.1

Beklaagde stelt zich primair op het standpunt dat klaagster niet-ontvankelijk is in de klacht en voert hiertoe het volgende aan. De gemachtigde van klaagster is door het College in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 24 januari 2019 het ingediende klaagschrift aan te vullen met de handtekening van klaagster. Dit is pas op 28 januari 2019 gedaan, wegens ziekte van de gemachtigde. Het College had het klaagschrift niet in behandeling mogen nemen, aangezien klaagster wordt bijgestaan door een advocaat. Deze wordt ondersteund door een juridisch secretaresse, zodat de ziekte van de gemachtigde van klaagster geen beletsel hoefde te zijn om de gestelde termijn te behalen. Een en ander klemt temeer daar klaagster reeds eerder een tuchtklacht tegen beklaagde heeft ingediend en de beroepsprocedure heeft doorlopen. Gewezen wordt op de beslissing van het College van Beroep waarin wordt opgemerkt dat de e-mailberichten van klaagster aan beklaagde ‘naar de indruk van het College van Beroep soms ook aanvallend en op de persoon gericht overkwamen.’ Beklaagde kan zich nauwelijks aan de indruk onttrekken dat er sprake is van een persoonlijke vete jegens beklaagde en klaagster erop uit is haar professionele schade toe te brengen, nu dit eerder terecht niet gelukt is. Hiervoor is het tuchtrecht echter niet bedoeld.

3.1.2

Het College overweegt als volgt.
Het is juist dat de gemachtigde van klaagster in de gelegenheid is gesteld om uiterlijk 24 januari 2019 het klaagschrift aan te vullen met de handtekening van klaagster. De secretaresse van de gemachtigde van klaagster heeft op 23 januari 2019 per e-mailbericht verzocht om uitstel, omdat de gemachtigde van klaagster – wegens ziekte – de gestelde termijn niet kon halen. Dit bericht is door het College niet tijdig verwerkt waardoor het verzoek tot uitstel onbeantwoord is gebleven. Vervolgens is op 28 januari 2019 het klaagschrift, met de handtekening van klaagster, ingediend. Partijen zijn hier per e-mailbericht van 29 januari 2019 door het College over geïnformeerd. Het opnieuw ingediende klaagschrift is inhoudelijk niet gewijzigd en voldeed naar het oordeel van het
College reeds aan de gestelde eisen uit het Tuchtreglement, op de ontbrekende handtekening van klaagster na. Nu het klaagschrift op 28 januari 2019 slechts is aangevuld met de handtekening van klaagster en omdat het verzoek tot uitstel door het College niet beantwoord is, verklaart het College klaagster ontvankelijk in haar klacht. Temeer nu voor klaagster de mogelijkheid bestaat de klacht opnieuw in te dienen wanneer zij in deze klacht niet-ontvankelijk verklaard zou worden.

4 De klacht, het verweer en de beoordeling

4.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

4.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

4.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4.1.3

Klaagster heeft in het klaagschrift drie klachtonderdelen geformuleerd. Samengevat hebben de klachtonderdelen betrekking op het aanpassen van het concept plan van aanpak, het niet verstrekken van de CHOP aan (de gemachtigde van) klaagster en het verstrijken van drie maanden voor dossieroverdracht aan [GI 2].

4.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.2 Klachtonderdeel I

4.2.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Het significant wijzigen van het concept plan van aanpak, nadat klaagster hier haar visie op had gegeven, zonder klaagster hiervan op de hoogte te stellen.

Toelichting:
Klaagster is per e-mailbericht benaderd door de GI op 28 april 2017 met het verzoek haar reactie te geven op het concept plan van aanpak voor de dochter. Het concept plan van aanpak is niet hetzelfde als het plan van aanpak zoals dat later is ingediend in de procedure bij de rechtbank tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. Het concept plan van aanpak is na de reactie van klaagster ingrijpend aangepast. Klaagster heeft het concept plan van aanpak en het verstuurde plan van aanpak overgelegd en wijst op de volgende wijzigingen:
– Onder het kopje “Terugkijken” is er aan het einde een aanzienlijk stuk opgenomen;
– Onder het kopje “Wat zijn de feiten” is een stuk tekst toegevoegd en is het einde van de tekst op een later moment gewijzigd;
– Onder het kopje “Wat zijn de zorgen” is er een stuk tekst aan het einde aangevuld;
– Het kopje “Hoe wegen we de situatie” is uit het concept plan van aanpak gehaald;
– Onder het kopje “Risicotaxatie” staat een stuk dat nooit eerder ter sprake is gekomen;
– Onder het kopje “Wat besluiten we en wat zijn de volgende stappen” is de tekst aangepast.
Klaagster heeft het aangepaste plan van aanpak nooit mogen ontvangen. Zij heeft hier dus niet op kunnen reageren. Tevens heeft [GI 2] op 12 juli 2018 een nieuwe schriftelijke aanwijzing afgegeven waarin informatie staat die voortvloeit uit het plan van aanpak waarop klaagster nimmer haar zienswijze heeft kunnen geven. Juist deze informatie waarop klaagster niet heeft kunnen reageren, wordt nu gebruikt ter onderbouwing van de huidige aanwijzing. Het gaat specifiek om de informatie onder het kopje “Risicotaxatie”, betreffende de opgenomen passages over vermeende kindermishandeling.

