Ouders verwijten een orthopedagoog van een zorgroep dat zij niet heeft opgeschaald naar een toezichthouder en dat zij onwaarheden vertelt.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. M. Fiege, voorzitter,
de heer drs. M. Faas, lid-beroepsgenoot,
mevrouw drs. B.J. van Leeuwen, lid-beroepsgenoot,

over het door:

mevrouw [naam moeder], klaagster, en de heer [naam vader], klager, hierna samen te noemen: de ouders, wonende te [plaatsnaam],

op 4 oktober 2019 ingediende klaagschrift tegen:

mevrouw [naam beklaagde], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam geweest als orthopedagoog bij de zorggroep [naam zorggroep], hierna te noemen: de zorggroep.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

De ouders worden in deze zaak bijgestaan door hun gemachtigde de heer [naam gemachtigde], werkzaam als vertrouwenspersoon bij AKJ.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Partijen hebben ingestemd met een bemiddelingsgesprek onder leiding van de bemiddelaar van het College. Het bemiddelingsgesprek heeft plaatsgevonden op 18 november 2019. Op 10 december 2019 is namens de ouders bericht dat zij de tuchtklacht tegen de jeugdprofessional doorzetten. Op 17 december 2019 is de jeugdprofessional daarover geïnformeerd.

1.2 Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 4 oktober 2019;
– één geluidsopnames, inclusief transcriptie, behorend bij het klaagschrift;
– het verweerschrift ontvangen op 26 januari 2020;
– de conclusie van repliek ontvangen op 24 april 2020;
– de conclusie van dupliek ontvangen op 1 mei 2020.

1.3 De voorzitter heeft op grond van artikel 5 van de tijdelijke regeling werkwijze van het College van Toezicht en het College van Beroep in verband met COVID-19 (Corona), hierna: de tijdelijke regeling, besloten om de klacht schriftelijk af te handelen. Op grond van artikel 7 van de tijdelijke regeling zijn partijen in de gelegenheid gesteld om nog eenmaal schriftelijk te reageren op hetgeen door de wederpartij naar voren is gebracht (repliek en dupliek).

1.4 De schriftelijke behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 18 mei 2020. De beslissing is op 15 juni 2020 aan partijen verzonden.

2     De feiten

Op grond van de stukken gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De ouders hebben een minderjarige dochter. De dochter is geboren in 2003. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de dochter.

2.2 Op 27 mei 2017 is de dochter geplaatst op de zorggroep als zijnde haar toekomstgerichte woonvoorziening. Na deze plaatsing is tussen de ouders en de directrice van de zorggroep (hierna: de directrice) een conflict ontstaan.

2.3 In maart 2019 heeft een beschermingstafel plaatsgevonden en is besloten een verzoek tot onderzoek te doen aan de Raad voor de Kinderbescherming.

2.4 Op 14 juni 2019 hebben de moeder en de jeugdprofessional telefonisch contact gehad. Van dat contact hebben de ouders aan de procesregisseur van de gemeente een verslag per e-mail toegestuurd. Op 18 juni 2019 heeft de jeugdprofessional in een reactie aan de procesregisseur laten weten dat zij zich niet in het verslag kan vinden en dat zaken uit hun verband zijn getrokken. Voor verdere vragen verwijst zij naar haar leidinggevende.

2.5 Vanaf eind juni 2019 is de jeugdprofessional niet meer werkzaam bij de zorggroep.

2.6 De kinderrechter heeft bij beschikking van 25 juli 2019 de dochter onder toezicht gesteld en een machtiging tot uithuisplaatsing uitgesproken waardoor de plaatsing op de zorggroep gecontinueerd is gebleven. De ouders hebben minimaal contact met hun dochter.

2.7 De jeugdprofessional is van [datum] 2016 tot [datum] 2021 als pedagoog geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

De twee in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht, de conclusie van repliek, als het verweer en de conclusie van dupliek zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De ouders verwijten de jeugdprofessional dat zij niet heeft opgeschaald naar een toezichthouder.

