Een jeugdbeschermer heeft – onder meer – te vrijblijvend en onzorgvuldig gehandeld na de melding van een seksueel incident bij een jeugdige, heeft een voorbarige toezegging gedaan over een terugplaatsing van een jeugdige en zelf toestemming gegeven aan een tante de kinderen mee te nemen op een vakantie.

19.479Ta Beslissing van het College van Toezicht van het Kwaliteitsregister Jeugd van 15 oktober 2020

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,

mevrouw mr. C.M.H.M. van Lent, lid-jurist,

de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,

de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,

de heer W.L. Scholtus, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[GI], gevestigd te [plaats], hierna te noemen: de GI,

op 1 november 2019 ingediende klaagschrift tegen:

[Jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, voorheen werkzaam als jeugd- en gezinsprofessional bij de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

De GI wordt in deze zaak vertegenwoordigd door [leidinggevende], leidinggevende bij de GI, bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde], werkzaam bij de GI.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. P.R. Klaver, werkzaam als advocaat te [plaats].

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift, ontvangen op 1 november 2019;
  • het verweerschrift, ontvangen op 8 januari 2020;
  • het rapport (‘toezichttraject’) van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd over de GI, dat tijdens de mondelinge behandeling door de gemachtigde van de jeugdprofessional – met instemming van de GI – is ingebracht.

1.2 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2020 in aanwezigheid van de leidinggevende, de jeugdprofessional en de hiervoor genoemde gemachtigden.

1.3 Tijdens deze mondelinge behandeling heeft de voorzitter partijen bericht dat op grond van artikel 10.3 van het Tuchtreglement besloten is om de termijn voor het verzenden van de beslissing met vier weken te verlengen. De beslissing is op 15 oktober 2020 aan partijen verzonden.

2     De feiten

Het College gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De jeugdprofessional is van maart 2019 tot september 2019 in dienst geweest van de GI in de functie van jeugd- en gezinsprofessional. Zij is gestart in opleiding. De jeugdprofessional is daarvoor zeventien jaar (jeugd)verpleegkundige geweest.

2.2 De jeugdprofessional heeft werkbegeleiding ontvangen van de gebiedsmanager en een mentor toegewezen gekregen.

2.3 De jeugdprofessional is tijdens haar dienstverband bij de GI betrokken geweest bij een aantal jeugdigen (lees ook: kinderen) en hun gezinnen. Bij alle jeugdigen was sprake van een ondertoezichtstelling en/of een uithuisplaatsing.

2.4 Vanaf 7 mei 2019 heeft de jeugdprofessional extra praktijkondersteuning gekregen.

2.5 Eind mei 2019 heeft de GI in een driemaandelijkse evaluatie aan de jeugdprofessional verteld niet voornemens te zijn de arbeidsovereenkomst na 1 september 2019 te verlengen.

2.6 Vanaf 5 juli 2019 is de jeugdprofessional volledig vrijgesteld van haar werkzaamheden en heeft zij haar taken overgedragen.

2.7 Op 12 juli 2019 heeft de jeugdprofessional vakantie opgenomen. Tijdens deze vakantie heeft er een afsluitend gesprek plaatsgevonden tussen de jeugdprofessional en de leidinggevende.

2.8 Op of omstreeks 5 augustus 2019 heeft de jeugdprofessional haar spullen bij de GI ingeleverd.

2.9 Op 29 augustus 2019 heeft de GI de jeugdprofessional schriftelijk geïnformeerd een tuchtklacht te overwegen. De GI heeft in de brief, onder meer, verklaard: “Na jouw laatste werkdag zijn er naar onze mening nog meer ernstige feiten en kwesties naar boven gekomen voor wat betreft je functioneren en de bijbehorende gedrags- en veiligheidsregels als jeugdzorgwerker. Uit de informatie die wij nu verkregen hebben blijkt dat jouw handelwijze de veiligheid van kinderen ernstig in het geding heeft gebracht. Hierdoor is onze betrouwbaarheid als organisatie in diskrediet gesteld naar ouders en samenwerkingspartners.”

2.10 Op 4 november 2019 heeft de GI de jeugdprofessional schriftelijk geïnformeerd over het besluit om tegen de jeugdprofessional een tuchtklacht in te dienen.

2.11 De jeugdprofessional is sinds [datum] 2019 als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessionals (verder te noemen: de Beroepscode), de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

4.1 De GI heeft elf klachtonderdelen aangevoerd, die afzonderlijke casussen betreffen. Samengevat verwijt de GI de jeugdprofessional dat zij:

  • heeft nagelaten een seksueel incident te registreren (klachtonderdeel 1);
  • ten onrechte een consultatie met/advies van de gedragswetenschapper heeft geregistreerd, en ouders heeft gedwongen een ouderschapsplan te ondertekenen (klachtonderdeel 2);
  • een beschikking tot uithuisplaatsing niet heeft uitgevoerd (klachtonderdeel 3);
  • nog na de beëindiging van haar werkzaamheden een aanmelding bij een zorgaanbieder heeft ingetrokken (klachtonderdeel 4);
  • nog na de overdracht van een casus aan een collega contact met de ouders heeft opgenomen (klachtonderdeel 5);
  • zich er onvoldoende van heeft vergewist wat haar verantwoordelijkheden en bevoegdheden waren (klachtonderdelen 6 en 11 in samenhang);
  • niet tijdig een schriftelijke aanwijzing heeft gestuurd, en niet tijdig de hulpverlening heeft verlengd (klachtonderdeel 7);
  • klagende ouders niet heeft geïnformeerd en onder druk gezet, en in privétijd op een verjaardag bij een ouder is geweest (klachtonderdeel 8);
  • heeft nagelaten zorgen vast te leggen van – onder meer – de huisarts, het consultatiebureau en de pleegzorg (klachtonderdeel 9);
  • heeft nagelaten diverse zorgaanbieders terug te bellen (klachtonderdeel 10);
  • in een contactjournaal heeft verwezen naar een medische verklaring in het digitale dossier, die daarin niet was opgenomen (klachtonderdeel 12);
  • kindcontacten niet, althans onvoldoende heeft geregistreerd (klachtonderdeel 13).

