Een vader verwijt een jeugdbeschermer onder andere eenzijdigheid en partijdigheid en te werken vanuit een tunnelvisie.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
mevrouw R.J. Douglas, lid-beroepsgenoot,
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[Klager], klager, hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats],

op 24 februari 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[Jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij de [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.V. Verweij.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. E. Lam, werkzaam als juridisch adviseur jeugddomein.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het aangepaste klaagschrift ontvangen op 11 maart 2020;
  • het verweerschrift ontvangen op 3 mei 2020;
  • de conclusie van repliek ontvangen op 3 juni 2020;
  • de conclusie van dupliek ontvangen op 21 juni 2020.

1.2 Vanwege het landelijk beleid rondom het coronavirus heeft de voorzitter besloten de zaak schriftelijk af te doen (artikel 3 van de tijdelijke regeling i.v.m. COVID-19). Op 28 mei 2020 zijn partijen daarover geïnformeerd. Op grond van artikel 5 van de tijdelijke regeling zijn partijen in de gelegenheid gesteld om nog eenmaal schriftelijk te reageren op hetgeen de wederpartij naar voren heeft gebracht.

1.3 De schriftelijke behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 27 juli 2020.

2     De feiten

Het College gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft uit verschillende relaties vier kinderen: twee dochters en twee zonen. Twee van de vier kinderen zijn minderjarig. De jongste zoon is geboren in 2003 en de jongste dochter in 2008. De vader en de moeder van de jongste dochter zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over haar. De relatie tussen de vader en de moeder van de jongste dochter is in 2015 verbroken. De moeder van de jongste zoon is overleden en de vader oefent alleen het gezag over hem uit.

2.2 De jongste dochter heeft vanaf september 2015 bij de vader gewoond. De relatie tussen de moeder en de jongste dochter is verstoord.

2.3 De kinderrechter op 1 november 2016 de jongste dochter onder toezicht gesteld van de GI. De kinderrechter heeft, onder meer, het volgende overwogen: “Er zijn ernstige zorgen over [de jongste dochter]. Zij zit klem tussen de ouders, heeft een leerachterstand en vertoont vluchtgedrag. Hier komt bij dat zij geen contact heeft met haar moeder, hetgeen zeer zorgelijk en schadelijk voor haar ontwikkeling is.” De ondertoezichtstelling van de jongste dochter is nadien steeds verlengd.

2.4 De jongste zoon is op 21 augustus 2018 onder toezicht gesteld van de GI. Bij het uitspreken van de ondertoezichtstelling over de jongste zoon is tevens een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. De uithuisplaatsing van de zoon is inmiddels geëindigd.

2.5 De jeugdprofessional is in twee periodes als jeugdbeschermer betrokken geweest bij de uitvoering van de ondertoezichtstellingen van de jongste zoon en de jongste dochter, te weten in de periode van 8 maart 2017 tot 14 november 2017 (alleen ten aanzien van de jongste dochter) en van 25 januari 2019 tot 21 oktober 2019. In de tussengelegen periode heeft zij als waarnemer gefungeerd bij afwezigheid van de betrokken jeugdbeschermer.

2.6 Sinds 2013 zijn (in eerste instantie in het vrijwillig kader) diverse hulpverleningsinstanties bij het gezin betrokken geweest. In 2017 is de jongste dochter aangemeld bij [de instelling 1], kinder- en jeugdpsychiatrie. In het eindverslag van 29 november 2017 heeft [de instelling 1] het volgende geadviseerd: “Het advies is dan ook om op dit moment niet in te steken op behandeling van [de jongste dochter] zelf, maar op het verbeteren van de communicatie tussen ouders om de onrust op systeemniveau voor [de jongste dochter] verder terug te dringen.”

2.7 Hulpverleningsinstantie [de instelling 2] heeft de vader in 2017 ambulante begeleiding geboden, gericht op de jongste dochter. In 2017 is tevens speltherapie voor de jongste dochter ingezet bij hulpverleningsinstantie [de instelling 3] en is hulpverleningsinstantie [de instelling 4] gestart bij de moeder, voor opvoedondersteuning en ondersteuning bij het opstarten van de omgang.

2.8 In augustus 2018 is gedurende vijftien uur een Facebook account op naam van de jongste dochter actief geweest. Vanaf dit account werden op het zakelijke account van de vader en het persoonlijke account van zijn partner negatieve berichten geplaatst over de vader.

2.9 In februari 2019 is hulpverleningsinstantie [de instelling 5] ingezet voor ouderschapsbemiddeling. Op 5 juni 2019 heeft [de instelling 5] een advies uitgebracht waarin, onder meer, het volgende is opgenomen: “Ons advies is een beeld van [de jongste dochter] zelf te krijgen door middel van diagnostisch onderzoek.” De ouderschapsbemiddeling is per 1 november 2019 stopgezet.

2.10 In maart 2019 heeft hulpverleningsinstantie [de instelling 4] onderzocht in hoeverre bij de jongste dochter kenmerken van ouderverstoting zijn waar te nemen. Geconcludeerd is dat de jongste dochter haar moeder op vele manieren afstoot.

2.11 Op 14 juni 2019 heeft de jeugdprofessional een e-mail ontvangen van de oudste zoon van de vader, waarin fragmenten zijn weergegeven van een aangifte die hij wegens ernstige kindermishandeling heeft gedaan tegen de vader. De informatie is dusdanig ernstig dat de GI op 17 juni 2019 bij de kinderrechter een verzoek tot een spoedmachtiging uithuisplaatsing heeft ingediend. Op 17 juni 2019 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de jongste dochter in een accommodatie jeugdhulp of een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van twee weken. De jongste dochter is (tijdelijk) in een pleeggezin geplaatst.

2.12 Op 19 juni 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de jeugdprofessional en de jongste dochter bij het pleeggezin, in het bijzijn van de pleegmoeder en de pleegzorgbegeleider.

2.13 Op 28 juni 2019 is de machtiging tot uithuisplaatsing van de jongste dochter in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 1 juli 2019 voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter benadrukt dat “niet vaststaat dat de aantijgingen van [de oudste zoon] op waarheid berusten, maar de aantijgingen zijn dusdanig ernstig dat de veiligheid van [de jongste dochter] niet gegarandeerd kan worden.”

2.14 Op 3 juli 2019 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de plaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, omdat er geen geschikt pleeggezin beschikbaar was voor de jongste dochter. Vervolgens is de jongste dochter geplaatst op een zorgboerderij.

2.15 Medio 2019 heeft de GI aangifte tegen de vader gedaan vanwege lichamelijke mishandeling van de jongste zoon en de jongste dochter.

2.16 Op 10 juli 2019 is de jongste dochter aangemeld bij [de instelling 6] voor ambulante observatie diagnostiek.

2.17 Op 22 juli 2019 heeft de jeugdprofessional de vader per brief een gespreksverslag gestuurd van een telefoongesprek van 19 juli 2019. Daarin is, onder meer, het volgende opgenomen: “Aan u is uitgelegd de uitkomst van het MDCO [multidisciplinair casuïstiek overleg], dus: de ene week moeder contact en de andere week vader contact. In de week dat er geen face to face contact is met [de jongste dochter], is er een belcontact. Na 6 weken zal de omgang geëvalueerd gaan worden. De hulpverlening zal samen met [de zorgboerderij] een vaste dag en vaste tijdstip gaan handhaven, zodat dit duidelijk is voor alle partijen. De hulpverlening zal dit zowel met u als moeder communiceren”.

2.18 Voor het begeleiden van de omgangsmomenten en het nabespreken van de contactmomenten tussen de jongste dochter en de ouders is [de instelling 7] ingezet.

2.19 Op 25 juli 2019 stond een gesprek gepland tussen de vader, de betrokken hulpverlening, de jeugdprofessional en een collega op het politiebureau. De jeugdprofessional heeft het gesprek op het laatste moment afgezegd.

2.20 Bij brief van 30 juli 2019 heeft de jeugdprofessional de vader, onder meer, het volgende bericht:

“Brieven en kaartjes zullen voorlopig niet meer toegelaten worden bij [de jongste dochter]. Dit in verband met een brief die [de jongste dochter] via u heeft mogen ontvangen van uw ‘vertrouwenspersoon’, mevrouw [NAAM]. In de brief stond een negatieve boodschap over de moeder van [de jongste dochter]. Deze boodschap is niet alleen geheel niet kloppend, maar ook beschadigend voor [de jongste dochter]. Dit zal verder besproken met u gaan worden in de vervolgafspraak.

Ook een telefoon wordt niet toegelaten bij [de jongste dochter], omdat het contact tussen beide ouders gemonitord wordt door betrokken hulpverleners. Dit kan niet als [de jongste dochter] in bezit is van een eigen telefoon. [De jongste dochter] heeft [de jeugdprofessional] verteld dat zij juist geen telefoon heeft, omdat deze afgenomen was door u na het voorval op You Tube (filmpje van [de jongste dochter] half ontkleed op bed).”

