Een jeugdbeschermer heeft onvoldoende toe kunnen lichten waarom zij niet naar de aanbevelingen van de klachtencommissie heeft gehandeld en op welke (andere) wijze zij zich heeft ingespannen om de samenwerking met een (stief)vader tot stand te brengen.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mevrouw R.J. Douglas, lid-beroepsgenoot,
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[de klager], klager, hierna te noemen: de (stief)vader, wonende te [woonplaats],

op 3 december 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[De jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij de gecertificeerde instelling [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

De (stief)vader wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [gemachtigde], werkzaam bij AKJ. 

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. A.C.I.J. Hiddinga, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand.

 

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het aangepaste klaagschrift, ontvangen op 12 januari 2021;
  • het verweerschrift, ontvangen op 16 maart 2021.

1.2 De digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 22 juli 2021 in aanwezigheid van de (stief)vader, de jeugdprofessional en de beide gemachtigden.

1.3 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2     De feiten

Het College gaat van de volgende feiten uit:

2.1 Klager is de vader van een dochter die is geboren in 2016 en de stiefvader van een zoon die is geboren in 2014.

2.2 Op 21 april 2016 heeft de kinderrechter de kinderen onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd. Aanvankelijk werd deze ondertoezichtstelling uitgevoerd door [GI1], hierna: [GI1], maar later is de uitvoering van de ondertoezichtstelling overgedragen aan de GI.

2.3 Op 3 augustus 2016 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verleend om de kinderen bij de grootouders (moederzijde) te plaatsen. Drie oudere kinderen van de moeder wonen ook bij de grootouders.

2.4 Op 12 juni 2019 heeft de (stief)vader een klacht ingediend bij de klachtencommissie van de GI. Bij beslissing van 4 november 2019 heeft de klachtencommissie de klachten van de vader (deels) gegrond verklaard. De klachtencommissie heeft in deze beslissing – onder andere – de volgende aanbeveling gedaan: “De commissie beveelt aan om het contact met ouders zoveel mogelijk in de vorm van persoonlijke gesprekken te hebben. Er dient te worden gestreefd naar onderling begrip. Persoonlijke gesprekken kunnen daaraan een waardevolle bijdrage leveren[..]”.

2.5 Op 1 november vindt een zitting plaats over het verzoek tot een gezagsbeëindigende maatregel. Op 20 december 2019 beslist de rechtbank dat de beslissing wordt aangehouden, omdat er eerst aan contactherstel tussen de dochter en de (stief)vader moet worden gewerkt.

2.6 Op 4 november 2019 is de jeugdprofessional als jeugdbeschermer betrokken geraakt.

2.7 De (stief)vader heeft op 12 maart 2020 een nieuwe klacht ingediend bij de klachtencommissie. In de beslissing van de klachtencommissie van 8 juni 2020 is – voor zover relevant – het volgende opgenomen: “De commissie stelt vast dat de brief van de voorzitter van de Raad van Bestuur niet vermeldt dat de casus zou worden overgedragen aan [[GI1]]. De vermelding in de brief dat een verzoek tot overdracht al zou zijn ingediend, blijkt onjuist. Daarnaast is de commissie gebleken dat vader de betreffende informatie als eerste van [GI1] heeft vernomen. Niet aannemelijk is gemaakt dat de [GI] de vader heeft geïnformeerd over het beloop van een eventuele overdracht. De commissie is van oordeel dat de [GI] in deze onzorgvuldig heeft gehandeld en gecommuniceerd door de vader niet tijdig te informeren en te betrekken in een dergelijke overweging.”

2.8 In mei 2020 stelt de GI op voordracht van de (stief)vader een extern begeleider aan die de (stief)vader gaat begeleiden in de omgang met zijn kinderen.

2.9 Op 3 juli 2020 vindt er een sessie plaats ten behoeve van de verbetering van de samenwerking. Bij deze sessie is de (stief)vader aanwezig, zijn extern begeleider en de jeugdprofessional. Tijdens deze sessie worden diverse afspraken gemaakt met betrekking tot de omgang en het contact tussen de (stief)vader en de jeugdprofessional.

2.10 In augustus 2020 heeft de jeugdprofessional besloten terug te treden uit de casus. De gebiedsmanager heeft het terugtreden van de jeugdprofessional ondersteund.

2.11 Op 30 december 2020 is de uitvoering van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI (weer) overgedragen aan [GI1].

2.12 De jeugdprofessional staat sinds [datum] 2014 in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) geregistreerd. In de periode van [datum] 2014 tot [datum] 2018 als jeugdzorgwerker. Met ingang van [datum] 2018 staat zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of een jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het (beroepsmatig) handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

De drie in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk en samengevat weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De jeugdprofessional negeert de aanbeveling van de klachtencommissie van 4 november 2019 om in het belang van een goede samenwerking en communicatie met de beide ouders zo veel mogelijk het contact in de vorm van persoonlijke gesprekken te hebben.

Toelichting:

De (stief)vader heeft dezelfde klacht op 12 maart 2020 aan de onafhankelijke klachtencommissie voorgelegd. Deze klacht wordt op 8 juni 2020 gegrond verklaard. Op 3 juli 2020 hebben de jeugdprofessional, de (stief)vader en zijn extern begeleider een gesprek over de verbetering van de samenwerking. Hierbij maakt de jeugdprofessional kenbaar dat één van haar wensen voor de samenwerking is om eenmaal per twee weken telefonisch of persoonlijk contact te hebben met de (stief)vader. Op 3 augustus 2020 deelt de extern begeleider zijn bevindingen met de jeugdprofessional. Hieruit blijkt dat er nog steeds enkel per e-mail contact heeft plaatsgevonden. De gebiedsmanager besluit een andere jeugdbeschermer toe te wijzen. De (stief)vader is zich ervan bewust dat persoonlijke gesprekken in verband met corona niet handig zijn. Desondanks is hij van mening dat de jeugdprofessional onzorgvuldig heeft gehandeld en zich meer had kunnen en moeten inspannen om te komen tot persoonlijke (digitale) gesprekken.

4.1.2 De jeugdprofessional realiseert zich dat het een tijd heeft geduurd voordat er een persoonlijk gesprek heeft plaatsgevonden. Naar de mening van de jeugdprofessional rechtvaardigt dit echter nog geen tuchtrechtelijk verwijt aangezien zij zich wel heeft ingespannen om met de (stief)vader in gesprek te gaan. Dit heeft zij onder andere gedaan door hem in november 2019 voor een gesprek uit te nodigen. De (stief)vader heeft kenbaar gemaakt niet met de jeugdprofessional in gesprek te gaan. De gebiedsmanager heeft hierop besloten om gezien het loyaliteitsconflict het gesprek uit te stellen. Een andere complicerende factor was de uitbraak van corona, waardoor de jeugdprofessional sowieso een tijd geen persoonlijke gesprekken heeft gevoerd. De jeugdprofessional stelt dat zij er beter aan had gedaan om vóór mei een persoonlijk gesprek met de vader te hebben. De jeugdprofessional is echter van mening dat dit haar niet kan worden verweten gelet op de afwijzende houding van de (stief)vader. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional nog toegelicht dat zij in november 2019 vanuit detachering bij de casus betrokken is geraakt. Zij had een groot takenpakket en is daardoor te weinig toegekomen aan persoonlijk contact leggen met de vader.

4.1.3 Het College overweegt over dit klachtonderdeel als volgt. De klachtencommissie van de GI heeft in de beslissing van 4 november 2019, in deze beslissing weergegeven onder 2.4, een duidelijke aanbeveling gedaan voor wat betreft het persoonlijk contact met de ouders en de waardevolle bijdrage die dit kan hebben. De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht erkend dat er te weinig sprake is geweest van persoonlijk contact en heeft aan de hand van verschillende omstandigheden onderbouwd wat daar de reden voor is geweest. Het College stelt voorop dat het begrip heeft voor een situatie waarin een jeugdprofessional betrokken raakt bij een gezin waar er al sprake is van verslechterde verhoudingen en een doorlopen klachtenprocedure. Dit laat echter onverlet dat de jeugdprofessional zich (juist in dergelijke gevallen) bewust dient te zijn van de voorgeschiedenis van een casus en welke rol er voor hem of haar is weggelegd. Hierbij merkt het College tevens op dat een aanbeveling van een klachtencommissie niet per definitie overgenomen hoeft te worden. Als dit echter niet wordt gedaan, dan dient deze keuze wel beargumenteerd te (kunnen) worden. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional dit onvoldoende gedaan en is er te weinig ingezet, zoals de jeugdprofessional ook heeft erkend, op persoonlijk contact met de (stief)vader. Doordat de jeugdprofessional dit heeft nagelaten heeft zij artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (hierna: de Beroepscode) geschonden.

4.1.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De jeugdprofessional heeft de (stief)vader naar aanleiding van de brief van de bestuurder van 3 december 2019 ten onrechte niet verder geïnformeerd over het overdragen naar [GI1].

Toelichting:
De (stief)vader heeft deze klacht ook ingediend bij de klachtencommissie waar deze gegrond is verklaard. Na het laatste telefoongesprek met de jeugdprofessional op 10 juli 2020 heeft de (stief)vader niets meer van de jeugdprofessional vernomen. Op 14 augustus 2020 ontvangt de (stief)vader een e-mail van de gebiedsmanager waaruit blijkt dat er een nieuwe jeugdbeschermer zal worden toegewezen. Op 28 september 2020 volgt er een e-mail van de gebiedsmanager waarin wordt medegedeeld dat  ervoor is gekozen de casus over te dragen aan [GI1]. Wederom heeft de (stief)vader hierover geen contact met de jeugdprofessional en wordt dit hem via de gebiedsmanager medegedeeld.

4.2.2 De jeugdprofessional heeft na 11 juli 2020 geen contact meer gehad met de (stief)vader. De casus was zo complex dat de jeugdprofessional zich verlamd voelde en na haar vakantie zich heeft teruggetrokken. De gebiedsmanager heeft de vader hiervan ook op de hoogte gesteld. De jeugdprofessional had niet meer de moed om te communiceren met de betrokkenen. De jeugdprofessional erkent dat het wel beter was geweest, als dat wel was gebeurd.
Gezien de complexiteit van de zaak is zij van mening dat het beter was geweest om samen met een collega te opereren. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional desgevraagd toegelicht dat er sprake was van een taakverdeling tussen de jeugdprofessional en de gebiedsmanager. Gelet op de verstoorde verhoudingen tussen de (stief)vader en de GI is er afgesproken dat de gesprekken die daarover zouden worden gevoerd, door de gebiedsmanager werden gedaan. De jeugdprofessional zou daar niet in betrokken worden zodat zij zich in kon zetten op het contactherstel tussen de (stief)vader en de kinderen.

4.2.3 Het College stelt vast dat er tijdens de betrokkenheid van de jeugdprofessional sprake is geweest van een rolverdeling tussen de gebiedsmanager en de jeugdprofessional. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht desgevraagd toegelicht dat hij van een dergelijke rolverdeling niet op de hoogte is geweest. Het College overweegt dat uit artikel N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voortvloeit dat de jeugdprofessional zorg moet dragen dat duidelijk is wie de regie/coördinatie heeft in een casus, wie inhoudelijk eindverantwoordelijk is en wie aanspreekpunt is voor de cliënt. Het College is van oordeel dat dit in de onderhavige casus voor in ieder geval de (stief)vader onvoldoende duidelijk is geweest. Als gevolg hiervan is het navolgbaar dat de (stief)vader ervan uit is gegaan dat hij van de jeugdprofessional informatie zou krijgen over de overdracht naar [GI1]. Als de jeugdprofessional de ouders hier niet zelf over zou informeren, was het wel haar taak om bij de ouders te verifiëren of zij van deze overdracht op de hoogte waren. Blijkens de uitspraak van de klachtencommissie van 4 juni 2020, in deze beslissing opgenomen onder 2.7, is de GI hierin tekort geschoten. Aangezien de taakverdeling tussen de gebiedsmanager en de jeugdprofessional niet duidelijk was, is het College van oordeel dat voor wat betreft het informeren van de (stief)vader de jeugdprofessional (eind)verantwoordelijk was. De jeugdprofessional had dus de (eind)verantwoordelijkheid om ervoor zorg te dragen dat de ouders zorgvuldig werden geïnformeerd over de overdracht naar [GI1] en zo haar eigen betrokkenheid zorgvuldig af te ronden. Doordat de jeugdprofessional dit heeft nagelaten is er sprake van een schending van artikel I (Beëindiging van de professional relatie) van de Beroepscode.

4.2.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

4.3 Klachtonderdeel 3

4.3.1 De jeugdprofessional heeft nagelaten, ondanks de gegrondverklaringen van de klachtencommissie op 4 november 2019 en 8 juni 2020, prioriteit te geven aan de situatie van de (stief)vader.

Toelichting:
Zoals reeds kenbaar gemaakt onder klachtonderdeel 1, heeft er op 3 juli 2020 een gesprek plaatsgevonden over de verbetering van de samenwerkingsrelatie. In dit gesprek worden ook afspraken gemaakt met betrekking tot de omgang tussen de (stief)vader en de dochter en de zoon. Er wordt gesproken over geschikte momenten en er worden afspraken gemaakt over de communicatie hierover. Er wordt daarnaast afgesproken dat afspraken niet op het laatste moment worden afgezegd. Op 3 augustus 2020 uit de begeleider van de (stief)vader zijn ongenoegen over het niet nakomen van de gemaakte afspraken door de jeugdprofessional.

4.3.2 De jeugdprofessional is het niet eens met het verwijt dat zij heeft nagelaten prioriteit te geven aan de situatie van de (stief)vader. De jeugdprofessional stelt dat zij in de rest van haar verweerschrift al heeft geschetst wat haar bemoeienissen zijn geweest en heeft aangegeven hoe zij zich heeft ingespannen om te werken aan contactherstel. De jeugdprofessional betreurt dat dit uiteindelijk niet is gelukt. Hierbij hebben echter het gedrag en de opstelling van de (stief)vader richting verschillende medewerkers van de GI niet geholpen. De (stief)vader heeft al ruim anderhalf jaar boosheid over de werkwijze van de GI wat maakt dat een constructief gesprek bijna niet te voeren is.

4.3.3 Het College overweegt over dit klachtonderdeel als volgt. Het College heeft reeds geoordeeld dat de klachtonderdelen 1 en 2 gegrond zijn. Gelet op het inhoudelijke oordeel op deze klachtonderdelen kan het College zich voorstellen dat de (stief)vader zich onvoldoende gezien heeft gevoeld door de jeugdprofessional. Het College is echter van oordeel dat gelet op de rol van de jeugdprofessional, het niet haar taak was om prioriteit te geven aan de situatie van de (stief)vader. Gelet hierop kan dit klachtonderdeel niet gegrond worden verklaard.

4.3.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.4 Conclusie

4.4.1 Het College komt tot de slotsom dat de klachtonderdelen 1 en 2 gegrond zijn en klachtonderdeel 3 ongegrond is. De jeugdprofessional heeft met haar handelen de artikelen G, I en N van de Beroepscode geschonden. Het College dient nog te bepalen of aan de jeugdprofessional een tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd. Het College overweegt hierover als volgt.

4.4.2 Het College heeft er oog voor dat de jeugdprofessional in een later stadium in de casus betrokken is geraakt en er al sprake was van verstoorde verhoudingen en een doorlopen klachtenprocedure. Er lagen echter ook concrete aanbevelingen vanuit de klachtencommissie die de jeugdprofessional in de uitvoering van haar werk handvatten hadden kunnen geven en een bijdrage hadden kunnen leveren aan het verbeteren van de samenwerking. Het College overweegt dat de jeugdprofessional onvoldoende heeft toe kunnen lichten waarom zij niet naar deze aanbevelingen heeft gehandeld en op welke (andere) wijze zij zich heeft ingespannen om de samenwerking in deze casus tot stand te brengen c.q. te verbeteren. Gelet op het voorgaande ziet het College aanleiding om aan de jeugdprofessional de maatregel van waarschuwing op te leggen.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart de klachtonderdelen 1 en 2 gegrond;
  • verklaart klachtonderdeel 3 ongegrond;
  • legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van waarschuwing.

 

Aldus gedaan door het College en op 2 september 2021 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. S.C. van Duijn,
voorzitter

mevrouw mr. T. Kuijs,
secretaris