Een jeugdbeschermer heeft nagelaten onderzoek te doen naar de thuissituatie van de vader.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mevrouw M. Grol, lid-beroepsgenoot,
de heer M. Last, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager], klager, hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats],

op 23 januari 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdzorgwerker bij de gecertificeerde instelling [GI gedwongen], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

De vader wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw [naam].

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mr. D. Schut-Wolfs, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift ontvangen op 23 januari 2020;
  • de aanvulling op het klaagschrift ontvangen op 19 februari 2020;
  • het verweerschrift ontvangen op 17 maart 2020;
  • de conclusie van repliek ontvangen op 22 april 2020;
  • de conclusie van dupliek ontvangen op 14 mei 2020.

1.2 De voorzitter heeft op grond van artikel 5 van de tijdelijke regeling van het College van Toezicht en het College van Beroep in verband met COVID-19 (Corona), hierna: de tijdelijke regeling, besloten om de klacht schriftelijk af te handelen. Op grond van artikel 7 van de tijdelijke regeling zijn partijen in de gelegenheid gesteld om nog eenmaal schriftelijk te reageren op hetgeen door de wederpartij naar voren is gebracht (repliek en dupliek).

1.3 De schriftelijke behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 18 mei 2020. De beslissing is op 29 juni 2020 aan partijen verzonden.

2     De feiten

Op grond van de stukken gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft drie minderjarige kinderen. De oudste dochter is geboren in 2008, de jongste dochter is geboren in 2009 en de zoon is geboren in 2012. Zij worden hierna gezamenlijk aangeduid als: de kinderen.

2.2 De vader en zijn ex-partner, de moeder van de kinderen, gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, zijn sinds 2012 uit elkaar. De hoofdverblijfplaats van de kinderen is bij de moeder. De moeder had eenhoofdig gezag. Bij beschikking van de rechtbank van [datum] 2019 zijn beide ouders belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. Het gerechtshof heeft bij beschikking van [datum] 2019 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd en heeft een verzoek van de vader tot wijziging van het hoofdverblijf van de kinderen afgewezen.

2.3 De voorzieningenrechter heeft bij beschikking van [datum] 2017 een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen eens in de twee weken tijdens het weekend in de even weken bij de vader verblijven.

2.4 De kinderrechter heeft bij beschikking van [datum] 2018 de kinderen voor de duur van twaalf maanden, tot [datum] 2019, onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van de kinderrechter van [datum] 2019 verlengd tot [datum] 2020.

2.5 De GI heeft op [datum] 2018 de kinderrechter verzocht om de jongste dochter met spoed uit huis te plaatsen. De kinderrechter heeft bij beschikking van [datum] 2018 een machtiging tot uithuisplaatsing van de jongste dochter verleend in een pleeggezin, dan wel in een accommodatie jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken. De jongste dochter is ondergebracht bij instelling [de instelling].

2.6 De jeugdprofessional heeft de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen overgenomen van een collega en is als derde jeugdzorgwerker van [datum] 2018 tot [datum] 2019 belast met de uitvoering hiervan. Zij was sinds september 2018 op de achtergrond bij het gezin van de vader betrokken en heeft vanaf [datum] 2018 de ondertoezichtstelling alleen uitgevoerd. Op [datum] 2019 heeft een overdracht plaatsgevonden van de GI naar een andere gecertificeerde instelling.

2.7 Na het uitspreken van de ondertoezichtstelling heeft een huiselijk geweld incident tussen de moeder en haar partner plaatsgevonden in het bijzijn van de kinderen. Daarna is er op [datum] 2018 een incident geweest met huiselijk geweld tussen de moeder en de jongste dochter. Binnen het gezin van de moeder is ambulante spoedeisende hulp gestart.

2.8 Bij beschikking van [datum] 2018 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van de jongste dochter verlengd tot uiterlijk [datum] 2018. De kinderrechter heeft bepaald dat op [datum] 2018 een nadere zitting zal plaatsvinden waarvoor zij door de GI geïnformeerd wenst te worden over de actuele stand van zaken en de mogelijkheden van (terug-)plaatsing van de jongste dochter bij één van beide ouders en de resultaten van het onderzoek dat daarvoor is verricht.

2.9 Bij beschikking van [datum] 2018 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van de jongste dochter verleend met ingang van [datum] 2018 tot uiterlijk [datum] 2019. De kinderrechter heeft overwogen dat een verantwoorde thuisplaatsing bij de moeder het uitgangspunt is. De dochter woont sinds [datum] 2019 weer bij de moeder.

2.10 De vader heeft op [datum] 2018 een klacht ingediend bij de klachtencommissie van de GI. De klachtencommissie heeft op [datum] 2019 drie klachtonderdelen gegrond verklaard en één klachtonderdeel gedeeltelijk gegrond.

2.11 De jeugdprofessional heeft namens de GI op [datum] 2019 de vader een aankondiging schriftelijke aanwijzing gegeven waarin de GI de voorwaarde heeft gesteld dat de vader zich houdt aan de omgangsregeling zoals deze is vastgesteld in de beschikking van [datum] 2017.

2.12 De jeugdprofessional heeft na een incident bij de moeder op [datum] 2019 een veiligheidsplan vastgesteld dat op [datum] 2019 naar de vader is gestuurd.

2.13 De jeugdprofessional is van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.3 Op grond van de kamer waarin een professional bij SKJ geregistreerd is, toetst het College het handelen van een jeugdprofessional aan – onder meer – de voor die kamer geldende beroepscode. Voor wat betreft de registratie van de jeugdprofessional is gebleken dat zij gedurende haar betrokkenheid bij deze casus van kamer is gewisseld, zoals weergegeven onder 2.13 van deze beslissing. Gelet hierop dient in deze beslissing onder ‘Beroepscode’ zowel de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker als de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional te worden gelezen, ook omdat de artikelen in deze beroepscodes overeenkomen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht, het verweer, de conclusie van repliek en de conclusie van dupliek zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 Volgens de vader is de communicatie met de jeugdprofessional summier. De vader heeft geen documentatie en/of informatie ontvangen bij aanvang van de hulpverlening. De vader heeft een klacht ingediend bij de klachtencommissie die de klacht gegrond heeft verklaard. Na een gesprek met de jeugdprofessional en haar leidinggevende is de belofte aan de vader gedaan om hem te informeren over de kinderen. Tot op heden heeft de vader, ondanks herhaalde verzoeken, geen rapportages ontvangen.

4.1.2 De jeugdprofessional heeft een overzicht bijgevoegd van de contactmomenten uit de contactjournaals met de vader over 2019. Hieruit blijkt dat zij veelvuldig contact met de vader heeft gehad. Contactjournaals worden niet naar de ouders verstuurd maar de ouders mogen het dossier opvragen en dit inzien. De gemaakte plannen zijn naar beide ouders gestuurd. De vader wenste echter ook informatie over de moeder te ontvangen. De jeugdprofessional heeft de vader ingelicht dat het haar niet vrij staat om deze informatie aan de vader te overleggen. De jeugdprofessional was bij de aanvang van de hulpverlening niet betrokken bij het gezin van de vader. De jeugdprofessional heeft de vader uitgenodigd om gesprekken bij te wonen met de andere hulverleners en met de school maar de vader heeft deze uitnodigingen afgeslagen. De vader was ook beperkt bereikbaar. Om die reden heeft de jeugdprofessional afgesproken dat zij telefoongesprekken met de partner van de vader zou voeren. Deze gesprekken hebben veelvuldig plaatsgevonden en verliepen goed. De vader is op de hoogte gesteld over degenen die voor hem van belang waren, de kinderen.

4.1.3 De vader voert in de conclusie van repliek aan dat het hem niet gaat om de rapportage over de moeder. Hij is ervan op de hoogte dat hij daar geen recht op heeft. De vader heeft recht op een kopie van de schriftelijke aanwijzingen die naar de moeder zijn gestuurd en hij heeft recht op de rapportages over de kinderen. Het is volgens de vader onvoorstelbaar dat er geen rapportages zijn van de periode die vooraf gaat aan de zittingen met betrekking tot de verlenging van de ondertoezichtstelling.

4.1.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan. Er zijn rapportages gemaakt op [datum] 2018 en op [datum] 2019 die naar de vader zijn verstuurd. De jeugdprofessional heeft de vader per e-mail op de hoogte gehouden en heeft wekelijks contact gehad met de partner van de vader. De vader was zelf niet bereikbaar. De jeugdprofessional handhaaft haar standpunt dat zij niet verplicht is de inhoud van een schriftelijke aanwijzing te delen met de andere ouder. De schriftelijke aanwijzing bevatte privacygevoelige informatie over de moeder. De vader is wel op de hoogte gesteld dat de moeder een schriftelijke aanwijzing zou krijgen. Daarmee heeft de jeugdprofessional aan haar plicht als jeugdzorgwerker voldaan.

4.1.5 Het College overweegt het volgende. Uit de stukken is gebleken dat de jeugdprofessional op afdoende wijze, veelal op initiatief van de vader, contact met de vader heeft gezocht om hem te informeren. Zo blijkt uit het overzicht van de contactmomenten dat door de jeugdprofessionals is overgelegd dat de jeugdprofessional veelvuldig e-mailcontact met de vader heeft gehad en dat met de partner van de vader telefonisch contact is geweest. Ook heeft de jeugdprofessional onweersproken gesteld dat zij met de vader heeft afgesproken dat zij telefoongesprekken met de partner van de vader zou voeren en dat deze gesprekken goed zijn verlopen. Dat volgens de vader geen documentatie is ontvangen aan het begin van de hulpverlening, kan de jeugdprofessional niet worden verweten. Zij was toen nog niet bij deze casus betrokken. Uit de door de jeugdprofessional overgelegde stukken blijkt verder dat de vader op [datum] 2019 de jeugdprofessional heeft verzocht om een rapportage die gaat over de terugplaatsing van de jongste dochter. De jeugdprofessional heeft geantwoord dat de vader de rapportage vanuit de GI heeft ontvangen, dat de rapportage over de jongste dochter door [de instelling] wordt verzorgd en dat zij geen rapportage over de moeder kan versturen. Onweersproken is dat de jeugdprofessional de vader heeft geïnformeerd dat er een schriftelijke aanwijzing aan de moeder is gegeven, maar dat zij de inhoud hiervan niet met de vader heeft gedeeld vanwege privacygevoelige informatie over de moeder. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional heeft gemotiveerd waarom zij de inhoud van de schriftelijke aanwijzing niet heeft gedeeld met de vader. Dat de vader het daar niet mee eens is, is duidelijk, maar dat kan niet tot de conclusie leiden dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
De vader is verder van mening dat het onvoorstelbaar is dat er geen rapportages zijn van de periode die vooraf gaat aan de zittingen met betrekking tot de verlenging van de ondertoezichtstelling. De stukken bieden echter geen aanknopingspunten die de stelling van de vader ondersteunen. Verder stelt het College zich op het standpunt dat de vader zelf ook een rol heeft in de communicatie met de jeugdprofessional. Hoewel het begrijpelijk is dat hij het druk heeft met zijn werk, had hij er ook voor kunnen kiezen om contact met de jeugdprofessional op te nemen en haar duidelijk te maken welke rapportages hij mist. Ook de partner van de vader heeft niet aan de jeugdprofessional teruggekoppeld dat de vader bepaalde rapportages niet in zijn bezit had.

4.1.6 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij zich niet heeft gehouden aan de uitspraak van de rechter. De jongste dochter is in oktober 2018 uit huis geplaatst vanwege kindermishandeling. De jongste dochter mocht niet bij de vader worden geplaatst. De kinderrechter heeft op [datum] 2018 bepaald dat de jeugdprofessional onderzoek moest doen naar een mogelijke plaatsing bij de vader en de mogelijkheden voor een plaatsing bij de moeder. De jeugdprofessional heeft dat nagelaten. De jongste dochter is geplaatst bij de moeder. Uit geen enkele rapportage blijkt dat zij veilig is bij de moeder.

4.2.2 De jeugdprofessional voert aan dat de vader over dit onderwerp een klacht heeft ingediend bij de klachtencommissie van de GI. Het oordeel van de klachtencommissie is met name gericht op de periode waarin de jeugdprofessional nog niet bij het gezin was betrokken. De rechter heeft op [datum] 2018 aangegeven dat een verantwoorde thuisplaatsing bij de moeder het uitgangspunt is en dat een onderzoek naar de mogelijkheden bij de vader niet in het belang van de jongste dochter worden geacht. Ook gebeurde zoveel in het gezin dat de jeugdprofessional de prioriteit heeft gelegd bij de veiligheid van de kinderen. Op [datum] 2019 heeft de jeugdprofessional gebeld met [instelling 2] om de thuissituatie bij de vader te beoordelen. [instelling 2] heeft de vader gebeld voor een afspraak maar de vader heeft het afgezegd. De plaatsing van de kinderen bij de vader was geen optie gelet op de bestaande problematiek.

4.2.3 De vader voert in de conclusie van repliek het volgende aan. De jeugdprofessional stelt dat zij sinds oktober 2018 meekijkt maar zij is vanaf september 2018 betrokken bij de kinderen. De uitspraak van de rechter op [datum] 2018 is gebaseerd op wat de jeugdprofessional heeft gezegd. De rechter is ervan uit gegaan dat de gezinsvoogd zich aan de beschikking heeft gehouden en dat zij heeft onderzocht wat nodig was. Maar dat was niet het geval. De terugplaatsing van de jongste dochter is alleen door de rechter geaccordeerd doordat de jeugdprofessional heeft aangegeven dat moeder de opvoedvaardigheden heeft om de jongste dochter op te voeden.
De jeugdprofessional was bevoegd om het onderzoek bij de vader aan te vragen maar zij heeft dat nagelaten. Nu er nieuwe gezinsvoogden zijn wordt het onderzoek bij de vader alsnog verricht. Dat is een signaal dat de jeugdprofessional nalatig is geweest.

4.2.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan. De kinderrechter heeft na de uitspraak van [datum] 2018 bepaald dat de jongste dochter werd teruggeplaatst naar de moeder en dat een onderzoek naar de mogelijkheden bij de vader niet in het belang van de jongste dochter werd geacht. De kinderrechter heeft een beslissing genomen en het advies van de jeugdprofessional daarbij mede in overweging genomen. Het advies is zorgvuldig tot stand gekomen en het onderzoek naar de andere kinderen is niet als enige bij de afwegingen betrokken. De jeugdprofessional heeft geoordeeld, alle omstandigheden in acht nemende, dat het in het belang is van de jongste dochter om bij de moeder te worden teruggeplaatst. De bereidheid van de moeder om hulp aan te nemen en mee te werken aan de voorstellen van de jeugdprofessional speelde tevens een rol.

4.2.5 Het College overweegt het volgende. In de beschikking van [datum] 2018 heeft de kinderrechter onder andere geoordeeld dat ‘een onmiddellijke terugplaatsing bij de moeder niet aan de orde is, daarvoor zal toch eerst beter gekeken moeten worden wat er nodig is om ervoor te zorgen dat de opvoedsituatie bij moeder tegemoet komt aan de beperkingen van [de jongste dochter]. Een onmiddellijke plaatsing van [de jongste dochter] bij de vader acht de kinderrechter evenmin in het belang van [de jongste dochter] omdat een van de ontwikkelingsbedreigingen voor [de jongste dochter] ook gelegen is in de loyaliteitsproblematiek van [de jongste dochter]. Er zal meer zicht verkregen moeten worden wat een plaatsing voor [de jongste dochter] bij vader voor haar zou betekenen’. Uit deze beschikking maakt het College ook op dat de kinderrechter op [datum] 2018 een nieuwe zitting houdt waarvoor zij door de GI wenst te worden geïnformeerd over de actuele stand van zaken en de mogelijkheden van (terug-) plaatsing van de jongste dochter bij één van beide ouders en de resultaten van het onderzoek dat daarvoor is verricht. De jeugdprofessional heeft in de conclusie van dupliek gesteld dat zij vanaf september 2018 op de achtergrond aanwezig was zodat het College ervan uit gaat dat zij sindsdien op de hoogte was van deze casus en hierbij was betrokken. De jeugdprofessional heeft bijna twee maanden, van [datum] 2018 tot aan de zitting van [datum] 2018, de tijd gehad om onderzoek te doen naar de thuissituatie bij de vader. Het onderzoek is echter niet van de grond gekomen. De jeugdprofessional heeft in de conclusie van dupliek aangevoerd dat zij alle omstandigheden in acht heeft genomen, samen met het belang van de jongste dochter en de bereidheid van de moeder om hulp aan te nemen en mee te werken aan de voorstellen van de jeugdprofessional. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional argumenten voor de thuisplaatsing van de jongste dochter bij de moeder heeft genoemd, maar het College mist de stappen en de overwegingen van de jeugdprofessional om in deze periode ook onderzoek bij de vader te (laten) verrichten. Van de jeugdprofessional mag worden verwacht dat zij aan het College duidelijk maakt waarom zij de plaatsing bij de vader niet heeft onderzocht. Uit de beschikking van de rechtbank van [datum] 2018, de beslissing van de Klachtencommissie en het overzicht van de contactjournaals, maakt het College op dat de jeugdprofessional contact heeft opgenomen met verschillende instanties en met de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) voor het onderzoek naar de opvoedingssituatie bij de vader. De instanties hebben aangegeven niets te kunnen betekenen. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional in deze casus heeft nagelaten om met de verschillende organisaties om de tafel te zitten en met hen de alternatieven te bespreken. Zij heeft nagelaten om in deze casus stelling in te nemen en zich te positioneren. Een onderzoek naar de thuissituatie bij de vader hoeft niet alleen via de RvdK plaats te vinden, zoals de jeugdprofessional tijdens de zitting van [datum] 2018 bij de rechtbank heeft gesteld, maar kan ook op andere manieren worden onderzocht.
Het College komt tot de conclusie dat de jeugdprofessional onvoldoende regie heeft genomen om een onderzoek naar de thuissituatie bij de vader te bewerkstelligen. Zij heeft nagelaten om binnen de wettelijke kaders te zoeken naar mogelijkheden om de ouderrol vorm te geven. Artikel E (respect) van de Beroepscode is geschonden. Tot slot heeft de jeugdprofessional in het verweerschrift aangevoerd dat zij voor een onderzoek naar de thuissituatie van de vader contact heeft opgenomen met [instelling 2]. Het College oordeelt dat het contact in 2019 heeft plaatsgevonden en ziet op een andere periode.

4.2.6 Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

4.3 Klachtonderdeel 3

4.3.1 Volgens de vader is de jeugdprofessional niet meer objectief. De jeugdprofessional heeft niet opgetreden toen de moeder zich niet hield aan haar maandelijkse informatieplicht. Toen de vader door onmacht de kinderen niet kon ophalen, heeft hij een vooraankondiging van een schriftelijke aanwijzing en een schriftelijke aanwijzing ontvangen. Zowel de moeder als de jeugdprofessional hebben niet mee willen werken aan opties die wel mogelijk waren. De jeugdprofessional houdt zich alleen ten aanzien van de vader aan de omgangsregeling. Ook is er direct bij de moeder hulpverlening ingezet en is bij de vader geen hulpverlening geweest. De jeugdprofessional is niet bij de vader op huisbezoek geweest. De jeugdprofessional heeft niets gedaan aan de onveilige situatie bij de moeder.

4.3.2 De jeugdprofessional voert aan dat de vader een schriftelijke aanwijzing heeft gekregen omdat hij de kinderen niet kwam ophalen. De jeugdprofessional heeft later de schriftelijke aanwijzing bij de rechtbank ingetrokken. Het is niet juist dat de jeugdprofessional alleen schriftelijke aanwijzingen aan de vader heeft gegeven. De moeder heeft een schriftelijke aanwijzing ontvangen op [datum] 2019. De vader is hiervan op de hoogte gesteld. Ook is aan de moeder een aankondiging van een schriftelijke aanwijzing gestuurd op [datum] 2019. De jeugdprofessional heeft de moeder aangesproken op haar informatie plicht aan de vader. Het is juist dat de jeugdprofessional niet bij de vader op huisbezoek is geweest. De jeugdprofessional heeft het vlak voor de zomer van 2019 wel telefonisch aangeboden maar het is niet van een bezoek gekomen. De jeugdprofessional betreurt dat ook. De thuissituatie bij de moeder en de veiligheid van de kinderen had de prioriteit.

4.3.3 De vader is in de conclusie van repliek niet ingegaan op het verweer waardoor de jeugdprofessional in de conclusie van dupliek geen reactie heeft gegeven.

4.3.4 Het College overweegt dat uit de stukken niet kan worden afgeleid dat de jeugdprofessional niet objectief is geweest. De jeugdprofessional heeft onweersproken gesteld dat de moeder aangesproken is op haar informatieplicht aan de vader. Hoewel het beter was geweest als de jeugdprofessional bij de vader op huisbezoek was gegaan en ook bij hem hulpverlening had ingezet, is het begrijpelijk dat zij, gelet op alle ontwikkelingen in deze zaak, de prioriteit heeft gegeven aan de thuissituatie bij de moeder en de veiligheid van de kinderen. Verder weegt het College mee dat de vader zelf ook een verantwoordelijkheid heeft. Op het moment dat hij vond dat een huisbezoek of hulpverlening wenselijk was en dat de kinderen bij de moeder onveilig waren, had hij of zijn partner het gesprek met de jeugdprofessional aan kunnen gaan door een afspraak te maken of met haar te bellen.

4.3.5 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.4 Klachtonderdeel 4

4.4.1. De vader is van mening dat het veiligheidsplan niet wordt nageleefd. De jeugdprofessional heeft op [datum] 2019 een veiligheidsplan opgesteld. Hieruit volgt dat de kinderen niet in een veilige situatie leven. Op [datum] 2019 heeft een zitting bij het gerechtshof plaatsgevonden. De vader wist niet dat er een veiligheidsplan was opgesteld omdat de jeugdprofessional deze op [datum] heeft gemaild. Tijdens de zitting heeft de jeugdprofessional aangegeven dat de hulpverlening door de moeder wordt geaccepteerd maar dat is niet het geval. De hulpverlening is na de zomervakantie niet meer in contact geweest met de kinderen aangezien de moeder dit weigerde.

4.4.2 De jeugdprofessional voert aan dat er zich op [datum] een incident bij de moeder heeft voorgedaan. De jeugdprofessional was toen op vakantie. De waarneemster heeft de veiligheidsproblemen telefonisch met de partner van de vader besproken. De jeugdprofessional heeft de vader op [datum] uitgenodigd voor een evaluatiegesprek om de veiligheid van de kinderen te bespreken. De vader heeft het gesprek afgezegd. De jeugdprofessional is van mening dat de vader tijdens de zitting van het hoger beroep op [datum] 2019 wel op de hoogte was dat de veiligheidssituatie bij de moeder een aandachtspunt was en dat hij daarover zelf melding had kunnen maken bij de rechter. De jeugdprofessional heeft geen aanleiding gezien om hierover ter zitting een opmerking te maken. Zij heeft hierover geen gerichte vragen ontvangen en de moeder werkte nog steeds mee aan de hulpverlening.

4.4.3 De vader heeft in de conclusie van repliek aangevoerd dat hij tijdens de zitting van [datum] 2019 heeft aangegeven dat de kinderen niet veilig zijn bij de moeder. De jeugdprofessional heeft gezegd dat de moeder meewerkt aan de hulpverlening. Als de jeugdprofessional naar voren had gebracht dat de moeder niet meewerkte en dat de veiligheidsscore laag was, had de uitspraak anders kunnen zijn. In het veiligheidsplan is opgenomen dat de moeder het volgende heeft gezegd: ‘de draagkracht tegenover de kinderen is op. Ik ben ze liever kwijt dan rijk’. De jeugdprofessional heeft niet ingegrepen bij de zeer zorgelijke situatie.

4.4.4. De jeugdprofessional heeft in de conclusie van dupliek het volgende aangevoerd. De jeugdprofessional beschikt als professional over een zekere handelingsruimte om de richting van het handelen in complexe situaties te bepalen. Zij is zich bewust van de verantwoordelijkheid die zij draagt. De situatie kan veranderen en om aanpassing vragen. Op [datum] 2019 heeft zich een incident bij de moeder voorgedaan. De jeugdprofessional erkent dat de situatie bij de moeder zorgelijk werd en heeft om die reden een veiligheidsplan opgesteld en de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven. De jeugdprofessional onderkent de problemen. Het feit dat nu onderzoek gedaan wordt naar de situatie van de vader duidt niet op nalatig handelen maar op het bijstellen van plannen in een nieuwe situatie vanwege nieuwe ontwikkelingen.

4.4.5 Het College overweegt het volgende. Onweersproken is dat de waarneemster van de jeugdprofessional de partner van de vader heeft geïnformeerd over het incident bij de moeder. Ook is de vader op [datum] 2019 uitgenodigd voor een evaluatiegesprek om de veiligheid van de kinderen te bespreken maar hij heeft dat afgezegd. Uit de conclusie van repliek maakt het College op dat de vader de veiligheid van de kinderen tijdens de zitting van [datum] bespreekbaar heeft gemaakt en dat de jeugdprofessional volgens hem ten onrechte heeft gezegd dat de moeder meewerkt aan de hulpverlening. Volgens de jeugdprofessional werkte de moeder op dat moment mee aan de hulpverlening. Nu partijen elkaar tegenspreken kan het College niet vaststellen of de moeder voldoende heeft meegewerkt aan de hulpverlening en of het veiligheidsplan voldoende is nageleefd. Ook in de stukken heeft het College geen aanknopingspunten gevonden die de stelling van de vader ondersteunen.

4.4.6 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.5 Conclusie

4.5.1 Het College komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot klachtonderdeel 2 tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld waardoor artikel E (respect) van de Beroepscode is geschonden. De jeugdprofessional heeft nagelaten om in de periode tussen oktober en december 2018 onderzoek te doen naar de thuissituatie van de vader. De jeugdprofessional heeft ten aanzien van dat onderzoek wel acties ondernomen, maar zij heeft nagelaten om de regie te nemen om er voor te zorgen dat het onderzoek conform de beschikking van [datum] 2018 zou plaatsvinden. Dat had bijvoorbeeld gekund door een bijeenkomst te organiseren met alle betrokken hulpverleners en de RvdK.

4.5.2 Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid en de op te leggen maatregel overweegt het College dat de jeugdprofessional heeft gewerkt in een complexe casus waarbij de ouders niet of nauwelijks met elkaar communiceerden. Ook was er veel hulpverlening bij het gezin van de moeder betrokken, zijn er incidenten geweest en is de jongste dochter uit huis geplaatst. Verder weegt het College mee dat de jeugdprofessional niet heeft gereflecteerd op haar handelen terwijl de klachtencommissie op [datum] 2019 klachten van de vader gegrond heeft verklaard. De jeugdprofessional heeft slechts in het verweerschrift aangegeven dat het oordeel van de klachtencommissie met name gericht is op de periode waarin de jeugdprofessional nog niet bij het gezin was betrokken. Dit alles overwegende acht het College het passend en geboden om aan de jeugdprofessional een maatregel van waarschuwing op te leggen.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdeel 2 gegrond;
  • verklaart klachtonderdelen 1, 3 en 4 ongegrond;
  • legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College en op 29 juni 2020 aan partijen toegezonden.

 

mevrouw mr. S.C. van Duijn                                                       mevrouw mr. A.C. Veerman

voorzitter                                                                                        secretaris