Een minderjarige is niet-ontvankelijk in de klacht die zij tegen haar voogd heeft ingediend.

De voorzitter van het College van Toezicht, mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, hierna te noemen: de voorzitter, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist over de door:
[minderjarige], hierna te noemen: [minderjarige], wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[voogd], werkzaam als jeugdbeschermer bij Jeugdbescherming [regionaam] en voogd van [minderjarige], hierna te noemen: de voogd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

De voorzitter heeft kennisgenomen van:
– het digitale klaagschrift ontvangen op 31 januari 2019, met de bijlagen;
– het geaccordeerde gespreksverslag van het gesprek met de voogd op 6 mei 2019.

1.2

De voorzitter heeft, de stukken gelezen hebbende, op grond van artikel 6.4 en artikel 15.2 van het Tuchtreglement (versie 1.2), besloten om [minderjarige] en de voogd afzonderlijk van elkaar te horen in het kader van een nader onderzoek. Dit nader onderzoek heeft op 6 mei 2019 plaatsgevonden op het kantoor van [instelling] in [plaatsnaam].

1.3

De voorzitter heeft, naar aanleiding van het nader onderzoek, op grond van artikel 8.8 sub a van het Tuchtreglement een beslissing genomen.

2 De beoordeling

De voorzitter overweegt het volgende.
In artikel 6.4 van het Tuchtreglement (versie 1.2) staat – voor zover relevant – omschreven: “een minderjarige die de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, is gerechtigd een klacht in te dienen, tenzij blijkt dat hij onvoldoende in staat is om zijn belangen en/of de gevolgen van zijn klacht te overzien.”
[minderjarige] heeft de klacht op 31 januari 2019 ingediend en was toen 15 jaar.
Het nader onderzoek is erop gericht om te bepalen of [minderjarige] voldoende in staat is om haar belangen en/of de gevolgen van de door haar ingediende klacht te overzien. Hoewel [minderjarige] nu de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, is het moment van indienen van de klacht leidend bij de beoordeling.
[minderjarige] is, hoewel deugdelijk opgeroepen, niet verschenen. De voorzitter heeft dan ook niet met haar gesproken. De voorzitter heeft daarom alleen een gesprek met de voogd kunnen voeren. De voorzitter heeft van de voogd vernomen dat [minderjarige] vandaag, op 6 mei 2019, niet naar school is gegaan. [minderjarige] heeft de voogd meerdere e-mails heeft gestuurd over het feit dat [minderjarige] haar adres heeft gewijzigd en dus zelf heeft bepaald bij opa en oma te wonen vanaf nu. [minderjarige] is niet op de afgesproken dag, maandag 6 mei 2019 na school naar het gezinshuis teruggekeerd. Er zijn zorgen over [minderjarige]. Zij moet op 15 mei aanstaande examen doen.
De voogd heeft toegelicht dat zij [minderjarige] een keer in de zes weken spreekt in het gezinshuis. Zij hebben overal gesprekken over. De voogd heeft op 18 april 2019 met [minderjarige] in het kader van haar persoonlijk ontwikkelingsplan gesproken. [minderjarige] was ‘goed te pas’. Zij heeft aangegeven dat zij in de toekomst zelfstandig wil wonen. Het gezinshuis van [instelling] heeft onder supervisie van de betrokken gedragswetenschapper een conceptverslag opgesteld waar [minderjarige] mee heeft ingestemd. [minderjarige] geeft achteraf aan dat zij dit heeft gezegd omdat de voogd en haar collega’s dat willen horen.
De voogd heeft aangegeven dat [minderjarige] een reactieve hechtingsstoornis en een aandachtstekortstoornis (DSM-IV) heeft en dat zij een gestructureerde opvoedingsomgeving nodig heeft. Daarnaast heeft zij begeleiding, sturing, controle en stimulans nodig. [minderjarige] is zestien maar functioneert in ieder geval als een veel jonger kind. Haar intelligentie is beperkt. Zij heeft dagelijks voor haar handelen begeleiding van een volwassene nodig om structuur in haar handelingen aan te brengen. Opa en oma kunnen [minderjarige] niet bieden wat zij nodig heeft.
Volgens de voogd is [minderjarige] (en opa en oma) het niet eens met het feit dat [minderjarige] niet bij opa en oma mag wonen. Na een juridische procedure waarin het verzoek is afgewezen, is deze klacht gevolgd.
De voogd is van mening dat [minderjarige] niet kan overzien wat een tuchtklacht inhoudt, wat er allemaal uit zal volgen en welke gevolgen het kan hebben voor [minderjarige] zelf maar ook voor de voogd, eventueel. [minderjarige] weet niet dat een mondelinge behandeling van de klacht zal plaatsvinden in Bilthoven, dat er een advocaat aanwezig is en dat zij haar klacht mondeling kan toelichten aan het College van Toezicht.
Voor de voorzitter is op grond van het bovenstaande niet vast komen te staan dat [minderjarige] overziet wat een tuchtklacht inhoudt en wat de gevolgen daarvan zijn. Daarnaast heeft de voorzitter vastgesteld dat de grootouders van [minderjarige] tijdens deze procedure op de achtergrond aanwezig zijn geweest. Zij hebben gemaild vanuit het e-mailadres van [minderjarige] en er is telefonisch contact geweest met [minderjarige] via de grootouders.
De voorzitter heeft geen duidelijk beeld van de eigenheid van [minderjarige] in relatie tot de ingediende klacht kunnen krijgen en zal haar daarom op grond van artikel 8.8 sub a van het Tuchtreglement niet ontvankelijk verklaren in haar klacht.

3 De beslissing

Dit alles overwegende komt de voorzitter tot de volgende beslissing:

– verklaart [minderjarige] niet ontvankelijk in haar klacht.

Aldus gedaan door de voorzitter en op 12 juni 2019 aan partijen toegezonden.

Mevrouw mr. drs. L.C. Mulder

voorzitter