4.2 De jeugdprofessional heeft daartegen, in zijn algemeenheid, het volgende aangevoerd:

Alle aantijgingen van de GI zijn gerelateerd aan de onwetendheid van een beginnend jeugdprofessional. Op 1 maart 2019 is de jeugdprofessional aangenomen en intern in opleiding gegaan. Bij de startbijeenkomst heeft één van de directeuren van de GI letterlijk gezegd: “Welkom nieuwe jeugdzorgwerkers, het is een uitdaging om jullie te behouden.” Er zijn dertig medewerkers gestart en drie maanden later waren er slechts vijftien personen over. De praktijk was traumatisch, de druk enorm. Er was een overvloed aan casuïstiek, bedreigingen en hameren op procedures, die nauwelijks te vinden waren in de verwarrende systemen en registratieregels van de GI.

De jeugdprofessional heeft kritische vragen gesteld aan de mentor, de leidinggevende en aan directe collega’s, maar veel antwoorden heeft zij niet gekregen. Vragen over hoe de contacten moesten worden vastgelegd, welk label eraan moest worden gehangen en welke informatie moest worden genoteerd, werden door niemand beantwoord. Zij wist niet wat zij in het systeem moest registreren en welke handelingen waar te vinden waren in het handboek en de zogenaamde ‘apptegels’ van de GI. Als de jeugdprofessional een afspraak had gemaakt met de toegewezen gedragswetenschapper, bleek deze zich tot twee keer toe ziek te hebben gemeld. De jeugdprofessional was nog in opleiding en daarom kon zij niet op de hoogte zijn van alle procedures. Zij heeft geprobeerd zorgvuldig, afwegend en onderzoekend te handelen en te kijken naar wat passend was voor het kind. Daarbij heeft zij nooit alleen gehandeld, maar altijd gespard met een collega, met de (pleeg)ouders, de netwerkpartners en de gedragswetenschapper (intern en extern). Tevens heeft zij in alle gevallen gehandeld vanuit de Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling. Omdat de jeugdprofessional toch vaak een besluit moest nemen, heeft zij dat altijd gedaan met inachtneming van de veiligheid van het kind op dat moment.

Als voorheen reflecterend (jeugd)verpleegkundige, heeft zij het kind nooit uit het oog verloren. De jeugdprofessional durfde echter buiten de kaders te denken, heeft bemoeizorg toegepast en successen gedeeld. De jeugdprofessional kan niet geloven dat zij het kind in gevaar zou hebben gebracht en met de slechts mogelijke machtsbedoelingen zou hebben gehandeld.

De aan de jeugdprofessional toegewezen externe praktijkbegeleider heeft gezien dat zij worstelde. Aan haar durfde de jeugdprofessional te vertellen dat zij verstrikt was geraakt in alle procedures en systemen. Het voorstel van de praktijkbegeleider om aan te sluiten bij een casuïstiekbespreking op 11 juni 2019 om haar gevoelens te bespreken, is door de leidinggevende echter als irrelevant weggewoven.

De jeugdprofessional is vastgelopen in het systeem. Zij is overspoeld door zaken en wist niet precies wat de procedures waren binnen het gedwongen kader. Zij heeft de registratie zeker niet willens en wetens verkeerd gedocumenteerd. Elk kind waar zij verantwoordelijk voor was, heeft zij in beeld gebracht. Zij heeft vele hulpverleners en netwerkpartners te woord gestaan. Zij heeft met de beste bedoelingen haar werk uitgevoerd.

Spelregels zijn noodzakelijk; formats, protocollen en handboeken zijn behulpzaam bij de uitvoering van werkzaamheden maar mogen geen doel op zichzelf zijn. Registratie van het proces is noodzakelijk om de vorderingen inzichtelijk te maken en de juiste interventies te plegen. Een elektronisch dossier moet transparant zijn en het IT-systeem moet werkbaar zijn.

De jeugdprofessional heeft in een telefoongesprek op 4 september 2019 voorgesteld het bovenstaande te bespreken met de directeur van de GI en haar leidinggevende, onder leiding van een mediator. Daar is niet op gereageerd. De jeugdprofessional heeft veel inspanningen geleverd en geprobeerd grip te krijgen op de onmenselijke hoeveelheid werk met nauwelijks goede en inhoudelijke begeleiding. De casussen, die door de GI naar voren zijn gebracht, zijn volgens de jeugdprofessional uit hun context gehaald.

4.3. Het College zal nu overgaan tot een beoordeling van de afzonderlijke klachtonderdelen.

4.4 Klachtonderdeel 1

4.4.1 De GI verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft nagelaten om, zoals de procedure voorschrijft, een seksueel incident te registreren en te bespreken met de gedragswetenschapper. Zij heeft het incident enkel als ‘wegloopincident’ geregistreerd. De jeugdige had sporen van seks en daarom had onderzocht moeten worden of er sprake was van een verkrachting.

De beschrijving van het incident (vermoeden van seksueel contact) is eerst achteraf en door de leidinggevende aan het dossier toegevoegd.

4.4.2 De jeugdprofessional voert daartegen het volgende aan:

Het normaliseren van pubergedrag blijft een uitdaging. Als iemand onveilige seks heeft gehad, laat je een SOA-test doen. Dit is ook gebeurd en opgevolgd in de beschreven casuïstiek. Exploratiegedrag van een pubermeisje moet gestimuleerd worden. Weglopen uit een instelling is gezond. Een eerste seksuele ervaring ook. Het is de kunst om daarna in gesprek te gaan met de jeugdige. Dit heeft de jeugdprofessional gedaan en daarna heeft zij passend en in overleg gehandeld. Zij heeft ook vragen gesteld over wat de jeugdige van haar ervaring meeneemt. Na haar vertrek is de jeugdige in een gesloten instelling terechtgekomen en dat vindt de jeugdprofessional erg. Haar visie hoort duidelijk thuis in het vrijwillige kader, waar het acceptabel is dat er wel eens buiten de lijntjes wordt gekleurd. Vervolgens kan je het daar met elkaar over hebben, om gezamenlijk te besluiten of hulp of inzet van het netwerk noodzakelijk is. Dat is met elkaar in verbinding staan.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de jeugdprofessional benadrukt dat zij wel degelijk actie heeft ondernomen; zij heeft de zaak ingebracht in de casuïstiekbespreking, een verslag geschreven voor de rechtbank, een plan bijgewerkt en hierover contact gehad met de jeugdige en de ouders. Zij heeft het ook besproken, mogelijk met de gedragswetenschapper van [de instelling 1]. Omdat zij pas drie weken in dienst was, moest zij echter nog leren hoe zij de informatie moest verwerken.

4.4.3 Het College overweegt als volgt:

Het College is van oordeel dat niet, althans onvoldoende is gebleken dat de jeugdprofessional het seksueel incident serieus heeft genomen en daarop zorgvuldig heeft gehandeld. Haar opmerkingen dat exploratiegedrag van een pubermeisje gestimuleerd moet worden en weglopen uit een instelling, evenals een eerste seksuele ervaring, gezond is, wijzen er niet op dat zij de ernst van de situatie heeft ingezien. Inzicht in de acties die zij naar aanleiding van het incident heeft ondernomen, heeft de jeugdprofessional niet gegeven. Zij kan zich niet meer herinneren welke gedragswetenschapper zij hierover heeft gesproken, die van de GI of van [de instelling 1].
Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional in deze casus onvoldoende verantwoordelijkheid genomen. Nu er mogelijk sprake was van directe onveiligheid voor de jeugdige had zij – bijvoorbeeld – het opstellen van een veiligheidsplan kunnen overwegen, of de stappen uit de Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling kunnen volgen. Door haar vrijblijvende manier van handelen, is naar het oordeel van het College artikel E (Respect) van de Beroepscode geschonden. Dat artikel houdt in dat de jeugdprofessional de jeugdige cliënt met diens kwetsbaarheid, groeiende zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid dient te respecteren. ‘Respect’ kan in situaties waarin het welzijn van kwetsbare jeugdigen wordt bedreigd ook actieve bescherming betekenen en dat was naar het oordeel van het College in dit geval op zijn plaats geweest. Daarbij is het College van oordeel dat artikel K (Vermoeden van kindermishandeling) van de Beroepscode is geschonden. Bij een vermoeden van fysiek of psychisch geweld dient een jeugd- en gezinsprofessional conform de beroepsstandaard te handelen, wat onder meer inhoudt dat hij of zij relevant overleg voert. De jeugdprofessional heeft gesteld dat zij met de jeugdige heeft gesproken over haar ervaring en met de ouders, maar het is niet helder geworden of zij daarnaast ook met andere relevante betrokkenen contact heeft gehad of met welke gedragswetenschapper zij heeft gesproken. Zij heeft met andere woorden onvoldoende aangetoond dat zij in deze casus relevant overleg heeft gevoerd. Daardoor kon geen inschatting van de veiligheid van de jeugdige gemaakt worden, noch kon beoordeeld worden of passende hulp georganiseerd zou moeten worden. Door haar handelwijze heeft zij evenmin het vertrouwen in de jeugdhulp bevorderd, waardoor ook artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode is geschonden.

Haar (algemene) verweer dat zij als beginnend jeugdprofessional onwetend is, leidt niet tot een ander oordeel. Ook van een beginnend jeugdprofessional mag worden verwacht dat zij de ernst van een dergelijk incident inziet en daarop passende maatregelen neemt, dan wel, als zij daar (nog) niet mee bekend is, actief naar die passende maatregelen informeert en/of haar leidinggevende daarbij betrekt.

4.4.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

4.5 Klachtonderdeel 2

4.5.1 De GI verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft een consultatie met/advies van de gedragswetenschapper geregistreerd met betrekking tot een akkoord voor terugplaatsing van een jeugdige. De gedragswetenschapper legt consulatie/advies altijd zelf vast in een bepaald programma en heeft verklaard dat er geen overleg met de jeugdprofessional heeft plaatsgevonden. De jeugdprofessional heeft de procedure niet gevolgd, niet overlegd, zelfstandig besloten en geen toetsing gevraagd aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de RvdK).

Daarnaast heeft de jeugdprofessional een ouderschapsplan opgesteld waarbij zij in een e-mailbericht aan de ouders heeft aangegeven dat – wanneer zij dit niet ondertekenen – zij een schriftelijke aanwijzing zal afgeven. Het dwingen tot tekenen van een ouderschapsplan is oneigenlijk gebruik van macht. Bovendien heeft de jeugdprofessional zich ook bemoeid met de financiële regeling in het plan, wat niet tot haar taken behoort en het afdwingen tot ondertekenen nog dubieuzer maakt. De artikelen D, E, F, H, O, U, V en W van de Beroepscode zijn geschonden.

4.5.2 De jeugdprofessional heeft hiertegen in haar verweerschrift geen specifiek verweer gevoerd.

4.5.3 Het College overweegt als volgt:

Het verwijt aan de jeugdprofessional dat zij een consult met de gedragswetenschapper heeft geregistreerd, terwijl dit volgens de gedragswetenschapper niet heeft plaatsgevonden, dat zij de procedure niet heeft gevolgd en geen toetsing heeft gevraagd aan de RvdK, is door de leidinggevende onvoldoende onderbouwd. In dit verband zijn twee contactjournaals overgelegd, beiden van 25 juni 2019, die elkaar tegenspreken. In één contactjournaal staat dat er wel contact is geweest met de gedragswetenschapper over het ouderschapsplan. Het andere contactjournaal weerspreekt dit.

Ook het verwijt dat de jeugdprofessional ouders gedwongen heeft een ouderschapsplan te ondertekenen, is door de leidinggevende niet onderbouwd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de jeugdprofessional herhaald wat zij in haar algemene verweer heeft aangevoerd, namelijk dat zij net in dienst was, in het diepe is gegooid en niet altijd wist wat de procedure was. Zo het College de onderliggende feiten al zou kunnen vaststellen (hetgeen niet het geval is), kunnen onder deze omstandigheden de verwijten van de leidinggevende niet gegrond worden bevonden.

4.5.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.6 Klachtonderdeel 3

4.6.1 De GI verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft zelfstandig besloten om de beschikking tot uithuisplaatsing niet uit te voeren en te besluiten het traject tot terugplaatsing in te zetten. Zij heeft dit van tevoren niet ingebracht in de casuïstiekbespreking. Nadat dit duidelijk was geworden, zijn er binnen de casuïstiekbespreking afspraken gemaakt. De jeugdprofessional zou het naar de ouders en de jeugdige toe corrigeren. Later is gebleken dat zij dat niet heeft gedaan en haar eigen plan heeft doorgezet. Eveneens heeft zij het niet laten toetsen door de RvdK. De artikelen P, Q, R en S van de Beroepscode zijn geschonden.

4.6.2 De jeugdprofessional heeft hiertegen in haar verweerschrift geen specifiek verweer gevoerd.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij aangevoerd dat er oude plannen lagen, zij daarover overleg heeft gevoerd met de gedragswetenschapper en de rechter tijdens de zitting besloten heeft dat de uithuisplaatsing niet meer gecontinueerd hoefde te worden. Voorts heeft zij haar (algemeen) verweer, dat zij net in dienst was en niet altijd wist wat de procedure was, herhaald.

4.6.3 Het College overweegt als volgt:

Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional onzorgvuldig heeft gehandeld en buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is getreden door het gezin – tegen de beschikking tot uithuisplaatsing in – vroegtijdig erover te informeren dat de jeugdige teruggeplaatst zou worden. Zij heeft daarmee gehandeld in strijd met artikel B (Bevordering deskundigheid) van de Beroepscode, nu zij niet voldoende deskundig en op basis van actuele kennis haar beroep heeft uitgeoefend. Ook artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode is volgens het College geschonden. In de toelichting op dit artikel staat dat de jeugd- en gezinsprofessional door het naleven van de beroepsnormen – en door daar persoonlijk verantwoording voor af te leggen – het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming bevordert. De jeugdhulp en jeugdbescherming wordt gekenmerkt door een gecompliceerd beroepsethisch landschap, en daarom is het belangrijk dat elke jeugd- en gezinsprofessional zich bewust is van zijn of haar verantwoordelijkheid een bijdrage te leveren aan dit vertrouwen. De basis voor die bijdrage ligt in het werken vanuit de beroepswaarden en -normen, zoals geformuleerd in de beroepsstandaard. De jeugd- en gezinsprofessional legt verantwoording af over de naleving van artikel D conform – met name – artikel S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie) van de Beroepscode. Nu de jeugdprofessional niet heeft weersproken dat zij, ondanks dat er in de casuïstiekbespreking afspraken waren gemaakt dat zij de toezegging aan het gezin zou corrigeren, haar eigen werkwijze heeft doorgevoerd. Daarom is ook genoemd artikel S volgens het College geschonden. Daarnaast heeft de jeugdprofessional niet gehandeld conform artikel P (Aanvaarding organisatie als beleidskader) van de Beroepscode. In dit artikel staat dat de jeugd- en gezinsprofessional de organisatie als het kader voor zijn of haar beroepsuitoefening dient te aanvaarden en mee moet werken aan de beleidsdoelstellingen voor zover in overeenstemming met de beroepsstandaard. Het tweede deel van de toelichting is volgens het College vooral aan de orde. Dat zegt dat met name bij de aanvaarding van een functie de jeugd- en gezinsprofessional toetst of deze functie overeenkomt met zijn (of haar) beroepsstandaard. In de jeugdhulp en jeugdbescherming betekent dit vooral of hij (of zij) artikel A kan realiseren: “het bevorderen dat de (jeugdige) cliënt in zijn opvoeding en ontwikkeling tot zijn recht komt.” Tot slot heeft zij gehandeld in strijd met de Richtlijn jeugdhulp en jeugdbescherming ‘Uithuisplaatsing’.

Het (algemene) verweer van de jeugdprofessional dat zij als beginnend jeugdprofessional onwetend was, leidt niet tot een ander oordeel. Ook van een beginnend jeugdprofessional mag worden verwacht dat zij conform de in de casuïstiekbespreking gemaakte afspraken handelt.

