Het beroep van een moeder slaagt niet. Het is niet aan de tuchtcolleges om in de beoordeling van rechterlijke beslissingen te treden en/of te interpreteren wat een (kinder-)rechter met een bepaalde beschikking heeft bedoeld. Ook is het tuchtrecht niet bedoeld als beroep tegen een rechterlijke beslissing.

De voorzitter van het College van Beroep, mevrouw mr. M.M. Brink, heeft beslist:

in de zaak van:

[Klaagster], klaagster in eerste aanleg, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

tegen:

[Jeugdprofessional], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij de gecertificeerde instelling [GI], hierna te noemen: de GI.

De jeugdprofessional is van [datum] 2015 tot en met [datum] 2020 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2020 is hij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

1     Het verloop van de procedure

1.1 De voorzitter van het College van Beroep heeft kennisgenomen van:
– de klaagschriften die de moeder op 4 maart 2020 en 1 april 2020 bij het College van Toezicht heeft ingediend, en welke zijn aangepast en samengevoegd tot één klaagschrift op 27 april 2020;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 20.090Ta van 25 mei 2020;
– het beroepschrift dat de moeder op 29 mei 2020 tegen voornoemde beslissing heeft ingediend.

1.2 De voorzitter van het College van Toezicht heeft de klacht van de moeder, die bestaat uit twee klachtonderdelen, kennelijk ongegrond verklaard.

1.3 Tegen deze beslissing heeft de moeder op 29 mei 2020 tijdig beroep aangetekend.

2     Het beoordelingskader

2.1 De voorzitter van het College van Beroep beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

2.2 De voorzitter van het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessionals aan de algemene tuchtnorm. De voorzitter van het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en/of nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

2.3 Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling van klachtonderdeel 2 die de voorzitter van het College van Toezicht kennelijk ongegrond heeft verklaard.

3     Het beroep en de beoordeling

3.1 Klachtonderdeel 2

3.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 2 als volgt geformuleerd:
“De moeder verwijt de jeugdprofessional dat hij zich niet aan de beschikkingen houdt en heeft ter ondersteuning van dit klachtonderdeel bijgevoegd de beschikking van de rechtbank van
21 februari 2019 en de beschikking van de kinderrechter van 4 februari 2020. In de toelichting op het klachtonderdeel heeft de moeder – kort samengevat – weergegeven dat in genoemde beschikkingen duidelijk staat opgenomen dat een kinderpsycholoog mee moet kijken met de minderjarige dochter, dan wel aanvullende hulp kan bieden.”

3.2 De voorzitter van het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld:
“Het geformuleerde klachtonderdeel vindt geen steun in de onderbouwing. In de beschikking van de rechtbank van 21 februari 2019 over de omgangsregeling tussen de dochter en de vader wordt nergens gesproken over de inzet van een kinderpsycholoog. Ook in de beschikking van de kinderrechter van 4 februari 2020 over de verlenging van de ondertoezichtstelling wordt niet vermeld dat een kinderpsycholoog mee moet kijken. In die beschikking staat enkel op pagina 2, onder ‘Het standpunt van de belanghebbenden’, dat de moeder het belangrijk vindt dat de hulp van een kinderpsycholoog wordt ingezet en dat de vader achter dit plan staat. Onder ‘De beoordeling’ van de kinderrechter in deze beschikking wordt wel gesproken over het inzetten van een hulpverleningstraject, maar wordt niet specifiek de kinderpsycholoog genoemd. Uit het bijgevoegde e-mailbericht van 14 april 2020 van de moeder aan de jeugdprofessional blijkt dat er kennelijk wel gesproken is over een kinderpsycholoog maar niet dat dit een opdracht is geweest van de kinderrechter waaraan de jeugdprofessional gevolg had moeten geven. De voorzitter [van het College van Toezicht] is daarom van oordeel dat uit de overgelegde beschikkingen, alsmede uit genoemd e-mailbericht niet blijkt dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door na te laten de hulp van een kinderpsycholoog in te zetten.” De voorzitter van het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel op grond van artikel 7.9 sub a van het Tuchtreglement (versie 1.3) kennelijk ongegrond verklaard.

3.3 De moeder betwist het oordeel van de voorzitter van het College van Toezicht ten aanzien van dit klachtonderdeel. De moeder heeft in de beroepsprocedure het proces-verbaal van de zitting van 4 februari 2020 overlegd. Naar de mening van de moeder blijkt uit dit proces-verbaal dat er tijdens de zitting wel degelijk afspraken zijn gemaakt over het inzetten van een kinderpsycholoog en dat de jeugdprofessional heeft gezegd de inzet van een kinderpsycholoog toe te juichen.

3.4 De voorzitter van het College van Beroep overweegt over het beroep van de moeder als volgt. De voorzitter volgt het standpunt van de moeder niet dat in de beschikking duidelijk genoemd staat dat er een kinderpsycholoog ingezet moet worden. In de beschikking van de kinderrechter van 4 februari 2020 is over de inzet van hulpverlening – voor zover relevant – namelijk het volgende opgenomen: “De komende periode dient de GI dan ook samen met de ouders te werken aan de vertrouwensrelatie tussen de ouders en de hulpverlening en de ouders onderling. De kinderrechter gaat er daarbij van uit dat de ouders, zoals ze bij de mondelinge behandeling zelf hebben verklaard, zich positief zullen inzetten om het hulpverleningstraject dat in ieder geval gericht zal zijn op het verbeteren van hun onderlinge communicatie tot een succes te maken.” De kinderrechter heeft ondanks dat er blijkens het proces-verbaal tijdens de zitting is gesproken over de inzet van een kinderpsycholoog, geen aanleiding gezien om de inzet van de kinderpsycholoog expliciet in de beschikking op te nemen. Het is niet aan de tuchtcolleges van SKJ om in de beoordeling van rechterlijke beslissingen te treden en/of te interpreteren wat een (kinder-)rechter met een bepaalde beschikking al dan niet heeft bedoeld. Ook is het tuchtrecht nooit bedoeld als een beroep tegen een rechtelijke beslissing. Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding om de jeugdprofessional een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

3.5 De voorzitter van het College van Beroep zal het beroep van de moeder op grond van artikel 7.9 sub b van het Tuchtreglement afwijzen.

4          De beslissing

Dit alles overwegende komt de voorzitter van het College van Beroep tot de volgende beslissing:

  • wijst het beroep van de moeder af;
  • handhaaft het oordeel van het College van Toezicht in zaaknummer 20.090Ta van 25 mei 2020, voor zover aan het oordeel van de voorzitter van het College van Beroep onderworpen.

Aldus gedaan door de voorzitter van het College van Beroep en op 29 juni 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. M.M. Brink
voorzitter