Een jeugdprofessional heeft zich onprofessioneel en beledigend opgesteld jegens de moeder. Van een jeugdprofessional mag te allen tijde een de-escalerende houding worden verwacht.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
mevrouw mr. C.M.H.M. van Lent, lid-jurist,
de heer W.M.P. van Engelen, lid beroepsgenoot,
mevrouw D.J.E. de Graaf, lid beroepsgenoot,
de heer W.V.V. Toebosch, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager], klager, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats]

op 23 november 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[beklaagde], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als zorgcoördinator en directeur bij [organisatie] te [plaats].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.V. Verweij.

De moeder wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer M.E. Kranenburg, werkzaam als vertrouwenspersoon bij AKJ.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. R.L. de Graaff, advocaat te Amsterdam.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift ontvangen op 23 november 2020;
  • de aanvulling op het klaagschrift ontvangen op 14 januari 2021;
  • het verweerschrift ontvangen op 22 maart 2021;
  • de pleitnota die de gemachtigde van de moeder voorafgaand aan de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft overgelegd.

1.2 De digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 3 juni 2021 in aanwezigheid van de moeder, de jeugdprofessional en de gemachtigden.

1.3 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2     De feiten

Het College gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft een (inmiddels meerderjarige) zoon, geboren in 2001. Toen de zoon minderjarig was oefenden de ouders gezamenlijk het gezag uit over de zoon.

2.2 De zoon heeft van 10 april 2018 tot en met 4 februari 2019 in het vrijwillig kader deelgenomen aan een Project [project] van [organisatie] in [land]. De jeugdhulp werd gefinancierd vanuit Nederland, maar (vooral) uitgevoerd in [land].

2.3 Op 30 mei 2018 is de zoon gearresteerd vanwege betrokkenheid bij een inbraak in [land]. De zoon heeft een enkelband gekregen van de rechtbank in [land] en moest op een apart terrein van [organisatie] verblijven, totdat hij berecht kon worden.

2.4 In november 2018 heeft de moeder over de hulpverlening van [organisatie] een melding gedaan bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, hierna te noemen: de Inspectie.

2.5 Op 14 december 2018 heeft de jeugdprofessional een e-mailbericht gestuurd naar de moeder. Daarin schrijft hij onder meer: “Het hopen op een wonder bericht was voor [naam], dus jammer dat [naam] meende dit aan jou door te geven. Wederom wijs jij naar anderen daar waar jij je ook niet houdt aan afspraken. Je deelt mede dat je [de zoon] gaat bezoeken een vorm van overleg is er bij jou ook niet bij. (…) Het je onheus bejegend te voelen kan ik alleen maar over zeggen dat dat wederzijds is.”

2.6 Op 19 december 2018 heeft de bestuurder van het AKJ een melding gedaan bij de Inspectie over [organisatie].

2.7 Op 28 februari 2019 heeft de Inspectie de moeder bericht dat haar klacht niet onderzocht zal worden, maar dat de kwaliteit van zorg in het algemeen onderzocht zal worden. Over de resultaten van dat onderzoek is geen (openbaar) rapport van de Inspectie beschikbaar.

2.8 Op 29 april 2019 heeft de moeder een klacht ingediend bij de klachtencommissie van [organisatie]. De jeugdprofessional voert in zijn verweerschrift in die procedure onder meer aan: “[organisatie] kan zich absoluut niet vinden in de klachten zoals opgenoemd door [de moeder] en zal dus absoluut geen excuses aanbieden voor zaken die zij niet heeft gedaan. Eerder het tegenovergesteld, [de moeder] mag haar excuses aanbieden voor de onheuse bejegening van de medewerkers van [organisatie], de uitvallen die zij heeft gedaan aan de telefoon, haar gedragsmatige problemen waardoor helaas ook de gemeente heeft aan moeten geven dat zij daar problemen mee hadden. [organisatie] werkt altijd naar beste eer en geweten. Helaas was in het geval van [de moeder] normale communicatie een vrijwel onmogelijke zaak. Wij hopen van harte dat [de moeder] ooit in zal zien dat juist haar gedrag maakt dat haar zoon zijn oude ongewenste gedrag zal voortzetten.”

2.9 De klachtencommissie heeft op 2 februari 2020 een uitspraak gedaan. Twee van de negen klachten van de moeder zijn deels gegrond verklaard en de klachtencommissie heeft diverse aanbevelingen gedaan.

2.10 De jeugdprofessional staat sinds [datum] 2018 als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd van SKJ.

3     De ontvankelijkheid

3.1 De moeder wijst er op dat haar klacht voor het grootste deel ziet op handelen van de jeugdprofessional voordat hij bij SKJ was geregistreerd. Zij verzoekt primair de gehele periode van betrokkenheid van de jeugdprofessional te onderwerpen aan tuchtrechtelijke toetsing, subsidiair vanaf het moment dat de jeugdprofessional een SKJ-registratie heeft aangevraagd (naar zij aanneemt is dit minimaal zes weken voor de registratiedatum geweest). Zij voert daartoe het volgende aan.
De meest grove uitlatingen van de jeugdprofessional zijn slechts dertien dagen voordat zijn registratie inging, geuit. De jeugdprofessional moet zijn registratieaanvraag toen al hebben gedaan. Omdat de jeugdprofessional door die aanvraag te kennen heeft gegeven dat hij de intentie en de wens had zich aan de Beroepscode te onderwerpen, is het redelijk en billijk dat hij vanaf dat moment ook aanspreekbaar is op zijn gedrag. Dit geldt temeer nu het er op lijkt dat de jeugdprofessional zich op dringend verzoek van de Inspectie heeft geregistreerd. De uitlatingen van de jeugdprofessional zijn zo onbehoorlijk geweest dat deze in geen enkele situatie te rechtvaardigen zijn. De aard en ernst van het handelen maakt dat een tuchtprocedure de meest logische weg is om diens handelen te toetsen. Voor de registratiedatum van de jeugdprofessional had de moeder ook niet de mogelijkheid haar klachten bij een onafhankelijke klachtencommissie voor te leggen. Een klachtenregeling was er niet en de klachtencommissie bestond uit één persoon.

3.2 De jeugdprofessional voert daartegen aan dat voor een toetsing of de jeugdprofessional zich aan de algemene tuchtnorm heeft gehouden slechts plaats is indien sprake is van een jeugdprofessional zoals in het Tuchtreglement gedefinieerd, namelijk een beroepsbeoefenaar die in het Kwaliteitsregister Jeugd van SKJ is geregistreerd. Hieruit volgt dat de jeugdprofessional vanaf de datum waarop hij bij SKJ is geregistreerd, gebonden is aan het in het Tuchtreglement vastgelegde systeem van normhandhaving. De moeder dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar klachten voor zover deze betrekking hebben op enig handelen door de jeugdprofessional gelegen voor zijn registratiedatum. De door de moeder aangevoerde aanvullende argumenten kunnen daaraan niet afdoen.

3.3 Het College stelt allereerst vast dat klachtonderdelen 2 en 3 betrekking hebben op gedragingen van de jeugdprofessional gelegen na zijn registratiedatum. De vraag of deze klachtonderdelen ontvankelijk zijn is voor deze klachtonderdelen dus niet aan de orde. Klachtonderdeel 1 ziet echter voor een groot deel toe op gedragingen in de periode voor de registratiedatum van de jeugdprofessional. Daarom moet de vraag beantwoord worden of de moeder in klachtonderdeel 1 kan worden ontvangen. Het College is van oordeel dat deze vraag bevestigend beantwoord dient te worden en overweegt daartoe als volgt.
Krachtens het in deze zaak toepasselijke Tuchtreglement, versie 1.4, wordt onder jeugdprofessional verstaan de ‘Beroepsbeoefenaar, geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd van SKJ’. Op grond van artikel 3.1 van het Tuchtreglement is de jeugdprofessional onderworpen aan de algemene tuchtnorm. Klachtonderdeel 1 houdt in dat de jeugdprofessional zich denigrerend, onprofessioneel en beledigend over de moeder en/of de zoon heeft uitgelaten. Als ‘direct aantoonbare voorbeelden’ daarvan benoemt de moeder e-mailberichten van 30 mei 2018, 20 november 2018 (van vóór de registratiedatum) en 14 december 2018 (van na de registratiedatum), maar volgens haar zou de jeugdprofessional ook in ‘niet rechtstreeks aantoonbare’ (telefoon)gesprekken op een dergelijke manier met haar hebben gecommuniceerd. De moeder spreekt van ‘een gedragslijn’ van de jeugdprofessional. Het College begrijpt hieruit dat het klachtonderdeel ziet op een voortdurend handelen van de professional dat zowel de periode voor als de periode na de registratiedatum van 3 december 2018 beslaat. Dit betekent dat de moeder in haar klacht kan worden ontvangen. Het handelen waarover wordt geklaagd ligt immers niet uitsluitend voor de registratiedatum. Het betekent evenwel ook dat het College bij de beoordeling van klachtonderdeel 1 geen acht zal slaan op het handelen van de jeugdprofessional in de periode vóór 3 december 2018. Immers, eerst vanaf die datum is de jeugdprofessional door registratie in het Kwaliteitsregister Jeugd van SKJ onderworpen aan de algemene tuchtnorm. De ernst van het handelen, het gegeven dat de jeugdprofessional al op een eerder moment een aanvraag tot registratie had gedaan, waarom hij die aanvraag heeft gedaan en of de moeder al dan niet een mogelijkheid had om haar klachten voor te leggen bij een onafhankelijke klachtencommissie maken dit niet anders.

4     Het beoordelingskader

4.1 Het College beantwoordt de vraag of een jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

4.2 Het College toetst het (beroepsmatig) handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en het nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5     De klacht, het verweer en de beoordeling

De drie in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden één voor één besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk en samengevat weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.

5.1 Klachtonderdeel 1

5.1.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat hij zich denigrerend, onprofessioneel en beledigend over de moeder en/of de zoon heeft uitgelaten.

Voor zover het (ook) de periode na 3 december 2018 betreft, voert de moeder ter toelichting het volgende aan:
De handelingen van de jeugdprofessional kunnen niet anders worden uitgelegd dan als beledigend en onprofessioneel. Hij heeft op weinig respectvolle wijze over en met de moeder en de zoon gecommuniceerd. Zelfs wanneer de moeder aanleiding gegeven zou hebben voor irritatie bij de jeugdprofessional, dan is het aan hem als professional om haar daar op een beschaafde manier op te wijzen. In het verweerschrift dat de jeugdprofessional bij de klachtencommissie van [organisatie] heeft ingediend is de toon aanvallend en diskwalificerend naar de moeder toe. De jeugdprofessional laat hiermee zien de moeder niet serieus te nemen in haar klachten en niet in staat te zijn op zijn eigen handelen te reflecteren.
De jeugdprofessional heeft de moeder en de zoon ernstig beledigd. Daarmee heeft hij het aanzien van de beroepsgroep en het vertrouwen in de jeugdhulp ernstig beschadigd. De jeugdprofessional lijkt zelfs de grove wijze waarop hij communiceert te rechtvaardigen, dan wel de verantwoordelijkheid daarvoor bij de moeder en/of haar zoon neer te leggen. De jeugdprofessional heeft daarmee ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

5.1.2 De jeugdprofessional voert, voor zover het (ook) de periode na 3 december 2018 betreft, het volgende aan:
De jeugdprofessional heeft op zijn handelen gereflecteerd en is tot de slotsom gekomen dat hij anders had kunnen en moeten handelen. De jeugdprofessional vraagt wel aandacht voor de context waarin de betreffende uitlatingen zijn gedaan. De frustratie zat bij hem heel hoog, omdat de begeleiding van de zoon in zijn optiek stelselmatig gefrustreerd werd door de moeder. Hij erkent dat hij zich in stevige bewoordingen heeft uitgedrukt, maar het was niet zijn bedoeling om de moeder te diskwalificeren.

5.1.3 Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening heeft overschreden en overweegt daartoe als volgt. Het College stelt vast dat de jeugdprofessional het handelen dat hem wordt verweten heeft erkend en dat hij heeft toegegeven dat zijn opstelling jegens de moeder onprofessioneel is geweest. In zijn verweerschrift en tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional de omstandigheden geschetst die hem daartoe aanleiding hebben gegeven. Wat ook van die omstandigheden zij, het College oordeelt dat de jeugdprofessional heeft nagelaten om professionele distantie te bewaren. Van een jeugdprofessional mag te allen tijde een de-escalerende opstelling worden verwacht. Reeds uit het verweerschrift in de procedure bij de klachtencommissie van [organisatie] blijkt dat het de jeugdprofessional in zijn relatie met de moeder en de zoon heeft ontbroken aan ‘een basishouding van onvoorwaardelijke positieve waardering, echtheid en empathie’ (zoals opgenomen in de Richtlijn Samen met ouders en jeugdige beslissen) en aan zorg, tact, eerlijkheid en respect. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional in strijd met artikel E (Respect) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional heeft gehandeld, hierna te noemen: de Beroepscode. Verder acht het College het voldoende aannemelijk geworden dat de jeugdprofessional met zijn optreden het vertrouwen in de jeugdzorg ernstig geschaad heeft, hetgeen strijdig is met artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode.

5.1.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

5.2 Klachtonderdeel 2

5.2.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat hij geen reactie heeft gegeven op de uitspraak van de klachtencommissie van [organisatie].

Toelichting:
De jeugdprofessional heeft in zijn rol als directeur namens [organisatie] niet gereageerd op de uitspraak van de klachtencommissie en daarmee in strijd gehandeld met artikel 7 van het klachtreglement van de klachtencommissie. Daarnaast heeft hij in zijn rol als jeugdprofessional niet gereageerd op het advies van de klachtencommissie om excuses te maken. Tot op heden heeft de jeugdprofessional geen excuses gemaakt en niet op de uitspraak van de klachtencommissie gereageerd. Hoewel een uitspraak van de klachtencommissie het karakter heeft van een vrijblijvend advies, schaadt de jeugdprofessional het reeds geschonden vertrouwen van de moeder in de jeugdzorg zo mogelijk verder door niet te reageren op de uitspraak van de klachtencommissie. Hiermee is mogelijk voor de moeder het beeld ontstaan dat het zinloos is een klacht in te dienen bij een klachtencommissie.

5.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional erkent dat een (tijdige) reactie op de uitspraak van de klachtencommissie van [organisatie] is uitgebleven. De reden daarvoor is dat de uitspraak wel per e-mailbericht is toegezonden aan de moeder, maar niet (ook) aan de jeugdprofessional. Hij wist daarom in het geheel niet dat de klachtencommissie uitspraak had gedaan. Op 26 november 2020 heeft de jeugdprofessional zelf geïnformeerd bij de klachtencommissie omdat het zolang duurde. Hij ontving daarop geen antwoord, omdat er geen andere klachten liepen en de klachtencommissie de mailbox daarom niet controleerde. De jeugdprofessional beschikte pas sinds 3 december 2020 over de uitspraak van de klachtencommissie en op dat moment liep de onderhavige tuchtrechtelijke procedure al. Het leek de jeugdprofessional raadzaam de vereiste reactie in het kader van zijn verweerschrift in te brengen. De jeugdprofessional overlegt tevens een beknopt overzicht van de maatregelen die hij heeft geïmplementeerd naar aanleiding van de aanbevelingen van de klachtencommissie. De jeugdprofessional stelt zich gezien het voorgaande op het standpunt dat het uitblijven van een reactie op de uitspraak van de klachtencommissie niet te wijten is aan enige onwil van de jeugdprofessional, maar aan een fout van de klachtencommissie. De jeugdprofessional biedt hiervoor zijn excuses aan. Het is onwenselijk dat de klachtencommissie van [organisatie] hem niet in de cc heeft gezet bij het toezenden van de uitspraak. Hij heeft maatregelen getroffen om herhaling hiervan te voorkomen. Deze fout kan hem niet worden toegerekend, althans niet zodanig dat hem daarvan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Van een gebrek aan het vereiste respect jegens de moeder is geen sprake.

5.2.3 Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional heeft nagelaten (tijdig) te reageren op de uitspraak van de klachtencommissie van [organisatie] en overweegt daartoe als volgt.
Voor het College is op basis van de stukken vast komen te staan dat de jeugdprofessional niet binnen de in de klachtenregeling van [organisatie] gestelde termijn heeft gereageerd op de uitspraak van de klachtencommissie. Uit de stukken blijkt dat de klachtencommissie op 2 februari 2020 uitspraak heeft gedaan. De moeder heeft op 23 november 2020 de onderhavige tuchtklacht ingediend bij SKJ. Op dat moment had de moeder nog geen reactie van de jeugdprofessional op de uitspraak van de klachtencommissie ontvangen. De jeugdprofessional heeft dit erkend, maar voert aan dat dit hem niet (tuchtrechtelijk) kan worden verweten omdat de klachtencommissie hem pas op 3 december 2020 een afschrift van de uitspraak heeft toegestuurd. Alhoewel het College het ongelukkig acht dat de jeugdprofessional niet direct op de hoogte is gebracht van de uitspraak van de klachtencommissie, oordeelt het College dat de jeugdprofessional op dit punt een te passieve houding heeft aangenomen. De jeugdprofessional was er van op de hoogte dat er een procedure bij de klachtencommissie van [organisatie] liep. Het had naar het oordeel van het College op zijn weg gelegen om bij de klachtencommissie te informeren naar de stand van zaken. Niet alleen in zijn hoedanigheid van directeur van [organisatie], maar ook als inhoudelijk betrokkene bij de casus. Vanwege die betrokkenheid en als directeur behoort het toezien op een zorgvuldige afhandeling van een klacht tot zijn verantwoordelijkheid. Bovendien bevat een uitspraak van de klachtencommissie waardevolle informatie waarvan de betrokken jeugdprofessional kan leren. Door niet adequaat te handelen met betrekking tot de afhandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional naar het oordeel van het College in strijd gehandeld met artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) en artikel E (Respect) van de Beroepscode.

5.2.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

5.3 Klachtonderdeel 3

5.3.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat hij ten onrechte geen afschrift van het dossier heeft gegeven.

Toelichting:
De moeder heeft een afschrift van het dossier bij [organisatie] gevraagd en die niet gekregen. Aangezien de jeugdprofessional de directeur is van [organisatie], kan hem dit worden verweten. De klachtencommissie heeft getoetst en vastgesteld dat de moeder recht heeft op een afschrift van het dossier. Ook heeft de klachtencommissie geadviseerd dat er alsnog een afschrift komt op het eerste verzoek van de moeder. De jeugdprofessional heeft geen reactie gegeven op het advies van de klachtencommissie en heeft geen stappen gezet om de moeder alsnog inzage in of een afschrift van het dossier te geven. De moeder is van mening dat tijdens de zitting bij de klachtencommissie helder is geworden dat zij nog altijd een afschrift van het dossier verwacht en het is aan de jeugdprofessional om dit aan te leveren.

5.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Allereerst wijst hij erop dat hij pas vanaf 3 december 2020 over een afschrift van de uitspraak van de klachtencommissie beschikt. De jeugdprofessional betwist niet dat de moeder recht heeft op een afschrift van het gehele dossier. Hij verkeerde echter enige tijd in de veronderstelling dat het dossier waarom de moeder had verzocht, het dossier betrof van de rechtszaak die tegen de zoon liep in [land]. De moeder verzocht namelijk om “De stukken van de rechtbank”. De jeugdprofessional beschikte echter alleen over het proces-verbaal. Hij wilde eerst met de moeder een afspraak maken over de vertaalkosten daarvan. Uit de onderhavige tuchtklacht maakt de jeugdprofessional op dat het verzoek van de moeder betrekking had op het dossier van de zoon bij [organisatie]. Dat dossier heeft hij inmiddels op 17 maart 2021 per e-mailbericht aan de moeder gezonden. De jeugdprofessional betreurt het dat het dossier door het geschetste misverstand met vertraging bij de moeder is aanbeland. Hij vindt het spijtig dat hij het verzoek van de moeder niet goed heeft begrepen en biedt zijn excuses aan voor de vertraging en zijn aandeel in de miscommunicatie. Hij meent echter dat ook dit klachtonderdeel niet voldoende zwaar is om hem een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

5.3.3 Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional ten onrechte geen afschrift van het dossier, althans niet tijdig, aan de moeder heeft verstrekt en overweegt daartoe als volgt.
Uit de toelichting bij artikel M (Verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode blijkt dat verslaglegging en dossiervorming plaats dient te vinden conform de beroepsstandaard. Op grond van artikel 7.3.8 lid 1 van de Jeugdwet is een jeugdprofessional verplicht een dossier in te richten met betrekking tot de verlening van jeugdhulp voor zover dit voor een goede hulpverlening aan de betrokkene noodzakelijk is. Een belangrijk uitgangspunt in de hulpverlening is openheid richting de betrokkene(n). Onderdeel van deze openheid is dat elke betrokkene recht heeft om na te kunnen gaan of en zo ja, op welke wijze, gegevens over hem of haar (en diens kinderen) worden verwerkt. In dit kader dient de jeugdprofessional aan de betrokkene(n) daarom desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en een afschrift van het dossier te verstrekken. De verstrekking van (delen uit) het dossier kan slechts achterwege blijven voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een ander. Tussen partijen is niet in geschil dat de moeder vanaf 2019 herhaaldelijk om een afschrift van het dossier heeft verzocht. Daarbij gaat het College er vanuit dat de zoon, gelet op zijn leeftijd, toestemming heeft gegeven voor het verstrekken van het dossier aan de moeder. De jeugdprofessional heeft de moeder pas op 17 maart 2021 een afschrift van het dossier verstrekt. Het College kan de jeugdprofessional niet volgen in zijn verweer dat tussen partijen een misverstand heeft bestaan over welke stukken de moeder opvroeg, nu de klachtencommissie van [organisatie] reeds op 2 februari 2020 adviseerde “om alle stukken die betrekking hebben op de zorg die [de zoon] is geboden door [organisatie] c.s. te verstrekken.” In de klachtenprocedure is dit onderwerp dus zeker besproken en ook het gegeven dat die uitspraak hem pas in december 2020 heeft bereikt, doet daar niet aan af. De jeugdprofessional heeft door het niet (tijdig) verstrekken van een afschrift van het dossier artikel M (Verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode geschonden.

5.3.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

5.4 Conclusie

5.4.1 Het College heeft vastgesteld dat de jeugdprofessional met betrekking tot alle drie de klachtonderdelen tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De jeugdprofessional heeft zich onprofessioneel en beledigend opgesteld jegens de moeder, hij heeft nagelaten (tijdig) te reageren op de uitspraak van de klachtencommissie van [organisatie] en hij heeft de moeder niet tijdig een afschrift van het dossier verstrekt. Het College is van oordeel dat met dit handelen artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming), artikel E (Respect) en artikel M (Verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode zijn geschonden.

5.4.2 Bij de beoordeling van de zwaarte van de op te leggen maatregel overweegt het College als volgt. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional met zijn handelen een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de professionele standaard. De jeugdprofessional heeft zich in deze casus teveel door zijn eigen emoties en frustraties laten leiden, hetgeen hij ook heeft erkend. Het College neemt eveneens in overweging dat de jeugdprofessional pas in de onderhavige tuchtprocedure excuses jegens de moeder heeft aangeboden. Van een jeugdprofessional wordt verwacht dat hij zich tijdig reflectief opstelt en uit eigen beweging excuses aanbiedt voor onbetamelijk/onheus gedrag. Alles overwegende acht het College het passend en geboden aan de jeugdprofessional de maatregel van berisping op te leggen. Het openbaar maken van de maatregel van berisping zou met zich mee brengen dat deze maatregel, met daarbij vermelding van de persoonsgegevens van de jeugdprofessional, gedurende vijf jaar zichtbaar is in het openbare deel van het Kwaliteitsregister Jeugd van SKJ. Het College ziet voldoende aanleiding om van openbaarmaking af te zien, omdat dit de eerste keer is dat tegen de jeugdprofessional een tuchtklacht is ingediend. In zijn overweging heeft het College ook betrokken het gegeven dat de jeugdprofessional heeft moeten handelen in een complexe situatie. Hij werd immers als jeugdprofessional en als directeur van [organisatie] geconfronteerd met de situatie dat aan [organisatie]toevertrouwde jongeren betrokken waren bij strafrechtelijke feiten. Aan de jeugdprofessional wordt dan ook de maatregel van berisping opgelegd, zonder openbaarmaking daarvan.

6     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart alle klachtonderdelen gegrond;
  • legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van berisping, zonder openbaarmaking van deze maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 15 juli 2021 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns                                                  mevrouw mr. A.V. Verweij

voorzitter           secretaris