2.21 Op 10 september 2019 heeft de GI de vader een schriftelijke aanwijzing (Aanwijzing vaststelling bezoekregeling) gegeven. Hierin is neergelegd dat er een tweewekelijks belcontact van tien minuten zal plaatsvinden tussen de vader en de jongste dochter en een tweewekelijks contactmoment. Tevens heeft de GI de vader bericht dat er een aantal voorwaarden zullen gelden voor de contactmomenten, bijvoorbeeld dat de vader respect dient te hebben voor de hulpverlening.

2.22 Op 10 oktober 2019 heeft de GI de vader geïnformeerd dat de jeugdprofessional van de zaak is gehaald en dat haar werkzaamheden overgenomen zullen worden door een collega.

2.23 Op 18 oktober 2019 heeft de kinderrechter het verzoek van de vader tot het (gedeeltelijk) vervallen verklaren van de onder 2.21 genoemde schriftelijke aanwijzing afgewezen.

2.24 De jeugdprofessional is als jeugdzorgwerker van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.3 Op grond van de kamer waarin een professional bij SKJ geregistreerd is, toetst het College het handelen van een jeugdprofessional aan – onder meer – de voor die kamer geldende beroepscode. Voor wat betreft de registratie van de jeugdprofessional is gebleken dat zij gedurende haar betrokkenheid bij deze casus van kamer is gewisseld, zoals weergegeven onder 2.24 van deze beslissing. Gelet hierop wijst het College erop dat in deze beslissing onder ‘Beroepscode’ zowel de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker als de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional gelezen dienen te worden, ook omdat de artikelen in deze beroepscodes overeenkomen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht, het verweer en de conclusie van re- en dupliek zakelijk weergegeven. Daarna volgt het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional heeft zich eenzijdig/partijdig opgesteld.

Toelichting:
Allereerst voert de vader aan dat de jeugdprofessional namens de jongste dochter wel tegen de vader aangifte heeft gedaan van mishandeling, maar niet tegen de moeder. Dit terwijl de jongste dochter blijkens het gespreksverslag van 19 juni 2019 tegen de jeugdprofessional heeft verteld dat zij van de vader wel eens een schop onder haar kont kreeg, maar over de moeder nog veel meer vormen van kindermishandeling benoemde. Ook heeft de jeugdprofessional geprobeerd om de jongste zoon in de aangifte te betrekken door hem onder druk te zetten, dat als hij niet mee zou werken, zijn verblijf bij zijn halfzus wel eens onzeker zou kunnen worden. De jongste zoon wilde dit niet en heeft uiteindelijk niet meegewerkt aan de aangifte.
Verder is de jeugdprofessional volgens de vader niet transparant en open geweest met betrekking tot het Facebook account dat in augustus 2018 op naam van de jongste dochter vijftien uur in de lucht is geweest. De jeugdprofessional heeft de jongste zoon en de jongste dochter hier vragen over gesteld, maar zij heeft hier nooit bij de vader navraag over gedaan. De vader heeft de jeugdprofessional hier nooit over verteld en vraagt zich af hoe zij dit te weten gekomen is. Er is in ieder geval geen toestemming aan de vader gevraagd om het politiedossier in te zien.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Er waren al geruime tijd zorgen over de jongste dochter en de opvoedingssituatie bij de vader. Het doen van aangifte is een besluit van de GI geweest. De jeugdprofessional heeft dit als de betrokken medewerker uitgevoerd. Gezien de ernst van de inhoud van de informatie van de oudste zoon van de vader en de informatie van de zoon en de jongste dochter zelf, heeft de GI het noodzakelijk geacht dat er onderzocht zou worden of er sprake is geweest van kindermishandeling. Ook in 2014 is in een melding bij Veilig Thuis gesproken over mishandeling door de vader. De uitlatingen van de jongste dochter over de moeder (onder andere dat de moeder haar arm heeft gebroken en dat zij door haar in de regen zou zijn gezet) heeft de jeugdprofessional serieus genomen en zij heeft hierover navraag gedaan bij de huisarts, de moeder en ook de vader. De huisarts informeerde haar dat er geen sprake was van een vorm van kindermishandeling, maar van een zogenaamd ‘zondagsarmpje’ en over het in de regen zetten vertelde de moeder dat de jongste dochter zelf uit dwarsheid buiten in de regen is gaan staan. Verder merkt de jeugdprofessional op dat het onderdeel van de problematiek van de jongste dochter is dat zij regelmatig onwaarheden vertelt.
Het is juist dat de jongste zoon er niet achter stond om aangifte te doen. De GI heeft de aangifte gedaan vanuit de verantwoordelijkheid die de GI heeft over het welzijn en de veiligheid van de kinderen. Hier is wel eerst met de jongste zoon over gesproken, om hem zo in de gelegenheid te stellen dit zelf te doen.
De informatie over het Facebook account heeft de jeugdprofessional verkregen van de politie toen zij begin juni 2019 bij de politie navraag had gedaan of er meldingen over de kinderen bij de politie waren binnengekomen. De jeugdprofessional is nog niet in de gelegenheid geweest om dit met de vader te bespreken.

4.1.3 De vader voert in de conclusie van repliek het volgende aan:
De melding die in 2014 bij Veilig Thuis is gedaan bleek achteraf niet juist. Het is dan ook onterecht om dat in deze procedure in te brengen. De GI was toen nog niet betrokken en bovendien maakte de moeder toen nog deel uit van het gezin. Daarnaast verschuilt de jeugdprofessional zich achter de GI. Zij hoort echter vooronderzoek te doen en de GI te informeren over haar bevindingen. Daarnaast staat haar handtekening onder alle stukken.
Verder bevestigt de jeugdprofessional in haar verweer dat er voorafgaand aan de uithuisplaatsing van de jongste dochter geen overleg met de vader is gevoerd over het Facebook account. Zij is hier ook nooit meer op teruggekomen bij de vader en zij heeft zonder toestemming in het politiedossier van de vader gekeken.

4.1.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:
Met de verwijzing naar de melding bij Veilig Thuis in 2014 is niet gesteld dat er toen ook sprake was van mishandeling, maar dat er eerder ook zorgsignalen zijn geweest over (mogelijke) mishandeling door de vader. Voor wat betreft het verwijt dat de vader haar maakt over eenzijdigheid en partijdigheid verwijst de jeugdprofessional naar hetgeen zij hierover in haar verweerschrift heeft vermeld. De jeugdprofessional is zich ervan bewust dat de jongste dochter niet altijd de waarheid spreekt en zij heeft daarom navraag bij de huisarts gedaan. Voor wat betreft de uitlatingen van de jongste dochter over een schop onder haar kont van haar vader, merkt de jeugdprofessional op dat de zoon ook een dergelijke uitlating had gedaan en dat de GI deze informatie daarom, mede in het licht van de informatie van de oudste zoon over zeer ernstige vormen van kindermishandeling, zorgelijk vond.
Er is geen sprake van het afschuiven van verantwoordelijkheid naar de GI. Zij is zich bewust van haar professionele verantwoordelijkheid voor haar eigen handelen, maar heeft er op willen wijzen dat zij de (kern)beslissingen niet alleen heeft genomen.

4.1.5 Het College overweegt als volgt:
Voor zover de vader de jeugdprofessional in dit klachtonderdeel verwijt dat zij wel aangifte tegen hem heeft gedaan en niet tegen de moeder, stelt het College voorop dat het niet aan het College is om te beoordelen of de jeugdprofessional wel of geen aangifte tegen de vader en/of de moeder had moeten doen. In het licht van het geformuleerde klachtonderdeel zal het College beoordelen of er sprake is geweest van partijdigheid. Dat de jeugdprofessional zich in dit kader partijdig heeft opgesteld is het College niet gebleken. De jeugdprofessional heeft onweersproken gesteld dat zij de uitlatingen van de jongste dochter over zowel de vader als de moeder serieus heeft genomen. Ten aanzien van de uitlatingen over de moeder heeft de jeugdprofessional navraag gedaan bij de huisarts, de moeder en ook de vader. Hieruit maakt het College op dat de jeugdprofessional de uitlatingen van de jongste dochter over de moeder wel degelijk heeft onderzocht. Dat er vervolgens voor is gekozen om enkel aangifte tegen de vader te doen, maakt nog niet dat er sprake is geweest van partijdigheid.
Verder klaagt de vader dat de jeugdprofessional de jongste zoon onder druk heeft gezet om aangifte tegen hem te doen. De jeugdprofessional erkent dat zij met de jongste zoon gesproken heeft over het doen van aangifte tegen de vader en dat hij er niet achter stond om aangifte te doen. Dat de jeugdprofessional de jongste zoon onder druk gezet heeft om aangifte te doen, kan het College op basis van de stukken echter niet vaststellen. Daarnaast behoort het tot de taak en bevoegdheid van een jeugdprofessional om aangifte bij de politie te doen indien er vermoedens zijn van kindermishandeling en/of seksueel misbruik.
Tot slot overweegt het College ten aanzien van het verwijt van de vader dat de jeugdprofessional niet transparant en open is geweest over het Facebook account, dat het op de weg van de jeugdprofessional had gelegen om de informatie die zij van de politie had verkregen over het Facebook account met de vader te bespreken. Dat de jeugdprofessional heeft nagelaten de informatie die zij van de politie had verkregen met de vader te bespreken, betekent echter niet dat de conclusie gerechtvaardigd is dat de jeugdprofessional partijdig zou zijn geweest. Evenmin betekent dit dat de jeugdprofessional in het kader van dit klachtonderdeel tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

4.1.6 Het College zal het klachtonderdeel ongegrond verklaren.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional heeft in juni 2019 een IQ-test en eventueel een dyslexie onderzoek bij de jongste dochter tegengehouden.

Toelichting:
Samen met de school van de jongste dochter en [de instelling 3] was in juni 2019 besloten een intelligentieonderzoek bij de jongste dochter af te nemen. Van de medewerker van [de instelling 3] kreeg de vader te horen dat de jeugdprofessional dit onderzoek tegenhield. De jeugdprofessional vond dat de gedragswetenschapper van de GI daar eerst naar moest kijken. De betrokken hulpverlener van [de instelling 3] is echter ook gedragswetenschapper. De hulpverlener van [de instelling 3] heeft later nogmaals navraag bij de jeugdprofessional gedaan over het intelligentieonderzoek. Tot teleurstelling van de vader en de hulpverlener van [de instelling 3] was het verzoek van de jeugdprofessional om het intelligentieonderzoek op dat moment niet uit te voeren, omdat het de visie van [de instelling 1] was om nog geen intelligentieonderzoek te starten gezien de onrustige situatie bij de ouders. Deze visie van [de instelling 1] dateert echter van oktober 2017.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Op het netwerkoverleg van 15 februari 2018 is met de vader gesproken over het advies van de gedragswetenschapper van de GI en [de instelling 1] om de testen op dat moment niet bij de jongste dochter af te nemen, omdat de situatie van de jongste dochter te onstabiel was. Een jaar later is nogmaals vanuit school en [de instelling 3] aangegeven dat het zinvol kan zijn als de testen worden afgenomen. Voor de GI bleef staan dat de situatie van de jongste dochter eerst stabieler moest worden alvorens dergelijke onderzoeken zinvol zijn.
Na de uithuisplaatsing van de jongste dochter is uiteindelijk een intelligentieonderzoek en een dyslexietest bij de jongste dochter afgenomen. Op 24 april 2020 zijn de resultaten met de vader besproken. Met de vader is besproken dat de uitslagen betrouwbaarder lijken dan de eerder afgenomen IQ-test. Daarbij merkte de vader op dat de jongste dochter veel heeft meegemaakt en haar hoofd heel vol zat. Dit sluit aan bij eerdere adviezen en het besluit van de GI dat eerst gewerkt moest worden aan stabiliteit van de situatie en pas dan verder gekeken kon worden wat er nog aan problematiek bij de jongste dochter was.

4.2.3 De vader voert in de conclusie van repliek het volgende aan:
De jeugdprofessional gaat terug naar februari 2018, maar het gaat nu over juni 2019. De jeugdprofessional heeft weldegelijk het gehele onderzoek en traject tegengehouden.

4.2.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:
De jeugdprofessional kan de vader niet volgen dat dit in 2018 niet heeft gespeeld, maar zij begrijpt nu dat de klacht van de vader vooral ziet op de periode in 2019. De jeugdprofessional heeft reeds in haar verweerschrift uiteengezet welke afwegingen hierin door de GI zijn gemaakt.

4.2.5 Het College overweegt als volgt:
Op basis van de stukken stelt het College vast dat er een verschil van visie heeft bestaan tussen partijen over het (moment van) uitvoeren van een intelligentieonderzoek en een dyslexietest bij de jongste dochter. Het College acht het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de jeugdprofessional de onderzoeken in juni 2019 niet heeft laten uitvoeren. De jeugdprofessional heeft een eigen professionele verantwoordelijkheid en bevoegdheid om af te wegen hoe de uitvoering van de ondertoezichtstelling vormgegeven zal worden. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional (destijds) zorgvuldig gemotiveerd waarom het op dat moment niet raadzaam was om de onderzoeken uit te voeren. In 2018 had de jeugdprofessional de vader reeds geïnformeerd dat de gedragswetenschapper van de GI en [de instelling 1] de situatie van de jongste dochter te onstabiel vonden om de onderzoeken om dat moment uit te voeren en het College acht het navolgbaar dat de jeugdprofessional dat standpunt in juni 2019 heeft gehandhaafd. Het College neemt in dit kader eveneens in overweging dat de onderzoeken uiteindelijk na de uithuisplaatsing van de jongste dochter zijn uitgevoerd en dat uit het contactjournaal van het overleg tussen de GI, de vader en [de instelling 6] van 24 april 2020 volgt dat de resultaten van het onderzoek positief waren en dat is besproken dat de resultaten van het onderzoek betrouwbaarder lijken dan eerdere onderzoeken.

4.2.6 Het College zal het klachtonderdeel ongegrond verklaren.

4.3 Klachtonderdeel 3

4.3.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional werkt vanuit een eigen tunnelvisie.

Toelichting:
Doordat de jeugdprofessional al vanaf 1 november 2016 bij de moeder van de jongste dochter betrokken was en pas vanaf maart 2017 bij de vader, is de jeugdprofessional niet objectief en zonder open visie in het gezin van de vader gekomen. Ook heeft de jeugdprofessional nooit opengestaan voor individuele therapie voor de jongste dochter, ondanks dat de vader dit samen met [de instelling 2] meerdere malen heeft aangegeven. Vanaf dag één heeft de omgang tussen de moeder en de jongste dochter centraal gestaan bij de jeugdprofessional.
Daarnaast heeft het eerste echte persoonlijke gesprek tussen de jongste dochter en de jeugdprofessional pas plaatsgevonden na de uithuisplaatsing op 19 juni 2019. Ondanks dat de jeugdprofessional al drie jaar de jeugdbeschermer van de jongste dochter was, heeft zij in deze periode amper een woord met de jongste dochter gewisseld.

4.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional betwist dat zij niet objectief is begonnen. Zij is niet vanaf de start betrokken geweest bij de ondertoezichtstelling en was niet al eerder bij de moeder betrokken. De jeugdprofessional raakte in 2017 voor de eerste keer, samen met een collega, betrokken bij het gezinssysteem. Zij hebben op dezelfde dag zowel een huisbezoek bij de moeder als bij de vader afgelegd om kennis te maken met de ouders. Van tunnelvisie is geen sprake. Zij heeft steeds het belang van de jongste dochter voorop gezet en alle beslissingen zijn steeds gezamenlijk met collega’s genomen. Bovendien heeft de kinderrechter de visie van de vader meegewogen in de procedures rondom de opgelegde kinderbeschermingsmaatregelen.
Daarnaast betwist de jeugdprofessional dat zij niet open heeft gestaan voor hulpverlening voor de jongste dochter. Door de jaren heen is veel verschillende hulpverlening ingezet, waaronder individuele hulpverlening voor de jongste dochter. Toen duidelijk werd dat deze hulpverlening onvoldoende voortgang boekte, heeft [de instelling 1] geadviseerd om in te zetten op het verbeteren van de communicatie tussen de ouders en geen individuele hulpverlening voor de jongste dochter in te zetten. De jeugdprofessional merkt verder op dat de vader de ingezette hulpverlening gestopt heeft omdat hij hier onvoldoende vertrouwen in had en zich intimiderend opstelde richting hulpverleners.
Tot slot is het niet juist dat de jeugdprofessional de jongste dochter pas voor het eerst gesproken heeft na de uithuisplaatsing. Zij heeft de jongste dochter gezien en gesproken bij haar eerste kennismaking bij de vader thuis. Daarnaast heeft zij de jongste dochter gezien en gesproken in de periode dat [de instelling 4] betrokken was, samen met de hulpverlener van [de instelling 4] en de moeder, maar ook alleen. Na de uithuisplaatsing heeft zij de jongste dochter verschillende malen gezien en gesproken, maar nooit alleen omdat de jongste dochter zich dan vijandig opstelde en de jeugdprofessional beschuldigde van mishandeling.

4.3.3 De vader voert in de conclusie van repliek het volgende aan:
Het is de vader niet bekend dat de jeugdprofessional in 2017 met haar collega jeugdbeschermer op huisbezoek is geweest. Ook niet dat de jeugdprofessional de jongste dochter heeft gezien en gesproken voor de uithuisplaatsing. Hierover is in de overgelegde stukken van de jeugdprofessional niets terug te vinden. Ook is hierin niet terug te vinden welke individuele hulpverlening zij heeft ingezet voor de jongste dochter. [de instelling 2] was voor de ondertoezichtstelling al in beeld en dat heeft de GI stopgezet, met als gevolg dat er voor de jongste dochter tien maanden lang geen Intensieve Pedagogische Thuishulp (IPT) is geweest.

