Een tijdelijk betrokken jeugdbeschermer is het onvoldoende gelukt een constructieve samenwerking aan te gaan met de betrokkenen. De moeder is onder meer niet in de gelegenheid gesteld te reageren op een rapportage die aan de kinderrechter is verzonden.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel, voorzitter,
mevrouw M. Grol, lid-beroepsgenoot,
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[moeder], hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[de jeugdprofessional], hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugd- en gezinswerker bij de gecertificeerde instelling [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. A. Meijers, werkzaam als jurist te Langenboom.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 24 februari 2017, met de bijlagen;
– de aanvullende bijlagen op het klaagschrift ontvangen op 13 april 2017;
– het verweerschrift ontvangen op 8 april 2019, met de bijlagen.

1.2

Vanwege omstandigheden aan de zijde van de jeugdprofessional is de zaak gedurende een langere periode door de voorzitter van het College aangehouden. De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 13 juni 2019 in aanwezigheid van de moeder, de jeugdprofessional en de hiervoor genoemde gemachtigde. Als toehoorders van de zijde van de moeder zijn tijdens de mondelinge behandeling van de klacht haar ouders aanwezig geweest. Vanuit het College is als toehoorder tijdens de mondelinge behandeling van de klacht een tweede secretaris aanwezig geweest.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

De moeder heeft twee minderjarige kinderen. Het oudste kind is geboren in 2009 en het jongste kind is geboren in 2012, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

De moeder en haar ex-partner, de vader van de kinderen, zijn in 2012 uit elkaar gegaan. De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen. De kinderen wonen bij de moeder.

2.3

Sinds het uiteengaan van de ouders vinden tussen de vader en de kinderen begeleide omgangsmomenten via [het omgangshuis] plaats.

2.4

De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 september 2014 de kinderen voor de duur van twaalf maanden onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd, tenminste tot 23 maart 2017.

2.5

De jeugdprofessional is van februari 2016 tot en met augustus 2016 – als tijdelijk waarnemer voor een van haar collega’s vanwege zwangerschapsverlof – belast geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

2.6

Op 11 februari 2016 heeft een intakegesprek met de ouders plaatsgevonden bij het Centrum voor Jeugd en Gezin (hierna te noemen: het CJG). De ambulant medewerker van het CJG zou ouderschapsbemiddeling inzetten. De jeugdprofessional is aangesloten bij dit gesprek en heeft bij die gelegenheid kennisgemaakt met de ouders.

2.7

Op 5 juli 2016 heeft de jeugdprofessional een e-mailbericht aan de ouders gestuurd waarin zij aangeeft dat zij een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor zes maanden zal indienen bij de rechtbank, omdat er door de ouders niet aan de voorwaarde voor ouderschapsbemiddeling is voldaan. Tevens verzoekt de jeugdprofessional om het standpunt van beide ouders voor de verlenging van de ondertoezichtstelling. Tot slot maakt zij hierin kenbaar dat de ambulant medewerker van het CJG een gezamenlijk overleg zal organiseren voor na de aankomende vakantie van de jeugdprofessional.

2.8

Op 11 juli 2016 heeft de jeugdprofessional een e-mailbericht aan de moeder gestuurd waarin zij nogmaals vraagt om een reactie omtrent het verzoek voor de verlenging van de ondertoezichtstelling en laat zij ook weten dat de aankomende donderdag haar laatste werkdag is voor haar vakantie.

2.9

De kinderrechter wordt in juli 2016 door de GI verzocht de ondertoezichtstelling van de kinderen te verlengen voor de duur van twaalf maanden. De behandeling van het verzoek door de kinderrechter wordt gepland op 31 augustus 2016.

2.10

Op 23 augustus 2016 geeft de jeugdprofessional aan dat zij op huisbezoek bij de moeder wil komen vanwege de geplande behandeling bij de kinderrechter op 31 augustus 2016. In overleg met de moeder wordt een afspraak gemaakt voor 29 augustus 2016.

2.11

De advocaat van de moeder laat de middag van het geplande huisbezoek per e-mailbericht aan de jeugdprofessional weten dat zij als vertrouwenspersoon van de moeder hierbij aanwezig zal zijn. Naar aanleiding hiervan wordt het huisbezoek door de jeugdprofessional per e-mailbericht afgezegd.

2.12

Bij beschikking van 31 augustus 2016 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd voor de duur van zes maanden en het resterende deel van het verzoek aangehouden.

2.13

De jeugdprofessional is als jeugdzorgwerker van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

De moeder heeft zeven klachtonderdelen ingediend die – samengevat – betrekking hebben op de wijze van uitvoering van de ondertoezichtstelling door de jeugdprofessional.

3.1.4

De moeder heeft per klachtonderdeel verwezen naar de Behoorlijkheidswijzer van de Nationale Ombudsman van oktober 2016 (hierna te noemen: de Behoorlijkheidswijzer). Het College stelt vast dat het doel van de Behoorlijkheidswijzer is om aan overheden duidelijk te maken dat zij de burger serieus neemt en met respect behandelt. Het College oordeelt dat voor jeugdprofessionals ten opzichte van hun cliënten zulks ook voortvloeit uit de voor hen geldende Beroepscode en de richtlijnen, en dat dat de eerste aangewezen normen zijn waar het College aan toetst. Daartoe verwijst het College ook naar beslissingen van het College van Beroep d.d. 7 december 2018 (zaaknummer 18.007Ba en 18.007Bb). Het toetsingskader van het College is in de onderhavige zaak dan ook de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker (hierna te noemen: de Beroepscode) en de richtlijnen, hetgeen partijen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht ook kenbaar is gemaakt.

3.1.5

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen en het verweer besproken, die zakelijk en verkort worden weergegeven. Het is het College gebleken dat klachtonderdelen I en II samenhang en/of overlap hebben, omdat deze klachtonderdelen betrekking hebben op het niet betrekken van de moeder bij het opstellen van het verzoek/de rapportage aan de kinderrechter. Om deze reden heeft het College de bespreking en de beoordeling van deze klachtonderdelen onder 3.2 tezamen genomen. Klachtonderdelen III tot en met VII worden afzonderlijk besproken en beoordeeld. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2 Klachtonderdelen I en II

3.2.1

De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Het onterecht niet betrekken van de moeder bij het opstellen van het verzoek aan de kinderrechter tot verlenging van de ondertoezichtstelling en het niet raadplegen van professionele derden (klachtonderdeel I). Tevens heeft de jeugdprofessional geen gelegenheid aan de moeder geboden om inhoudelijk te reageren op de aan de kinderrechter toegestuurde rapportage (klachtonderdeel II).

Toelichting:
De jeugdprofessional heeft de moeder niet gesproken over de situatie, zij heeft de kinderen niet gezien of gesproken, noch professionele derden geraadpleegd om informatie te vergaren over het gezin. De jeugdprofessional heeft de vader wel betrokken bij het opstellen van het verzoek aan de kinderrechter. Dit terwijl de vader geen gezaghebbende ouder is. De jeugdprofessional is aldus partijdig geweest. De moeder is ook niet betrokken geweest bij het opstellen van de rapportage, terwijl dit over haar gezin gaat en aan de kinderrechter is toegestuurd. Doordat de moeder niet de mogelijkheid heeft gehad om inhoudelijk te reageren op de rapportage, is geen sprake van het afwegen van verschillende belangen tegen elkaar.

3.2.2

De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Voor wat betreft het verwijt dat geen professionele derden geraadpleegd zijn, stelt de jeugdprofessional het volgende. Zij is als waarnemend gezinsvoogd voor een van haar collega’s opgetreden. Zij heeft zich geconformeerd aan de doelen zoals deze in het plan van aanpak waren opgesteld, dat was opgesteld door haar collega. Het belangrijkste doel van de ondertoezichtstelling was de verbetering van de communicatie tussen de ouders. Aangezien er geen zorgen waren over de opvoedsituatie bij en de pedagogische vaardigheden van de moeder, was er geen noodzaak om aanvullende informatie op te vragen bij deskundigen. Tevens wijst de jeugdprofessional er op dat het uitwisselen en/of opvragen van informatie wel een doel moet dienen. Uit artikel 7.3.11, lid 2 onder a, en lid 4, van de Jeugdwet volgt dat het verstrekken en opvragen van informatie noodzakelijk moet zijn voor de te verrichten werkzaamheden (in casu, de uitvoering van de ondertoezichtstelling).
Het verwijt dat de moeder niet is betrokken bij het opstellen van het verzoek aan de kinderrechter tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt betwist door de jeugdprofessional. Begin juli 2016 ontving de jeugdprofessional van het CJG het bericht dat de hulpverlening stagneerde. In reactie hierop heeft zij aan de ouders, per e-mailbericht van 5 juli 2016, de verlenging van de ondertoezichtstelling ter sprake gebracht en gevraagd wat het standpunt van de ouders daarover was. Omdat de moeder niet had gereageerd, heeft de jeugdprofessional op 11 juli 2016 het nogmaals aan haar gevraagd. De moeder liet weten eerst een persoonlijk gesprek te willen. Dit gesprek kon niet meer plaatsvinden voor de vakantie van de jeugdprofessional, maar zou na haar vakantie op initiatief van het CJG georganiseerd worden. Hoewel de termijn voor het geven van een reactie wellicht wat kort was, heeft de jeugdprofessional wel degelijk geïnformeerd naar de visie van de moeder met betrekking tot het verlengingsverzoek.
Voor wat betreft het verwijt dat de moeder geen gelegenheid is geboden om inhoudelijk op de rapportage te reageren, heeft de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van de klacht het volgende aangevoerd. Uit de overgelegde stukken kan niet worden afgeleid of de rapportage aan de moeder is toegestuurd. Dit is echter een gebruikelijke werkwijze bij de GI. De jeugdprofessional gaat er daarom ook van uit dat de rapportage (in het voornoemde e-mailbericht van 5 juli 2016) aan de moeder is toegezonden. De moeder heeft daarop geen inhoudelijke reactie gegeven.