4.2.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Klaagster heeft niet aangegeven dat hetgeen is toegevoegd aan het plan van aanpak inhoudelijk onjuist is. Klaagster merkt slechts op dat zij haar reactie op de aanvullingen had willen geven. Derhalve staat vast dat klaagster de inhoud van het plan van aanpak niet betwist. De opgenomen informatie was niet nieuw voor klaagster. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft beklaagde tevens kenbaar gemaakt dat de GI in januari 2018 is overgegaan op een nieuwe wijze van rapporteren. Ten tijde van het definitief maken van het plan van aanpak, bleken in het nieuwe systeem verschillende onderdelen in het plan van aanpak niet ingevuld. Doordat beklaagde het plan van aanpak naar de rechtbank moest versturen en de verplichting heeft om de rechtbank volledig te informeren, besloot zij het plan van aanpak aan te vullen met bestaande, en voor klaagster bekende, informatie. Voor klaagster zou het immers mogelijk zijn haar visie hierop te geven tijdens de rechtszitting. Ook is het de werkwijze van de rechtbank om de binnengekomen stukken in een procedure aan de belanghebbende(n) te versturen.
Ten aanzien van de aangehaalde wijzigingen stelt beklaagde – samengevat – het volgende:
– De opgenomen informatie onder het kopje “Terugkijken” is, op de allerlaatste regel na, volledig overgenomen uit het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling. Dit verslag is op 3 maart 2017 aan de rechtbank gezonden ter verweer op het door klaagster ingediende verzoekschrift vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing. Ter zitting heeft klaagster aldus haar visie op het in het verslag gestelde kunnen geven. Tevens waren de aanvullingen bij klaagster reeds bekend uit andere stukken, dan wel waren de aanvullingen uit deze stukken te herleiden of is het meerdere malen met klaagster mondeling besproken;
– Onder het kopje “Wat zijn de feiten” zijn stukken tekst overgenomen uit eerdere verzoek- en verweerschriften van de GI, dan wel het hiervoor genoemde verslag over het verloop van de ondertoezichtstelling;
– Onder het kopje “Wat zijn de zorgen” is er geen sprake van een aanvulling, zodat de stelling van klaagster op dit punt buiten beschouwing kan worden gelaten;
– Het kopje “Hoe wegen we de situatie?” is gehandhaafd, maar de niet ingevulde wegingen zijn verwijderd. Klaagster is op 28 april 2017 per e-mailbericht verzocht een reactie te geven op het concept plan van aanpak en hierbij expliciet verzocht om haar cijfer te geven over de veiligheid
van de dochter. In haar reactie heeft klaagster geen cijfer gegeven. De dochter was te jong om zelf een cijfer te geven. Daarnaast heeft beklaagde haar eigen visie met betrekking tot de veiligheid van de dochter gegeven. Het is niet aan klaagster om hier een anders luidende mening over te hebben;
– Onder het kopje “Risicotaxatie” is informatie toegevoegd. Ook deze informatie is voor klaagster niet nieuw. Uit de vele stukken die tussen beklaagde en klaagster zijn uitgewisseld, hetzij in juridische procedures, hetzij in het kader van hulpverlening, is deze informatie op te maken. Beklaagde meent dat zij onder dit kopje slechts een beknopte maar terechte samenvatting heeft gegeven van de risico’s die voor de dochter aanwezig zijn in de thuissituatie van klaagster. Ten aanzien van het gebruik van de term “kindermishandeling” merkt beklaagde op dat onder deze term niet alleen fysieke kindermishandeling valt, maar ook emotionele kindermishandeling, verwaarlozing en/of pedagogische onmacht;
– Onder het kopje “Wat besluiten we en wat zijn de volgende stappen” is evenmin nieuwe informatie voor klaagster opgenomen. Immers, er was al een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing.
Beklaagde concludeert op grond van bovenstaande dat op geen enkele wijze sprake is van het verrassen van klaagster met onbekende informatie, of informatie waarover de rechtbank graag de mening van klaagster wenste vernemen, alvorens tot een beslissing te komen. Ook gaat het om goed onderbouwde informatie wat in het plan van aanpak is opgenomen.
Ten aanzien van het gestelde dat [GI 2] een nieuwe schriftelijke aanwijzing heeft afgegeven op grond van de informatie uit de plannen van aanpak van de GI, wijst beklaagde erop dat [GI 2] een eigen verantwoordelijkheid heeft in de uitvoering van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. [GI 2] zal niet de door een eerdere GI ingezette lijn volgen als deze niet in het belang van de jeugdige wordt geacht. Het gegeven dat [GI 2] blijkens de stellingen van klaagster eenzelfde schriftelijke aanwijzing heeft afgegeven, betekent dat beklaagde in haar eigen schriftelijke aanwijzing inhoudelijk een juiste beslissing heeft genomen.