4.3.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:
Tegenover de klacht van de vader heeft de jeugdprofessional gesteld dat zij weldegelijk een huisbezoek heeft afgelegd en de jongste dochter meerdere keren heeft gezien en gesproken. In april 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden in verband met de overdracht van de uitvoering van de ondertoezichtstelling naar de jeugdprofessional en haar collega. Hierbij waren de vader, zijn partner en de jongste dochter aanwezig. Daarnaast heeft de jeugdprofessional op 12 december 2017 de jongste dochter samen met de vader en de moeder gesproken over de omgang en staat in een verslag van [de instelling 4] van 14 december 2017 over het begeleid bezoek vermeld dat de jeugdprofessional een nagesprekje had met de jongste dochter.
Verder gaat het er niet om welke individuele hulpverlening de jeugdprofessional heeft ingezet, maar wat de GI door de jaren heen heeft ingezet. Hiervan heeft de jeugdprofessional in het verweerschrift een (globaal) overzicht willen geven.

4.3.5 Het College overweegt als volgt:
Op basis van de stukken kan het College niet vaststellen dat de jeugdprofessional gewerkt heeft vanuit haar eigen tunnelvisie. Dat de jeugdprofessional eerder bij de moeder betrokken was dan bij de vader, heeft de vader niet met stukken onderbouwd. Uit de stukken blijkt ook niet dat de jeugdprofessional niet open heeft gestaan voor individuele therapie voor de jongste dochter. Het College maakt weliswaar uit de stukken op dat de jeugdprofessional veel aandacht heeft besteed aan het op gang brengen van de omgang tussen de jongste dochter en de moeder, maar uit de beschikkingen van 19 oktober 2018 en 17 januari 2019 blijkt onder meer dat de kinderrechter heeft geoordeeld dat het contact met de moeder voor de identiteitsontwikkeling van de jongste dochter van belang is en dat de GI dient in te zetten op contactherstel tussen hen. Daarbij komt dat [de instelling 1] in haar eindverslag van 29 november 2017 heeft geadviseerd dat ingezet dient te worden op het verbeteren van de communicatie tussen de ouders in plaats van individuele behandeling van de jongste dochter, omdat individuele behandeling van de jongste dochter alleen zin zal hebben als zij uit het loyaliteitsconflict kan komen (zie onder 2.6 van deze beslissing). Daarnaast volgt uit de stukken dat er veel hulpverlening is ingezet, waaronder individuele hulpverlening voor de jongste dochter, zoals [de instelling 1], [de instelling 2] en [de instelling 3]. Dat [de instelling 2] al voor de ondertoezichtstelling betrokken was doet daar niet aan af, nu de jeugdprofessional als opvolgend jeugdbeschermer het reeds ingezette beleid van de GI voortzet.
Tot slot heeft de jeugdprofessional voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de jongste dochter diverse malen gezien en gesproken heeft, zowel voor als na de uithuisplaatsing. Zo heeft de jeugdprofessional in haar conclusie van dupliek passages uit het contactjournaal van 12 december 2017 en uit een verslag van [de instelling 4] van 15 december 2017 geciteerd waaruit volgt dat zij met de jongste dochter gesproken heeft.

4.3.6 Het College zal het klachtonderdeel ongegrond verklaren.

4.4 Klachtonderdeel 4

4.4.1. De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jongste dochter is na de uithuisplaatsing zwaar geïsoleerd.

Toelichting:
Na de uithuisplaatsing is een beperkte contactregeling opgesteld, voordat er bij de vader en de moeder om een visie is gevraagd. De jongste dochter mag alleen omgang hebben met de vader en de moeder en zij mag geen eigen mobiele telefoon hebben. Hierdoor heeft de jongste dochter haar oma niet meer in levende lijve gezien, terwijl zij haar iedere zondagochtend zag. De vader heeft hierover meerdere malen per e-mail vragen gesteld aan de jeugdprofessional, maar deze heeft zij nooit concreet beantwoord.
Daarnaast is de contactregeling na de eerste vaststelling nooit meer geëvalueerd, terwijl in de brief van 22 juli 2019 stond dat de regeling iedere zes weken geëvalueerd zou worden en om ieders visie gevraagd zou worden.

4.4.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Bij een uithuisplaatsing is het aan de GI en de betrokken instantie om een passende contactregeling vast te stellen. De jeugdprofessional kan zich voorstellen dat het voor de vader verdrietig was dat hij beperkt werd in het contact met zijn jongste dochter, maar zoals uit de brief van 31 juli 2019 aan de vader blijkt, is de vader daarbij wel om zijn visie gevraagd. In het MDCO van 18 juli 2019 is besloten dat er een tweewekelijks belcontact tussen de jongste dochter en haar ouders is en tweewekelijks omgang. Hierover is op 19 juli 2019 telefonisch contact met de vader geweest en bij brief van 22 juli 2019 is dit schriftelijk aan de vader bevestigd.
In de beleving van de jeugdprofessional is wel met de vader gesproken over zijn vragen waarom de jongste dochter geen contact met andere mensen uit haar netwerk mocht hebben. In de brief van 30 juli 2019 zijn aan de vader de redenen gegeven waarom brieven en kaartjes niet meer werden toegelaten en waarom de jongste dochter geen eigen telefoon mocht hebben. De jeugdprofessional vindt de opmerking van de vader over het overlijden van de oma in relatie tot de uithuisplaatsing onder de gordel.
Daarnaast stelt de jeugdprofessional dat de contactregeling wel degelijk na zes weken is geëvalueerd. [de instelling 7] heeft iedere begeleid contactmoment met de vader geëvalueerd. Voor het verloop hiervan en de opstelling van de vader verwijst de jeugdprofessional naar de schriftelijke aanwijzing van 10 september 2019. Verder heeft op 13 augustus 2019 opnieuw een MDCO plaatsgevonden over de bevindingen van [de instelling 7] en berichten van de zorgboerderij over de houding van de vader. De vader is hier schriftelijk over geïnformeerd. Daarnaast heeft op 23 augustus 2019 een evaluatiegesprek plaatsgevonden met de vader en zijn advocaat over onder andere de rapportage over het verloop van ondertoezichtstelling en de contactregeling.

4.4.3 De vader voert in de conclusie van repliek het volgende aan:
De jeugdprofessional stelt in haar verweer dat de evaluaties de taak van [de instelling 7] waren, maar het is de GI die de contactregeling opstelt, de regie voert en waar nodig de contactregeling verandert, wijzigt of uitbreidt. De jeugdprofessional haalt de nabesprekingen van [de instelling 7] en de omgangsevaluatie van de GI door elkaar. Voor de moeder heeft in november wel uitbreiding van de omgang met de jongste dochter plaatsgevonden en toen is ook om de visie van de vader gevraagd. Voor de vader is dit nooit gebeurd.
De vragen van de vader waren met de brief van de jeugdprofessional van 30 juli 2019 niet beantwoord. De jeugdprofessional meldt dat dit zo besloten is in een MDCO, maar de vader krijgt geen inzage in deze MDCO verslagen. Na voornoemde brief heeft de vader in twee e-mails om een duidelijke uitleg gevraagd, maar hier heeft de jeugdprofessional niet op gereageerd.

4.4.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:
In het verweerschrift is toegelicht dat de omgang werd begeleid en nabesproken door [de instelling 7] en dat er in augustus een eerste evaluatie door de GI heeft plaatsgevonden. Een collega heeft dit verder opgepakt. Verder wijst de jeugdprofessional er in dit kader op dat aan de vader op 10 september 2019 een schriftelijke aanwijzing met betrekking tot de omgang is gegeven en dat een verzoek aan de kinderrechter om deze vervallen te verklaren is afgewezen. Hieruit blijkt dat er vanuit de GI de nodige aandacht is geweest voor het verloop van de omgang tussen de vader en de jongste dochter en de onderbouwing waarom de contactregeling met de vader op een bepaalde manier is ingevuld. Dat hij het niet eens is met de uitkomsten hiervan is duidelijk, maar dat maakt niet dat daarmee gesteld kan worden dat de GI en/of de jeugdprofessional hierin onzorgvuldig hebben gehandeld.