4.6.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

4.7 Klachtonderdeel 4

4.7.1. De GI verwijt de jeugdprofessional het volgende:

Na het beëindigen van haar werkzaamheden op 5 juli 2019 heeft de jeugdprofessional op 5 augustus 2019 een e-mailbericht verzonden naar een zorgaanbieder om de aanmelding, die de cliënt zelf had gedaan, in te trekken. Vanaf 1 juli 2019 stond de zaak echter op naam van een andere medewerker. De jeugdprofessional had dus geen betrokkenheid meer en desondanks heeft ze het initiatief genomen om een hulpvraag van een ouder stop te zetten. De artikelen G, I, M en R van de Beroepscode zijn geschonden.

4.7.2 De jeugdprofessional voert daartegen het volgende aan:

De jeugdprofessional heeft na 5 juli 2019 geen jeugdhulpaanvraag stopgezet, maar juist verwezen naar het betrokken Centrum voor Jeugd en Gezin.

4.7.3 Het College overweegt als volgt:

De stelling van de leidinggevende dat de jeugdprofessional na 5 juli 2019 een zorgaanbieder een
e-mailbericht heeft gestuurd om de eigen aanmelding van een cliënt in te trekken, is door de jeugdprofessional weersproken. Ter bewijsvoering van dit verwijt heeft de leidinggevende enkel een
e-mailbericht van 19 juni 2019 bijgevoegd. Het College leest in dit e-mailbericht slechts dat zaken, waaronder die van de jeugdprofessional, worden herverdeeld onder collega’s.

4.7.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.8 Klachtonderdeel 5

4.8.1 De GI verwijt de jeugdprofessional het volgende:

Nadat een casus per 1 juli 2019 aan een collega is overgedragen, heeft de jeugdprofessional nog contact gehad met de ouders in deze casus. Dit zorgde voor onduidelijkheid en weerstand bij het betreffende gezin. De artikelen N en P van de Beroepscode zijn geschonden.

4.8.2 De jeugdprofessional voert daartegen het volgende aan:

De jeugdprofessional heeft na 5 juli 2019 nog werkzaamheden verricht om de voortgang in de casus te betrachten. De leidinggevende was op vakantie en er lag een expliciete vraag van een collega. De jeugdprofessional wist dat zij geen cliëntcontact meer mochten hebben. Daarom heeft zij met de collega uitgebreid overlegd en gezamenlijk is besloten dat de jeugdprofessional op 11 juli 2019 alsnog naar de intake zou gaan.

4.8.3 Het College overweegt als volgt:

Het enkele feit dat de jeugdprofessional, nadat zij op 5 juli 2019 van haar werkzaamheden is vrijgesteld, nog een keer met ouders mee is geweest naar een intake, levert geen schending op van de Beroepscode. De jeugdprofessional heeft onweersproken verklaard dat zij dit op verzoek van een collega heeft gedaan, en dat de leidinggevende op dat moment op vakantie was. De bijgevoegde
e-mailberichten van de (overnemende) collega van 18 juli 2019 aan de jeugdprofessional en de reactie daarop van de jeugdprofessional van 3 augustus 2019 ondersteunen het verwijt niet, noch geven deze een nadere toelichting op de gang van zaken. De collega verzoekt de jeugdprofessional in haar e-mailbericht per direct geen contact meer te hebben met de betrokkenen in de casus. Daarop heeft de jeugdprofessional haar handelwijze kort toegelicht en verklaard dat de collega geen last meer van haar zal hebben in deze casus. Dat er mogelijk verwarring en weerstand is opgetreden in deze casus, is onvoldoende grond voor een tuchtrechtelijk verwijt.

4.8.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.9 Klachtonderdelen 6 en 11

4.9.1 De GI verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft toestemming gegeven voor een vakantie met de tante van de kinderen, terwijl de moeder met gezag het hier niet mee eens was. De jeugdprofessional heeft zich er onvoldoende van vergewist wat haar verantwoordelijkheden en bevoegdheden waren. Zij heeft geen overleg gevoerd met collega’s. Ook heeft de jeugdprofessional het verblijfadres van de kinderen niet bekend gemaakt aan de moeder. De moeder heeft het recht te weten waar haar kinderen tijdens de vakantie verblijven. In dit geval had de kinderrechter om vervangende toestemming gevraagd moeten worden. De artikelen D, E, G en H van de Beroepscode zijn geschonden. De jeugdprofessional heeft de moeder bovendien via Whatsapp gedreigd dat haar kinderen uit huis zouden worden geplaatst als zij ze niet met de tante zou meegeven. Volgens de ‘Gedragscode’ van de GI is het niet toegestaan om via Whatsapp inhoudelijk op een zaak in te gaan. Daarnaast is het ongepast en niet integer om dergelijke uitspraken te doen via Whatsapp. Dat is oneigenlijk gebruik van macht ten opzichte van een ouder.

4.9.2 De jeugdprofessional heeft hiertegen in haar verweerschrift geen specifiek verweer gevoerd.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij het volgende aangevoerd. De moeder had tijdens een netwerkberaad toestemming verleend voor de vakantie. Desgevraagd heeft de jeugdprofessional verklaard wel bedenkingen te hebben, maar het tijdbestek was heel kort. Zij moest snel handelen en zag er niets negatiefs in. De tante is nog steeds dankbaar en ook de kinderen waren blij. De jeugdprofessional heeft het belang van de kinderen voorrang gegeven en niemand willens en wetens in gevaar willen brengen.

4.9.3 Het College overweegt als volgt:

Gezien de samenhang tussen de klachtonderdelen 6 en 11 neemt het College deze tezamen. Wanneer kinderen op vakantie gaan met een andere volwassene is toestemming nodig van de ouder met gezag, in dit geval de moeder. Ook dient de achterblijvende ouder in zo’n geval op de hoogte te zijn van het vakantieadres. Het College is van oordeel dat, hoewel de jeugdprofessional heeft gesteld dat de moeder tijdens een netwerkberaad toestemming had verleend, zij dit onvoldoende heeft aangetoond. Wanneer een gezag-dragende ouder toestemming weigert, dient de rechter te worden verzocht om voor de vakantie vervangende toestemming te verlenen. De rechter zal dan overwegen of de voorgenomen vakantie in het belang van de kinderen wordt geacht, en dienovereenkomstig beslissen. Het College overweegt dat van een jeugd- en gezinsprofessional, ook al is deze in opleiding, verwacht mag worden hiervan op de hoogte te zijn. Daarbij heeft de leidinggevende tijdens de mondelinge behandeling onweersproken gesteld dat dit soort onderwerpen voortdurend in casuïstiekbesprekingen naar voren komen, dat de juristen altijd te raadplegen zijn en dat er een uitgebreid handboek is waarin deze onderwerpen beschreven staan. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional artikel B (Bevordering van deskundigheid) en artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode heeft geschonden. Zij heeft niet voldoende deskundig en op basis van actuele kennis haar beroep uitgeoefend, en daarmee het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming niet bevorderd.

Daar komt bij dat uit de bijgevoegde Whatsapp-correspondentie van 2 augustus 2019 is komen vast te staan dat de jeugdprofessional heeft gedreigd met stappen richting een (tijdelijke) uithuisplaatsing als de moeder voor deze vakantie geen toestemming zou verlenen. Deze handelwijze is voor het College onnavolgbaar. Door zodanig te handelen en de moeder in deze niet te respecteren, heeft de jeugdprofessional artikel E (Respect) en artikel H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode geschonden. Tegenover de moeder heeft zij haar gezag en invloed misbruikt. Tot slot heeft de jeugdprofessional haar eigen beroepsmatig handelen niet getoetst aan het professioneel en beroepsethisch oordeel van haar collega’s, waardoor ook artikel S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie) van de Beroepscode is geschonden. Dat de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling heeft gereflecteerd en heeft erkend dat zij dit niet handig heeft gedaan, maakt het oordeel van het College evenwel niet anders.

4.9.4 Het College is van oordeel dat de klachtonderdelen 6 en 11 gegrond zijn.

4.10 Klachtonderdeel 7

4.10.1 De GI verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft niet tijdig een schriftelijke aanwijzing gestuurd dat de moeder hulpverlening moest toelaten. Bovendien heeft de jeugdprofessional de hulp niet tijdig verlengd, waardoor er wekenlang geen zicht is geweest op de thuissituatie bij de moeder met een kind van jonger dan één jaar. Dat de schriftelijke aanwijzing te laat is verstuurd, is niet aantoonbaar. Wel aantoonbaar is dat de werkbegeleidingsafspraken verzet werden waardoor zaken lastig besproken konden worden. Datzelfde gold voor het maken van afspraken met de mentor. Artikel H van de Beroepscode is geschonden.

4.10.2 De jeugdprofessional heeft hiertegen in haar verweerschrift geen specifiek verweer gevoerd.

4.10.3 Het College overweegt als volgt:

Desgevraagd heeft de leidinggevende tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat in een casuïstiekbespreking is afgesproken dat er een schriftelijke aanwijzing gegeven zou gaan worden aan de moeder met als doel hulpverlening bij haar binnen te laten. Het verwijt aan de jeugdprofessional, dat dit vervolgens niet tijdig is gebeurd, is door de leidinggevende niet aangetoond. Er is geen onderbouwing overgelegd waaruit blijkt dat dit in de casuïstiekbespreking besproken is, noch waaruit zou kunnen blijken dat de schriftelijke aanwijzing door de jeugdprofessional te laat is verstrekt. In gevallen als deze is het vaste jurisprudentie dat het verwijt van de leidinggevende niet gegrond kan worden bevonden nu het College niet de feiten kan vaststellen, die hieraan ten grondslag liggen. Datzelfde geldt voor het deel van de klacht waarin de leidinggevende stelt dat het aantoonbaar is dat werkbegeleidingsafspraken (en afspraken met de mentor) verzet werden, waardoor zaken lastig besproken konden worden. Los van het feit dat het voor het College onvoldoende duidelijk is of de leidinggevende dit de jeugdprofessional verwijt, bevestigen de bijgevoegde e-mailberichten van
3 mei 2019 dit beeld onvoldoende. In het eerste e-mailbericht vraagt de leidinggevende de jeugdprofessional te kijken naar een moment voor een werkbegeleiding in de volgende week. In het daaropvolgende e-mailbericht van de jeugdprofessional komt zij met een voorstel voor 23 mei 2019. Dat afspraken voor werkbegeleiding en afspraken met de mentor werden verzet, en door wie, volgt hieruit niet.

4.10.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.11 Klachtonderdeel 8

4.11.1 De GI verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft klagende ouders niet geïnformeerd en hen onder druk gezet. Er is een klachtbrief van een moeder en zij heeft haar klacht ook telefonisch geuit bij de leidinggevende. Ook is de jeugdprofessional – volgens de moeder – in privétijd op een verjaardag bij de vader geweest. Hiervan zijn foto’s beschikbaar, maar vanwege de onduidelijkheid van het tijdstip zijn deze niet bijgevoegd.

4.11.2 De jeugdprofessional heeft hiertegen in haar verweerschrift geen specifiek verweer gevoerd.

4.11.3 Het College overweegt als volgt:

De door de leidinggevende bijgevoegde brief van 22 juli 2019 met een klacht van een moeder over de jeugdprofessional in relatie tot een ouderschapsplan geeft onvoldoende onderbouwing om te kunnen concluderen tot een normovertreding. Uit de brief is niet op te maken wat de precieze gang van zaken rondom het ouderschapsplan is geweest. Ook blijkt niet uit de brief dat het plan is afgestemd op de vader en dat de moeder en de dochter door de jeugdprofessional onder druk zijn gezet. Het College verwijst naar een eerdere beslissing van het College van Beroep (zaak 17.028Ba, onder 3.3.10), waarin staat dat de verantwoordelijkheid om klachten als omschreven in artikel 7.4, onder d. van het Tuchtreglement (versie 1.3) helder te formuleren bij de klager ligt. De inhoud van de klachten die ter beoordeling aan de tuchtcolleges van SKJ voorliggen, dient voor alle betrokkenen, inclusief de colleges zelf, duidelijk te zijn. Om de schijn van partijdigheid te voorkomen, heeft het College van Toezicht, dan wel het College van het Beroep, niet de bevoegdheid om zelf klachten te (her)formuleren, te destilleren en/of te interpreteren uit een door een klager aangeleverde toelichting. De wijze waarop de leidinggevende dit klachtonderdeel heeft gepresenteerd, heeft tot gevolg dat het College onvoldoende kan komen tot het lezen van een eenduidige, specifieke klacht.

Voorts maakt het enkele feit dat de jeugdprofessional – wat zij tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd heeft bevestigd – ná haar dienstverband aanwezig is geweest op een verjaardag bij de vader, niet dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De jeugdprofessional was op dat moment niet meer werkzaam bij de GI, en bovendien heeft de leidinggevende nagelaten te onderbouwen wat de context was van dit bezoek, en of dit nadelige gevolgen heeft gehad.

4.11.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.12 Klachtonderdeel 9

4.12.1 De GI verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft nagelaten zorgen vast te leggen van – onder meer – de huisarts, het consultatiebureau en pleegzorg. De artikelen M, N, O en R van de Beroepscode zijn geschonden.

4.12.2 De jeugdprofessional heeft hiertegen in haar verweerschrift geen specifiek verweer gevoerd.

4.12.3 Het College overweegt als volgt:

Deze klacht is niet, dan wel onvoldoende feitelijk gemotiveerd, en niet onderbouwd met stukken. Daardoor kan het College de feiten en gronden waarop de klacht berust, niet vaststellen. Dat de leidinggevende tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat de meldingen door de diverse partijen telefonisch zijn gedaan, maakt dit niet anders.

4.12.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.13 Klachtonderdeel 10

4.13.1 De GI verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft nagelaten diverse zorgaanbieders terug te bellen. Soms waren er vijftien terugbelverzoeken, maar nog reageerde de jeugdprofessional niet. Deze zorgen zijn pas geuit nadat de jeugdprofessional uit dienst is getreden. Tevens waren er ook inhoudelijke zorgen en was er verbazing over hoe de jeugdprofessional zich uitdrukt en aangeeft dat zij haar eigen weg gaat in plaats van op te volgen wat wordt aangegeven in het rapport van de RvdK. De artikelen D en N van de Beroepscode zijn geschonden.

4.13.2 De jeugdprofessional heeft hiertegen in haar verweerschrift geen specifiek verweer gevoerd.

4.13.3 Het College overweegt als volgt:

Het verwijt dat de jeugdprofessional heeft nagelaten zorgaanbieders terug te bellen, is niet onderbouwd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de leidinggevende desgevraagd benadrukt dat zij niet kan bewijzen dat de jeugdprofessional niet heeft teruggebeld. De feiten en gronden waarop de klacht berust, zijn voor het College in zo’n geval dan ook niet vaststellen. Dat er ook inhoudelijke zorgen waren, en verbazing over hoe de jeugdprofessional zich uitdrukte, kan onvoldoende worden afgeleid uit het door de leidinggevende bijgevoegde e-mailbericht van
5 september 2019. De afzender van het bericht is onbekend, noch is duidelijk wat de context was van de casus en de betrokkenheid van de jeugdprofessional hierin. Het College verwijst naar de eerdere, uitgebreide overweging in deze beslissing onder 4.11.3, waarin is gesteld dat het niet tot de bevoegdheid van het College behoort om zelf klachten te (her)formuleren, te destilleren en/of te interpreteren uit een door een klager aangeleverde toelichting.

4.13.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.14 Klachtonderdeel 12

4.14.1 De GI verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft in een contactjournaal verwezen naar een medische verklaring in het digitale dossier. In het dossier is echter geen verklaring te vinden.

4.14.2 De jeugdprofessional voert hiertegen het volgende aan:

Het regelen van een medische verklaring bleek een enorme klus. De medische verklaring moest aangevraagd worden via een extern medisch adviseur van de GI. Vervolgens moest het geüpload worden in het dossier en dan was er gemiddeld vijf dagen verzendtijd. Omdat de jeugdige bij een KNO-arts was geweest, zij nog een buisje in haar andere oor moest krijgen en de betreffende arts ruimte in zijn agenda had, heeft de jeugdprofessional – na veel heen en weer gemaild te hebben met de medisch adviseur – uiteindelijk de medische verklaring opgestuurd gekregen. Daarna heeft zij deze via een beveiligd e-mailaccount doorgestuurd naar de behandeld arts en de pleegouders. De moeder is vervolgens geïnformeerd door de pleegmoeder. Daardoor heeft de operatie door kunnen gaan. De pleegmoeder heeft de jeugdprofessional bedankt voor het snelle handelen. Dat waren “the happy moments” in haar werk. De pleegmoeder is bereid gevonden om de handelwijze van de jeugdprofessional en haar ervaringen met de jeugdprofessional te beschrijven en te delen.

4.14.3 Het College overweegt als volgt:

De klacht dat de medische verklaring in het dossier ontbreekt, is niet onderbouwd door de leidinggevende. Ter ondersteuning van de klacht is een contactjournaal bijgevoegd van 19 juni 2019, waarin slechts vermeld staat dat de jeugdprofessional een medische verklaring zal regelen. De jeugdprofessional heeft in haar verweerschrift verklaard dat zij de medische verklaring heeft opgevraagd, zij heeft beschreven hoe zij daarin te werk is gegaan en voorts dat de medische behandeling naar tevredenheid heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van het College heeft de leidinggevende dan ook niet gesteld waarom er sprake zou zijn van een tuchtrechtelijk verwijt. Het enkele feit dat de medische verklaring niet aanwezig is in het digitale dossier, betekent niet dat de jeugdprofessional buiten de grenzen van een redelijk handelend beroepsbeoefenaar is getreden.

4.14.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.15 Klachtonderdeel 13

4.15.1 De GI verwijt de jeugdprofessional het volgende:

Ieder kind moet volgens de interne richtlijnen van de GI één keer in de drie maanden alleen worden gesproken. In slechts drie van de vijftien dossiers staan kindcontacten geregistreerd, waaruit niet is af te leiden of de kinderen alleen zijn gesproken. Ook blijkt niet wat er besproken zou zijn. De artikelen M en R van de Beroepscode zijn geschonden.

4.15.2 De jeugdprofessional heeft hiertegen in haar verweerschrift geen specifiek verweer gevoerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij desgevraagd benadrukt met alle kinderen alleen gesproken te hebben. Mogelijk is het misgegaan met de registratie van deze kindgesprekken, omdat zij verdwaald is geraakt binnen de registratiesystemen van de GI.

4.15.3 Het College overweegt als volgt:

Het College is van oordeel dat uit de door de leidinggevende bijgevoegde contactjournaals geenszins blijkt dat de jeugdprofessional niet met alle kinderen (alleen) heeft gesproken. Het standpunt van de leidinggevende is bovendien door de jeugdprofessional betwist. Tevens is onvoldoende bewijs geleverd voor het verwijt dat ook onbekend was wat er met de kinderen is besproken.

4.15.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.16 Conclusie

4.16.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot de klachtonderdelen 1, 3, 6 en 11 tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Artikel A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), artikel B (Bevordering deskundigheid), artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming), artikel E (Respect), artikel H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie), artikel K (Vermoeden van kindermishandeling), artikel P (Aanvaarding organisatie als beleidskader) en artikel S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie) van de Beroepscode zijn geschonden. Evenmin heeft de jeugdprofessional in lijn gehandeld met de Richtlijn jeugdhulp en jeugdbescherming ‘Uithuisplaatsing’. Het College acht het verwijtbaar dat de jeugdprofessional te vrijblijvend en onzorgvuldig heeft gehandeld na de melding van een seksueel incident bij een jeugdige, dat zij een voorbarige toezegging heeft gedaan over een terugplaatsing van een jeugdige en ook – na daarop aangesproken te zijn – deze niet heeft teruggedraaid. Voorts heeft de jeugdprofessional zelf toestemming gegeven aan een tante de kinderen mee te nemen op een vakantie, en de moeder met gezag via Whatsapp onder druk gezet de kinderen aan de tante mee te geven.

4.16.2 Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid en de op te leggen maatregel oordeelt het College als volgt. De jeugdprofessional is afkomstig uit een andere beroepsgroep, en had aan het begin van haar dienstverband weinig tot geen ervaring binnen het gedwongen kader van de jeugdbescherming. Verwacht mag worden dat de jeugdprofessional – temeer nu zij intern in opleiding was, en vanuit huis moest werken – stevige en passende begeleiding zou krijgen. Door de leidinggevende is gesteld dat de GI veel heeft geïnvesteerd in de jeugdprofessional, in de vorm van onder meer werk- en praktijkbegeleiding, een toegewezen mentor, casuïstiekbesprekingen, skype-overleggen en trainingsdagen. De jeugdprofessional heeft dit echter niet zo ervaren. Zij voelde zich “in het diepe gegooid”. Wat hiervan moge zijn, een aantal normoverschrijdingen had mogelijk niet plaatsgevonden als er sprake was geweest van een hand-in-hand begeleiding en de GI hierin een grotere mate van verantwoordelijk had genomen. Met deze omstandigheden houdt het College rekening. Aan de andere kant had het op de weg van de jeugdprofessional gelegen om haar handelen bij twijfel uit te stellen en eerst overleg te voeren met collega’s c.q. haar leidinggevende. Ook had zij grenzen kunnen stellen aan de wijze waarop, en de omstandigheden waaronder, zij haar werk moest uitvoeren. Het College heeft bovendien een jeugdprofessional gezien, die zich op een aantal momenten beter had kunnen verantwoorden. Zij heeft zich in haar verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling van de klacht op slechts één moment reflectief opgesteld, namelijk met betrekking tot de Whatsappberichten, waarin zij de moeder onder druk heeft gezet. Het College acht het in deze omstandigheden passend en geboden om de maatregel van waarschuwing op te leggen.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart de klachtonderdelen 1, 3, 6 en 11 gegrond;
  • verklaart de klachtonderdelen 2, 4, 5, 7, 8, 9, 10, 12 en 13 ongegrond;
  • legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College en op 15 oktober 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter

mevrouw mr. E.C. Abbing, secretaris