4.2.3

Het College overweegt als volgt:
Op grond van artikel 4.1.3, eerste en tweede lid, van de Jeugdwet is het plan van aanpak onderdeel van verantwoorde hulp, zoals opgenomen in artikel 4.1.1 van de Jeugdwet. Uit de toelichting op artikel 4.1.3, tweede lid, van de Jeugdwet dient een goed hulpverlener zorgvuldig te overleggen met de (jeugdige en) ouders over de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel. Om dat te waarborgen is het vereiste van overleg over het plan van aanpak opgenomen in het tweede lid. Het vereiste van overleg vloeit ook voort uit artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker (hierna te noemen: de Beroepscode). Voorts volgt uit artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode dat de jeugdzorgwerker de (jeugdige) client de gelegenheid dient te bieden tot inzage in en aanvulling of correctie van het dossier.
Het College stelt vast dat het plan van aanpak, zoals ingebracht bij de rechtbank, op meerdere punten aanzienlijk verschilt van het concept plan van aanpak waar klaagster haar visie op heeft kunnen geven. Beklaagde heeft nagelaten over de door haar later toegevoegde stukken tekst met klaagster overleg te voeren. Evenmin is klaagster geïnformeerd over de kennelijke complicaties welke het nieuwe systeem met zich meebracht. Het College heeft begrip voor het feit dat beklaagde, zoals door haar aangevoerd, onder tijdsdruk heeft moeten handelen maar dat neemt niet weg dat op haar de verplichting rustte om in overleg te treden met klaagster over het (aanzienlijk) gewijzigde plan van aanpak. Het College wijst beklaagde op de mogelijkheid dat aan klaagster voorgesteld had kunnen worden haar visie op het gewijzigde plan van aanpak na te sturen aan de rechtbank. Voor zover beklaagde heeft aangevoerd dat klaagster haar visie op het gewijzigde plan van aanpak tijdens de rechtszitting tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de dochter had kunnen geven, acht het College dit in het licht van de wettelijke bepalingen en genoemde artikelen uit de Beroepscode onvoldoende om te kunnen spreken van overleg. Temeer nu klaagster kennelijk ook niet aanwezig is geweest tijdens deze rechtszitting. Nu beklaagde heeft nagelaten om met klaagster in overleg te treden over het definitieve (gewijzigde) plan van aanpak, haar niet de gelegenheid heeft geboden om haar zienswijze hierop te kunnen geven en haar ook niet achteraf – na de rechtszitting – heeft gewezen op de door haar aangebrachte wijzigingen, oordeelt het College dat beklaagde in strijd heeft gehandeld met artikel 4.1.3, tweede lid, van de Jeugdwet en artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlenging) en artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode.

4.2.4

Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

4.3 Klachtonderdeel II

4.3.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Het niet verstrekken van de CHOP, ondanks de mededeling bij de mondelinge behandeling van het beroep van 15 juni 2018 deze naar de gemachtigde van klaagster te zenden, en het ontbreken van de CHOP in het overgelegde dossier.