4.4.5 Het College overweegt als volgt:
De vader heeft het klachtonderdeel als volgt geformuleerd: “De jongste dochter is na de uithuisplaatsing zwaar geïsoleerd.” Uit de toelichting op de klacht en de conclusie van repliek maakt het College op dat de klacht van de vader er (met name) op ziet dat de jeugdprofessional de vragen van de vader over de – in zijn ogen beperkte – contactregeling niet heeft beantwoord en dat de contactregeling niet na zes weken is geëvalueerd. Omdat de jeugdprofessional ook op deze punten verweer heeft gevoerd, zal het College een oordeel geven over deze verwijten.
Het College maakt uit de stukken op dat de vader op 15 juli 2019 gevraagd is om zijn mening te geven over het vaststellen van een contactregeling en dat hij die bij brief van 16 juli 2019 gegeven heeft. De regeling is vervolgens vastgesteld in het MDCO van 18 juli 2019. Hierna is de contactregeling, onder verwijzing naar een telefoongesprek tussen partijen op 19 juli 2019, per brief van 22 juli 2019 aan de vader gecommuniceerd en uiteindelijk neergelegd in de schriftelijke aanwijzing van 10 september 2019, hetgeen het College (in het licht van artikel 1:265f van het Burgerlijk Wetboek) zorgvuldig acht. Bij brief van 30 juli 2019 heeft de jeugdprofessional de vader uitgelegd waarom brieven en kaartjes voorlopig niet toegelaten konden worden en waarom de jongste dochter geen eigen mobiele telefoon mocht hebben. Tevens schrijft de jeugdprofessional in deze brief: “U geeft aan dat er geen duidelijkheid is over bezoekrecht/contact. Ik wil u hierbij verwijzen naar de brief d.d. 22 juli jl. en ons telefonisch contact hierover op 19 juli jl. Hierin is het MDCO besluit aan u toegelicht (…).” Hoewel het College hieruit opmaakt dat de jeugdprofessional de uitkomst van het MDCO van 18 juli 2019 aan de vader heeft gecommuniceerd en dat partijen hierover op 19 juli 2019 telefonisch contact hebben gehad, blijkt uit de stukken niet dat de vader schriftelijk geïnformeerd is over de afwegingen die in het MDCO zijn gemaakt ten aanzien van de (beperkte) contactmomenten tussen de vader en de jongste dochter. Jeugdprofessionals dienen hun handelen, overwegingen en beslissingen helder te kunnen uitleggen en onderbouwen, zodat het voor de betrokkenen duidelijk is waarom bepaalde beslissingen zijn genomen. Mede gelet op de vragen die de vader na de brief van 22 juli 2019 kennelijk nog had, is het College van oordeel dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, nu onvoldoende is gebleken dat zij het besluit van de GI om het contact tussen de jongste dochter en de vader te beperken, nader schriftelijk heeft onderbouwd en toegelicht. Daarmee is artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode geschonden.
Voor wat betreft het evalueren van de contactregeling blijkt uit de brief van de jeugdprofessional van 22 juli 2019 dat de regeling na zes weken geëvalueerd zou worden (zie onder 2.17 van deze beslissing). In haar brief van 31 juli 2019 heeft de jeugdprofessional deze afspraak herhaald. Tevens schrijft zij: “Zoals eerder om uw visie gevraagd (brief d.d. 15 juli jl.), en die ik ook ontvangen heb van u per mail d.d. 16 juli jl. zal dan ook weer om uw visie gevraagd gaan worden.” Uit de overgelegde stukken maakt het College op dat [de instelling 7] de individuele contactmomenten heeft begeleid en nabesproken, maar het College merkt dat niet aan als het evalueren van de onderliggende contactregeling. Het College overweegt dat het tot de kern van de functie van een jeugdbeschermer behoort om regie te nemen in het uitvoeren van de ondertoezichtstelling. Het had in dit licht op de weg van de jeugdprofessional gelegen om na zes weken de verslagen van [de instelling 7] met, onder andere, de vader te bespreken en hem in de gelegenheid te stellen zijn visie te geven op het verloop van de contactregeling. De stelling van de jeugdprofessional dat de contactregeling op 23 augustus 2019 met de vader en zijn advocaat geëvalueerd is, kan het College niet volgen nu in het verslag van dit gesprek is vermeld dat de contactregeling nog geëvalueerd zal worden. Zo is in het verslag het volgende opgenomen: “6. Vader vindt het contact met [de jongste dochter] te weinig. [De GI] heeft aangegeven dat [de jongste dochter] deze omgang zelf heeft voorgesteld. Na 6 keer bezoek wordt er geëvalueerd en ieders mening bevraagd.” Verder ziet het College weliswaar in de stukken terug dat de jeugdprofessional de vader heeft geïnformeerd dat er zorgen zijn over het verloop van de contactmomenten, bijvoorbeeld middels de (aankondiging) schriftelijke aanwijzing, maar het is het College niet gebleken dat de vader om zijn visie is gevraagd of uitgenodigd is om het gesprek hierover aan te gaan. Het College acht dit in het licht van de gemaakte afspraken onzorgvuldig en in strijd met de artikelen G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) en E (Respect) van de Beroepscode.

4.4.6 Het College zal het klachtonderdeel gegrond verklaren.

4.5 Klachtonderdeel 5

4.5.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional communiceerde slecht en gaf geen of ontwijkende antwoorden op vragen van de vader.

Toelichting:
In de toelichting op het klachtonderdeel heeft de vader twee voorbeelden gegeven. Allereerst heeft de jeugdprofessional slecht gecommuniceerd over het gesprek dat op 25 juli 2019 op het politiebureau zou plaatsvinden. Op 23 juli 2019 ontving de vader een Whatsappbericht van de jeugdprofessional met de mededeling dat er op 25 juli 2019 een gesprek zou plaatsvinden op het politiebureau. De jeugdprofessional heeft niet gereageerd op Whatsappberichten van de vader, een telefoontje en een e-mail van vader. Uiteindelijk heeft de advocaat van de vader een e-mail aan de jeugdprofessional gestuurd en met haar gebeld. Het gesprek is uiteindelijk niet doorgegaan, omdat de jeugdprofessional niet akkoord was met de vertrouwenspersoon die de vader meenam. De vader en zijn vertrouwenspersoon zaten toen al tien minuten te wachten op het politiebureau. De jeugdprofessional stelde dat zij de e-mail van de advocaat van de vader te laat had gelezen.
Daarnaast heeft de vader de jeugdprofessional meerdere malen gevraagd waarom zij de jongste dochter had aangemeld bij [de instelling 6]. Meerdere malen heeft de jeugdprofessional daar niet of ontwijkend op geantwoord.

4.5.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional heeft wel degelijk gereageerd op de vragen van de vader. Zij verwijst naar haar brieven van 12 juli 2019 en 9 augustus 2019 waarin zij de vader geïnformeerd heeft over de aanmelding bij [de instelling 6]. Daarnaast heeft zij in de brief van 31 juli 2019 gereageerd op vragen van de vader over het niet doorgaan van de afspraak op 25 juli 2019 en waarom dat gesprek op het politiebureau gepland was.

4.5.3 De vader voert in de conclusie van repliek het volgende aan:
In een Whatsappbericht heeft de jeugdprofessional de vader mededelingen gedaan over de plaats en het tijdstip van het overleg van 25 juli 2019. De jeugdprofessional heeft niet gereageerd op Whatsappberichten en e-mails van de vader waarin hij opheldering heeft gevraagd. Pas een week later komt de jeugdprofessional met een verklaring. Voor wat betreft de aanmelding van de jongste dochter bij [de instelling 6] handhaaft de vader zijn stelling dat hij nooit concreet antwoorden heeft gekregen van de jeugdprofessional op zijn vragen.

4.5.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:
De jeugdprofessional verwijst naar haar verweerschrift ten aanzien van dit klachtonderdeel.