3.2.3

Het College overweegt als volgt:
Het College overweegt als volgt ten aanzien van de verwijten dat de moeder door de jeugdprofessional niet betrokken is bij zowel het opstellen van het verzoek (klachtonderdeel I) als de toegestuurde rapportage (klachtonderdeel II) aan de kinderrechter. Op grond van artikel G (overeenstemming/instemming over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode dient een jeugdprofessional te overleggen met de ouders om tot overeenstemming/instemming te komen over de hulp- en dienstverlening of andere (wettelijk opgelegde) taken. Hieruit volgt volgens het College dat de jeugdprofessional een inspanningsverplichting heeft om tenminste met de ouders te overleggen en hun mening te vragen rondom het verzoek aan de kinderrechter om de ondertoezichtstelling al dan niet te verlengen. Waarbij het uiteindelijk aan de GI is om het verzoekschrift in te dienen.
Op grond van de overgelegde stukken stelt het College vast dat de jeugdprofessional op 5 en 11 juli 2016 middels (korte) e-mailberichten de moeder heeft gevraagd naar haar standpunt ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de moeder toegelicht dat zij per e-mailbericht had gereageerd dat zij moest nadenken over haar standpunt en daar de volgende week op terug zou komen. Uit de stukken stelt het College vast dat de moeder vervolgens de jeugdprofessional een e-mailbericht heeft gestuurd en zij op 14 juli 2016 als reactie kreeg dat het niet mogelijk was een gezamenlijk overleg af te wachten en dat het verzoekschrift al naar de rechtbank was toegezonden. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional de ouders (te) kort van te voren (voor haar vakantie) heeft willen betrekken bij het besluit om de kinderrechter te verzoeken de ondertoezichtstelling te verlengen. Immers, het is ruim van te voren bekend wanneer de ondertoezichtstelling afloopt en voor welke datum een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling moet worden ingediend. Het College acht het kwalijk dat de jeugdprofessional geen gelegenheid heeft gezien om de moeder telefonisch (of in een persoonlijk gesprek) te betrekken bij het besluit. Het College heeft begrip voor het feit dat de jeugdprofessional onder tijdsdruk heeft moeten handelen maar dat neemt niet weg dat op haar de verplichting rustte om in overleg te treden met de moeder. Het College wijst de jeugdprofessional voorts op de mogelijkheid dat aan de moeder voorgesteld had kunnen worden haar visie op het verzoek na te sturen aan de rechtbank, hetgeen de jeugdprofessional niet gedaan heeft. Het College acht artikel G (overeenstemming/instemming over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode geschonden. Voor wat betreft de toegestuurde rapportage (het College begrijpt: het plan van aanpak van de ondertoezichtstelling) aan de kinderrechter, behorend bij het verzoekschrift tot verlenging van de ondertoezichtstelling, kan het College uit de overgelegde stukken niet vaststellen of de rapportage al dan niet naar de moeder is toegestuurd. In de e-mailberichten van 5 en 11 juli 2016 maakt de jeugdprofessional daar in ieder geval geen melding van en wordt ook niet gevraagd om een reactie op de rapportage. Het College is van oordeel dat het tot de verantwoordelijkheid van een gezinsvoogd hoort de ouders concreet te wijzen op opgestelde rapportages en hen voorts de gelegenheid te bieden daarop te kunnen reageren en (feitelijkheden) te corrigeren. Het recht op inzage en correctie volgt uit artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional ook in strijd gehandeld heeft met dit artikel.
Voor zover klachtonderdeel I toeziet op het niet raadplegen van professionele derden bij het besluit de ondertoezichtstelling al dan niet te verlengen, stelt het College vast dat de jeugdprofessional meermaals overleg heeft gehad met tenminste de ambulant werker van het CJG. Naar aanleiding van dit contact is geconcludeerd dat aan de omschreven voorwaarde in de beschikking van de kinderrechter (het slagen van ouderschapsbemiddeling) niet werd voldaan. Voor het overige acht het College het verweer van de jeugdprofessional navolgbaar in die zin dat over de opvoedsituatie en de pedagogische vaardigheden van de moeder geen zorgen waren en dat om die reden geen noodzaak bestond om aanvullende informatie over de kinderen op te vragen bij professionele derden. Het College verklaart dit gedeelte van klachtonderdeel I ongegrond.

3.2.4

Het College verklaart klachtonderdeel I deels gegrond, namelijk voor wat betreft het verwijt dat de moeder niet betrokken is bij het verzoek aan de kinderrechter. Klachtonderdeel II verklaart het College ook gegrond.

3.3 Klachtonderdeel III

3.3.1

De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Het ten onrechte weigeren van een vertrouwenspersoon en daarmee het geplande huisbezoek afzeggen, twee dagen voor de behandeling door de kinderrechter.

Toelichting:
In het kader van deze klacht wijst de moeder op de behoorlijkheidswijzer van de Nationale Ombudsman (september 2015), evenals het Rapport (2011/214) van de Nationale Ombudsman. Hieruit kan “noch het klachtenreglement noch de Wet op de jeugdzorg Bureau Jeugdzorg de mogelijkheid geven een vertrouwenspersoon van een cliënt te weigeren”. De jeugdprofessional heeft afgezien van het enige geplande huisbezoek, welke op 29 augustus 2016, twee dagen voor de behandeling bij de kinderrechter gepland stond. Het gesprek is afgezegd wegens de vertrouwenspersoon (de advocaat van de moeder) die aanwezig wilde zijn. De jeugdprofessional had deze beslissing niet mogen maken.

3.3.2

De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Het klopt dat het gesprek is afgezegd. De reden hiervoor was niet enkel gelegen in het feit dat de advocaat als vertrouwenspersoon aanwezig zou zijn, alhoewel dit wel een rol speelde. De jeugdprofessional ontving pas zeer laat (45 minuten voor de afspraak) een bericht van de advocaat dat zij bij het gesprek aanwezig zou zijn, en dat op haar advies de kinderen niet aanwezig zouden zijn. Met de moeder was reeds gecommuniceerd dat de jeugdprofessional de kinderen ook wilde spreken. De jeugdprofessional was overrompeld door het bericht van de advocaat. Zij maakte zich er zorgen over dat zij hierdoor de indruk jegens de vader zou wekken dat zij partijdig zou zijn. Tevens had de boodschap van de advocaat tot gevolg dat een belangrijke doelstelling van het gesprek niet bereikt zou worden, namelijk het gesprek met de kinderen.
Reflecterend heeft de jeugdprofessional op dat moment onvoldoende gelegenheid gehad om na te vragen hoe bij de GI werd omgegaan met de aanwezigheid van advocaten bij de te voeren gesprekken. Wel heeft zij overleg gehad met de gedragsdeskundige. Deze adviseerde om eerst een gesprek met de kinderen te voeren. De jeugdprofessional heeft zich voorts ingespannen om hierover met de moeder telefonisch in gesprek te gaan, maar de moeder was niet bereikbaar. Daarna heeft zij een e-mailbericht aan de moeder gestuurd. De jeugdprofessional betreurt het dat de moeder en zij elkaar hierover niet hebben kunnen spreken. Wellicht dat dit tot een andere uitkomst had geleid. De jeugdprofessional benadrukt dat zij op een later tijdstip wel degelijk met de moeder en haar advocaat in gesprek had willen gaan. Met de kennis van nu, ten aanzien van de positie van advocaten, zou zij daarvoor een aparte afspraak hebben gemaakt.

3.3.3

Het College overweegt als volgt:
Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht is gebleken dat de jeugdprofessional het gesprek van 29 augustus 2016 heeft afgezegd, omdat zij onder meer bang was dat zij haar onafhankelijke positie tussen de ouders zou verliezen indien zij wel in gesprek zou gaan met de advocaat van de moeder, maar niet met een eventuele advocaat van de vader. Bovendien kon het aanvankelijke doel van het huisbezoek, een gesprek met de kinderen, niet meer worden bereikt. De jeugdprofessional heeft voorts toegelicht dat zij met de kennis van nu het gesprek niet zou hebben afgezegd, maar dat zij op het moment van handelen niet wist dat een advocaat of vertrouwenspersoon niet mag worden geweigerd. Het College stelt voorop dat de reflectie van de jeugdprofessional op haar handelen gewaardeerd wordt. Ook heeft het College begrip voor het feit dat de jeugdprofessional in een relatief kort tijdsbestek een belangenafweging heeft gemaakt in een voor haar complexe situatie. Zij heeft ervoor gekozen om haar onpartijdige positie tussen de ouders niet te willen verliezen. Daarbij heeft de jeugdprofessional de moeder geprobeerd telefonisch te bereiken om haar keuze uit te leggen, maar kon zij haar niet bereiken. Hetgeen de reden is geweest dat zij per e-mailbericht de afspraak heeft afgezegd. Desondanks is het College van oordeel dat ten behoeve van de rechtsbescherming iedereen recht heeft op rechtsbijstand, al dan niet in de vorm van een advocaat. Het College wijst voorts op artikel 4.1.9, eerste lid, van de Jeugdwet, waaruit volgt dat de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling een vertrouwenspersoon in de gelegenheid moet stellen zijn taak uit te oefenen. Nu de jeugdprofessional geen bereidheid heeft getoond in overleg te treden met de moeder in aanwezigheid van haar advocaat (als vertrouwenspersoon), acht het College dat zij in strijd gehandeld heeft met artikel C (bereid iedere cliënt te helpen) van de Beroepscode.

3.3.4

Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

3.4 Klachtonderdeel IV

3.4.1

De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Geen tot slechte communicatie tussen de moeder en de jeugdprofessional.

Toelichting:
Ten eerste houdt de jeugdprofessional zich niet aan afspraken. Een afspraak die ze niet is nagekomen betrof een gezamenlijk overleg. Op 5 juli 2016 heeft de jeugdprofessional een e-mailbericht gestuurd waarin zij voorstelt om in de week van 18 juli 2016 een gezamenlijk overleg te plannen om de verlenging van de ondertoezichtstelling te bespreken. Op 14 juli 2016 blijkt er geen tijd meer voor te zijn. Het gezamenlijk overleg heeft niet plaatsgevonden. De jeugdprofessional heeft voorts in haar e-mailbericht van 5 juli 2016 aangegeven dat zij zou vragen om een verlenging van de ondertoezichtstelling voor zes maanden, maar bij de rechtbank heeft zij een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden verzocht.
Ten tweede is de jeugdprofessional niet duidelijk in haar communicatie. Het geplande overleg in de week van 18 juli 2016 heeft zij op 14 juli 2016 afgezegd, omdat zij op vakantie ging. De jeugdprofessional heeft nagelaten om hier open en transparant over te communiceren. Wanneer ze met vakantie is, voor hoelang en/of wanneer ze terug is, communiceert ze niet. Wie de waarnemer is in haar afwezigheid wordt ook niet doorgegeven.
De jeugdprofessional is ten derde niet eerlijk in haar communicatie. Zij heeft tijdens de behandeling bij de kinderrechter uitgesproken dat [het omgangshuis] stuurt op een andere vorm van omgang. [Het omgangshuis] heeft echter verklaard nimmer contact met de jeugdprofessional te hebben gehad. Tevens is contact tussen de jeugdprofessional en [het omgangshuis] uitgesloten op grond van het geldende contract tussen [het omgangshuis] en de ouders. In artikel 23 van dit contract (het College begrijpt: de “overeenkomst omgangsregeling stichting [het omgangshuis]”) is namelijk opgenomen dat [het omgangshuis] niet rapporteert/correspondeert met derden over de inhoud van de omgangsregeling en dat overleg uitsluitend met de ouders plaatsvindt, zonder aanwezigheid van derden. Daarnaast volgt uit hetzelfde artikel dat [het omgangshuis] niet aan dossiervorming doet.

3.4.2

De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Ten aanzien van het verwijt dat zij zich niet aan de afspraken houdt, constateert de jeugdprofessional dat zij in tegenstelling tot de aankondiging aan de ouders, inderdaad de rechtbank heeft verzocht om de ondertoezichtstelling met twaalf maanden te verlengen. Het is lastig om na zo’n lange tijd terug te halen of hier wellicht sprake is van een vergissing. Ze kan zich voorstellen dat zij hierover van mening is veranderd toen bleek dat de ouderschapsbemiddeling door het CJG niet slaagde. De moeder had overigens in het verzoekschrift kunnen lezen dat er verzocht zou worden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling voor twaalf maanden. De jeugdprofessional erkent dat zij dit duidelijker met de ouders had moeten communiceren, maar betreurt het dat de moeder destijds hierover niet het gesprek met haar heeft gevoerd. De jeugdprofessional had hier zonder meer voor opengestaan en dat had haar de gelegenheid gegeven om dit te bespreken en uit te leggen.
Wat betreft het verwijt dat de jeugdprofessional niet duidelijk is geweest in haar communicatie omtrent haar geplande vakantie, stelt zij dat de ambulant werker van het CJG in een e-mailbericht aan de moeder heeft laten weten dat het gesprek met de ouders, het CJG en de jeugdprofessional pas na de vakantie, te weten eind augustus, zou plaatsvinden. De jeugdprofessional beseft dat het beter was geweest als zij haar vakantie in ieder geval eenmaal duidelijk met de ouders had gecommuniceerd, maar dat zij in verschillende e-mailberichten had laten weten dat zij op vakantie ging. Tevens konden de ouders gedurende haar vakantie de bereikbaarheidsdienst bellen. Er is geen vervanger gedurende de vakantie van de jeugdprofessional aangewezen. Dit was een gevolg van de krappe bezetting bij de GI. In de gevallen waarin de veiligheid als voldoende wordt beoordeeld, neemt de bureaudienst de vervanging waar.
Met betrekking tot het verwijt dat de jeugdprofessional niet eerlijk is in haar communicatie, verwijst zij naar een contactjournaal van 29 augustus 2016. Hierin staat vermeld dat zij heeft gesproken met de coördinator van [het omgangshuis]. De jeugdprofessional kan niet verklaren waarom [het omgangshuis] zegt dat er geen contact heeft plaatsgevonden. Ter voorbereiding op de behandeling bij de kinderrechter is er tevens contact geweest met de school, zodat aan de kinderrechter een goed verslag gedaan kon worden van de laatste stand van zaken. De jeugdprofessional erkent dat de communicatie met de moeder op bepaalde punten beter kon, maar betwist nadrukkelijk dat zij oneerlijk is geweest. Zij heeft in drukte voorafgaand aan haar vakantie enkele kleine steken laten vallen, maar heeft geenszins de intentie gehad om afspraken niet na te komen of om de ouders in het ongewisse te laten ten aanzien van haar vakantie. Zij is binnen de grenzen van een behoorlijke beroepsuitoefening gebleven.

3.4.3

Het College overweegt als volgt:
Ten aanzien van het eerste verwijt, dat de jeugdprofessional zich niet aan de afspraken heeft gehouden, overweegt het College als volgt. Uit het overgelegde e-mailbericht van 5 juli 2016 blijkt dat de jeugdprofessional aan de ouders laat weten dat de GI voornemens is een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden in te dienen. Blijkens de beschikking van de rechtbank van 31 augustus 2016 heeft de GI verzocht om een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden. Het verweer van de jeugdprofessional, dat de moeder de verzochte termijn kon aflezen uit het verzoekschrift, volgt het College niet. Een ondertoezichtstelling, als kinderbeschermingsmaatregel, kan voor ouders verstrekkende en/of ingrijpende gevolgen hebben. Het is daarom van belang dat de jeugdprofessional de daadwerkelijke duur die verzocht wordt aan de ouders kenbaar maakt. Dat de moeder niet juist geïnformeerd is over de verzochte termijn, acht het College in strijd met artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode. Daar waar de jeugdprofessional in dit gedeelte van het klachtonderdeel ook wordt verweten dat zij het gezamenlijke overleg heeft afgezegd, waarin met de moeder het verzoek aan de kinderrechter besproken zou worden, wordt verwezen naar het oordeel ten aanzien van klachtonderdeel I (“Het onterecht niet betrekken van de moeder bij het opstellen van het verzoek aan de kinderrechter tot verlenging van de ondertoezichtstelling”) onder 3.2.3 van deze beslissing. Het College laat dit gedeelte van het klachtonderdeel buiten beschouwing omdat hierover reeds geoordeeld is.
Ten aanzien van het tweede verwijt, dat de jeugdprofessional niet duidelijk is geweest in haar communicatie omtrent haar geplande vakantie, overweegt het College het volgende. Uit de overgelegde e-mailberichten blijkt dat de jeugdprofessional heeft aangegeven dat zij op vakantie ging, maar dat zij niet specifiek een periode heeft genoemd. Ook leest het College dat de jeugdprofessional inderdaad op 5 juli 2016 aan de ouders bericht dat na haar vakantie, in de week van 18 juli 2016, een gezamenlijk overleg op initiatief van het CJG gepland wordt. Vervolgens wordt door de jeugdprofessional, in tegenstelling tot deze gecommuniceerde data, op 14 juli 2016 aan de moeder bericht dat zij “zo met vakantie gaat”. Alhoewel het College begrijpt dat dit bij de moeder voor verwarring heeft gezorgd, acht het College het voldoende aannemelijk dat bij de jeugdprofessional sprake is geweest van een kennelijke vergissing omtrent de data van haar vakantie. Het College concludeert dat de jeugdprofessional rondom de periode van haar vakantie zorgvuldiger had kunnen communiceren, maar dat dit gedeelte van het klachtonderdeel niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Volledigheidshalve wijst het College de jeugdprofessional erop dat zij in het vervolg – om verwarring te voorkomen – bijvoorbeeld in haar digitale handtekening een zinsnede kan opnemen waaruit blijkt in welke periode zij vanwege vakantie afwezig is.
Voor wat betreft het derde verwijt, dat de jeugdprofessional niet eerlijk is in haar communicatie vanwege het contact met [het omgangshuis], overweegt het College als volgt. Het valt voor het College niet vast te stellen of de jeugdprofessional al dan niet contact heeft gehad met [het omgangshuis]. Beide partijen hebben stukken overgelegd waar op dit punt tegenstrijdig wordt bericht (door [het omgangshuis]). Voorts wijst het College erop dat in het geval van een kinderbeschermingsmaatregel op grond van artikel J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode en artikel 7.3.11, vierde lid, van de Jeugdwet ook zonder toestemming van de betrokkene(n), wanneer dit noodzakelijk kan worden geacht voor de te bieden hulp of het afstemmen van de hulp, (beroepsmatige) informatieverstrekking plaats kan vinden aangaande gegevens die de persoon betreffen van de onder toezicht gestelde minderjarige, diens wettelijke vertegenwoordiger of ouder. Het College oordeelt daarom dat ook in het geval [het omgangshuis] wel informatie aan de jeugdprofessional verstrekt heeft, hiervoor een wettelijke grondslag bestaat. Het College verklaart dit gedeelte van het klachtonderdeel dan ook ongegrond.

3.4.4

Het College verklaart het klachtonderdeel deels gegrond, namelijk voor wat betreft het verwijt over de gecommuniceerde termijn over de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling. Voor het overige verklaart het College het klachtonderdeel ongegrond.

3.5 Klachtonderdeel V

3.5.1

De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Nalaten de samenwerking met de moeder en de hulpverlening te bevorderen.

Toelichting:
De jeugdprofessional is om onduidelijke redenen niet ingegaan op het verzoek van de hulpverlening om een viergesprek te voeren. De hulpverlening dreigde te stagneren. De jeugdprofessional had informatie waarvan alleen zij op de hoogte was. Toch heeft zij er toen voor gekozen om niet deel te nemen aan het gesprek. In het kader van haar begeleidende rol mocht de moeder er redelijkerwijs vanuit gaan dat de jeugdprofessional aanwezig zou zijn bij het viergesprek. Door hier niet op in te gaan, heeft de jeugdprofessional nagelaten de samenwerking tussen de moeder en de hulpverlening te bevorderen. Voorts wordt het de jeugdprofessional verweten dat zij niet heeft ingesprongen op de hulpvraag vanuit de ambulant werker van het CJG om andere passende hulpverlening in te schakelen. Bovendien is de jeugdprofessional hiermee voorbij gegaan aan het bieden van verantwoorde hulpverlening zoals voortvloeit uit artikel 4.1.1 van de Jeugdwet. Doordat de jeugdprofessional het verzoek van de ambulant werker van het CJG heeft afgewezen, is de hulp doorgezet met het voorspelbare resultaat dat het stagneerde.

3.5.2

De jeugdprofessional voert het volgende aan:
In juni en juli 2016 is er veelvuldig contact geweest met de ambulant werker van het CJG. De jeugdprofessional betwist dat zij niet is ingegaan op het verzoek om een viergesprek. Zij heeft de regie voor het viergesprek bij het CJG neergelegd. Voor wat betreft het verwijt dat de jeugdprofessional niet heeft ingesprongen op de hulpvraag van de ambulant werker van het CJG om andere passende hulpverlening in te schakelen, stelt zij het volgende. Als destijds zou blijken dat het traject bij CJG vastloopt, zou “Ouderschap blijft” van [de instelling] ingezet worden. Hiervoor is ook een bepaling jeugdhulp afgegeven. De collega was inmiddels terug van zwangerschapsverlof en zij heeft met de ouders gecommuniceerd over de inzet van de hulp van [de instelling]. De jeugdprofessional merkt op dat eind augustus 2016 het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling door de kinderrechter is behandeld. Het was noodzakelijk dit af te wachten, omdat anders de hulp van [de instelling] niet mogelijk zou zijn binnen het kader van de ondertoezichtstelling. Er is dus wel degelijk verantwoorde hulp geboden door de GI zoals voortvloeit uit artikel 4.1.1 van de Jeugdwet.
De jeugdprofessional is van mening dat zij zich voldoende heeft ingespannen om een nieuw hulpverleningstraject in te zetten. Dit heeft als gevolg van haar vakantie wellicht langer geduurd dan de moeder wenselijk achtte, maar daaruit volgt niet zonder meer dat er tuchtrechtelijk verwijtbaar is gehandeld.

3.5.3

Het College overweegt als volgt:
Het College leest in het overgelegde e-mailbericht van 17 mei 2016 dat de jeugdprofessional niet afwijzend tegenover een viergesprek staat, maar dat zij eerst de ingezette hulpverlening vanuit het CJG wil afwachten. De jeugdprofessional motiveert in het e-mailbericht ook waarom zij het (nog) niet noodzakelijk vindt om andere hulpverlening in te schakelen. Het College acht dit besluit voldoende gemotiveerd en navolgbaar. Later, in juli 2016, is de regie voor het organiseren van het viergesprek door de jeugdprofessional, vanwege de aanstaande vakantie van de jeugdprofessional, bij het CJG neergelegd. Na de vakantie van de jeugdprofessional is haar collega weer teruggekeerd als gezinsvoogd van de kinderen en heeft zij de hulpverlening verder opgepakt. De jeugdprofessional is sindsdien niet meer betrokken geweest bij het gezin van de moeder. Het College overweegt dat het tot de kern van de functie van een jeugdprofessional werkend in het gedwongen kader behoort om regie te nemen in het uitvoeren van de ondertoezichtstelling. Ook als (tijdelijk) uitvoerder van de ondertoezichtstelling ligt het op de weg van een jeugdprofessional om de regie te houden en samenwerking tussen de ouder(s) en (externe) hulpverlening te bevorderen. Echter, het vorengaande ontslaat de moeder niet om zelf ook een actieve rol te nemen, door waar zij overleg noodzakelijk acht hier zelf om te vragen. De moeder heeft een zelfstandige taak om ervoor te zorgen dat zij goed met de hulpverlening samenwerkt. Gelet op de geschetste omstandigheden inhoudende dat voor juli 2016 nog geen directe noodzaak was tot een viergesprek, de daaropvolgende vakantie van de jeugdprofessional en de terugkomst van de “oorspronkelijke” gezinsvoogd, ziet het College geen gronden voor een tuchtrechtelijk verwijt aan de jeugdprofessional.

3.5.4

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.6 Klachtonderdeel VI

3.6.1

De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Het onterecht cruciale informatie (zoals dreigementen vanuit de vader) weglaten uit de rapportage aan de rechter.

Toelichting:
De jeugdprofessional was op de hoogte van de onveilige situatie voor de kinderen, zoals gekenmerkt door het gerechtshof. In de beschikking van het gerechtshof van 14 april 2015 is het volgende opgenomen: “Op 15 juni 2013 heeft bij de omgangsregeling, die begeleid werd door de ouders van de moeder, een incident plaatsgevonden tussen de ouders van de moeder en de vader, waarbij de kinderen van partijen aanwezig waren. […] Wel staat vast dat de politie ter plaatse is gekomen in verband met het incident.”. Deze informatie heeft zij weggelaten uit de rapportage aan de rechter. Tevens heeft zij bedreigingen via digitale communicatie niet vermeld in het rapport, noch meegenomen in haar beslissing. Hiermee is de jeugdprofessional voorbijgegaan aan de feitelijke (dreigende) situatie. In dat kader heeft zij op onterechte gronden ingespeeld op uitbreiding van de omgang. Daarnaast wordt het de jeugdprofessional verweten dat zij voorbij is gegaan aan enig overleg met de gezaghebbende moeder en enkel haar bevindingen heeft gebaseerd op informatie van de niet-gezaghebbende vader. Gezien een eerdere beslissing van het College van Toezicht d.d. 7 maart 2016 (zaaknummer 15.055T) had de jeugdprofessional een gesprek met de gezaghebbende moeder moeten voeren om zich voldoende in te spannen ten behoeve van de samenwerking en communicatie. Ze had de omgang niet mogen uitbreiden zonder alle feiten te hebben meegenomen en zonder contact en/of overleg met de gezaghebbende moeder.

3.6.2

De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De bedreigingen die beschreven worden in de uitspraak van het gerechtshof dateren uit 2012 en 2013, kort na de echtscheiding. Hoewel dit ontoelaatbaar gedrag is, is het evenmin gepast om de vader daar in 2016 opnieuw op aan te spreken. Ook kan voor wat betreft de overgelegde berichten niet worden vastgesteld wanneer deze bedreigingen zijn gedaan. In deze berichten staan slechts twee data, de jaartallen ontbreken. Er kan dus niet worden vastgesteld of dit nieuwe bedreigingen betreffen, daterend uit de periode dat zij haar collega verving. De jeugdprofessional heeft in ieder geval geen meldingen gehad van de moeder of de politie. Bovendien wordt benadrukt dat zij bij de rechtbank niet heeft gepleit voor onbegeleide omgang. Dit zou een te grote overgang voor de kinderen zijn geweest. De omgang zou verder binnen het traject van “Ouderschap blijft” worden vormgegeven. Ook heeft de jeugdprofessional niet bij de rechtbank gepleit voor een uitbreiding van de omgang. Op basis van de beschikking van 5 november 2014, was een voorlopige omgangsregeling vastgesteld via [het omgangshuis] met een door de coördinator, in overleg met partijen en de gezinsvoogd, te bepalen frequentie.

3.6.3

Het College overweegt als volgt:
Voor wat betreft het opnemen van oude(re) incidenten in een rapportage, is het College van oordeel dat het gebruikelijk is deze niet (meer) op te nemen wanneer deze niet langer relevant zijn. Een jeugdprofessional dient een belangafweging te maken of het opnemen nog proportioneel en noodzakelijk is. Het College stelt vast dat uit de overgelegde stukken niet blijkt van welke datum de (nieuwe) bedreigende uitlatingen zijn. De keuze om de eerdere incidenten niet in de rapportage op te nemen, is naar het oordeel van het College op zichzelf gerechtvaardigd, nu er bij de jeugdprofessional geen nieuwe meldingen van bedreigingen bekend waren. Het College concludeert dat de jeugdprofessional in dit klachtonderdeel niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft.
Daar waar de jeugdprofessional in dit gedeelte van het klachtonderdeel ook wordt verweten dat zij de moeder niet betrokken heeft bij het opstellen van de rapportage, wordt verwezen naar het oordeel ten aanzien van klachtonderdeel II (“Tevens heeft de jeugdprofessional geen gelegenheid aan de moeder geboden om inhoudelijk te reageren op de aan de kinderrechter toegestuurde rapportage”) onder 3.2.3 van deze beslissing. Het College laat dit gedeelte van het klachtonderdeel buiten beschouwing omdat hierover reeds geoordeeld is.

3.6.4

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.7 Klachtonderdeel VII

3.7.1

De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Het nalaten om binnen zes weken een hulpverleningsplan op te stellen.

Toelichting:
De jeugdprofessional heeft nimmer een hulpverleningsplan kenbaar gemaakt. Volgens artikel 4.1.3 van de Jeugdwet had de jeugdprofessional binnen zes weken een hulpverleningsplan moeten opstellen. Gezien haar bevindingen in de rapportage zou het plan een veiligheidsplan, een omgangsplan of een hulpverleningsplan kunnen zijn, echter dit is volledig onduidelijk. Tijdens de behandeling bij de kinderrechter van 31 augustus 2016 is dit ook niet duidelijk geworden. Dit heeft veel onzekerheid achtergelaten.

3.7.2

De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De uitleg die de moeder geeft aan artikel 4.1.3 lid 5 van de Jeugdwet, te weten dat een nieuwe en/of tijdelijke gezinsvoogd binnen zes weken een plan van aanpak dient te maken, vindt geen steun in de wet. De termijn van zes weken geldt bij de start van de ondertoezichtstelling. In de praktijk vinden de evaluatie en bijstelling van het plan van aanpak gelijktijdig plaats met de indiening van een verzoek strekkende tot verlenging van de kinderbeschermingsmaatregel. Dat is ook in de onderhavige casus het geval geweest.

3.7.3

Het College overweegt als volgt: Op grond van artikel 4.1.3, vijfde lid, van de Jeugdwet dient een jeugdprofessional uiterlijk binnen zes weken na aanvang van de jeugdhulpverlening een hulpverleningsplan of plan van aanpak op te stellen. Ten tijde van het verzoek tot verlenging van de kinderbeschermingsmaatregel vindt er in de praktijk een evaluatie en eventuele bijstelling van het plan van aanpak plaats. In de onderhavige casus was de aanvang van de ondertoezichtstelling in 2014. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional derhalve niet het verwijt gemaakt kan worden dat zij heeft nagelaten om binnen zes weken na haar betrokkenheid een hulpverleningsplan op te stellen. Tevens blijkt uit de overgelegde stukken dat de jeugdprofessional een rapport in het kader van de evaluatie van de ondertoezichtstelling heeft opgesteld.

3.7.4

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.8 Conclusie

3.8.1

Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot klachtonderdelen I (deels), II, III en IV (deels) tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. De jeugdprofessional heeft de moeder niet betrokken bij het opstellen van een advies aan de kinderrechter en tevens geen gelegenheid geboden om inhoudelijk op de aan de kinderrechter toegestuurde rapportage te reageren. Daarnaast heeft de jeugdprofessional ten onrechte de aanwezigheid van de advocaat (als zijnde vertrouwenspersoon) van de moeder geweigerd. Tot slot is de moeder niet juist geïnformeerd over de verzochte duur voor de verlenging van de ondertoezichtstelling. De jeugdprofessional heeft volgens het College in strijd gehandeld met artikelen C (bereid iedere cliënt te helpen), F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening), G (overeenstemming/instemming over de hulp- en dienstverlening) en M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode.

3.8.2

Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid en de op te leggen maatregel overweegt het College dat de jeugdprofessional ten aanzien van meerdere klachtonderdelen (deels) tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Het College houdt echter ook rekening met het gegeven dat de jeugdprofessional, als tijdelijk waarnemer, gedurende een relatief korte periode betrokken is geweest bij het gezin van de moeder. Het College wijst de jeugdprofessional er evenwel op dat dit haar niet ontslaat van het nakomen van haar wettelijke en beroepsethische verplichtingen, concreet in de onderhavige casus inhoudende dat zij zich diende in te zetten een constructieve samenwerking met de betrokkenen aan te gaan en hen in de gelegenheid stelt te kunnen reageren op (onder meer) een opgestelde rapportage. Hiervoor is een heldere communicatie met de betrokkenen noodzakelijk. In de onderhavige casus is gebleken dat dit niet altijd het geval is geweest. Het College acht het echter voldoende aannemelijk geworden dat de jeugdprofessional gereflecteerd heeft op haar handelen, in die zin dat zij heeft aangegeven met de kennis van nu andere keuzes zou hebben gemaakt. Concluderend acht het College het onder de geschetste omstandigheden passend en geboden om aan de jeugdprofessional de maatregel van waarschuwing op te leggen.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdelen I (deels), II, III en IV (deels) gegrond;
– verklaart klachtonderdelen I (deels), IV (deels), V, VI en VII ongegrond;
– legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College en op 25 juli 2019 aan partijen toegezonden.

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris