Een jeugdprofessional in het drangkader heeft een gezamenlijk dossier voor twee stiefbroers aangemaakt en pas in een later stadium hier aparte dossiers van gemaakt. Tevens heeft hij het (aparte) dossier van de zoon van klager niet afdoende bijgehouden. Ten overvloede wijst het College de jeugdprofessional – en de beroepsgroep – op het belang van (schriftelijk) verweer voeren in een tuchtprocedure.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk, voorzitter,
de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[Vader], klager, hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats],

op 19 mei 2019 ingediende klaagschrift tegen:

[Jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam geweest als [jeugdbeschermer] bij [de instelling], locatie: [locatie] hierna te noemen: [de instelling].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. M.R. Veerman.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde de heer mr. J.C.C. Leemans, werkzaam bij DAS te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het aangepaste klaagschrift ontvangen op 20 juni 2019;
  • het verweerschrift ontvangen op 6 augustus 2019.

1.2 De vader heeft op 3 september 2019 schriftelijk en gemotiveerd kenbaar gemaakt dat hij niet aanwezig zal zijn tijdens de mondelinge behandeling van de klacht van 7 oktober 2019. Op grond van artikel 9.8 van het Tuchtreglement van SKJ, versie 1.3, heeft het College de aanwezigheid van de vader niet noodzakelijk geacht om de zaak af te kunnen doen. Partijen zijn daarover op 12 september 2019 schriftelijk geïnformeerd.

1.3 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2019 in aanwezigheid van de jeugdprofessional en zijn gemachtigde. Hierbij is als toehoorder aanwezig geweest: een tweede secretaris vanuit het College.

1.4 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2  De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft een minderjarige zoon. De zoon is geboren in 2009.

2.2 De vader en zijn ex-partner, de moeder van de zoon, gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, zijn uit elkaar. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt gezamenlijk uitgeoefend door de ouders. De zoon woont bij de moeder en zijn stiefvader.

2.3 Tussen de vader en de zoon is er sprake van een zorg- en contactregeling. Gedurende de betrokkenheid van de jeugdprofessional verblijft de zoon één weekend per twee weken bij de vader.

2.4 In oktober 2017 raakt de jeugdprofessional in het drangkader als [jeugdbeschermer] betrokken bij de zoon. De jeugdprofessional was toen al in het gedwongen kader betrokken bij de andere in het gezin van de moeder en de stiefvader wonende zoon, hierna te noemen: de stiefbroer.

2.5 Gedurende de betrokkenheid van de jeugdprofessional is in het gezin van de moeder (en de stiefvader) vanuit [de instelling 1] ambulante spoedhulp en vervolgens [ambulante hulpverlening] [afkorting ambulante hulpverlening] ingezet. Omdat de [ambulante hulpverlening] stagneerde en er zorgen waren over de zoon, is voor hem in het drangkader hulpverlening vanuit [de instelling 2] ingezet.

2.6 In april 2019 is het dienstverband van de jeugdprofessional bij [de instelling] beëindigd, waardoor zijn betrokkenheid bij het gezin stopt.

2.7 In april 2019 heeft de betrokken jeugdprofessional vanuit [de instelling 2] telefonisch contact opgenomen met de bureaudienst van [de instelling]. Aan hem werd kenbaar gemaakt dat in het dossier enkel de persoonsgegevens van het gezinssysteem vermeld stonden. Dit heeft de opvolgende [jeugdbeschermer] op 24 juni 2019 aan de betreffende jeugdprofessional bevestigd. Deze informatie heeft de jeugdprofessional vanuit [de instelling 2] schriftelijk met de vader gedeeld.

2.8 De jeugdprofessional is van [datum] 2014 tot en met [datum] 2019 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3 Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4 De klacht, het verweer en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde vijf klachtonderdelen worden besproken en beoordeeld. Het is het College gebleken dat klachtonderdelen 1 en 2 samenhang en/of overlap hebben, omdat deze klachtonderdelen betrekking hebben op het niet bijhouden van het dossier en geen acties voor de zoon opstarten. Om deze reden heeft het College de bespreking en de beoordeling van deze klachtonderdelen onder 4.1 tezamen genomen. De overige klachtonderdelen worden afzonderlijk besproken en beoordeeld. De klachtonderdelen en het verweer worden samengevat en zakelijk weergegeven. Daarna volgt het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.1 Klachtonderdelen 1 en 2

4.1.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Gedurende de betrokkenheid van de jeugdprofessional is door hem geen dossier bijgehouden en  geen enkele actie in gang gezet.

