Een jeugdprofessional is het onvoldoende gelukt een plan van aanpak te maken. Daarnaast wordt de jeugdprofessional verweten zich onvoldoende ingespannen te hebben om het vertrouwen van moeder te bevorderen.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klaagster], klager, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

op 20 januari 2021 ingediende klaagschrift tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij [de GI], locatie: [plaats], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. M.R. Veerman.

De moeder wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw R.A.M. Meier, werkzaam bij AKJ.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. M. Kramer, advocaat te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • Het klaagschrift ontvangen op 20 januari 2021;
  • het verweerschrift ontvangen op 22 april 2021.

1.2 Op grond van artikel 9 van de ‘Tijdelijke regeling werkwijzen van het College van Toezicht en het College van Beroep in verband met COVID-19 (Corona)’, versie 4 december 2020, heeft de voorzitter besloten tot een digitale mondelinge behandeling van de klacht.

1.3 De digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 30 juni 2021 in aanwezigheid van de moeder, de jeugdprofessional en de gemachtigden.

1.4 Na afloop van de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2 De feiten

Het College gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft een minderjarige zoon. De zoon is geboren in 2013.

2.2 De moeder en de vader van de zoon zijn sinds 2014 uit elkaar. Het ouderlijk gezag over de zoon wordt gezamenlijk uitgeoefend door de ouders. De zoon woont bij de moeder.

2.3 De kinderrechter heeft op 12 juli 2018 de zoon voor de duur van twaalf maanden onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd.

2.4 In de beschikking van 12 juli 2018 staat, voor zover relevant, het volgende opgenomen: “De kinderrechter acht het noodzakelijk dat een gezinsvoogd de regie gaat voeren en zich daarbij niet alleen met de overdracht van [de zoon] gaat bezighouden. De kinderrechter stelt dat als de ouders hun wijze van omgang met elkaar niet veranderen het een gezinsvoogd ook niet zal lukken om de problemen op te lossen. […] Op dit moment zijn de bedreigingen in de ontwikkeling van [de zoon] waaraan in ieder geval gewerkt moet worden: de sociaal-emotionele ontwikkeling, de strijd tussen de ouders en het gebrek aan communicatie tussen de ouders”.

2.5 Een collega van de jeugdprofessional is vanaf 12 juli 2018 tijdelijk belast geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de zoon. De jeugdprofessional is vanaf 11 oktober 2018 tot 24 juli 2019 belast geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de zoon.

2.6 Tussen de vader en de zoon is tussen maart 2014 en maart 2017 geen omgang geweest. Daarna heeft er omgang plaatsgevonden bij [de instelling 1]. Op 8 augustus 2018 heeft de rechtbank een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld, waarbij de zoon één keer in de veertien dagen twee uur onbegeleide omgang met de vader heeft.

2.7 De jeugdprofessional heeft de ouders op 23 november 2018 een e-mail gestuurd waarin de komende zes omgangsmomenten staan opgenomen. De vader heeft één keer in de veertien dagen op vrijdagmiddag van 13:45 uur tot 16:15 uur omgang met de zoon, waarbij de moeder de zoon naar het kantoor van de GI brengt en hem daar weer ophaalt.

2.8 Met de ouders zijn afspraken gemaakt over het ophaal- en wegbrengmoment, zodat zij elkaar niet tegenkomen in of buiten het kantoor van de GI. Omdat de jeugdprofessional op vrijdagmiddag vrij is, heeft zij een instructiedocument met de gemaakte afspraken opgesteld voor de bureaudienst van de GI.

2.9 Ten behoeve van het verzoekschrift verlenging ondertoezichtstelling, heeft de jeugdprofessional op 21 mei 2019 een ondertoezichtstelling rapportage vastgesteld, gedateerd op 2 april 2019. Wegens privéomstandigheden hebben de collega’s van de jeugdprofessional het verzoekschrift aan de rechtbank gestuurd.

2.10 Op 4 juni 2019 heeft de moeder telefonisch een klacht ingediend. Op 2 juli 2019 is hierover een gesprek geweest. De uitkomsten hiervan zijn aan de rechtbank gezonden waarbij is verzocht dit toe te voegen aan het verzoekschrift verlenging ondertoezichtstelling.

2.11 Op 24 juli 2019 is besloten dat de jeugdprofessional wordt vervangen door een collega. Er is een tijdelijk contactpersoon aangesteld. De jeugdprofessional heeft nog wel de aanmeldformulieren voor een kindercoach voor de zoon naar de ouders gestuurd. Op 22 november 2019 is de nieuwe jeugdbeschermer toegewezen.

2.12 In het proces-verbaal van 30 juni 2020 staat, onder andere, dat de nieuwe jeugdbeschermer het volgende heeft gezegd: “ik heb het plan van aanpak niet gestuurd omdat het niet aanwezig was. Mijn collega heeft in januari/februari getracht een plan van aanpak te schrijven. De afspraken daarvoor zijn afgezegd. Daarom hebben we moeder een blanco formulier gestuurd. […] De omgangsregelingen zijn bij de vorige gezinsvoogd elke keer aangepast omdat moeder dat wilde. Moeder gaat steeds onderhandelen, waardoor er een krachtenspel bezig is. [de instelling 1] heeft ook aangegeven dat de omgang tussen [de zoon] en vader goed gaat. De GI heeft zaken verkeerd aangepakt/niet voldoende aangepakt. Dat gaat nu anders.”

2.13 De jeugdprofessional stond van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 staat de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3 Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of een jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het (beroepsmatig) handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4 De klacht, het verweer en de beoordeling

De twee in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk en samengevat weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De jeugdprofessional heeft geen, of erg laat, een plan van aanpak gemaakt.

Toelichting:
Tijdens een gesprek bij de moeder thuis in maart 2019 heeft zij specifiek gevraagd naar een plan van aanpak. De jeugdprofessional heeft toen gezegd dat het plan van aanpak in haar hoofd zit. Eind mei 2019 heeft de moeder telefonisch naar het plan van aanpak gevraagd. Weer kwam hier geen duidelijk antwoord op. Uiteindelijk ziet de moeder het plan van aanpak, omdat het is bijgevoegd bij het verzoekschrift tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Dit is een onzorgvuldige manier van werken. Temeer omdat in de folder van de GI wordt gesproken over het samen opstellen van een plan van aanpak. Hier heeft de moeder niks van gemerkt. De jeugdprofessional heeft geen initiatief getoond om samen met haar een plan van aanpak te maken, of dit met haar te bespreken. De jeugdprofessional heeft zelf een plan van aanpak gemaakt en dit zonder te bespreken naar de rechtbank gestuurd. Zij was toen al ruim zes maanden betrokken. De jeugdprofessional heeft ook geen poging ondernomen om een familiegroepsplan op te stellen. Op grond van artikel 4.1.3 van de Jeugdwet dient het plan van aanpak binnen 6 weken vastgesteld te worden, nadat is komen vast te staan dat wordt afgezien van een het opstellen van het familiegroepsplan. Op 30 juni 2020 heeft een collega bij de rechtbank het volgende aangegeven: “Ik heb het plan van aanpak niet ingestuurd omdat het niet aanwezig was”. De moeder concludeert hieruit dat er geen plan van aanpak tot stand is gekomen ten tijde van de betrokkenheid van de jeugdprofessional.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De eerste kennismaking met de moeder heeft op 11 oktober 2018 plaatsgevonden. Op dat moment lag er geen plan van aanpak. Dit heeft de collega, als tijdelijk waarnemer, niet opgesteld. Vanwege de complexe echtscheidingsproblematiek heeft de jeugdprofessional willen inzetten op mediation. De ouders konden dan gezamenlijke afspraken of een plan van aanpak maken. Dit heeft de jeugdprofessional ook duidelijk in het kennismakingsgesprek gezegd en aangegeven dat hiervan kon worden afgeweken indien sprake was van bijzondere redenen. De moeder heeft toen aangegeven dat contact tussen haar en de vader niet mogelijk is, gelet op haar angsten voor de vader. De jeugdprofessional heeft geprobeerd om een ‘mailtafel’ op te starten, om ouders via de e-mail met elkaar te laten communiceren. Omdat het mediationtraject geen optie was en de ‘mailtafel’ ook niet van de grond kwam, was het niet mogelijk om via die weg een plan van aanpak te maken en de ouders zelf doelen te laten formuleren. Het verbaast de jeugdprofessional dan ook dat de moeder nu stelt dat ten onrechte niet op een familiegroepsplan is ingezet. De moeder heeft ook nooit om een familiegroepsplan gevraagd.
De doelen van de ondertoezichtstelling waren vanaf het begin duidelijk, deze stonden opgenomen in de beschikking van de kinderrechter. Dat de doelen duidelijk waren, blijkt ook uit het feit dat de ouders niet hebben gevraagd naar het opstellen van doelen, noch hebben aangegeven behoefte te hebben aan een plan van aanpak of hebben aangedrongen op doelen. Een verzoek tot het opstellen van een plan van aanpak heeft de jeugdprofessional op 4 juni 2019 voor het eerst bereikt, via de bureaudienst van de GI. De stukken en het plan van aanpak waren toen al door de collega’s van de jeugdprofessional aan de rechtbank gezonden. Gelet op de complexe echtscheidingsproblematiek in deze casus was het niet mogelijk om het plan van aanpak samen met de ouders op te stellen. Dit heeft ertoe geleid dat de doelen voor het eerst zijn opgenomen in het plan van aanpak van april 2019, waar deze ook direct door de jeugdprofessional zijn geëvalueerd. In de praktijk werd al wel aan de doelen gewerkt. De mening van de ouders is zowel in het plan van aanpak als in het verzoekschrift opgenomen. Tot slot benadrukt de jeugdprofessional dat zij op 30 juni 2020 al bijna een jaar niet meer betrokken was bij de casus. Over de periode 2019-2020 was het daarom niet (meer) haar verantwoordelijkheid om een plan van aanpak op te stellen.

