Klacht tegen jeugdbeschermer over het niet nakomen van afspraken, het niet samenwerken met klaagster en het niet betrekken van klaagster bij de hulpverlening.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel, voorzitter,
mevrouw M. Grol, lid-beroepsgenoot,
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdbeschermer bij [GI], locatie: [plaatsnaam], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. S. Salhi, advocaat te [plaatsnaam].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde de heer mr. J.C.C. Leemans, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand.

1 Het verloop van de procedure

1.1Het College heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift ontvangen op 24 mei 2018, met de bijlagen en de aanvulling hierop van 1 oktober 2018;
– het verweerschrift ontvangen op 19 juli 2018, met de bijlagen;

1.2De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2018 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder van de zijde van beklaagde is de teammanager van de GI tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest.

1.3Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 Klaagster is moeder van een minderjarige zoon, geboren in 2007, hierna te noemen: oudste zoon en een minderjarige zoon, geboren in 2008, hierna te noemen jongste zoon en gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2 Klaagster en haar echtgenoot, hierna te noemen vader en gezamenlijk aan te duiden als de ouders, zijn gehuwd en oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de kinderen. De kinderen wonen bij hun ouders.

2.3 De jongste zoon is na een incident op school op 25 april 2016 geschorst. Hij heeft ruim twee jaar thuis gezeten. Tijdens de mondelinge behandeling is naar voren gekomen dat de jongste zoon inmiddels weer naar school gaat.

2.4 De school van de jongste zoon heeft na het incident geconstateerd dat de school niet de extra ondersteuning kon bieden die hij nodig heeft. De school wil daarom dat bij de jongste zoon een psychologisch onderzoek werd verricht voordat hij weer op school kon terugkomen. Klaagster en vader wilden daar niet aan meewerken en wensten dat de ondersteuningsbehoefte werd onderzocht door middel van observatie in de klas. De school is hier niet mee akkoord gegaan en heeft vervolgens, in verband met het thuiszitten van de jongste zoon een melding gedaan bij Veilig Thuis. Hierna heeft op 13 oktober 2016 een overleg met de Jeugdbeschermingstafel plaatsgevonden. De Jeugdbeschermingstafel heeft geconcludeerd dat voor de kinderen in het vrijwillig kader preventieve jeugdbescherming wordt ingezet voor de periode van zes maanden.

2.5 Een collega van beklaagde, [collega], tegen wie klaagster eveneens een klacht heeft ingediend, is in het vrijwillig kader aangesteld als jeugdbeschermer. De Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: RvdK) heeft onderzoek gedaan naar een beschermingsmaatregel en heeft de rechtbank geadviseerd om de kinderen onder toezicht te stellen.

2.6 Bij beschikking van de rechtbank [zittingsplaats] van 17 februari 2017, heeft de kinderrechter de kinderen onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar. De kinderrechter heeft onder meer overwogen dat: ‘[De jongste zoon] gaat sinds april 2016 niet meer naar school. Hierdoor heeft hij een achterstand opgelopen zowel op cognitief als sociaal-emotioneel gebied. [De jongste zoon] vertoonde op school extreme gedragsproblemen. Het is van belang dat hiernaar onderzoek wordt gedaan.[….] Om de ontwikkeling van [de jongste zoon] een positieve wending te geven, is het aanstellen van een jeugdbeschermer noodzakelijk. Deze kan [klaagster en vader] helpen en ondersteunen, op zoek gaan naar een passende school en ervoor zorgen dat het onderzoek van de grond komt. De ondertoezichtstelling voor de oudste zoon is geëindigd. De ondertoezichtstelling van de jongste zoon is laatstelijk verlengd tot 17 februari 2019.

2.7 Beklaagde is werkzaam als jeugdbeschermer bij de GI en is sinds de ondertoezichtstelling van de kinderen belast met de uitvoering hiervan. Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum]geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

2.8 Bij beschikking van 9 mei 2017 van de Rechtbank [zittingsplaats], heeft de kinderrechter het verzoek van de GI om vervangende toestemming voor een medische behandeling afgewezen omdat de gezondheid van de jongste zoon niet ernstig in gevaar is.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1 Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1 Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3 De klacht heeft, kort samengevat en zakelijk weergegeven, betrekking op de samenwerking tussen klaagster en beklaagde.

3.1.4 Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1 Klaagster is van mening dat beklaagde niet met haar heeft samengewerkt om een passende school voor de jongste zoon te zoeken, terwijl dat wel was afgesproken. Zij verwijst naar de onder 2.6 genoemde beschikking. Beklaagde is zelfs een procedure ‘verzoek vervangende toestemming medische behandeling’ gestart waarin zij de rechter verzoekt om vervangende toestemming voor het laten verrichten van een individueel persoonlijkheidsonderzoek en een gedragsonderzoek voor de jongste zoon. De rechter heeft dit verzoek op 9 mei 2017 afgewezen.

3.2.2 Beklaagde voert aan dat in het vrijwillig kader is geprobeerd om in gesprek te gaan met klaagster om de jongste zoon weer naar school te krijgen.
Klaagster wilde echter geen psychologisch onderzoek laten uitvoeren bij de jongste zoon zodat beklaagde de rechter heeft verzocht om vervangende toestemming. Dat verzoek is afgewezen omdat het onder de verkeerde noemer van medische behandeling is ingediend.

3.2.3 Het College oordeelt als volgt.
Het College maakt uit de onder 2.6 genoemde beschikking op dat het onder meer de opdracht van beklaagde is om zorg te dragen voor het laten verrichten van een onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jongste zoon. Klaagster is echter van mening dat de jongste zoon moet worden geplaatst in het regulier onderwijs en dat de ondersteuningsbehoefte kan worden vastgesteld door middel van observatie in de klas. Als dat nodig is, kan daarna worden gestart met onderzoeken.
Beklaagde heeft met klaagster besproken, dit is ook aan de orde gekomen ter zitting van de onder 2.8 genoemde beschikking, dat alle scholen voor regulier onderwijs als voorwaarde hebben gesteld dat de jongste zoon eerst wordt onderzocht voordat zij hem zouden toelaten. Het onderzoek bestaat uit een individueel persoonlijkheidsonderzoek (hierna te noemen: IPO) en gedragsonderzoek en is noodzakelijk om de ondersteuningsbehoefte van de jongste zoon in kaart te brengen.
Klaagster heeft hiervoor geen toestemming willen geven waarna beklaagde de rechter om de onder 2.8 genoemde vervangende toestemming heeft gevraagd.
Nadat de rechter het verzoek om de vervangende toestemming heeft afgewezen, heeft beklaagde naar haar zeggen geen nieuw verzoek ingediend omdat zij de strijd met klaagster niet heeft willen aangaan.
Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat zij, terugkijkend, op een andere manier het visieverschil met klaagster had kunnen oplossen.
Hoewel het College deze reflectie waardeert, kan het handelen van beklaagde worden gebillijkt. Beklaagde kan binnen een ondertoezichtstelling het gezag van ouders beperken door de rechter om vervangende toestemming te vragen.
Zij heeft daarmee niet gehandeld in strijd met de normen van een redelijke beroepsuitoefening zodat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1 Volgens klaagster is beklaagde de afspraken die tijdens het kennismakingsgesprek op 27 februari 2017 zijn gemaakt, niet nagekomen. Klaagster heeft beklaagde gevraagd om contact op te nemen met de interventietafel van het ministerie van OCW en het [samenwerkingsverband scholen]. Beklaagde zou een plan maken. De inspanningen van klaagster om de jongste zoon weer naar school te krijgen heeft beklaagde niet meegenomen in de zaak. Beklaagde is haar toezeggingen over de hulpverlening van de oudste zoon niet nagekomen.

3.3.2 Beklaagde stelt zich op het standpunt dat zij tijdens het kennismakingsgesprek aan klaagster uitleg heeft gegeven over het werkproces en het gezinsplan. Zij heeft klaagster verteld dat zij contact op zou nemen met de leerplichtambtenaar, de [school] en het [samenwerkingsverband scholen]. Het is niet gelukt om het gezinsplan met klaagster te bespreken omdat zij weigerde met beklaagde in gesprek te gaan nadat zij was geïnformeerd over het verzoek tot vervangende toestemming.

3.3.3 Het College overweegt het volgende.
Het is prijzenswaardig dat beklaagde heeft aangeklopt bij [samenwerkingsverband scholen] en de leerplichtambtenaar. Zij is bij hen te rade gegaan en heeft zich door hen op de hoogte laten stellen van de wettelijke kaders van passend onderwijs en van wat de mogelijkheden zijn om binnen die kaders te bevorderen dat de jongste zoon weer naar school kon gaan.
Uit een e-mail van het ministerie van OCW d.d. 13 maart 2017 is gebleken dat beklaagde en het ministerie contact met elkaar hebben gehad. De uitkomst hiervan is dat beklaagde, nu de jongste zoon onder toezicht is gesteld, de regie heeft. Klaagster heeft mogelijk verwacht dat de casus van de jongste zoon alsnog aan de interventietafel van het ministerie van OCW zou worden besproken. Het is echter aan beklaagde om de opdracht van de rechter die is neergelegd in de onder 2.6 genoemde beschikking, uit te voeren.
Feit is dat een traject als een gezinsplan alleen tot stand kan komen als beklaagde en klager daar met elkaar aan werken. In deze casus is dit niet gebeurd.
Beklaagde heeft naar voren gebracht dat zij het gezinsplan niet met klaagster heeft besproken omdat klaagster heeft geweigerd om met haar in gesprek te gaan nadat beklaagde bij de rechter een verzoek tot vervangende toestemming heeft ingediend. Klaagster heeft deze gang van zaken niet weersproken.
Hoewel klaagster zich heeft ingespannen om de jongste zoon op school te krijgen door hem op vele scholen aan te melden en advies in te winnen bij het ministerie van OCW en het [samenwerkingsverband scholen], hebben de scholen daarentegen een onderzoek van de jongste zoon voor de toelating tot school noodzakelijk geacht. Beklaagde kan hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
Tot slot heeft klaagster niet onderbouwd welke toezeggingen beklaagde heeft gedaan met betrekking tot de hulpverlening van de oudste zoon en welke afspraken zij niet is nagekomen.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1 Klaagster stelt zich op het standpunt dat beklaagde haar bewust niet heeft betrokken bij de hulpverlening door te volharden in haar eis met betrekking tot onderzoek voor de jongste zoon en uitsluitend haar eigen plan uit te werken. Zij heeft buiten klaagster om contact gezocht met derden om haar verzoek tot vervangende toestemming te onderbouwen. Beklaagde blijft doorgaan met het bewerkstelligen van onderzoeken terwijl zij weet dat klaagster hier niet mee akkoord gaat. Hierdoor stagneert de hulpverlening en gaat de jongste zoon nog steeds niet naar school. Op 12 mei 2017 heeft beklaagde de leerplichtambtenaar verzocht om boetes op te leggen om klaagster te bewegen akkoord te gaan met de onderzoeken voor de jongste zoon. Klaagster is van mening dat dit handelen een ongeoorloofd pressiemiddel is.

3.4.2 Beklaagde heeft zich laten informeren door de instanties die werken met de Wet Passend Onderwijs. Zij hebben bepaald dat er onderzoek moet komen om de jongste zoon op school te krijgen. Klaagster wil dat niet, zij wil dat de jongste zoon naar een reguliere basisschool gaat en wordt geobserveerd. Beklaagde heeft daartoe de nodige pogingen ondernomen maar die zijn niet gelukt.

3.4.3 Het College oordeelt als volgt.
Voor zover het klachtonderdeel betrekking heeft op het onderzoek, verwijst het College naar de beoordeling van klachtonderdelen I en II.
Het is gebruikelijk dat bij aanvang van de ondertoezichtstelling door beklaagde informatie wordt ingewonnen bij de betrokken instanties en hulpverleners. Beklaagde heeft verklaard dat zij tijdens het kennismakingsgesprek bij klaagster thuis klaagster op de hoogte heeft gesteld dat zij contact op zou nemen met de leerplichtambtenaar, de voormalige school van de jongste zoon en het [samenwerkingsverband scholen]. Klaagster heeft weersproken dat zij op de hoogte is gesteld van het contact met de leerplichtambtenaar. Nu partijen elkaar tegenspreken kan het College niet vaststellen op welke wijze klaagster is geïnformeerd. Ook in het dossier zijn geen aanwijzingen die de stelling van klaagster ondersteunen.
Klaagster heeft de e-mail van 12 mei 2017 die beklaagde heeft gestuurd naar de leerplichtambtenaar opgevat als pressiemiddel. De e-mail van beklaagde is weliswaar bedoeld om druk uit te oefenen, maar is gezien het gedwongen karakter van een ondertoezichtstelling en de lange tijd dat de jongste zoon niet naar school gaat, gerechtvaardigd.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond;

Aldus gedaan door het College en op 22 november 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel mevrouw mr. A.C. Veerman
voorzitter secretaris