Toelichting:
De jeugdprofessional is in oktober 2017 toegewezen als [jeugdbeschermer] voor de zoon naar aanleiding van de door de vader gemaakte Veilig Thuis melding. De jeugdprofessional heeft tot aan zijn vertrek, in april 2019, heel slecht gereageerd op e-mailberichten, whatsapp-berichten en telefonische contacten van de vader. Er moest heel veel contact worden opgenomen voordat er een antwoord kwam. Ook zijn antwoorden vaak uitgebleven. Bovendien heeft de jeugdprofessional geen dossier bijgehouden en geen enkele actie in gang gezet om de situatie voor de zoon te verbeteren.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Allereerst heeft de jeugdprofessional in zijn verweerschrift zijn excuses aan de vader aangeboden. Voor wat betreft de dossiervorming wordt gesteld dat in eerste instantie de informatie van de zoon verwerkt is in het dossier van zijn stiefbroer. Op het moment dat een apart dossier voor de zoon is gemaakt, is een conceptverslag gemaakt. De jeugdprofessional stelt zich op het standpunt dat hoewel niet geheel compleet, het dossier wel de stukken bevat zoals aangeleverd door [de instelling 2]. De jeugdprofessional is door zijn plotselinge vertrek niet meer in de gelegenheid geweest het dossier/de rapportage in orde te maken. In zijn overdracht is opgenomen dat de rapportage van de zoon nog niet gemaakt is. De jeugdprofessional heeft bij zijn vertrek laten weten dat bij vragen hij per e-mail bereikbaar is. Voor wat betreft het verwijt dat geen enkele actie in gang gezet is, wijst de jeugdprofessional op de hulpverlening die is ingezet (in het gezin van de moeder) zoals omschreven onder 2.5 van deze beslissing.

Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional desgevraagd toegelicht dat hij in eerste instantie als [jeugdbeschermer] was belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling voor de stiefbroer. In dat kader is voor de stiefbroer een dossier opgesteld. In dat dossier zijn ook de gegevens van de zoon opgenomen. In de loop van de tijd bleek dat er ook zorgen waren over de zoon, de jeugdprofessional is toen in oktober 2017 in het drangkader betrokken geraakt als [jeugdbeschermer] van de zoon. Destijds was sprake van een gezamenlijk dossier/rapportage. In mei 2018 is een apart dossier voor de zoon aangemaakt. Het bestaande plan van aanpak in het dossier van de stiefbroer is aangepast op de zoon. De vader heeft een concept plan van aanpak ontvangen. De gegevens waren beperkt/niet volledig, omdat de vader geen recht heeft op de informatie betreffende de stiefbroer. In het plan van aanpak van de zoon stond een stukje voorgeschiedenis en de doelen waar met [de instelling 2] aan gewerkt zou worden. Tevens zijn de kernbesluiten omtrent de hulpverlening aan de zoon in het dossier opgenomen. Zonder de kernbesluiten kan de jeugdprofessional geen hulpverlening aanvragen. Het dossier van de zoon bevat dus meer dan enkel zijn persoonsgegevens. De jeugdprofessional betwist dat er geen dossier zou zijn bijgehouden. Wel erkent de jeugdprofessional dat hij, achteraf bezien, het dossier van de zoon vaker had moeten aanvullen. Door de werkdruk is dit er niet van gekomen. Bovendien is hij ook afhankelijk van hetgeen door derden wordt aangeleverd. De jeugdprofessional heeft een deel van zijn werkzaamheden aan [de instelling 2] gedelegeerd. [de instelling 2] heeft onder andere het concept ouderschapsplan gemaakt. Gelet op het kindeigen problematiek van de zoon, heeft de jeugdprofessional ingezet op hulpverlening via [de instelling 2]. De jeugdprofessional heeft het dossier niet in de tuchtprocedure kunnen overleggen omdat hij niet meer in dienst is bij [de instelling].

4.1.3 Het College overweegt als volgt:
Het eerste gedeelte van deze klacht ziet toe op de dossiervorming. Het College overweegt daarover als volgt. Op grond van artikel 7.3.8 lid 1 van de Jeugdwet dient de jeugdhulpverlener een dossier in te richten met betrekking tot de verlening van de jeugdhulp. Uit de Memorie van Toelichting op de Jeugdwet Tk 2012-2013, 33 684, nr. 3, p. 179 volgt dat “in het dossier eventueel alleen gegevens van derden (bijvoorbeeld de ouders of andere gezinsleden van de jeugdige) mogen worden opgenomen, indien dat voor de hulpverlening aan de jeugdige noodzakelijk is. Hiermee is ook duidelijk dat op grond van dit wetsvoorstel geen sprake kan zijn van een ‘gezamenlijk dossier’.” Het College oordeelt dat vast is komen te staan dat de jeugdprofessional bij aanvang van zijn betrokkenheid bij de zoon een gezamenlijk dossier voor beide kinderen heeft aangemaakt. In mei 2018 heeft de jeugdprofessional een afzonderlijk dossier voor de zoon aangemaakt, terwijl hij in oktober 2017 al als [jeugdbeschermer] van de zoon werd aangesteld. Het College heeft oog voor het feit dat jeugdprofessionals (soms) onder zware werkdruk hun werk verrichten. Echter, rechtvaardigt dit naar het oordeel van het College niet dat de jeugdprofessional in onderhavige casus pas acht maanden na de start van zijn betrokkenheid bij de zoon een apart dossier voor hem heeft opgesteld. Voor wat betreft de inhoud van het dossier overweegt het College als volgt. Nu het verwijt inhoudt dat de jeugdprofessional iets heeft nagelaten, namelijk  het bijhouden/inrichten van een afzonderlijk dossier voor de zoon, is het naar het oordeel van het College aan de jeugdprofessional om het tegendeel aan te tonen. Het lag dan ook op de weg van de jeugdprofessional om een kopie van het dossier van de zoon bij zijn verweerschrift te voegen. Immers, een groot gedeelte van de klacht van de vader gaat over het gegeven dat er volgens hem geen dossier zou zijn. Nu dit niet is gedaan, gaat het College uit van de verklaringen over de inhoud van het dossier, welke zijn opgenomen in het overgelegde e-mailbericht van de vader.

De inhoud van dit e-mailbericht is onder 2.7 van deze beslissing samengevat weergegeven. Gelet op het voorgaande is het College niet gebleken dat dat de jeugdprofessional gedurende zijn betrokkenheid bij de zoon een afdoende dossier heeft ingericht/bijgehouden conform de genoemde wettelijke bepaling en de beroepsstandaard. Dit geldt zowel ten aanzien van het opstellen van een afzonderlijke dossier, als ten aanzien van de inhoud van het uiteindelijk opgestelde afzonderlijke dossier. Dit nalaten heeft naar het oordeel van het College het vertrouwen in de jeugdzorg niet bevorderd. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional in strijd heeft gehandeld met artikel 7.3.8 lid 1 van de Jeugdwet en  artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode.

Ten aanzien van het verwijt dat de jeugdprofessional geen enkele actie voor de zoon heeft ingezet, overweegt het College als volgt. De jeugdprofessional heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij heeft ingezet op hulpverlening via [de instelling 2]. Tevens heeft de jeugdprofessional speltherapie voor de zoon aangevraagd en is in de gezinssituatie van de moeder en stiefvader hulpverlening ingezet. De jeugdprofessional valt derhalve niet te verwijten dat hij gedurende zijn betrokkenheid geen enkele actie zou hebben ingezet om de situatie van de zoon te verbeteren.

4.1.4 Het College verklaart de klachtonderdelen gedeeltelijk gegrond, namelijk voor zover deze toezien op dossiervorming.  Voor het overige verklaart het College de klachtonderdelen ongegrond.

4.2 Klachtonderdeel 3

4.2.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De toegezegde speltherapie is nooit opgestart.

Toelichting:
In juli 2018 zou speltherapie voor de zoon starten, dit is nooit gebeurd.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De zoon zou inderdaad starten met speltherapie. Beide ouders hebben de eerste aanmelding bij [de instelling 1] echter afgewezen in verband met vervoersproblematiek. Daarna had de zoon de mogelijkheid om in juni 2019 speltherapie te gaan volgen bij [de aanbieder]. Wegens zijn vertrek heeft de jeugdprofessional dit niet meer kunnen volgen. Op 21 maart 2019 heeft de jeugdprofessional wel het secretariaat van [de instelling] verzocht de aanvraag beschikking voor de speltherapie bij [de aanbieder] te verwerken.

Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional desgevraagd toegelicht dat voor speltherapie in de regio waar de zoon woont lange wachtlijsten zijn. Niet elke vorm van speltherapie is passend voor de zoon, gelet op zijn kindeigen problematiek. Dit is de reden dat de jeugdprofessional pas in januari 2019 een organisatie had gevonden waar de zoon in juni 2019 met speltherapie kon starten.

4.2.3 Het College overweegt als volgt:
De jeugdprofessional heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de in juli 2018 toegezegde speltherapie niet is opgestart omdat door (een van) de ouders daarvoor de noodzakelijke toestemming is onthouden. Daarna heeft de jeugdprofessional geprobeerd speltherapie van een andere aanbieder op te starten, maar heeft naar eigen zeggen te maken gekregen met wachtlijstproblematiek. Deze problematiek is bij het College bekend en valt buiten de invloedsfeer van de jeugdprofessional. Hoewel het mogelijk beter was geweest als de jeugdprofessional ook andere opties was nagegaan, is het eerste traject door (een van) de ouders afgewezen. Gelet daarop en gelet op de wachtlijstproblematiek, valt de jeugdprofessional voor wat betreft de speltherapie geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

4.2.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.3 Klachtonderdeel 4

4.3.1. De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

Het niet komen opdagen tijdens een behandeling bij de rechtbank op 20 september 2018.

Toelichting:
De advocaat van de vader heeft de jeugdprofessional verzocht aanwezig te zijn tijdens de behandeling van de rechtbank op 20 september 2018 aangaande de zorg- en contactregeling tussen de vader en zoon. Ondanks deze oproep is de jeugdprofessional niet aanwezig geweest.

4.3.2 De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht het volgende aangevoerd:
De oproep van de rechtbank om te verschijnen voor de behandeling aangaande de zorg- en contactregeling tussen de vader en de zoon, heeft de jeugdprofessional niet ontvangen. Vanwege zijn betrokkenheid in het drangkader, is de jeugdprofessional ook niet verplicht om te verschijnen. Hij heeft een belangenafweging gemaakt om niet bij de mondelinge behandeling bij de rechtbank aanwezig te zijn. Tevens had de moeder aangegeven dat zij niet wilde dat de jeugdprofessional aanwezig zou zijn. De jeugdprofessional wilde geen onderdeel worden in de onderlinge strijd tussen de ouders. Hij heeft daarom met [de instelling 2] en de ouders afgestemd dat [de instelling 2] bij de rechtbank aanwezig zou zijn. Bovendien is het binnen [de instelling] vast beleid dat jeugdprofessionals niet naar de rechtbank gaan in drangzaken, als een samenwerkingspartner (zoals [de instelling 2]) aanwezig zal zijn.

4.3.3 Het College overweegt als volgt:
Het College acht het navolgbaar dat de jeugdprofessional als [jeugdbeschermer], gelet op de samenwerking met [de instelling 2], besloten heeft om zelf niet aanwezig te zijn bij de behandeling bij de rechtbank, maar dit heeft uitbesteed aan [de instelling 2]. Een jeugdprofessional werkend in het drangkader heeft in beginsel geen verplichting om bij behandelingen bij de rechtbank aanwezig te zijn. Het valt de jeugdprofessional daarom dan ook niet tuchtrechtelijk te verwijten dat hij niet bij de rechtbank is verschenen. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional toegelicht dat hij met de ouders heeft afgestemd dat [de instelling 2] in zijn plaats aanwezig zou zijn bij de rechtbank. Echter, uit de toelichting van de vader op zijn klachtonderdeel maakt het College op dat de vader in de veronderstelling was dat de jeugdprofessional aanwezig zou zijn bij de rechtbank. Nu geen van de partijen onderbouwende stukken ten aanzien van dit klachtonderdeel heeft overgelegd, kan het College niet vaststellen wat  was afgestemd met de vader.

4.3.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.4 Klachtonderdeel 5

4.4.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Het e-mailbericht van de vader aan de jeugdprofessional waarin hij aangeeft geen vertrouwen te hebben, heeft geen verandering teweeg gebracht.

Toelichting:
Op 28 november 2018 heeft de vader een e-mailbericht met zorgen en klachten toegestuurd aan de jeugdprofessional. Ondanks het e-mailbericht heeft de jeugdprofessional geen enkele actie ondernomen ter bescherming van de zoon.

4.4.2 De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht het volgende aangevoerd:
Na ontvangst van het e-mailbericht heeft de jeugdprofessional direct gereageerd en een gesprek met de vader op het kantoor van [de instelling] ingepland. Dit gesprek heeft binnen een paar dagen na ontvangst van het e-mailbericht plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek is de werkwijze van de jeugdprofessional opnieuw besproken. Het verslag van dit gesprek zit in het dossier van de zoon. Daarnaast heeft de jeugdprofessional de vader in de eerste periode na ontvangst van het e-mailbericht vaker gebeld. Maar, de jeugdprofessional benadrukt dat [de instelling 2] de contactpersoon voor de vader is geweest. De jeugdprofessional monitort, als [jeugdbeschermer], de werkwijze van [de instelling 2].

4.4.3 Het College overweegt als volgt:
Waar de vader stelt dat zijn e-mailbericht geen verandering in de samenwerking met de jeugdprofessional teweeg heeft gebracht, geeft de jeugdprofessional aan dat hij direct gereageerd heeft door meerdere telefonische gesprekken te voeren en de vader uit te nodigen voor een gesprek op kantoor. Nu de vader heeft gekozen niet te zullen verschijnen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht, heeft het College het standpunt van de jeugdprofessional niet kunnen voorleggen aan de vader. Het College stelt vast dat partijen elkaar tegenspreken over het al dan niet (re)ageren van de jeugdprofessional op het bedoelde e-mailbericht. In gevallen als deze is het vaste jurisprudentie dat het verwijt van de vader niet gegrond kan worden bevonden nu het College niet de feiten kan vaststellen die hieraan ten grondslag liggen. Voor wat betreft het verwijt dat  geen enkele actie is ingezet ter bescherming van de zoon, verwijst het College naar het oordeel zoals is weergegeven onder 4.1.3.

4.4.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.5 Conclusie

4.5.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot klachtonderdelen 1 en 2 gedeeltelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De jeugdprofessional heeft gedurende zijn betrokkenheid bij de zoon onvoldoende aan dossiervorming gedaan. Hiermee heeft de jeugdprofessional naar het oordeel van het College in strijd gehandeld met artikel 7.3.8 lid 1 van de Jeugdwet en  artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode.

4.5.2 Voor wat betreft de mate van verwijtbaarheid en de zwaarte van de op te leggen maatregel overweegt het College als volgt.

Het wordt de jeugdprofessional aangerekend dat hij niet vanaf het begin van zijn betrokkenheid als [jeugdbeschermer] van de zoon een dossier heeft bijgehouden. Het is voor alle betrokkenen, eveneens voor de jeugdprofessional, belangrijk dat vanaf de start van de hulpverlening een dossier wordt ingericht en wordt bijgehouden. Het dossier dient te gelden als houvast voor de te bieden jeugdhulp, en geeft het traject handvatten en structuur. Het bijhouden van een dossier heeft ook als gevolg dat alle betrokkenen kunnen nagaan wat zich gedurende het traject heeft afgespeeld en wat er is besloten. Dat is ook voor de jeugdprofessional helpend indien een zaak wordt overgenomen door een collega of wanneer hij of zij zich dient te verweren in een tuchtprocedure. Nu de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft erkend dat hij het dossier van de zoon onvoldoende heeft aangevuld en dit achteraf bezien beter had gekund, acht het College het passend en geboden om aan de jeugdprofessional de maatregel van waarschuwing op te leggen. Het College gaat er middels dit oordeel vanuit dat de jeugdprofessional zich bewust is geworden van de noodzaak een dossier op te stellen en bij te houden.

4.5.3 Ten overvloede wil het College opmerken dat de jeugdprofessional het verweer zelfstandig heeft opgesteld en zowel bij klachtonderdelen vier en vijf geen schriftelijk verweer heeft gevoerd. De jeugdprofessional is daarover bevraagd tijdens de mondelinge behandeling van de klacht en heeft aangegeven deze twee klachtonderdelen over het hoofd te hebben gezien. Het College wijst de jeugdprofessional – en de beroepsgroep – in dat kader erop dat registratie in het Kwaliteitsregister Jeugd ook inhoudt dat een jeugdprofessional zich onderwerpt aan het tuchtrecht. Hieruit vloeit voor een jeugdprofessional de verplichting voort dat hij of zij zich in een tuchtrechtelijke procedure volledig verantwoordt voor het professionele handelen. Gelet op de mogelijke gevolgen van een tuchtprocedure, is het in het belang van een jeugdprofessional dat hij of zij zich (schriftelijk en onderbouwd) tegen alle klachtonderdelen verweert. Ook verdient het voor partijen de aanbeveling dat zij zich vanaf het begin van de tuchtprocedure (juridisch) laten bijstaan. Het College heeft oog voor het feit dat een tuchtprocedure een spannende aangelegenheid is voor een jeugdprofessional, maar wil voor de beroepsgroep benadrukken dat tijdens een tuchtprocedure het individuele handelen van een jeugdprofessional wordt getoetst. Het is de jeugdprofessional die verantwoording voor zijn of haar handelen moet afleggen. Het is dus des te belangrijker dat een jeugdprofessional zich tegen alle klachtonderdelen verweert en hiervoor onderbouwing kan overleggen.

5  De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdelen 1 en 2 gedeeltelijk gegrond;
  • verklaart voor het overige klachtonderdelen 1 tot en met 5 ongegrond;
  • legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College en op 18 november 2019 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk                                               mevrouw mr. M.R. Veerman

voorzitter                                                                                      secretaris