Toelichting:
Klaagster heeft voor de procedure bij het hof per e-mailbericht meermaals aan beklaagde verzocht om de uitkomsten van de CHOP te mogen ontvangen. Zo ook in het verzoekschrift tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing, in de pleitnota, bij de behandeling van haar klaagschrift bij het College van Toezicht van SKJ, in het beroepschrift en in de pleitnota bij het College van Beroep van SKJ. Klaagster heeft hier nimmer een afschrift van mogen ontvangen. Bij het gesprek van 11 juni 2018 waarbij klaagster en haar gemachtigde samen met de huidige jeugdbeschermer aanwezig waren, is wederom verzocht om een afschrift van de CHOP. Echter, bij de dossieroverdracht van de GI naar [GI 2] was dit stuk niet aanwezig, waarna de huidige jeugdbeschermer heeft aangegeven navraag bij de GI te zullen doen. Bij de behandeling van het College van Beroep op 15 juni 2018 heeft klaagster wederom aan beklaagde verzocht om een afschrift van de CHOP. Tijdens de mondeling behandeling van het beroep heeft beklaagde toegezegd diezelfde dag nog de CHOP per e-mailbericht aan de gemachtigde van klaagster toe te sturen. Deze toezegging is zij niet nagekomen. Klaagster heeft een afschrift van de CHOP, middels de huidige jeugdbeschermer, op 1 augustus 2018 ontvangen.

4.3.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Het is juist dat de CHOP niet als dossierstuk aan [GI 2] is gezonden. De CHOP is een intern te gebruiken instrument dat als werkdocument te kwalificeren is. De CHOP wordt binnen de GI vaker als instrument ingezet, maar wordt niet als dossierstuk gezien. Beklaagde wijst erop dat het College van Beroep geoordeeld heeft dat voldoende was gebleken dat het zwaartepunt van de beslissing om de omgang tussen klaagster en de dochter middels een schriftelijke aanwijzing te beperken niet bij de CHOP lag, maar bij het diagnostisch onderzoek en omdat klaagster het traject bij de gezinsbehandeling had stopgezet. Na haar toezegging op 15 juni 2018 heeft beklaagde op die dag de CHOP aan de huidige jeugdbeschermer toegezonden. Indien het verwijt is dat de CHOP niet aan de gemachtigde van klaagster is toegezonden, meent beklaagde dat zij slechts de juiste route heeft gevolgd en dat het niet toezenden aan de gemachtigde van klaagster geen tuchtrechtelijke verwijt rechtvaardigt.

4.3.3

Het College overweegt als volgt:
Het is het College gebleken dat het College van Beroep in zaaknummer 18.003B onder 3.3.5 reeds een oordeel heeft gegeven met betrekking tot het verwijt van klaagster richting beklaagde over het al dan niet gebruiken/verstrekken van de CHOP. Het College beperkt zich daarom in de onderhavige procedure tot het verwijt dat beklaagde de afspraak over het verstrekken van de CHOP niet is nagekomen zoals die gemaakt is tijdens de mondelinge behandeling van het beroep op 15 juni 2018 in zaaknummer 18.003B. Beklaagde heeft desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling van deze klacht toegelicht dat zij in de veronderstelling verkeert dat er was afgesproken dat zij de CHOP naar de huidige jeugdbeschermer zou toesturen. Beklaagde kan zich niet voorstellen dat zij zou hebben afgesproken dat zij de CHOP naar klaagster of haar gemachtigde zou sturen. De CHOP is namelijk een intern document dat geen onderdeel uitmaakt van het dossier en – gelet op de inhoud – mondelinge uitleg behoeft. Daarom acht zij het meer voor de hand liggen dat zij heeft afgesproken de CHOP naar de huidige jeugdbeschermer toe te sturen. Hetgeen zij diezelfde dag nog heeft gedaan. Het College acht het verweer en de uitleg van beklaagde navolgbaar en concludeert dat er kennelijk tussen partijen sprake is van een misverstand. Nu het College de concrete afspraak niet kan vaststellen, zoals die gemaakt is bij de mondelinge behandeling van het beroep, en beklaagde de CHOP dezelfde dag naar de huidige jeugdbeschermer heeft gezonden, ziet het College geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt aan beklaagde.

4.3.4

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.4 Klachtonderdeel III

4.4.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Het verstrijken van drie maanden voordat het dossier naar [GI 2] is verstuurd.

Toelichting:
Bij beschikking van 16 februari 2018 heeft de kinderrechter de GI vervangen door [GI 2]. Bij navraag bij [GI 2] is gebleken dat het dossier van de dochter op 5 juni 2018 door hen is ontvangen. Op 2 februari 2018 was de inhoudelijke behandeling waar de GI heeft ingestemd met de wijziging.
Klaagster vraagt zich af waarom er drie maanden moeten verstrijken alvorens het dossier naar [GI 2] wordt verzonden.

4.4.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Op 22 februari 2018 heeft beklaagde aan de collega van de administratie de opdracht gegeven het dossier zo spoedig mogelijk klaar te maken voor overdracht aan [GI 2]. Diezelfde dag heeft de collega aangegeven hiermee aan de slag te gaan. Beklaagde wist niet beter dan dat het gehele dossier op korte termijn aan [GI 2] zou worden verstrekt. Toen zij vragen kreeg vanuit [GI 2] over ontbrekende stukken heeft zij op 17 mei 2018 bij de bewuste collega navraag gedaan. Deze moest erkennen dat de opdracht kennelijk niet was uitgevoerd. Het spijt beklaagde zeer dat de dossieroverdracht dermate lang heeft geduurd. De vertraging kan beklaagde echter niet tuchtrechtelijk verweten worden. Beklaagde kreeg geen melding van een vertraging of andere informatie waaruit zij had kunnen of moeten opmaken dat het dossier niet (tijdig) zou worden overgedragen. Op de afwezigheid van informatie kan niet gestuurd worden. Beklaagde heeft van deze situatie geleerd in die zin dat zij bij toekomstige opdrachten tot overdracht van een geheel dossier, enkele weken na het geven van de opdracht zal navragen of de verstrekking heeft plaatsgevonden.

4.4.3

Het College overweegt als volgt:
Op grond van de overgelegde stukken stelt het College vast dat beklaagde tijdig het verzoek tot dossieroverdracht gedaan heeft, maar dat haar collega van de administratie abusievelijk in verzuim is gebleven ten aanzien van het versturen van het dossier aan [GI 2]. Dit valt beklaagde niet tuchtrechtelijk te verwijten.
Het College acht het positief dat beklaagde zowel in haar verweerschrift als tijdens de mondelinge behandeling van de klacht blijk heeft gegeven van reflectie en haar werkwijze heeft aangepast.

4.4.4

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.5 Conclusie

4.5.1

Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot klachtonderdeel I tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Beklaagde heeft het plan van aanpak gewijzigd, zonder dat zij hierover overleg gevoerd heeft met klaagster. Klaagster is op geen enkele wijze hierover geïnformeerd. Evenmin is zij in de mogelijkheid gesteld haar visie op de wijzigingen te geven. Beklaagde heeft volgens het College in strijd gehandeld met artikel 4.1.3, tweede lid, van de Jeugdwet en artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlenging) en artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode.

4.5.2

Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid en de op te leggen maatregel overweegt het College dat beklaagde ten aanzien van één klachtonderdeel in de onderhavige procedure tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Het College is voorts van oordeel dat beklaagde voldoende inzicht heeft gegeven in de omstandigheden wat maakte dat zij het plan van aanpak heeft gewijzigd, namelijk de overgang naar een nieuwe wijze van rapporteren. Ook heeft de tijdsdruk ervoor gezorgd dat zij klaagster niet heeft ingelicht over de door haar aangebrachte toevoegingen in het plan van aanpak. Het College ziet onder deze omstandigheden voldoende gronden om af te zien van het opleggen van een maatregel aan beklaagde. Het College wijst beklaagde er evenwel op dat zaken zoals een nieuwe systeem en tijdsdruk haar niet ontslaan van het nakomen van haar wettelijke en beroepsethische verplichtingen, concreet in de onderhavige casus inhoudende dat zij klaagster had moeten informeren over de toegevoegde stukken tekst en haar de gelegenheid had moeten bieden haar zienswijze hierop te kunnen geven. Temeer omdat informatie zoals opgenomen in documentatie, afkomstig van een hulpverlener of hulpverlenende instantie, (langdurige en ernstige) gevolgen voor betrokkenen kunnen hebben. Het is belangrijk dat een jeugdprofessional zich hiervan bewust is en mede met het oog hierop informatie over (een) cliënte(n) zorgvuldig documenteert en de cliënte(n) in de gelegenheid stelt hierop te kunnen reageren. Middels dit oordeel hieromtrent beoogt het College bij te dragen aan een verdere bewustwording hierover en wordt ervan uitgegaan dat beklaagde in navolgende gevallen (een) cliënte(n) informeert over en betrekt bij het wijzigen (of opstellen) van een plan van aanpak.

5 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdeel I gegrond;
– verklaart klachtonderdelen II en III ongegrond;
– ziet af van het opleggen van een maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 5 juli 2019 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. M. Fiege, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris