Een jeugdbeschermer heeft zich voldoende ingespannen om jegens de vader aan de (algemene) informatieplicht te voldoen over (het hulpverleningstraject van) de dochter, die de leeftijd van zestien jaar had bereikt en geen toestemming gaf voor het verstrekken van informatie aan de vader.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager], klager, hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats],

op 6 mei 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[beklaagde], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij de [GI] [plaats], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.V. Verweij.

De vader wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw K. Koole, werkzaam als vertrouwenspersoon bij AKJ.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. J. Brouwer, werkzaam als jurist bij DAS Rechtsbijstand.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift ontvangen op 6 mei 2020;
  • het verweerschrift ontvangen op 14 juli 2020;
  • de pleitnota die de gemachtigde van de vader voorafgaand aan de digitale mondelinge behandeling heeft overgelegd.

1.2 De digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 16 april 2021. Op grond van artikel 8.8 van het Tuchtreglement, versie 1.3, heeft de voorzitter besloten de zaaknummers 20.169Ta en 20.169Tb gezamenlijk te behandelen. Bij de digitale mondelinge behandeling waren aanwezig de vader, de jeugdprofessional, de collega van de jeugdprofessional (beklaagde jeugdprofessional in zaaknummer 20.169Ta) en de gemachtigden.

1.3 Na afloop van de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2     De feiten

Het College gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft een (inmiddels) meerderjarige dochter, geboren in 2002.

2.2 De vader en zijn ex-partner, de moeder van de dochter, zijn in 2017 gescheiden. Ten tijde van de minderjarigheid van de dochter werd het ouderlijk gezag over haar gezamenlijk uitgeoefend door de ouders. De dochter heeft sinds de echtscheiding van de ouders afwisselend bij de moeder en bij de vader gewoond.

2.3 Op 21 juli 2016 heeft de kinderrechter de dochter voor de duur van twaalf maanden onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, totdat de dochter meerderjarig is geworden in 2020.

2.4 Op 10 juli 2017 is de ondertoezichtstelling van de dochter voor de duur van een jaar verlengd. De kinderrechter heeft onder meer het volgende overwogen: “Dat vader in het belang van [de dochter] een stap terug heeft gedaan, betekent niet dat hij niet bij beslissingen over [de dochter] betrokken dient te worden.”

2.5 De jeugdprofessional is samen met haar collega (tevens beklaagde jeugdprofessional in zaaknummer 20.169Ta) sinds januari 2018 namens de GI belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de dochter.

2.6 Op 26 maart 2018 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van de dochter verleend in een accommodatie van [accommodatie] (hierna te noemen: [accommodatie].

2.7 Op 3 april 2018 heeft een intakegesprek plaatsgevonden bij [accommodatie]. Daarbij waren aanwezig de dochter, de ouders en de jeugdprofessional en haar collega. De plaatsing bij [accommodatie] is op dat moment niet doorgegaan, omdat de dochter na afloop van het intakegesprek kenbaar heeft gemaakt dit niet te willen.

2.8 Op 4 september 2018 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van de dochter in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 4 september 2018 tot uiterlijk 4 maart 2019. Voordat aan deze machtiging uitvoering kon worden gegeven, is de situatie rondom de dochter zodanig geëscaleerd dat de GI op 25 oktober 2018 een verzoek tot een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de dochter in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp heeft ingediend. Deze machtiging is door de kinderrechter op 5 november 2018 afgegeven voor de duur van drie maanden, tot uiterlijk 5 februari 2019. Vanwege drugsgebruik en gedragsproblemen is de dochter in januari 2019 toch naar [accommodatie] overgeplaatst.

2.9 Omstreeks eind november 2018 zijn de ouders bij hulpverleningsinstantie [hulpverleningsinstantie] gestart met Functional Family Therapy (hierna te noemen: FFT) in verband met complexe echtscheidingsproblematiek.

2.10 In het kader van het behandeltraject van de dochter bij [accommodatie] heeft op 13 februari 2019 een zogenaamde verbindingsdag plaatsgevonden bij [accommodatie], waarbij in ieder geval de ouders en de dochter aanwezig waren. Na afloop van de verbindingsdag is het contact tussen de vader en de dochter verbroken.

2.11 Op 20 februari 2019 heeft de vader de jeugdprofessional en haar collega een e-mail gestuurd waarin hij mededeelt dat hij besloten heeft niet meer deel te nemen aan de FFT-sessies en de oudersessies bij [accommodatie]. Na afloop van het behandeltraject bij [accommodatie] is de dochter bij de moeder gaan wonen.

2.12 Naar aanleiding van een vraag van de vader over de behandeling van de dochter bij [accommodatie] heeft de collega van de jeugdprofessional hem op 11 april 2019 per e-mail geïnformeerd dat hij over de behandeling van de dochter bij [accommodatie] niet veel kan en mag zeggen, omdat de dochter inmiddels zestien jaar is en heeft laten weten dat zij niet wil dat de vader over haar wordt geïnformeerd.

2.13 Op 15 april 2019 heeft de vader de collega van de jeugdprofessional een e-mail gestuurd waarin hij kenbaar maakt dat hij recht heeft om te weten hoe het met zijn dochter gaat, ook al is er op dat moment geen contact tussen hen. De collega van de jeugdprofessional heeft dezelfde dag hierop gereageerd in een e-mail dat de dochter niet wil dat de vader over haar geïnformeerd wordt en dat de GI dat respecteert, aangezien zij de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt.

2.14 Op 23 mei 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden bij de GI, waarbij aanwezig waren de vader, zijn partner, de jeugdprofessional en haar collega. In het contactjournaal is over dit gesprek, onder meer, het volgende opgenomen: “We spreken af met vader dat we hem over de hoofdlijnen (bijv. verlenging OTS) op de hoogte houden per mail, maar inhoudelijk de argumenten daarvoor niet kunnen vertellen, omdat [de dochter] dat niet wil. Wel blijft [de GI] dit bij ieder gesprek bespreken met [de dochter].”

2.15 Op 10 juli 2019 is opnieuw een machtiging tot uithuisplaatsing afgegeven voor de plaatsing van de dochter in een accommodatie jeugdhulpaanbieder voor de duur van een jaar.

2.16 Op 18 september 2019 heeft de jeugdprofessional de vader per e-mail een update gegeven over de dochter. Daarin is de vader onder meer geïnformeerd dat de dochter op 19 oktober 2019 geplaatst zal worden op de behandelgroep [behandelgroep]. Hierop volgt een uitvoerige e-mailcorrespondentie tussen de vader en de jeugdprofessional en haar collega. Daarin is de vader meermaals uitgenodigd voor een gesprek en heeft de vader bij herhaling kenbaar gemaakt dat hij eerst zwart op wit informatie over de dochter wenst te ontvangen, voordat hij met de jeugdprofessional en haar collega in gesprek wil gaan.

2.17  Op 20 november 2019 en 17 februari 2020 hebben gesprekken plaatsgevonden bij de GI, waarbij aanwezig waren de vader zijn partner, de jeugdprofessional en haar collega. In deze gesprekken is de vader (op hoofdlijnen) geïnformeerd over (het hulpverleningstraject van) de dochter.

2.18 De jeugdprofessional staat sinds 11 juli 2017 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of een jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het (beroepsmatig) handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

De twee in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden één voor één besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk en samengevat weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College. De jeugdprofessional heeft ten aanzien van de twee klachtonderdelen één verweer ingediend en is niet expliciet ingegaan op de afzonderlijke klachtonderdelen. Het verweer van de jeugdprofessional zal daarom zakelijk en samengevat worden weergegeven onder klachtonderdeel 1 in overweging 4.1.2 van deze beslissing.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij hem niet informeert over het te volgen hulpverleningstraject van de dochter.

Toelichting:
Sinds februari 2019 is er geen contact meer tussen de vader en de dochter. Sindsdien wordt de vader erg summier op de hoogte gehouden van het hulpverleningstraject van de dochter. Op 11 en 15 april 2019 geeft de collega van de jeugdprofessional per e-mail aan dat hij hem niet kan informeren over het hulpverleningstraject van de dochter bij [accommodatie], omdat de dochter de jeugdprofessional heeft verzocht dit niet met de vader te delen en zij de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt. De jeugdprofessional gaat voorbij aan het feit dat de vader gezag heeft en recht heeft om te weten hoe het met de dochter gaat, ook wanneer zij daar geen toestemming voor geeft. Op 18 september 2019 ontvangt de vader een update van de jeugdprofessional over het hulpverleningstraject van de dochter. De vader geeft in reactie daarop aan aanvullende vragen te hebben. De jeugdprofessional stelt een aantal maal voor om hierover met de vader in gesprek te gaan. De vader wenst eerst een aantal stukken te ontvangen, zodat hij zich kan voorbereiden op het gesprek en gericht vragen kan stellen. In de e-mail van 17 oktober 2019 laten de jeugdprofessional en haar collega de vader weten dat zij hem per e-mail op hoofdlijnen informeren over de dochter, maar dat zij voor zijn vragen een gesprek willen plannen. Op 24 oktober 2019 ontvangt de vader opnieuw een korte update van de jeugdprofessional, naar aanleiding waarvan de vader wederom vragen heeft. Daarop volgt een e-mailwisseling waarin de jeugdprofessional en haar collega de vader meermaals uitnodigen op gesprek om zijn vragen te beantwoorden. De vader geeft telkens aan dat hij de antwoorden op zijn vragen per e-mail wil ontvangen. Op 1 november 2019 doet de vader nog een laatste poging om zijn vragen per e-mail te stellen. Ook hierop volgt een afwijzing op een schriftelijke reactie en een uitnodiging voor een gesprek. Het is de vader nooit duidelijk geworden waarom de jeugdprofessional en haar collega structureel weigerden de vader per e-mail van antwoorden te voorzien, zoals opgenomen in artikel 7.3.2 van de Jeugdwet. Dat zij meermaals gepoogd hebben met de vader in gesprek te gaan, doet niet af aan het feit dat de vader recht heeft om geïnformeerd te worden over het hulpverleningstraject van zijn dochter. Dit heeft de jeugdprofessional hiermee geweigerd te doen. Uiteindelijk is de vader op 17 februari 2020 in gesprek gegaan met de jeugdprofessional en haar collega en heeft hij antwoorden op zijn vragen gekregen. Zij willen echter niets zwart op wit zetten, terwijl de vader daar meermaals om verzocht heeft. De vader heeft om die reden zelf een verslag geschreven, waarop door de GI geantwoord is.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional en haar collega zijn vanaf april 2019 in discussie geraakt met de vader over zijn recht op informatie over de dochter. Vanaf dat moment heeft de dochter aangegeven dat zij niet wil dat de vader wordt geïnformeerd. Dit houdt met name verband met de gebeurtenissen op de verbindingsdag bij [accommodatie], de weigering van de vader om de dochter toe te laten op de begrafenis van zijn vader, het weghalen van het konijn van de dochter en het stopzetten van zijn medewerking aan zowel [accommodatie] als FFT. De jeugdprofessional en haar collega hebben diverse keren afgestemd met de juridische helpdesk en de gedragswetenschapper van de GI. Het advies bleef de vader op hoofdlijnen te informeren en de beslissing van de dochter te respecteren. Als vader vragen had, werd een gesprek aangeboden. De jeugdprofessional en haar collega hebben hierdoor zowel rekening gehouden met het gezag van de vader, als met de privacy van de dochter. Jongeren vanaf zestien jaar beslissen zelfstandig over hulpverlening en hebben een zelfstandig recht op informatie. Uitgangspunt blijft het belang van de dochter. Ouders met gezag worden geïnformeerd voor zover de jongere van die leeftijd daartoe toestemming verleent. De vader wil echter stukken ontvangen, waarna hij bereid is om in gesprek te gaan. De jeugdprofessional en haar collega hebben de vader er meerdere malen op gewezen dat hij geen recht heeft op informatie over het hulpverleningstraject, evenmin over de besluitvorming. Wel zijn zij steeds bereid geweest de vader op hoofdlijnen te informeren in een gesprek, mede in het belang van contactherstel met de dochter. De jeugdprofessional stelt zich op het standpunt dat zij in lijn met wet- en regelgeving heeft gehandeld. Van een schending van artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker (hierna: de Beroepscode) is geen sprake. Zij verwijst tevens naar artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode, waarin is vermeld: “Wettelijke bepaalde leeftijdsgrenzen bepalen of de jeugdzorgwerker met de jeugdige cliënt zelf en/of met dienst wettelijke vertegenwoordiger(s) overlegt.” Deze formulering wordt ook bij andere artikelen in de Beroepscode aangehaald. Volledigheidshalve wijst de jeugdprofessional erop dat zij in het licht van artikel E (Respect) van de Beroepscode de jeugdige cliënt met diens kwetsbaarheid, groeiende zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid heeft gerespecteerd. Tevens heeft zij gezocht naar mogelijkheden om de ouderrol van de vader vorm te geven. De jeugdprofessional heeft zich in deze casus laten leiden door de belangen van de dochter en geprobeerd deze belangen minder afhankelijk te laten zijn van de onderlinge strijd tussen de ouders en de gevolgen daarvan voor de dochter. Dat dit een lastige balans kan zijn, omdat er meerdere belangen zijn, is het krachtenveld waarbinnen jeugdbeschermers hun vak moeten uitoefenen. De jeugdprofessional benadrukt zich bewust te zijn van haar verantwoordelijkheid een bijdrage te leveren aan het vertrouwen in de jeugdzorg, zoals bedoeld in artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode.

4.1.3 Het College overweegt als volgt:
De vraag die aan het College voorligt is of de jeugdprofessional de vader te beperkt heeft geïnformeerd over (het hulpverleningstraject van) de dochter. Het College beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Een jeugdhulpverlener en een medewerker van een gecertificeerde instelling hebben een informatieplicht jegens de betrokkene (artikel 7.3.2 van de Jeugdwet). Uit artikel 7.3.1 lid 2 van de Jeugdwet volgt dat met betrokkene wordt gedoeld op degene aan wie jeugdhulp wordt verleend, of ten aanzien van wie een kinderbeschermingsmaatregel wordt uitgevoerd. Anders dan de vader stelt valt de verstrekking van informatie aan ouders over wilsbekwame jeugdige cliënten vanaf zestien jaar onder de regels van de informatieverstrekking aan derden (artikel 7.3.11 Jeugdwet). Voor deze informatieverstrekking is toestemming van de jeugdige vereist. Zoals in het Privacyreglement gecertificeerde instelling is omschreven, is dit gebaseerd op het uitgangspunt dat bij oudere jongeren de hulp zich meer mag richten op het vergroten van de zelfstandigheid.
Tussen partijen is niet in geschil dat de dochter sinds april 2019 bij herhaling kenbaar heeft gemaakt dat zij geen toestemming geeft voor het verstrekken van informatie aan de vader. Op dat moment had de dochter reeds de leeftijd van zestien jaar bereikt. In het licht van voornoemd (wettelijk) kader acht het College het juist en zorgvuldig dat de jeugdprofessional de wens van de dochter heeft gerespecteerd. De leeftijd van de dochter brengt echter nog niet met zich mee dat een gezaghebbende ouder helemaal geen recht op informatie meer heeft. Een gezaghebbende ouder blijft tot het bereiken van de meerderjarige leeftijd verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van zijn of haar kinderen, waardoor de ouder in dat verband ook recht blijft hebben op (algemene) informatie die daarop ziet. Dat is alleen anders wanneer het algemeen informeren van de ouder niet verenigbaar is met de zorg van een goed hulpverlener. De vader heeft in dit licht dan ook terecht aangevoerd dat hij recht heeft om te weten hoe het met de dochter gaat. Het College kan de vader echter niet volgen wanneer hij stelt dat die (algemene) informatieverstrekking per e-mail dient plaats te vinden. De jeugdprofessional heeft een eigen professionele bevoegdheid om te bepalen op welke wijze zij de vader voorziet van de bedoelde (algemene) informatie. Daar komt bij dat het College uit de stukken opmaakt dat de vader op regelmatige basis per e-mail is geïnformeerd over (het hulpverleningstraject van) de dochter. Op 28 mei 2019 is de vader bijvoorbeeld geïnformeerd dat de GI bij de rechtbank een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de dochter gaat indienen. Daarnaast verwijst het College naar de e-mails aan de vader van 18 september 2019 en 24 oktober 2019, waarin hij geïnformeerd is over de dagbehandeling van de dochter en hoe de plaatsing op de [behandelgroep] is verlopen. Verder leest het College in de stukken dat de jeugdprofessional de vader bij herhaling heeft uitgenodigd om met hem in gesprek te gaan om zijn vragen te beantwoorden en te bespreken hoe het met de dochter gaat en dat die gesprekken ook hebben plaatsgevonden. Het College oordeelt dan ook dat de jeugdprofessional aan de (algemene) informatieplicht jegens de vader heeft voldaan en dat haar geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