4.1.3 Het College overweegt als volgt:
In dit klachtonderdeel verwijt de moeder de jeugdprofessional dat zij geen of niet tijdig een plan van aanpak heeft opgesteld. In de toelichting bij dit klachtonderdeel verwijst de moeder naar artikel 4.1.3 lid 5 van de Jeugdwet. Hierover overweegt het College allereerst dat de verplichting uit de Jeugdwet waarnaar de moeder verwijst, samenhangt met het moment van aanvangen van de kinderbeschermingsmaatregel. Dit wetsartikel ziet niet op de situatie waarin een jeugdprofessional bij een casus betrokken raakt of de datum van het verlengen van een kinderbeschermingsmaatregel. Dit heeft het College van Beroep ook overwogen in de zaak met zaaknummer 19.006B (overweging 3.2.5).

Desalniettemin is het College van oordeel dat de jeugdprofessional in strijd met artikel M (Verslaglegging/ dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (hierna te noemen: de Beroepscode) heeft gehandeld doordat zij na aanvang van haar betrokkenheid pas zes maanden later, ten behoeve van het verzoekschrift verlenging ondertoezichtstelling, een OTS-rapportage heeft opgesteld waarin zij zelf, zonder overleg met de ouders, doelen heeft vastgesteld en deze direct heeft geëvalueerd. Deze handelswijze is niet conform de beroepsstandaard. Het mag in ieder geval van de jeugdprofessional verwacht worden dat zij de ouders informeert, indien het haar niet lukt om (tijdig) een plan van aanpak op te stellen. De jeugdprofessional heeft tijdens de digitale mondelinge behandeling benadrukt dat zij hiervan geleerd heeft en ouders in toekomstige situaties zal infomeren.

4.1.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij zich onvoldoende heeft ingespannen om het vertrouwen van de moeder te bevorderen.

Toelichting:
De moeder licht dit klachtonderdeel toe aan de hand van onderstaande zeven voorbeelden.

1.De omgangsregeling
De kinderrechter heeft op 12 juli 2018 benoemd dat het noodzakelijk is dat de betrokken jeugdbeschermer de regie gaat voeren en zich daarbij niet alleen met de overdracht van de zoon bezighoudt. De moeder heeft deze regie gemist bij de jeugdprofessional. Zo heeft de moeder meermaals moeten vragen om de data voor de omgangsregeling. De moeder vindt dat de jeugdprofessional te lang heeft gewacht met het sturen van concrete data voor de omgang. Hierdoor is alles steeds last-minute gegaan waardoor zaken tot het laatste moment erg onduidelijk waren, wat voor veel onrust heeft gezorgd. Dit was niet nodig geweest indien de jeugdprofessional de regie had genomen en constructief aan slag was gegaan met de omgangsregeling.

2.[de instelling 2]
Op 6 december 2018 heeft het intakegesprek bij [de instelling 2] plaatsgevonden. Op verzoek van de moeder was de jeugdprofessional hierbij aanwezig. Op 8 januari 2019 heeft de kennismaking met de zoon plaatsgevonden. De jeugdprofessional was hierbij – ongevraagd en zonder toestemming– ook aanwezig. De behandeling bij [de instelling 2] is ingezet op verzoek van de school en niet in het kader van de ondertoezichtstelling. Toch wilde de jeugdprofessional steeds informatie over de behandeling hebben en heeft zij zelfs achter de rug van de moeder om geprobeerd om informatie op te vragen. Dit kwam naar voren tijdens de zitting voor de verlenging van de ondertoezichtstelling en werd later ook bevestigd door de hoofdbehandelaar van [de instelling 2].

3.Onveiligheid omgang
Tijdens het omgangsmoment van 25 januari 2019 had de jeugdprofessional haar collega’s niet goed geïnstrueerd. De afspraak is dat de vader de zoon naar het kantoor van de GI brengt, waar de moeder in een andere ruimte zit te wachten. Vervolgens vertrekt de moeder met de zoon en daarna vertrekt de vader pas. Op 25 januari 2019 vertrok de vader eerder en heeft hij lang met zijn auto voor het gebouw van de GI gestaan. De moeder heeft toen stiekem moeten vertrekken en via zijpaden naar huis moeten rijden. De jeugdprofessional geeft vervolgens in een reactie op een e-mailbericht aan dat zij haar collega’s beter zal instrueren.

Op 19 april 2019 blijkt oma van vaderszijde en de halfzus van de zoon aanwezig te zijn in de speelruimte. De moeder heeft eerder al aangegeven dat zij geen contact wil met grootouders van vaderszijde en voelde zich daarom enorm overvallen. Vervolgens vraagt de jeugdprofessional – in de gang voor de speelruimte –  of de moeder de hand van de oma wil schudden. Tegelijkertijd geeft de jeugdprofessional aan dat zij ook nog in gesprek wil met de moeder. Gezien de precaire situatie omtrent het contact met de vader was dit een heel onhandig gekozen moment. Toen de moeder de zoon weer kwam ophalen, werd de hierboven genoemde afspraak weer niet opgevolgd. De hulpverlener van de moeder heeft hierover een e-mail gestuurd. De reactie van de jeugdprofessional was eerder verwijtend dan constructief.
De jeugdprofessional heeft op een hele onhandige manier aangegeven dat zij een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling ging indienen. De moeder was op het kantoor van de GI om de zoon te halen toen haar dit werd medegedeeld en werd gevraagd wat zij hiervan vond. De moeder voelde zich overvallen, zeker gelet op haar vragen omtrent het plan van aanpak. Daarnaast wil de moeder altijd snel het kantoor van de GI verlaten, omdat de vader ook aanwezig is. Al deze voorvallen roepen veel angst en stress bij de moeder op. De jeugdprofessional is hiervan op de hoogte, maar het lijkt erop alsof zij dit niet serieus neemt.

4.Alimentatie
Nadat de vader had aangegeven geen financiën te hebben om de zoon op het kantoor van de GI op te halen, opperde de jeugdprofessional dat de moeder een verlaging van de alimentatie zou kunnen overwegen. De jeugdprofessional gaat eraan voorbij dat de moeder een uitkering krijgt vanuit de Participatiewet en zij daarom geen andere afspraken over de alimentatie kan maken. Het is aan de jeugdprofessional om juridisch juiste informatie te verstrekken en de vader te verwijzen naar een advocaat, zodat hij een verzoek wijziging alimentatie zou kunnen indienen. Nu heeft de moeder het gevoel dat alles bij haar komt te liggen.

5.School
Van de leerkracht van de zoon heeft de moeder aan het begin van het schooljaar 2019-2020 te horen gekregen dat de jeugdprofessional telefonisch contact met de school heeft opgenomen. De jeugdprofessional heeft de school verteld dat de zoon onder toezicht staat. De moeder voelde zich hierdoor overvallen, de jeugdprofessional heeft haar van dit gesprek niet op de hoogte gesteld. Daarnaast zou de jeugdprofessional ook niet meer betrokken zijn vanaf juli 2019. De moeder begrijpt ook niet waarom de jeugdprofessional ervoor gekozen heeft om op dat moment contact met de school op te nemen, omdat de zoon op dat moment al ruim een jaar onder toezicht stond.

6.Logeerhuis
Op 22 juli 2019 en driemaal op 23 juli 2019 heeft de moeder een telefonisch gesprek gehad met de jeugdprofessional. Er was een onjuiste indicatie voor het logeerhuis afgegeven, waardoor het logeerhuis geen zorg wilde leveren. De moeder heeft op 18 en 22 juli 2019 daarover een e-mail gestuurd. Op 23 juli 2019 verbrak de jeugdprofessional bij alle drie de keren de verbinding waarbij werd aangegeven dat de moeder de jeugdprofessional niet op haar fouten hoeft aan te spreken.

7.Kindercoach
Op 24 juli 2019 heeft de moeder aanvraagformulieren voor een kindercoach voor de zoon ontvangen. De moeder heeft deze op 26 juli 2019 ondertekend en afgegeven bij de bureaudienst van de GI. De jeugdprofessional had op 23 juli 2019 nog aangegeven dezelfde dag de aanmelding te doen. Bij het opvragen van het dossier blijkt dat de jeugdprofessional de aanvraag pas op 13 november 2019 heeft ingediend. Voor de moeder is het geheel onduidelijk waarom dit zo lang heeft geduurd, daar elke vorm van communicatie hierover ontbrak.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
1. Omgangsregeling
Op 23 november 2018 heeft de jeugdprofessional de data voor de omgang vastgelegd tot 22 februari 2019. Conform de beschikking zou er om de week een omgangsmoment plaatsvinden. Het is dus geenszins het geval geweest dat de moeder niet wist waar zij aan toe was, de omgangsregeling verliep al maanden hetzelfde. Conform de complexe echtscheidingsmethodiek en de beschikking van de kinderrechter heeft de jeugdprofessional geprobeerd om samen met ouders te zoeken naar mogelijkheden voor uitbreiding van de omgangsregeling. De jeugdprofessional heeft er daarom bewust voor gekozen om de omgangsdata voor de langere termijn nog niet te communiceren. Dit had anders opgevat kunnen worden dat niet meer gestreefd zou worden naar uitbreiding.

2.[de instelling 2]
In het eerste gesprek met de moeder is [de instelling 2] ter sprake gekomen. De moeder heeft bij haar huisarts om een verwijzing gevraagd en ook de jeugdprofessional heeft hierin actie ondernomen. Op 2 november 2018 heeft zij het aanmeldformulier van [de instelling 2] ontvangen en deze aan de moeder en de vader gegeven. Vervolgens heeft de jeugdprofessional van de moeder een uitnodiging ontvangen om bij de intakegesprekken aanwezig te zijn. In de brief voor de uitnodiging staat dat het een kennismaking betreft en dat er gelegenheid is om de aanmelding toe te lichten. Naast de zaken die de moeder heeft aangedragen, heeft de jeugdprofessional het ook belangrijk gevonden dat onderzocht werd in welke mate er sprake was van loyaliteitsproblematiek. De jeugdprofessional heeft dit ook benoemd.

3.Onveiligheid omgang
De jeugdprofessional heeft zeer zeker rekening gehouden met de angst van de moeder met betrekking tot het (vermijden van het) contact met de vader. Zo heeft de jeugdprofessional er steeds voor gezorgd dat de vader en de moeder in een aparte ruimte verblijven met de deuren dicht, omdat de moeder er op stond dat de vader niet kon horen hoe zij en de zoon afscheid namen of elkaar begroetten na de omgang. Ook heeft de jeugdprofessional ervoor gezorgd dat de vader en de moeder elkaar niet tegen hoeven te komen in de gangen. Omdat de jeugdprofessional zelf vrij is op vrijdagmiddag, heeft de bureaudienst de overdracht gedaan. Hiervoor heeft de jeugdprofessional een duidelijke instructie geschreven. Omdat dit een intern schrijven is, hoeft dit niet aan de ouders te worden overgelegd. Oma van vaderszijde is een keer meegekomen. Eerder heeft de moeder ook een oudere dochter van de vader bij de omgang gezien en kort gesproken. Het is in het belang van de zoon dat hij de familie van vaderszijde leert kennen. Het is een keer voorgekomen dat de vader eerder weg moest voor een afspraak. Dit heeft de vader pas na de overdracht verteld. Ook is het een keer voorgekomen dat de zoon  bij de start van de omgang enthousiast naar de kamer waar de vader zat, rende. Het is geen enkele keer voorgekomen dat de vader aanstalten heeft gemaakt om op het moment van de overdracht de kamer uit te komen, omdat hij weet dat de moeder hem niet wil zien.

De datum in juni die in het klaagschrift genoemd wordt, klopt niet. Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling is op 23 mei 2019 verstuurd. De jeugdprofessional heeft de moeder in de week voor 23 mei 2019 gevraagd om een afspraak te maken om de rapportage te bespreken en alvast na te denken of zij de ondertoezichtstelling wilde verlengen. De jeugdprofessional heeft het onderwerp dus aangekondigd en verder niet inhoudelijk hierover gesproken. Het is daarnaast niet ongebruikelijk dat de overdrachtsmomenten worden gebruikt om even kort contact te maken met de ouder(s) om een afspraak te maken.

4.Alimentatie
De jeugdprofessional heeft op 4 februari 2019 per e-mail aan de moeder laten weten dat zij niet gaat over de financiële zaken. Naar aanleiding van meerdere e-mailberichten van de moeder met betrekking tot het LBIO, heeft de jeugdprofessional op 23 april 2019 een e-mail naar beide ouders gestuurd. De jeugdprofessional heeft hierin aangegeven dat de ouders zelf een oplossing moeten zoeken. De moeder heeft vervolgens in reactie hierop twee e-mailberichten gestuurd met uitleg over de kinderalimentatie zoals is opgenomen in de beschikking. De jeugdprofessional heeft de moeder vervolgens gevraagd deze informatie ook aan de vader te sturen, waarop de moeder heeft aangegeven dit niet te willen doen. Tijdens de zitting van 9 juli 2019 heeft de kinderrechter ook gezegd dat het niet de taak van een jeugdbeschermer is om zich te bemoeien met financiën. Op 12 juli 2019 heeft de moeder een e-mail gestuurd dat zij bij de gemeente informatie heeft opgevraagd. Deze e-mail heeft de jeugdprofessional vervolgens aan de vader doorgestuurd. Op 24 juli 2019 heeft de jeugdprofessional haar laatste e-mail aan de ouders gestuurd, met haar opvolger in de CC. Hierin heeft de jeugdprofessional uitgelegd wat de vader kan doen om de reiskosten/financiën te regelen voor wat betreft de omgangsmomenten. Dit komt ook overeen met wat tijdens de zitting van 9 juli 2019 is besproken: “Rechter: Als vader het een optie vindt en moeder wil het ook, dan zou een mogelijkheid zijn om dit nader onderling te overleggen. Misschien kan het dan via een verlaging van de alimentatie alsnog zo worden opgelost dat vader [de zoon] haalt en brengt. Ik zie de advocaat van moeder instemmend knikken.

5.School
De jeugdprofessional heeft inderdaad contact opgenomen met de school, zodat zij haar opvolger recente informatie kon geven. Op grond van artikel 7.3.11 lid 4 van de Jeugdwet mag de jeugdprofessional contact opnemen met school om te informeren hoe het met de zoon gaat. De jeugdprofessional verwijst hiervoor ook naar de uitspraak van het College van Toezicht in zaaknummer 19.582Ta.

 6.Logeerhuis
De moeder heeft op 22 juli 2019 een e-mail gestuurd met een screenshot van een whatsapp gesprek met de kinderconsulent van het logeerhuis. In dit screenshot stonden het aantal uren en de RIGG-code voor het logeerhuis opgenomen. De jeugdprofessional heeft dit direct opgepakt door de indicatie te sturen naar de kinderconsulent van het logeerhuis. Mogelijk heeft de kinderconsulent tegen de moeder gezegd dat als de indicatie niet wordt afgegeven, er geen zorg kan worden verleend aan de zoon. Dit is niet het geval geweest. De indicatie werd direct na de vraag vanuit moeder afgegeven. Het is gebruikelijk dat hulpverleningsinstanties rechtstreeks contact zoeken met de gecertificeerde instelling voor het opstellen van indicaties. De jeugdprofessional heeft aan de moeder verteld dat de kinderconsulent rechtstreeks contact met de GI kan opnemen voor wat betreft de indicaties.

7. Kindercoach
De moeder heeft het aanmeldformulier ondertekend, maar heeft ook tegen de bureaudienst van de GI gezegd dat de zoon al kinderbegeleiding had in de vorm van de kinderconsulent en dat daarom een kindercoach niet nodig was. Dit heeft de moeder vervolgens ook nog in een telefoongesprek met de jeugdprofessional gezegd. De jeugdprofessional heeft de aanmeldformulieren vervolgens bewaard voor haar opvolger. In september 2019 zou een nieuwe jeugdbeschermer startten, maar het heeft uiteindelijk tot november 2019 geduurd, voordat een nieuwe jeugdbeschermer was aangesteld. In de tussentijd was er wel een tijdelijke contactpersoon beschikbaar voor vragen. Van de procesregisseur kreeg de jeugdprofessional te horen dat de moeder uiteindelijk toch akkoord ging met de inzet van een kindercoach. De jeugdprofessional heeft toen vanuit haar functie als bureaudienst het aanmeldformulier alsnog opgestuurd.

4.2.3 Het College overweegt als volgt:

Allereerst merkt het College op dat de zeven genoemde voorbeelden niet als sub-verwijten worden aangemerkt en daarom niet ieder afzonderlijk worden besproken. Dit heeft het College ook tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht aan partijen kenbaar gemaakt.

Uit het dossier en hetgeen tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht is besproken, acht het College het invoelbaar dat de door moeder beschreven voorbeelden niet hebben bijgedragen aan het vertrouwen van haar in de jeugdhulpverlening. In het kader van een ondertoezichtstelling heeft een jeugdprofessional echter een inspanningsverplichting. Dit volgt uit artikel 1:262 Burgerlijk Wetboek. Dit betekent volgens het College dat de jeugdprofessional zich moet inspannen om het vertrouwen van de moeder in de jeugdhulp en jeugdbescherming te bevorderen, zoals is opgenomen in artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode. Uit het verweerschrift blijkt naar het oordeel van het College dat de jeugdprofessional zich voldoende heeft ingespannen om te trachten het vertrouwen van de moeder te bevorderen. Tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht is het echter ook duidelijk geworden dat de jeugdprofessional naar het oordeel van het College haar inspanningen beter had moeten bespreken met de moeder. De moeder heeft echter gedurende de periode waarop de klacht ziet naar het oordeel van het College te weinig signalen afgegeven. Zo had zij haar verwachtingen en klachten direct met de jeugdprofessional bespreekbaar moeten maken. Door dit niet te doen, is er een situatie ontstaan waarin de jeugdprofessional dacht dat de samenwerking goed verliep. Ondanks dat het primair de verantwoordelijkheid van de jeugdprofessional is om na te gaan of zij haar handelen moet bijsturen om meer aan te sluiten bij wat een ouder verwacht van de hulpverlening, ligt hier zeker ook een verantwoordelijkheid voor de betreffende ouder. Het is belangrijk dat een ouder transparant is in de communicatie naar een jeugdprofessional in wat van hem/haar wordt verwacht met betrekking tot de samenwerking. Concluderend komt het College tot het oordeel dat, gelet op de formulering van het klachtonderdeel, de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Op basis van de zeven genoemde voorbeelden kan het College niet vaststellen dat de jeugdprofessional zich onvoldoende heeft ingespannen om het vertrouwen van de moeder te bevorderen.

4.2.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.3 Conclusie

4.3.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot klachtonderdeel 1 tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Zij heeft niet tijdig en in samenspraak met de moeder een plan van aanpak opgesteld. Hierdoor is artikel M (Verslaglegging/ dossiervorming) van de Beroepscode geschonden.

4.3.2 Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid neemt het College mee dat de jeugdprofessional heeft gereflecteerd op haar handelen. Zij heeft meerdere malen aangegeven dat zij in toekomstige situaties de ouder(s) bijtijds zal informeren, indien het haar niet lukt om (tijdig) een plan van aanpak op te stellen. Een plan van aanpak is de basis van een ondertoezichtstelling. Hierin wordt de lijn bepaald wat van de ouder(s) wordt verwacht. Het College is ervan overtuigd dat de onderhavige tuchtprocedure eraan heeft bijgedragen dat de jeugdprofessional zich hiervan (meer) bewust is en dat zij in toekomstige gevallen haar werkwijze aanpast, zodat deze in lijn is met de professionele standaard. Het College ziet daarom af van het opleggen van een maatregel.

5 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdeel 1 gegrond;
  • verklaart klachtonderdeel 2 ongegrond;
  • ziet af van het opleggen van een maatregel.

 

Aldus gedaan door het College en op 11 augustus 2021 aan partijen toegezonden.       `

mevrouw mr. S.C. van Duijn                                                       mevrouw mr. M.R. Veerman
voorzitter                                                                                     secretaris