4.5.5 Het College overweegt als volgt:
Voor wat betreft de communicatie over het gesprek dat op 25 juli 2019 op het politiebureau zou plaatsvinden is het College van oordeel dat de jeugdprofessional hierover zorgvuldiger had kunnen communiceren. Het College maakt uit de stukken op dat de jeugdprofessional de vader via Whatsapp heeft uitgenodigd voor het gesprek, met daarbij de mededeling dat het gesprek zou plaatsvinden op het politiebureau. Het College acht het begrijpelijk dat dit bij de vader tot vragen heeft geleid, evenals het uitblijven van een reactie van de jeugdprofessional op de Whatsappberichten en de e-mail van de vader van 23 juli 2019. Het is daarnaast, in eerste instantie, niet duidelijk waarom de jeugdprofessional de afspraak heeft afgezegd, toen de vader en zijn vertrouwenspersoon al in de wachtkamer op het politiebureau aanwezig waren. Het College merkt dit echter aan als een miscommunicatie en oordeelt dat de jeugdprofessional vervolgens zorgvuldig aan de vader heeft uitgelegd waarom het zo gelopen is. Omdat het bij een tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen niet erom gaat of dat handelen beter had gekund, maar of de jeugdprofessional binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven, is het College van oordeel dat de jeugdprofessional in dit kader geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Dit gedeelte van het klachtonderdeel acht het College ongegrond.
Ten aanzien van het verwijt van de vader dat zijn vragen over de aanmelding van de jongste dochter bij [de instelling 6] niet zijn beantwoord, maakt het College uit de stukken op dat de vader diverse malen aan de jeugdprofessional gevraagd heeft welke onderzoeken bij de jongste dochter uitgevoerd zouden worden. Bij brief van 13 juli 2019 heeft de jeugdprofessional de vader ten aanzien van [de instelling 6] als volgt bericht: “Deze zullen zo spoedig mogelijk gaan starten met de benodigde onderzoeken voor [de jongste dochter].” In haar brief van 30 juli 2019 verwijst zij hierover naar de laatste zitting bij de rechtbank en voornoemde brief van 13 juli 2019. Op 8 augustus 2019 heeft de vader de jeugdprofessional gevraagd waar de jongste dochter nu precies voor aangemeld was bij [de instelling 6]. Zo schrijft hij: “Concreet is dus aan u de vraag voor welk(e) onderzoek(en) heeft u [de jongste dochter] aangemeld bij [de instelling 6].” In reactie daarop heeft de jeugdprofessional de vader op 9 augustus 2019, onder meer, als volgt bericht: “Zoals besproken in de rechtbank, gaat [de instelling 6] starten met onderzoeken. U zult uitgenodigd worden voor een intake. Hierin gaat u duidelijke uitleg krijgen van de behandelaars welke onderzoeken er gedaan zullen worden.” In zijn brief van 11 augustus 2019 herhaalt de vader zijn vraag: “Laat ik het anders stellen legt u mij dan maar eens uit wat er dan in de rechtbank concreet besproken is welk(e) onderzoek(en) er afgesproken zouden zijn, mij is dat geheel niet duidelijk.” Nu de vader duidelijk heeft laten weten dat het hem niet duidelijk was welke onderzoeken precies uitgevoerd zouden worden, had het als regiehouder in deze casus op de weg van de jeugdprofessional gelegen om de vader, als gezaghebbende ouder, concreet hierover te informeren. Dit vloeit voort uit artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- dienstverlening) van de Beroepscode, waarin omschreven is dat de jeugdprofessional met (de jeugdige en) de ouders/opvoeders overlegt om tot overeenstemming te komen over de hulp- en dienstverlening of andere (wettelijke opgelegde) taken en dat hij of zij zich dient in te zetten voor een goede en efficiënte samenwerking. Op die manier draagt de jeugdprofessional bij aan een transparante en eenduidige regie van de hulpverlening. Doordat dit is nagelaten, is het voor de vader onvoldoende duidelijk geweest welke onderzoeken er uitgevoerd zouden worden, hetgeen het College tuchtrechtelijk verwijtbaar en in strijd met voornoemd artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- dienstverlening) acht.

4.5.6 Het College zal het klachtonderdeel deels gegrond verklaren, namelijk voor zover de vader de jeugdprofessional verwijt dat zij geen of ontwijkende antwoorden heeft gegeven op de vragen van de vader over de aanmelding van de jongste dochter bij [de instelling 6]. Voor het overige zal het College het klachtonderdeel ongegrond verklaren.

4.6 Klachtonderdeel 6

4.6.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional heeft het ouderschapsbemiddelingstraject bij [de instelling 5] gestagneerd.

Toelichting:
Op 5 juni 2019 hebben de ouderschapsbemiddelaars van [de instelling 5] een advies uitgebracht over het verdere verloop van het traject. Dit advies hield in dat zij eerst een beter en duidelijker beeld van de jongste dochter wilden hebben door middel van diagnostisch onderzoek, voordat zij de moeder en de jongste dochter opnieuw met elkaar in contact zouden brengen. Hier hebben zowel de moeder als de jeugdprofessional negatief op gereageerd. Zij vonden het belangrijker dat de omgang tussen de moeder en de jongste dochter opgestart zou worden. Het contact tussen de moeder en de jongste dochter werd wederom boven het welzijn van de jongste dochter gesteld.
Daarnaast heeft de jeugdprofessional het verslag verwijderd van het gesprek dat op 7 juni 2019 naar aanleiding van het advies van [de instelling 5] en in het bijzijn van de jeugdprofessional, de ouders en de ouderschapsbemiddelaars van [de instelling 5] heeft plaatsgevonden.
Verder zou de jeugdprofessional op een later moment een reactie geven aan de ouderschapsbemiddelaars van [de instelling 5] over het verdere verloop van het traject. De ouderschapsbemiddelaars van [de instelling 5] hebben meerdere malen bij de jeugdprofessional om een reactie gevraagd, maar de jeugdprofessional heeft hier nooit meer op geantwoord. Hierdoor is de ouderschapsbemiddeling bij [de instelling 5] op 1 november 2019 stop gezet.

4.6.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional herkent zich niet in de verwijten van de vader. De ouderschapsbemiddeling bij [de instelling 5] is gestagneerd doordat de moeder het op enig moment niet meer kon opbrengen om gezamenlijke gesprekken met de vader te hebben. Daarom heeft de GI geen verlenging van de ouderschapsbemiddeling aangevraagd. De jeugdprofessional verwijst in dit kader naar het verzoekschrift van 26 augustus 2019 waarin de stand van zaken over de ouderschapsbemiddeling is toegelicht en ook dat dit met de vader op 23 augustus 2019 is besproken.
Ten aanzien van de opmerking van de vader dat zij niet gereageerd heeft op berichten van de ouderschapsbemiddelaars van [de instelling 5], merkt zij op dat zij haar getracht hebben te bereiken tijdens haar vakantie. Om die reden heeft zij niet kunnen reageren. De vader is bij brief van 26 augustus 2019 geïnformeerd over de vakantie van de jeugdprofessional. Toen de jeugdprofessional terug was van vakantie heeft zij contact opgenomen met [de instelling 5] over de ouderschapsbemiddeling.
De jeugdprofessional betwist dat zij het verslag heeft verwijderd van het gesprek op 7 juni 2019. Zij begrijpt niet waar de vader op doelt.

4.6.3 De vader voert in de conclusie van repliek het volgende aan:
De jeugdprofessional heeft de vader bericht dat zij tot 19 september 2019 op vakantie zou zijn, maar zij was wel op de zitting van de jongste dochter op 5 september 2019. Verder heeft de jeugdprofessional zowel de vader als [de instelling 5] geen terugkoppeling gegeven over de voortgang of stopzetting, terwijl [de instelling 5] vanaf 31 juli 2019 tot en met 23 september 2019 om opheldering heeft gevraagd. In de afsluitrapportage staat dat er op 4 oktober 2019 voor het laatst telefonisch contact is geweest en dat nog geen duidelijkheid gegeven kon worden over een doorstart van dit traject. Hierdoor is het traject uiteindelijk per 1 november 2019 stopgezet. Pas in het eindverslag las de vader hierover en kwam hij achter de reden waarom het gestopt is. Hierover heeft de jeugdprofessional nooit met de vader gecorrespondeerd. Het verslag dat de jeugdprofessional heeft verwijderd, betreft het verslag van 7 juni 2019. Dit heeft de vader later rechtstreeks bij [de instelling 5] opgevraagd.

4.6.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:
De jeugdprofessional was inderdaad aanwezig op de zitting van 5 september 2019, omdat toen meerdere verzoeken van de vader en de GI behandeld werden. Zij had toen nog wel vakantie, maar was door de GI gevraagd om mee te gaan naar de zitting vanwege haar kennis van het dossier. Verder verwijst de jeugdprofessional naar haar reactie op dit klachtonderdeel in het verweerschrift.

4.6.5 Het College overweegt als volgt:
Het College acht het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de jeugdprofessional er aan vasthield om in te zetten op het contactherstel tussen de moeder en de jongste dochter, ondanks het advies van [de instelling 5] om eerst een duidelijker beeld van de jongste dochter te krijgen door middel van diagnostisch onderzoek. Zoals het College reeds onder klachtonderdeel 2 heeft geoordeeld, heeft de jeugdprofessional een eigen professionele verantwoordelijkheid en bevoegdheid om af te wegen hoe de uitvoering van de ondertoezichtstelling vormgegeven zal worden. Daarnaast heeft de vader onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de jeugdprofessional het gespreksverslag van 7 juni 2019 heeft verwijderd.
Voor wat betreft het verwijt van de vader dat de ouderschapsbemiddeling bij [de instelling 5] door toedoen van de jeugdprofessional is gestopt, maakt het College uit de stukken op dat het traject gestopt is, omdat de moeder daar niet meer aan mee wilde werken. Zo heeft de jeugdprofessional in het overgelegde verzoekschrift van 26 augustus 2019 tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing, onder meer, het volgende opgenomen: “De ouderschapsbemiddeling is ingezet en op dit moment gestopt. De reden hiervoor is dat gezien alle zorgen die naar boven zijn gekomen de afgelopen periode omtrent vader en al zijn kinderen, moeder op dit moment niet bij machte is om rond de tafel te gaan zitten met vader.” Voor zover de vader klaagt dat de jeugdprofessional geen terugkoppeling heeft gegeven over de eventuele voortzetting van de ouderschapsbemiddeling, oordeelt het College dat de jeugdprofessional in dit kader onzorgvuldig heeft gecommuniceerd. Hoewel de jeugdprofessional (onder verwijzing naar voornoemd verzoekschrift) heeft gesteld dat zij op 23 augustus 2019 met de vader gesproken heeft over de ouderschapsbemiddeling en dat zij niet heeft kunnen reageren op de e-mails van [de instelling 5] omdat zij op vakantie was, maakt het College uit de stukken op dat er (ook na de vakantie van de jeugdprofessional) onduidelijkheid heeft bestaan of de ouderschapsbemiddeling zou worden voortgezet. Zo heeft [de instelling 5] de jeugdprofessional op 23 september 2019 per e-mail (met de ouders in de Cc) als volgt bericht: “Wij hebben nog geen reactie mogen ontvangen op onderstaande mail. We weten dat er 23 augustus een gesprek heeft plaatsgevonden waarin de OSB [ouderschapsbemiddeling] besproken zou gaan worden. De indicatie verloopt op 1 november, is er sprake van een doorstart van de OSB of kunnen wij gaan afsluiten?” Daarnaast volgt uit de afsluitende rapportage van [de instelling 5] van 13 november 2019 dat er op 4 oktober 2019 telefonisch contact is geweest tussen de jeugdprofessional en [de instelling 5] en dat er op dat moment nog geen duidelijkheid gegeven kon worden over het al dan niet voortzetten van de ouderschapsbemiddeling. Verder is in de afsluitrapportage opgenomen: “De OSB heeft aangegeven dat de indicatie per 1 november voor de OSB zou gaan verlopen en er een verlenging nodig zou zijn als doorstart gemaakt kon gaan worden. Er is geen verlenging binnen gekomen en de OSB is gesloten.” Het College acht het navolgbaar dat de vader meent dat de ouderschapsbemiddeling is gestopt door toedoen van de jeugdprofessional, nu het College uit de stukken opmaakt dat zij niet helder en transparant met de vader en [de instelling 5] heeft gecommuniceerd of het traject al dan niet zou worden voortgezet. Het College acht dit onzorgvuldig en in strijd met artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode. Dit gedeelte van het klachtonderdeel acht het College gegrond.

4.6.6 Het College zal het klachtonderdeel deels gegrond verklaren, namelijk voor zover de vader de jeugdprofessional verwijt dat zij geen terugkoppeling heeft gegeven over het al dan niet voortzetten van de ouderschapsbemiddeling bij [de instelling 5]. Voor het overige zal het College het klachtonderdeel ongegrond verklaren.

4.7 Klachtonderdeel 7

4.7.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional heeft geen vooronderzoek gedaan naar de verhoudingen tussen de vader en zijn oudste zoon.

Toelichting:
De jongste dochter is op 17 juni 2019 uithuisgeplaatst naar aanleiding van een e-mail van de oudste zoon van de vader. Er was toen nog geen officiële aangifte gedaan bij de politie. Op deze e-mail heeft de jeugdprofessional direct actie ondernomen richting de rechtbank middels een spoedmachtiging uithuisplaatsing van de jongste dochter, zonder ook maar enig vooronderzoek te hebben gedaan. De jeugdprofessional heeft eenzijdig gehandeld, zonder de vader te raadplegen. Zij heeft de complete e-mail van de oudste zoon nooit met de vader gedeeld en ook nooit in de rechtbank overgelegd. De jeugdprofessional heeft de e-mail van de oudste zoon volledig serieus genomen, terwijl het er sterk op lijkt dat deze actie van de oudste zoon gebaseerd is op jaloezie. Indien de jeugdprofessional zelf beter vooronderzoek naar de oudste zoon had gedaan en objectiever te werk was gegaan, was zij zelf ook tot die conclusie gekomen.

4.7.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De informatie van de oudste zoon was dermate ernstig dat de jeugdprofessional direct actie heeft ondernomen. In een MDCO is besloten over te gaan tot een verzoek aan de kinderrechter om een spoedmachtiging uithuisplaatsing te verlenen. Het is de taak en verantwoordelijkheid van de GI om over de veiligheid van de jongste dochter te waken. Hierbij is ook in overweging genomen dat ook de jongste zoon en de oudste dochter uitlatingen hadden gedaan over psychische en lichamelijke mishandeling door de vader. Daarnaast waren er zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de jongste dochter en waren er signalen waargenomen van seksueel uitdagend gedrag en verharding van de jongste dochter richting haar moeder. De zorgen van de GI over de opvoedingssituatie bij de vader werden te groot en de GI heeft er voor gekozen de veiligheid van de jongste dochter te waarborgen. De jeugdprofessional wijst hierbij op een overweging van de kinderrechter in de beschikking van 18 oktober 2019 dat de uithuisplaatsing niet berust op een tegen de vader gerezen verdenking, maar dat dat wel één van de factoren is die een rol spelen bij de veiligheid van de jongste dochter en dat is gebleken van gerechtvaardigde zorgen over de ontwikkeling van de jongste dochter.
De jeugdprofessional heeft de e-mail van de oudste zoon (met daarin delen van de aangifte) niet gedeeld met de vader, omdat het aan de politie was om hierover met de vader contact te zoeken. Het onderzoek naar de waarheidsvinding van de inhoud van de aangifte lag in handen van de politie en de GI wilde geen strafrechtelijk onderzoek belemmeren. De jeugdprofessional heeft hierover overleg gehad met de juridische afdeling van de GI.

4.7.3 De vader voert in de conclusie van repliek het volgende aan:
De oudste zoon van de vader heeft last van schizofrenie en psychoses (waarvoor hij onder behandeling bij een psychiater is) en de jeugdprofessional heeft alles wat hij beweert, direct voor waar aangenomen. Zij geeft toe dat zij geen vooronderzoek heeft gedaan en dat vindt de vader een kwalijke zaak. Ook de beweringen van de oudste dochter over ernstige lichamelijke en geestelijke mishandelingen berusten op een aanname. Niets staat op schrift.

4.7.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:
De jeugdprofessional betwist dat zij de informatie van de oudste zoon voor waarheid heeft aangenomen. De informatie was echter dusdanig zorgelijk dat dit voor de jeugdprofessional aanleiding was om direct actie te ondernemen.

4.7.5 Het College overweegt als volgt:
Het College stelt voorop dat een (crisis)uithuisplaatsing van een jeugdige een zeer ingrijpende beslissing is. Het heeft veel gevolgen voor de betrokken jeugdige(n) en de ouders, zeker wanneer de uithuisplaatsing in een gedwongen kader en zonder instemming van de ouders plaatsvindt. In de Richtlijn Crisisplaatsing is omschreven dat de jeugdprofessional bij een crisisplaatsing een afweging tussen twee kwaden moet maken. Daarbij bestaat een kans dat hij of zij een fout maakt als de jeugdige uit huis wordt geplaatst, maar ook als dat niet gebeurt. Wat de beslissing lastig maakt, is dat dergelijke gevolgen pas achteraf zichtbaar worden en niet altijd van te voren te overzien zijn. Hoewel het niet aan het College is om in de beoordeling van rechtelijke beslissingen te treden, neem het College wel in overweging dat de kinderrechter op basis van de informatie van de jeugdprofessional aanleiding heeft gezien om de spoedmachtiging uithuisplaatsing op dat moment te verlenen. Verder oordeelt het College dat de jeugdprofessional zorgvuldig heeft gehandeld doordat zij naar aanleiding van de zorgwekkende informatie van de oudste zoon een verzoek spoedmachtiging uithuisplaatsing heeft ingediend. Het College kan niet vaststellen dat de jeugdprofessional de informatie van de oudste zoon voor waar heeft aangenomen, of dat zij anderszins een waardeoordeel heeft gegeven over de informatie. Soms is een situatie zodanig acuut bedreigend, dat ingrijpen direct noodzakelijk is en niet altijd gewacht kan worden totdat feiten en omstandigheden uitgebreid zijn onderbouwd en onderzocht en de visie van de betrokkenen is gevraagd. Gelet hierop acht het College het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de jeugdprofessional een verzoek spoedmachtiging uithuisplaatsing bij de kinderrechter heeft ingediend, zonder dat zij de informatie van de oudste zoon bij de vader had geverifieerd. Daarbij neemt het College eveneens in overweging dat de beslissing om tot het verzoek over te gaan in het MDCO is genomen en dat er al zorgen waren over de ontwikkeling en veiligheid van de jongste dochter bij de vader. Zo had de jeugdprofessional al eerder bij de kinderrechter om een machtiging uithuisplaatsing verzocht. Het e-mailbericht van de oudste zoon vormde derhalve de directe aanleiding voor het verzoek, maar er waren al langere tijd ernstige zorgen.

4.7.6 Het College zal het klachtonderdeel ongegrond verklaren.

4.8 Klachtonderdeel 8

4.8.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional heeft de vader continu tegengewerkt en in een kwaad daglicht gesteld.

Toelichting:
De jeugdprofessional had het er steeds over dat de vader niet meewerkte aan de hulpverlening, maar heeft hier nooit richting de vader of de rechtbank een onderbouwing voor gegeven. Het is de vader nog steeds een raadsel waar de jeugdprofessional zich op baseert.
Ook houdt de jeugdprofessional vol dat de vader haar heeft bedreigd tijdens de uithuisplaatsing van de jongste dochter. Dit terwijl de aanwezige politieagenten de vader op het moment van de uithuisplaatsing juist een compliment gaven dat hij zo rustig en netjes is gebleven. Later beweerden de desbetreffende politieagenten het tegendeel en dit hebben zij ook vermeld in hun proces-verbaal.
Daarnaast heeft de jeugdprofessional de vader op de zorgboerderij geïntroduceerd alsof hij de jongste dochter misbruikt zou hebben en dat hij een hele gevaarlijke man zou zijn. Hierdoor zijn hele vervelende situaties ontstaan. De vader verwijst in dit kader naar verklaringen van twee (oud) medewerkers van de zorgboerderij waaruit de stelling van de vader zou blijken.

4.8.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional betwist dat zij de vader steeds in een kwaad daglicht heeft proberen te stellen. Zij heeft met de vader getracht in gesprek te komen over zijn houding, lange voorgeschiedenis met hulpverlening en zorgen over de kinderen en patronen in het gezin, maar dat was er niet op gericht om hem in een kwaad daglicht te stellen. Voor wat betreft het tegenwerken van de hulpverlening, heeft niet alleen zij, maar hebben ook andere hulpverleners ervaren dat de vader erg bepalend wil zijn in wat er wordt ingezet en hoe dat gebeurt en dat als hem iets niet zint, dat hij dan niet meer wil meewerken.
Het dreigement dat de vader bij de uithuisplaatsing heeft geuit, heeft de jeugdprofessional als zeer serieus ervaren en zo ervaart zij dat nog steeds. De ernst van de impact van de uitspraak ontstaat niet alleen door een dergelijke uitspraak, maar ook door de combinatie van de handelswijze en houding van de vader bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Dat de betrokken politieagenten de uitspraak van de vader niet zo hebben ervaren, heeft de vader niet onderbouwd. Ook al was dat wel het geval, dan verandert dit voor de jeugdprofessional niets aan hoe zij de opmerking van de vader heeft ervaren.
Verder betwist de jeugdprofessional dat zij richting de zorgboerderij iets gezegd heeft over seksueel misbruik. Het is niet aan de jeugdprofessional om dergelijke conclusies te trekken. Zij heeft wel met de vader en de zorgboerderij besproken dat er zorgen zijn over de seksualiteit van de jongste dochter. Bij navraag bij de zorgboerderij over de verklaring die de vader heeft overgelegd, heeft zij te horen gekregen dat de betreffende medewerker daar slechts kort heeft gewerkt en na enkele maanden op staande voet is ontslagen. De jeugdprofessional acht het kwalijk en onprofessioneel dat een oud medeweker een degelijke onjuiste verklaring opstelt en daarbij ook de privacy van de moeder en de jongste dochter schendt.

4.8.3 De vader voert in de conclusie van repliek het volgende aan:
Voor wat betreft de verklaringen van de medewerkers van de zorgboerderij, geeft de jeugdprofessional slechts een reactie op één van de twee verklaringen. Daarnaast heeft de vader de processen-verbaal opgevraagd bij de politie en die geven een heel ander beeld over de uithuisplaatsing dan de jeugdprofessional doet voorkomen.

4.8.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:
In haar verweer heeft de jeugdprofessional uiteengezet welke zorgen er al enige jaren zijn over de jongste dochter en de andere kinderen, dat al veel verschillende hulpverlening is ingezet en dat zij en de GI een andere visie dan de vader hebben op wat in het belang van de jongste dochter is.

4.8.5 Het College overweegt als volgt:
Op basis van de stukken kan het College niet vaststellen dat de jeugdprofessional de vader continu heeft tegengewerkt en in een kwaad daglicht heeft gesteld. Voor wat betreft het verwijt van de vader dat de jeugdprofessional ten onrechte steeds benoemde dat hij niet meewerkte aan de hulpverlening, maakt het College uit de stukken op dat de jeugdprofessional diverse signalen vanuit de hulpverlening heeft ontvangen over de moeizame samenwerking met de vader. Op 10 oktober 2019 ontving de jeugdprofessional bijvoorbeeld een e-mail van de zorgboerderij waarin beschreven is dat de vader erg negatief is naar de medewerkers van de zorgboerderij. Tevens is in de e-mail opgenomen: “Daarnaast zijn twee medewerkers bang van hem, een van hen zit overspannen thuis, de andere mag van ons niet meer bij de gesprekken aanwezig zijn.” Daarnaast heeft de GI op 12 maart 2020 een e-mail van [de instelling 7] ontvangen waarin de zorgen over de samenwerking met de vader zijn omschreven. In deze e-mail is, onder meer, het volgende opgenomen: “Vandaag hebben wij binnen het MT van [de instelling 7] bovenstaande besproken nadat onze werkers meerdere keren hadden aangegeven bang te zijn van de deze man. Hij is bedreigend en intimiderend. Werkers doen niets goed en elk woord moet worden afgewogen of het geen onwenselijke tegenreactie oproept. Daarop hebben we eerder al besloten een geen bezoek begeleiding alleen meer te laten doen. Maar helaas is dit niet voldoende en hebben we moeten besluiten om bijna een jaar onze werkers te beschermen tegen deze druk en een stop te zetten aan onze opdracht.” De jeugdprofessional kan in dit licht dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Datzelfde geldt ten aanzien van het verwijt van de vader dat de jeugdprofessional blijft volhouden dat de vader haar tijdens de uithuisplaatsing van de jongste dochter heeft bedreigd. Partijen spreken elkaar op dit punt tegen en het College kan de manier waarop partijen de uithuisplaatsing hebben beleefd, niet in twijfel trekken of toetsen.
Dat de jeugdprofessional de vader bij de zorgboerderij op een negatieve wijze heeft geïntroduceerd, kan het College op basis van de stukken niet vaststellen. De vader heeft weliswaar twee verklaringen van (oud) medewerkers van de zorgboerderij overgelegd, waaruit zou volgen dat zij vernomen hadden dat de jongste dochter door de vader misbruikt zou zijn, maar het College kan daar niet uit opmaken dat die informatie afkomstig was van de jeugdprofessional.

4.8.6 Het College zal het klachtonderdeel ongegrond verklaren.

4.9 Conclusie

4.9.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot klachtonderdelen 4, 5 (gedeeltelijk) en 6 (gedeeltelijk) tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional de artikelen G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) en E (Respect) van de Beroepscode geschonden. Zij heeft het besluit van de GI om het contact tussen de vader en de jongste dochter na de uithuisplaatsing te beperken richting de vader onvoldoende schriftelijk toegelicht en zij heeft nagelaten de contactregeling na de uithuisplaatsing na zes weken te evalueren. Daarnaast heeft de jeugdprofessional de vader onvoldoende geïnformeerd over de aanmelding van de jongste dochter bij [de instelling 6] en het al dan niet voortzetten van de ouderschapsbemiddeling bij [de instelling 5].

4.9.2 Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid en de zwaarte van de op te leggen maatregel overweegt het College dat de jeugdprofessional ten aanzien van meerdere klachtonderdelen (gedeeltelijk) tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Met name in de communicatie met de vader is de jeugdprofessional tekort geschoten. Het College houdt echter ook rekening met de omstandigheden waaronder de jeugdprofessional heeft moeten handelen. Het College constateert dat de jeugdprofessional in een complexe situatie heeft moeten handelen, waarbij sprake was van (forse) problematiek en verstoorde familieverhoudingen. Daarnaast is er sprake geweest van een moeizame samenwerking tussen partijen, welke mede veroorzaakt is door de opstelling van de vader. Zo trekt het College bijvoorbeeld niet in twijfel dat de jeugdprofessional zich tijdens de uithuisplaatsing van de jongste dochter ernstig bedreigd heeft gevoeld door de vader. Gelet op het gedeeltelijk verwijtbare handelen ten aanzien van meerdere klachtonderdelen, en de complexe situatie meewegende, acht het College het passend en geboden om aan de jeugdprofessional de maatregel van waarschuwing op te leggen.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdelen 4, 5 (gedeeltelijk) en 6 (gedeeltelijk) gegrond;
  • verklaart voor het overige klachtonderdelen 1, 2, 3, 5 (gedeeltelijk), 6 (gedeeltelijk), 7 en 8 ongegrond;
  • legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College en op 5 oktober 2020 aan partijen toegezonden.

 

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns                                                 mevrouw mr. A.V. Verweij

voorzitter                                                                                        secretaris