4.1.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij hem niet betrekt bij besluiten over het hulpverleningstraject van zijn dochter.

Toelichting:
Uit de beschikking van 10 juli 2017 volgt dat de vader betrokken dient te worden bij de beslissingen die over de dochter genomen dienen te worden, ondanks dat er op dat moment geen contact is tussen de vader en de dochter. Uit de overgelegde e-mails blijkt dat de vader niet betrokken is bij de beslissing dat de dochter naar een behandelgroep gaat in plaats van een zelfstandigheidstraining. De vader ontvangt alleen de mededeling. In de beschikking van 29 juli 2019 over de machtiging tot uithuisplaatsing staat dat de dochter op een neutrale plek naar zelfstandigheid getraind dient te worden. Deze machtiging liep tot 20 juli 2020. De vader had uit de stukken van de echtscheidingsprocedure vernomen dat het plan was dat de dochter per 29 juli 2020 weer bij de moeder zal gaan wonen. Dit is in strijd met de beschikking van 29 juli 2019. De jeugdprofessional heeft dit plan uiteindelijk aan de vader medegedeeld. De vader heeft naar aanleiding daarvan bewijzen aangeleverd bij de jeugdprofessional dat de dochter het niet goed doet op school en tegen de afspraken in nog steeds in de nacht actief is op WhatsApp. Hierover heeft de vader niets meer vernomen. De jeugdprofessional heeft de vader niet betrokken bij het maken van het plan voor de dochter en de beslissing dat zij weer thuis kan wonen.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De verwijzing van de vader naar de beschikking van 10 juli 2017 is volgens de jeugdprofessional niet relevant. De inhoud van die beschikking was immers door het bereiken van de leeftijd van zestien jaar van de dochter in 2019 achterhaald. Voor het overige verwijst het College naar hetgeen de jeugdprofessional heeft aangevoerd onder 4.1.2 van deze beslissing.

4.2.3 Het College overweegt als volgt:
Het College stelt vast dat de jeugdprofessional in dit klachtonderdeel wordt verweten dat de vader niet betrokken is bij besluiten over (het hulpverleningstraject van) de dochter. Zoals het College reeds onder klachtonderdeel 1 heeft geoordeeld, heeft de jeugdprofessional zorgvuldig gehandeld naar aanleiding van de verklaringen van de dochter dat zij geen toestemming geeft voor het verstrekken van informatie aan de vader. De jeugdprofessional heeft de vader in dit licht slechts kunnen voorzien van algemene informatie over (het hulpverleningstraject van) de dochter. Een logische gevolgtrekking daarvan is dat de vader ook niet gevraagd kon worden om inhoudelijk mee te denken over de besluitvorming. Immers, zonder informatie zou de vader zich ook geen beeld kunnen vormen van de te nemen besluiten. Het College oordeelt dan ook dat de jeugdprofessional in dit kader geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

4.2.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdelen 1 en 2 ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 28 mei 2021 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. S.C. van Duijn                                                          mevrouw mr. A.V. Verweij

voorzitter                                                                                             secretaris