Toelichting:
Tijdens het telefoongesprek dat de ouders en de jeugdprofessional op 14 juni 2019 gevoerd hebben, is het duidelijk geworden dat de visie van de zorggroep afwijkt van die van de jeugdprofessional. De jeugdprofessional heeft zich negatief uitgelaten over het gevoerde beleid binnen de zorggroep en laten weten dat het voor de aanwezige jongeren schadelijk zou zijn. De ouders menen dat de jeugdprofessional stappen had moeten zetten, bijvoorbeeld door het doen van een melding bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Het verlaten van de organisatie is onvoldoende, omdat dan de status quo binnen de zorggroep in stand gelaten wordt. In het klaagschrift hebben de ouders meerdere voorbeelden opgesomd van de zorgen die de jeugdprofessional in het telefoongesprek geuit zou hebben, waaronder het gegeven dat de directrice door meerdere jeugdigen ‘oma’ genoemd wordt. Daardoor is onvoldoende professionele afstand tussen de jeugdigen en de zorgverlener. Een andere zorg die benoemd zou zijn, is dat na het vertrek van de jeugdprofessional haar functie van 32 naar 4 uur werd teruggebracht.
In de conclusie van repliek wijzen de ouders op de professionele verantwoordelijkheid van de jeugdprofessional. De jeugdprofessional had zich (tot op zekere hoogte) kunnen doen informeren door actief informatie op te halen. De jeugdprofessional heeft een passieve houding aangenomen, wat zij zelf ook in haar verweerschrift benoemd heeft. De jeugdprofessional is kennelijk niet opgewassen geweest tegen de directrice. Hoewel er begrip voor is dat het voor een beginnend orthopedagoog lastig moet zijn geweest, kan dat niet als rechtvaardiging dienen voor niet handelen. De jeugdprofessional had een actievere houding moeten aannemen in het bespreekbaar maken van de misstanden en had moeten inschatten dat opschalen naar een externe toezichthouder nodig was om de status quo binnen de instelling te beoordelen. Te meer gezien de houding van de directrice naar de jeugdprofessional toe.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional was betrokken bij het aflopen van de onderwijsontheffing van de dochter. De jeugdprofessional dacht daarom dat het doel van het telefonisch contact was dat de onderwijsontheffing besproken werd. Van het conflict tussen de ouders en de directrice was de jeugdprofessional zijdelings op de hoogte, maar daar werd zij verder niet bij betrokken. Tijdens het telefoongesprek wilde de jeugdprofessional een luisterend oor bieden.
Het klopt dat de jeugdprofessional tijdens het telefoongesprek kenbaar gemaakt heeft dat zij de visie van de zorggroep niet deelt. Desondanks heeft zij zich gedurende haar werkzaamheden geen zorgen gemaakt over de veiligheid van cliënten. Beslissingen waren ook al genomen voordat de jeugdprofessional bij de zorggroep kwam werken en bij andere beslissingen werd zij niet betrokken. Van veel informatie rondom de dochter, zoals de ouders in deze tuchtprocedure naar voren gebracht hebben, was de jeugdprofessional niet op de hoogte.
Voor wat betreft de professionele afstand, heeft de jeugdprofessional gezien dat het lastig is om gepaste afstand te bewaren gelet op de intensieve begeleiding en betrokkenheid vanuit de begeleiders van de zorggroep. Dat de directrice ‘oma’ genoemd wordt, is niet handig geweest vanwege de problematiek van de dochter. Het terugdraaien daarvan is echter ook lastig. Het contact tussen de directrice en de dochter was er al voordat de jeugdprofessional in augustus 2017 bij de zorggroep kwam werken. De jeugdprofessional is verteld dat het verleggen van de hechting met de ouders is besproken tijdens het intakegesprek en dat zij daarachter stonden. De jeugdprofessional erkent dat zij de vraagtekens, die zij over genoemde constructie had, hardop had moeten stellen. Zij heeft echter ook gezien dat de dochter door deze band met de directrice ontwikkelstappen heeft kunnen zetten die eerder niet mogelijk leken.
Het terugbrengen van de functie van orthopedagoog is volgens de jeugdprofessional zonde, omdat de functie een meerwaarde kan hebben. Er zijn echter meer organisaties waarbij een orthopedagoog maar een aantal uren in de week betrokken is. De jeugdprofessional betwist dat zij de boel de boel gelaten heeft. Ondanks dat zij geprobeerd heeft de samenwerking te laten slagen, kwam de functie niet van de grond zoals zij het voor ogen had. Als beginnend orthopedagoog is het haar niet gelukt daar verandering in aan te brengen.
In de conclusie van dupliek wijst de jeugdprofessional er (nogmaals) op dat destijds de zorgen bij haar en haar collega’s niet dusdanig groot waren om daarvan melding te maken. Bovendien is in het contact met de externe toezichthouder nadien kenbaar gemaakt dat niet vastgesteld kan worden dat mogelijk sprake is (geweest) van ernstige bedreiging van de patiëntveiligheid.

4.1.3 Het College overweegt als volgt:
De jeugdprofessional is bij de dochter en de ouders betrokken geweest vanwege het aflopen van de onderwijsontheffing van de dochter. Van het in dat verband gevoerde telefoongesprek op 14 juni 2019 hebben de ouders in deze tuchtprocedure de geluidsopname en transcriptie overgelegd. Uit dat telefonisch contact wordt vastgesteld dat tussen de jeugdprofessional en de directrice een verschil van visie bestond rondom verschillende beleidskwesties. Het voert echter te ver om uit dat contact vast te kunnen stellen dat bij de jeugdprofessional zorgen bestonden over de veiligheid van de dochter en/of andere cliënten binnen de zorggroep, dan wel dat de jeugdprofessional op de hoogte was van misstanden binnen de zorggroep waarvan het noodzakelijk was melding te maken bij een toezichthouder. Uit de stukken is onvoldoende gebleken dat daarvan binnen de zorggroep sprake is geweest, dan wel dat de jeugdprofessional van dergelijke zaken op de hoogte is geweest. Dat de jeugdprofessional kennelijk anders dacht over beleidskwesties dan de directrice maakt dat niet anders. Het College concludeert dat de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden ten aanzien van het niet opschalen naar een toezichthouder.

4.1.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De ouders verwijten de jeugdprofessional dat zij onwaarheden vertelt.

Toelichting:
Na het telefoongesprek van 14 juni 2019 hebben de ouders een samenvatting daarvan aan de procesregisseur van de gemeente gestuurd. De procesregisseur heeft daarover contact gezocht met de jeugdprofessional, waarna de jeugdprofessional heeft laten weten zich niet in de samenvatting te herkennen. Zij heeft nagelaten kenbaar te maken wat eventueel wel klopt. Vervolgens heeft de directrice de jeugdprofessional uit de e-mailwisseling gehaald, waardoor zij niet meer bereikbaar was voor de ouders. De ouders hebben een geluidsopname en transcriptie van het telefoongesprek overgelegd waarmee volgens hen aangetoond wordt dat de samenvatting wel een goede weergave van het telefoongesprek is. De ouders voelen zich in hun naam en eer aangetast, omdat de jeugdprofessional niet nader heeft uitgelegd wat wel en wat niet klopt in de samenvatting.
In de conclusie van repliek voeren de ouders aan dat de jeugdprofessional niet had mogen volstaan met haar summiere reactie. Daarmee is richting de gemeente het beeld gewekt dat de ouders onwaarheden vertellen en dat hun hele weergave onjuist was. De jeugdprofessional was op de hoogte van het conflict tussen de ouders en de zorggroep. Door vervolgens dit beeld op te wekken, is het vertrouwen van de ouders in de hulpverlening verder beschadigd.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Nadat de jeugdprofessional het gespreksverslag ontving, kreeg zij het gevoel betrokken te worden bij een conflict waarvan zij inhoudelijk niet op de hoogte was en waar al veel andere partijen bij betrokken waren. In een deel van het gespreksverslag kon de jeugdprofessional zich vinden, maar er werden ook conclusies getrokken die niet zo bedoeld waren. De jeugdprofessional heeft daarvan twee voorbeelden in haar verweerschrift geschetst.
De jeugdprofessional had besloten uit het conflict te stappen, omdat zij niet van de exacte inhoud op de hoogte was. Achteraf is zij van mening dat zij dat beter had kunnen toelichten. De jeugdprofessional heeft inmiddels de indruk dat de ouders zich niet gehoord hebben gevoeld. Dat is niet haar bedoeling geweest. Op het moment dat de jeugdprofessional het gespreksverslag ontving, waren er echter vier dagen verstreken waardoor zij niet precies meer wist hoe iets gezegd was. Ook werd tijdsdruk op haar gelegd omdat zij binnen een korte tijd moest reageren om te voorkomen dat een klacht tegen de zorggroep werd ingediend. Haar betrokkenheid leek de jeugdprofessional geen toegevoegde waarde, het leek de situatie enkel ingewikkelder te maken. Achteraf heeft de jeugdprofessional gehoord dat dit het conflict juist heeft bemoeilijkt, hetgeen niet haar intentie is geweest.
In de conclusie van dupliek herhaalt de jeugdprofessional haar eerdere standpunt en maakt daarin kenbaar dat zij niet het beeld heeft willen wekken dat de gehele weergave van de ouders onjuist was.

4.2.3 Het College overweegt als volgt:
Van een jeugdprofessional kan, enkele dagen na een gevoerd (telefoon)gesprek, niet verwacht worden dat desgevraagd een gedetailleerde inhoudelijke terugkoppeling van dat gesprek gegeven kan worden. Voor de ouders is dit anders geweest, omdat zij kennelijk over een geluidsopname van het gesprek beschikten. Het is het College niet gebleken dat de jeugdprofessional daarvan op de hoogte was, evenmin dat zij deze geluidsopname toegestuurd heeft gekregen. Onder die omstandigheden had de jeugdprofessional kunnen volstaan met het geven van een algemene terugkoppeling van het gevoerde gesprek. In het onderhavige geval heeft de jeugdprofessional echter voldoende gemotiveerd waarom zij heeft afgezien van het geven van een (algemene) terugkoppeling, namelijk omdat zij geen onderdeel wilde worden van een conflict waarbij zij (inhoudelijk) niet betrokken was. Het College volgt de jeugdprofessional in deze afweging en acht het zorgvuldig dat zij professionele afstand heeft willen bewaren. Voorts heeft de directrice de jeugdprofessional in het opvolgende contact uit de e-mailcorrespondentie gehaald. Onder deze omstandigheden is het College van oordeel dat de jeugdprofessional heeft gehandeld binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

4.2.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 15 juni 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. M. Fiege, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris