Een jeugdbeschermer heeft niet gehandeld in overeenstemming met de wettelijke kaders die gelden rondom het geven van schriftelijke aanwijzingen

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. M.A. Stammes, voorzitter,
de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager], klager, hierna te noemen: de vader, wonende te [plaats],

op 10 december 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[de jeugdprofessional], hierna te noemen: de jeugdprofessional, voorheen werkzaam als jeugdbeschermer bij [de GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

De vader wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde de heer M.E. Kranenburg, werkzaam bij AKJ.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. K.M. ten Pas, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift ontvangen op 10 december 2020;
  • het verweerschrift ontvangen op 16 maart 2021.

1.2 De digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 1 juli 2021 in aanwezigheid van de vader, de jeugdprofessional en de hiervoor genoemde gemachtigden. De klacht is gezamenlijk behandeld met de klacht in zaaknummer 20.525Tb.

1.3 Op 24 juni 2021 zijn partijen bericht dat de oorspronkelijke voorzitter wegens overmacht onverhoopt is verhinderd tijdens de mondelinge behandeling van de klacht. In het belang van de voortgang van de procedure is besloten de voorzitter te vervangen door de heer mr. M.A. Stammes. Partijen zijn erop gewezen dat de heer Stammes gebruikelijk de voorzitter is van het College van Beroep, maar in deze zaak enkel zal optreden als voorzitter van het College van Toezicht. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om tegen de wijziging van de voorzitter bezwaar te maken, maar hebben dit niet gedaan.

1.4 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2     De feiten

Het College gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft twee minderjarige kinderen: een dochter die is geboren in 2007 en een zoon die is geboren in 2009. De relatie tussen de ouders is beëindigd. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen. De kinderen wonen bij de moeder.

2.2 De kinderrechter heeft op 1 mei 2018 de kinderen onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd.

2.3 De GI heeft de kinderrechter verzocht om de zorgregeling die op 15 april 2015 is vastgesteld, te wijzigen. Op 29 oktober 2018 heeft de kinderrechter de zorgregeling gewijzigd en heeft – kort weergegeven – bepaald dat de kinderen in de even weken van woensdagmiddag tot donderdagochtend en het weekend in de oneven weken bij de vader verblijven. De vakanties bepalen de ouders in onderling overleg.

2.4 De jeugdprofessional is op 19 maart 2019 belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling over de zoon. Haar collega, tevens beklaagde in zaaknummer 20.525Tb, is vanaf 1 november 2019 belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling over de dochter en vanaf deze datum hebben de jeugdprofessionals in de casus samengewerkt.

2.5 Op 22 januari 2020 hebben de jeugdprofessional en haar collega een vooraankondiging schriftelijke aanwijzing gestuurd. Reden hiervoor is dat de GI het voornemen heeft om op grond van artikel 1:265f van het Burgerlijk Wetboek een omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en de kinderen die bestaat uit een bezoekfrequentie van een keer per veertien dagen op de woensdagmiddag anderhalf uur. De bezoeken worden begeleid en zijn op een neutrale plek.

2.6 Van 27 januari 2020 tot en met 12 februari 2020 was de jeugdprofessional in verband met vakantie afwezig.

2.7 Op 29 januari 2020 heeft de advocaat van de vader telefonisch contact gehad met de collega van de jeugdprofessional en heeft de advocaat vervolgens een e-mail gestuurd aan beide jeugdprofessionals. In dit e-mailbericht maakt de advocaat kenbaar dat de vader zich op inhoudelijke en formele punten niet met de vooraankondiging schriftelijke aanwijzing kan verenigen. De advocaat stelt zich – kort weergegeven – op het standpunt dat de GI in dit geval geen schriftelijke aanwijzing kan geven op grond van artikel 1:265f van het Burgerlijk Wetboek aangezien er geen sprake is van een uithuisplaatsing.

2.8 Op 29 januari 2020 is de schriftelijke aanwijzing aan de vader verzonden.

2.9 Op 30 januari 2020 erkent de collega van de jeugdprofessional dat de schriftelijke aanwijzing niet juist is en dat er een verzoekschrift wordt ingediend bij de kinderrechter om de zorgregeling te wijzigen.

2.10 De jeugdprofessional stond in de periode van [datum]2019 tot [datum] 2020 als jeugd- en gezinsprofessional in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) geregistreerd. Met ingang van [datum]2021 is zij heringetreden in het register en staat zij met ingang van die datum (weer) als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of een jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het (beroepsmatig) handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

De twee in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk en samengevat weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De jeugdprofessional heeft verwijtbaar onzorgvuldig gehandeld met betrekking tot de omgang.

Toelichting:
De vader is van mening dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, doordat zij een vooraankondiging schriftelijke aanwijzing heeft afgegeven. De jeugdprofessional heeft eerst een vooraankondiging gegeven en is pas later gaan uitzoeken of daar een bevoegdheid voor was. De vader stelt dat dit verwijtbaar onzorgvuldig is. Van een jeugdprofessional mag worden verwacht dat wanneer deze rechten van een ouder wil inperken, hij of zij daar zeer zorgvuldig mee omgaat.

4.1.2 De jeugdprofessional erkent dat zij de vooraankondiging schriftelijke aanwijzing niet had mogen geven. De jeugdprofessional was in januari 2020 nog maar kort werkzaam als jeugdbeschermer. Zij heeft de instructies van een ervaren collega opgevolgd en op zijn verzoek de vooraankondiging schriftelijke aanwijzing opgesteld. De jeugdprofessional heeft zich hierbij niet gerealiseerd dat dit niet de juiste weg was om de zorgregeling te wijzigen. Het spijt de jeugdprofessional dat dit zo is gelopen en de gemaakte fout is direct hersteld.

4.1.3 Het College overweegt over dit klachtonderdeel als volgt. Het geven van de (vooraankondiging) schriftelijke aanwijzing is niet zorgvuldig verlopen, wat de jeugdprofessional ook heeft erkend. De jeugdprofessional heeft niet gehandeld in overeenstemming met de wettelijke kaders die gelden rondom het geven van schriftelijke aanwijzingen. In zoverre is het College van oordeel dat de jeugdprofessional hiermee artikel B (Bevordering deskundigheid) van de Beroepscode voor de Jeugd- en gezinsprofessional, hierna: de Beroepscode, heeft geschonden. Doordat zij alleen betrokken is geweest bij het geven van de vooraankondiging schriftelijke aanwijzing en zij daarna wegens vakantie afwezig is geweest, blijft het tuchtrechtelijk verwijt dat haar kan worden gemaakt beperkt. Hierbij overweegt het College voor de volledigheid ten overvloede dat haar collega, beklaagde in zaaknummer 20.525Tb, na het ontdekken van de fout direct heeft gehandeld om de fout te herstellen en heeft gezorgd dat de GI de advocaatkosten van de vader heeft vergoed.

4.1.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De jeugdprofessional betrekt de vader niet of niet naar behoren bij het opstellen van rapportages en schendt de privacy door de rapportage naar de advocaat van de vader te sturen.

Toelichting:
De vader is vooraf niet betrokken bij het opstellen van de [GI]-rapportage van 16 januari 2020. Tenzij er gegronde redenen zijn, behoort de rapportage vooraf met beide ouders besproken te worden, waarna hun mening in het document wordt opgenomen. De jeugdprofessional heeft dat niet gedaan, omdat de vader zou weigeren met de jeugdprofessional te praten. De vader maakt kenbaar dat hem nooit is gevraagd om over de [GI]-rapportage te praten of om naar een conceptversie te kijken. Het klopt dat de samenwerking tussen de vader en de jeugdprofessional niet optimaal was, mogelijk heeft de vader ooit weleens in een ander kader gezegd dat hij haar niet wilde spreken. Dit betrof echter niet de [GI]-rapportage. De jeugdprofessional heeft niet eens een poging gedaan om een gesprek te plannen over de rapportage. Om dit af te vangen heeft de jeugdprofessional de rapportage ongevraagd aan de advocaat van de vader gestuurd. Dit is onzorgvuldig aangezien de jeugdprofessional niet zeker kon weten of het nog de advocaat van de vader betrof.

4.2.2 De jeugdprofessional stelt dat zij niet in contact kwam met de vader. Op eerdere stukken die de jeugdprofessional aan de vader heeft toegestuurd, werd niet gereageerd. Aangezien de jeugdprofessional het belangrijk vond dat de [GI]rapportage bij de vader onder de aandacht kwam, heeft zij deze kans willen vergoten en de rapportage naar de advocaat van de vader gestuurd. Dit heeft zij ook gedaan, omdat de advocaat van de vader tijdens de zitting op 9 januari 2020 heeft gevraagd om in het vervolg alle stukken rechtstreeks naar haar te sturen. Indien dit niet langer de bedoeling was dan had het op de weg van de vader en/of de advocaat gelegen om dit uitdrukkelijk aan de jeugdprofessional kenbaar te maken. De jeugdprofessional ziet echter in dat zij de rapportage ook rechtstreeks aan de vader had moeten sturen en hem in de gelegenheid had moeten stellen om hierop te reageren.

4.2.3 Het College overweegt over het klachtonderdeel als volgt. Partijen spreken elkaar tegen over de mate waarin er tussen partijen contact tot stand heeft kunnen komen. Wel heeft de vader in zijn klaagschrift erkend dat de samenwerking niet optimaal was en dat hij mogelijk, in een ander kader, heeft gezegd niet met de jeugdprofessional te willen spreken. De jeugdprofessional heeft op haar beurt toegelicht dat zij juist vanwege de importantie van de [GI] rapportage het van belang vond dat de vader deze rapportage tijdig zou ontvangen en hierop kon reageren. Dat zij vervolgens ervoor heeft gekozen om de rapportage naar de advocaat van de vader te sturen, acht het College gelet op de omstandigheden niet onzorgvuldig. De jeugdprofessional heeft onbetwist gesteld dat de advocaat van de vader kort voor het versturen van de rapportage nog als advocaat betrokken was tijdens een zitting. Daarnaast heeft de vader het standpunt van de jeugdprofessional, dat de advocaat had verzocht om alle stukken (ook) rechtstreeks naar haar te sturen, onvoldoende betwist. Het College is concluderend van oordeel dat het beter was geweest als de jeugdprofessional de stukken ook naar de vader had gestuurd, maar dat het te ver voert om de jeugdprofessional ten aanzien hiervan een tuchtrechtelijk verwijt te maken. 

4.2.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.3 Conclusie

4.3.1 Het College komt tot de slotsom dat de jeugdprofessional met haar handelen rondom het geven van de vooraankondiging schriftelijke aanwijzing (klachtonderdeel 1) artikel B (Bevordering deskundigheid) van de Beroepscode heeft geschonden. Het College overweegt echter dat het een eenmalige misslag van de jeugdprofessional betreft, zij dit handelen heeft erkend en dat het tuchtrechtelijk verwijt beperkt is. Gelet hierop ziet het College geen aanleiding om aan de jeugdprofessional een tuchtrechtelijke maatregel op te leggen.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdeel 1 gegrond;
  • verklaart klachtonderdeel 2 ongegrond;
  • ziet af van het opleggen van een maatregel aan de jeugdprofessional.

Aldus gedaan door het College en op 12 augustus 2021 aan partijen toegezonden.

 

de heer mr. M.A. Stammes,
voorzitter

mevrouw mr. T. Kuijs,
secretaris