Een zelfstandig jeugdzorgwerker, die in verband met een hulpvraag van de moeder betrokken is geraakt bij de moeder en haar kinderen, is een significant contact met de kinderen aangegaan, terwijl de vader met gezag daar niet van op de hoogte was en daar ook geen toestemming voor had gegeven.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mevrouw S.M.C. van de Kooij, lid-beroepsgenoot,
mevrouw H.W. Kamphof, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager], klager, hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats],

op 11 december 2019 ingediende klaagschrift tegen:

[jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als zelfstandig jeugdzorgwerker.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.V. Verweij.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift ontvangen op 11 december 2019;
  • het verweerschrift ontvangen op 21 januari 2020;
  • de conclusie van repliek ontvangen op 28 april 2020;
  • de conclusie van dupliek ontvangen op 6 mei 2020.

1.2 Vanwege het landelijk beleid rondom het coronavirus heeft de voorzitter besloten de zaak schriftelijk af te doen (artikel 5 van de tijdelijke regeling i.v.m. COVID-19). Op 20 april 2020 zijn partijen daarover geïnformeerd. Op grond van artikel 7 van de tijdelijke regeling i.v.m. COVID-19 zijn partijen in de gelegenheid gesteld om nog eenmaal schriftelijk te reageren op hetgeen door de wederpartij naar voren is gebracht (repliek en dupliek).

1.3 De schriftelijke behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 20 mei 2020. De beslissing is op 1 juli 2020 aan partijen verzonden.

2     De feiten

Op grond van de stukken gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft meerdere (minderjarige) kinderen, waarvan in ieder geval één zoon geboren is in 2005.

2.2 De relatie tussen de vader en de moeder van de kinderen, gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, is beëindigd. Zij oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de kinderen. De kinderen wonen bij de moeder en er is een zorg- en contactregeling tussen de vader en de kinderen.

2.3 In de periode van mei tot en met september 2018 is de jeugdprofessional in het vrijwillig kader betrokken geweest bij de moeder en de kinderen. De hulpverlening had als doel de moeder handvatten te geven om met haar kinderen een gezinssysteem te vormen.

2.4 Op verzoek van de rechtbank heeft de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de RvdK) een onderzoek uitgevoerd naar de vraag welke zorg- en contactregeling in het belang van de kinderen is. De jeugdprofessional is op verzoek van de moeder door de RvdK als informant benaderd. Op 14 oktober 2019 heeft de jeugdprofessional de RvdK schriftelijk voorzien van informatie over de door haar geboden hulpverlening.

2.5 In het rapport van de RvdK is de reactie van de jeugdprofessional, voor zover relevant, als volgt weergegeven:

“De hulpverlening bestond uit:

  • Vanuit observaties zijn er gesprekken gevoerd om moeder handvatten en praktische tips te geven hoe om te gaan met lastige of moeilijke momenten in de week.
  • Vanuit narratieve tekentherapie is er een gesprekje gevoerd met [naam kind].
  • Vanuit de richtlijn scheiding bij jeugdigen is geobserveerd en doorgevraagd of er toentertijd sprake was van conflict tussen de ouders, waardoor het voor de kinderen moeilijk was van moeder naar vader te gaan. Hier was toen geen sprake van en geen vraag over.
  • Samen met moeder en de kinderen is onderzocht welke praktische tools werken voor moeder en de kinderen m.b.t. klusjes in huis.
  • Met moeder is gewerkt aan ondersteuning om te komen tot goed ouderschap. (bijvoorbeeld: ga je vanuit het werk thuis gelijk weer aan het werk of neem je de tijd om thuis te komen en de kinderen te ontvangen?)
  • Hoe ga je om met samen tafelen bij het avondeten, opdat dit een prettig moment van de dag wordt en geen strijdtoneel.

(…)

“De hulpverlener maakt zich zorgen over de zeer beperkte informatie die er ligt rond vader en de onbekendheid met diens opvoedvaardigheden en aansluiten bij de behoeften van de kinderen. Ook mist zij informatie over het eigen inzicht van vader in zijn psychische kwetsbaarheid en de mogelijke gevolgen hiervan voor de kinderen.”

2.6 Naar aanleiding van het rapport van de RvdK heeft de vader de jeugdprofessional telefonisch bericht dat hij het niet eens is met de informatie die de jeugdprofessional aan de RvdK heeft verstrekt. In overleg met de RvdK heeft de jeugdprofessional de vader op 14 november 2019 per e-mail, voor zover relevant, als volgt bericht:

“Naar aanleiding van de telefonische vraag op dd. 14-11-2019 van [de vader], wil ik benadrukken dat de door mij aan de [Rvdk] gestuurde informatie geweest is vanuit betrokkenheid bij moeder. Waarbij [de vader] graag ook vermeld ziet, dat de informatie betreffende vader ook gesteld is vanuit deze eenzijdigheid.
Hopende hierbij het Raadsverslag te hebben verhelderd.”

2.7 De jeugdprofessional is sinds [datum] 2018 als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

Zowel de klacht, het verweer, de conclusie van repliek en de conclusie van dupliek worden zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.1 De klacht

4.1.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft zich onprofessioneel en in strijd met de Beroepscode gedragen.

Toelichting:

De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij een significant contact met de kinderen is aangegaan, zonder dat zij de moeder ervan op de hoogte heeft gesteld dat zij verplicht is om de vader op de hoogte te stellen van dit contact. In de tussentijd had de jeugdprofessional zich moeten beperken tot gesprekken met de moeder waarbij de kinderen niet aanwezig waren.
Daarnaast heeft de jeugdprofessional narratieve tekentherapie toegepast bij één van de kinderen met de diagnose Autismespectrumstoornis (ASS). De vader stelt dat hij door het ontbreken van informatie niet heeft kunnen vaststellen wat het doel was van het individuele contact met één van de kinderen en of dit contact gerechtvaardigd was met betrekking tot de originele hulpvraag van de moeder. Ook heeft de vader niet kunnen vaststellen in hoeverre de jeugdprofessional opgeleid is in het omgaan met kinderen met ASS, of narratieve tekentherapie een passende gesprekstechniek is voor een kind met ASS en wat de uitkomst van deze sessie is.
Daarnaast verwijt de vader de jeugdprofessional dat zij de kinderen heeft geobserveerd en doorgevraagd heeft om te kijken of er sprake was van een conflict tussen de ouders. Hierdoor heeft zij de reikwijdte van de hulpvraag van de moeder overschreden. Door te suggereren dat de kinderen een probleem zouden hebben om van moeder naar vader te gaan, heeft zij de kinderen mogelijk beïnvloed. Daarnaast heeft de jeugdprofessional zich voor het doel van de moeder laten gebruiken om tot een door de moeder gewenste omgangsvorm te komen. De jeugdprofessional is hier het belang van de kinderen uit het oog verloren.
Ook verwijt de vader de jeugdprofessional dat zij in haar reactie aan de RvdK suggestieve zorgen heeft geuit over de vader. De jeugdprofessional had dit volgens de vader niet mogen doen, aangezien er op geen enkele manier contact is geweest tussen hen. De jeugdprofessional had zich moeten realiseren dat de uitingen van de moeder over de vader gebaseerd zijn op frustraties van de moeder en dat deze opmerkingen buiten de originele hulpvraag lagen.
Verder heeft de vader na het ontvangen van het rapport van de RvdK contact opgenomen met de organisatie van waaruit de jeugdprofessional ingezet is. De jeugdprofessional ontkende verantwoordelijk te zijn voor de wijze waarop haar reactie in het rapport van de RvdK verwoord is, ondanks dat zij haar reactie heeft geaccordeerd. De jeugdprofessional had direct moeten erkennen dat er geen basis was voor haar opmerkingen en had de RvdK hierover een aanvullend bericht moeten sturen. Slechts na overleg met de RvdK heeft zij hier aan voldaan.
De vader concludeert dat de jeugdprofessional met haar handelen het belang van de kinderen geschaad heeft, dat zij niet in staat is geweest om een houding van meerzijdige partijdigheid aan te nemen richting de moeder, dat zij zich op respectloze wijze heeft geuit over de vader richting de RvdK en dat zij zich niet zelfkritisch heeft kunnen opstellen.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

Op 14 mei 2018 is zij als ZZP’er door de moeder gevraagd is om haar te ondersteunen vanuit de vraag: “Geef mij handvatten om als dit gezin, met alleen een moeder, samen een gezinssysteem te vormen, op de wijze die past bij mij en de kinderen”. Zij heeft in de periode van mei tot en met september 2018 gedurende zes contacten met de moeder aan deze vraag gewerkt. Daarbij is er een eetobservatie geweest met alle kinderen en een tekenobservatie met één van de kinderen, als voorbeeld aan de moeder hoe zij een gesprek kan voeren. De contacten waren bij de moeder thuis. Vanuit observaties en gesprekken met de moeder, heeft zij de moeder handvatten en praktische tips gegeven over hoe zij kan omgaan met moeilijke momenten in de week. De vader is in die periode niet in beeld geweest.
De jeugdprofessional stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is geweest van het aangaan van significant contact met de kinderen, anders dan wat nodig was om het doel van de moeder te dienen. De jeugdprofessional is aanwezig geweest en heeft ondersteund in het onderzoeken van manieren van gespreksvoering tussen de moeder en de kinderen.
Verder stelt de jeugdprofessional dat zij informatie aan de RvdK heeft verstrekt vanuit haar betrokkenheid bij de moeder. Van meerzijdige partijdigheid was geen sprake, omdat er in de betreffende periode geen contact is geweest met de vader. De hulpvraag van de moeder betrof haar eigen huishouding.
Omdat de vader niet accepteerde wat er in het rapport van de RvdK was opgenomen, heeft de jeugdprofessional in overleg met de RvdK de vader op 14 november 2019 de in 2.6 weergegeven e-mail verstuurd. De jeugdprofessional is zich niet bewust van respectloos gedrag richting de vader.
Tot slot stelt de jeugdprofessional dat het goed is om zelfkritisch te zijn, maar zij vindt het wonderlijk dat zij, pas na het verschijnen van het rapport van de RvdK, als informant wordt benaderd door de andere partij, waarbij zij onder dreiging van een klacht gesommeerd is haar informatie in te trekken.

4.1.3 De vader voert in de conclusie van repliek het volgende aan:

De jeugdprofessional heeft met haar verweer wederom blijk gegeven van haar onvermogen de klachten van de vader te begrijpen en op haar gedrag toe te passen, zoals van een geregistreerd jeugdprofessional verwacht mag worden. De vader verwijst naar de door hem ingediende klacht en merkt op dat de jeugdprofessional zich had moeten onthouden van opmerkingen over hem in de informatievoorziening richting de RvdK, aangezien de jeugdprofessional geen contact met hem heeft gehad. Tevens had de jeugdprofessional op zijn eerste verzoek direct richting de RvdK moeten bevestigen dat zij geen informatie over hem kon hebben en de RvdK uit eigen beweging moeten verzoeken dit stuk te verwijderen. Van de jeugdprofessional mag verwacht worden dat zij op de hoogte is van de procedure van de RvdK, het doel van het inwinnen van informatie en de impact op de kinderen.
Verder voert de vader aan dat de jeugdprofessional in haar verweer toegeeft dat zij contactmomenten met de kinderen heeft gehad, die als doel hadden haar therapeutische doelstellingen te realiseren. Ook hier mag van de jeugdprofessional worden verwacht dat zij dit contact slechts was aangegaan nadat zij zich had verzekerd van toestemming van beide gezagsdragers. Tot die tijd had zij zich moeten beperken tot gesprekken met alleen de moeder. Uit het verweer van de jeugdprofessional blijkt volgens de vader dat zij de onjuistheid van haar handelen niet inziet, waardoor de kans op herhaling groot is.

4.1.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:

Na de klacht van de vader heeft de jeugdprofessional onderzocht waar zij in gebreke zou zijn gebleven in de hulpverlening bij de moeder en de kinderen. Zij heeft de casus ingebracht tijdens een interregionale intervisie. Het belangrijkste inzicht dat zij heeft verkregen is dat zij heeft nagelaten door te vragen bij de moeder, of de vader ook op de hoogte was van haar aanwezigheid in het gezin. De jeugdprofessional heeft zich geconcentreerd op de hulpvraag van de moeder, die haarzelf betrof. Indien er kinderen betrokken zijn checkt de jeugdprofessional bij nieuwe hulpverleningstrajecten nu nog nadrukkelijker wie het gezag heeft en of beide ouders op de hoogte zijn van haar aanwezigheid. Dit is voor de jeugdprofessional een leerpunt.
Verder voert de jeugdprofessional aan dat er tijdens het kennismakingsgesprek met de moeder ook gesproken is over het verleden van de moeder met de vader. Daar is de psychische problematiek van de vader genoemd, in samenhang met wat dit voor de moeder betekend heeft voor, tijdens en na de scheiding. In dit gesprek is ook besproken dat er vanuit school en de omgeving geen zorgen waren over de kinderen. Een aandachtspunt binnen het gezin was de ASS van één van de kinderen, met de daarbij voorkomende communicatieve hindernissen. De moeder heeft de hulpvraag bij zichzelf en haar kinderen gehouden. Met de moeder is gewerkt rond ‘Goed genoeg ouderschap’. De moeder wilde met haar eigen gezinssysteem bezig zijn en was er niet van op de hoogte hoe de vader de opvoeding inrichtte. Toen de begeleiding werd afgerond, was de moeder tevreden over het gezinssysteem en het ging goed met de kinderen. Bij de jeugdprofessional is als een zorg blijven hangen dat er zo weinig bekend was over hoe de kinderen het bij de vader hadden en hoe zij van de moeder naar de vader gingen en andersom. Toen de moeder de jeugdprofessional, een jaar na afronding van de begeleiding, vroeg om als informant informatie te verstrekken aan de RvdK over de wijze waarop zij haar rol als moeder vorm gaf, kwam deze zorg opnieuw bij de jeugdprofessional naar boven. In haar verslag als informant heeft zij de zorg gedeeld. Zij overwoog daarbij dat de RvdK het hele gezinssysteem zou horen: de kinderen, de vader en de moeder. Mocht haar zorg een gedeelde zorg zijn, dan kon daar aan gewerkt worden en mocht dat niet het geval zijn, dan waren de zorgen gedeeld op een voor de betrokkenen neutrale plaats, namelijk de RvdK. De jeugdprofessional heeft zo haar verantwoordelijkheid als jeugdzorgwerker genomen. Toen de vader eiste dat zij haar zorg uit het verslag zou weghalen kon zij daar in dit licht niet aan voldoen.
Voor wat betreft het contactmoment met de kinderen voert de jeugdprofessional aan dat er vanuit de vraag van de moeder over de communicatie, één contactmoment is geweest met het kind met ASS en de moeder. Als voorbeeld voor de moeder heeft de jeugdprofessional, samen met de moeder en het kind, een gebeurtenis van die dag op school al tekenend in beeld gebracht. Het kind kon, ondersteund door de getekende visualisatie van zijn verhaal, coherent over de gebeurtenis vertellen, hij voelde zich gehoord en dit gaf ontspanning. De moeder heeft gezien hoe dit werkte en dit verder zelf meegenomen als handvat in de communicatie. De methode heet Narratieve Taal-Teken-Therapie. Het is geen therapie maar een ondersteunend handvat in de communicatie.

4.1.5 Het College overweegt als volgt:
Het College gaat allereerst in op het verwijt van de vader dat de jeugdprofessional een significant contact met de kinderen is aangegaan, terwijl hij daar niet van op de hoogte was en daar ook geen toestemming voor had gegeven. Het College stelt in dit kader allereerst vast dat de jeugdprofessional in de onderhavige casus jeugdhulp heeft verleend en overweegt hiertoe als volgt. Op grond van artikel 1.1 sub 1 van de Jeugdwet wordt onder jeugdhulp onder meer verstaan: “ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale opvoedingsproblemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van een jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen”. In de Memorie van Toelichting op de Jeugdwet (TK 2012-2013, 33 684, nr. 3 p.18) is omschreven dat de term jeugdhulp breed is en het de ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en hun ouders bij alle denkbare opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen omvat. In casu heeft de jeugdprofessional niet alleen gesprekken gevoerd met de moeder, maar ook de interactie tussen de moeder en de kinderen geobserveerd. Ook heeft zij blijkens de overgelegde stukken vanuit de ‘Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen’ geobserveerd en doorgevraagd of er sprake was van een conflict tussen de ouders. Daarnaast heeft zij vanuit de methode ‘Narratieve Taal-Teken-Therapie’ een gesprek gevoerd met één van de kinderen. Hoewel de jeugdprofessional heeft toegelicht dat zij zich geconcentreerd heeft op de hulpvraag van de moeder, is er bij deze vorm van ouderbegeleiding sprake van een glijdende schaal richting begeleiding van de kinderen zelf. Nu de hulpverlening bij de moeder en de kinderen thuis heeft plaatsgevonden, de jeugdprofessional voor de kinderen zichtbaar is geweest en haar begeleiding de kinderen rechtstreeks raakte, is het College van oordeel dat er sprake is geweest van jeugdhulp in de hiervoor bedoelde zin.
Het College overweegt verder dat op grond van artikel 7.3.4 van de Jeugdwet het uitgangspunt is dat jeugdhulp (in het vrijwillige kader) in beginsel niet mag worden verleend wanneer de toestemming van de betrokkene(n) hiervoor ontbreekt. Wanneer het gaat om het verlenen van jeugdhulp aan een jeugdige van tussen de twaalf en vijftien jaar, in casu in ieder geval één van de kinderen, dient op grond van artikel 7.3.4 lid 2 van de Jeugdwet in beginsel zowel de toestemming van de jeugdige als van de gezaghebbende ouder(s) te zijn verkregen. Wanneer de toestemming van (één van) de gezaghebbende ouder(s) ontbreekt, kan op grond van voornoemd artikel de jeugdhulp slechts nog worden verleend als sprake is van een van de volgende twee uitzonderingsgronden: “indien zij kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de betrokkene te voorkomen, alsmede indien de betrokkene ook na de weigering van de toestemming, de verrichting weloverwogen blijft wensen.”
Nu de jeugdprofessional erkent dat zij überhaupt niet (bij de moeder) is nagegaan of de vader op de hoogte was van haar aanwezigheid in het gezin, en zij niet inzichtelijk heeft gemaakt dat er sprake is geweest van een van de twee genoemde uitzonderingsgronden van artikel 7.3.4 lid 2 van de Jeugdwet, heeft de jeugdprofessional naar het oordeel van het College tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld, doordat zij desondanks de jeugdhulp heeft verleend. Het College acht het handelen van de jeugdprofessional tevens in strijd met artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional, hierna te noemen: de Beroepscode, omdat zij niet geprobeerd heeft met de vader tot overeenstemming/instemming te komen over de te bieden jeugdhulp. Het College verklaart dit gedeelte van de klacht gegrond.
Ten aanzien van het verwijt van de vader dat de jeugdprofessional in haar reactie richting de RvdK suggestieve zorgen over de vader heeft geuit, overweegt het College als volgt. Op basis van de vragen van de medewerker van de RvdK dient een jeugdprofessional zelf een afweging te maken of het delen van bepaalde informatie noodzakelijk en passend is. Het College heeft er oog voor dat de aan de RvdK verstrekte informatie een grote impact op de vader heeft. Het College leest in de informatievoorziening van de jeugdprofessional aan de RvdK echter enkel dat zij zorgen heeft over de beperkte informatie omtrent de opvoedvaardigheden van de vader en dat zij informatie mist over de psychische gesteldheid van de vader. Zij heeft zich naar het oordeel van het College (terecht) onthouden van het geven van een eigen oordeel over de opvoedvaardigheden en psychische gesteldheid van de vader. Het College meent wel dat de jeugdprofessional haar reactie zorgvuldiger had kunnen formuleren. Wanneer zij bijvoorbeeld had toegelicht dat zij zich gebaseerd heeft op informatie van de moeder, had mogelijk voorkomen kunnen worden dat de vader de informatie als suggestief zou ervaren. Het College is verder van oordeel dat de jeugdprofessional zorgvuldig en adequaat gehandeld heeft nadat zij van de vader vernomen had dat hij het niet eens was met de aan de RvdK verstrekte informatie. Zo heeft zij, al dan niet op aandringen van de vader, contact opgenomen met de RvdK en per e-mail toegelicht dat zij de informatie verstrekt heeft vanuit haar betrokkenheid bij de moeder. Het College concludeert dat de informatieverstrekking van de jeugdprofessional aan de RvdK nauwkeuriger had gekund, maar dat is niet wat er bij een tuchtrechtelijke toetsing centraal staat. Centraal staat de vraag of de jeugdprofessional is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en dat is naar het oordeel van het College het geval. Dit gedeelte van de klacht is ongegrond.

4.1.6 Het College verklaart de klacht deels gegrond, namelijk voor wat betreft het verwijt van de vader dat de jeugdprofessional een significant contact met de kinderen is aangegaan, terwijl de vader daar niet van op de hoogte was en daar ook geen toestemming voor had gegeven. Voor het overige verklaart het College de klacht ongegrond.

4.2 Conclusie

4.2.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot de klacht deels tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Zo heeft de jeugdprofessional jeugdhulp verleend, terwijl de vader daar niet van op de hoogte was en daar ook geen toestemming voor had gegeven. De jeugdprofessional heeft volgens het College in strijd gehandeld met artikel 7.3.4 lid 1 en 2 van de Jeugdwet en artikel G (overeenstemming/instemming over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode.

4.2.2 Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid houdt het College er rekening mee dat het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen betrekking heeft op een gedeelte van de klacht en de jeugdprofessional gedurende een relatief korte periode betrokken is geweest bij de moeder en de kinderen. Daarnaast heeft het College er oog voor dat de hulpverlening (op voorhand) gericht was op de hulpvraag van de moeder, maar dat er bij de gekozen vorm van ouderbegeleiding sprake is geweest van een glijdende schaal richting begeleiding van de kinderen. Verder acht het College het voldoende aannemelijk geworden dat de jeugdprofessional gereflecteerd heeft op haar handelen, nu zij heeft aangegeven dat zij de casus ingebracht heeft in een interregionale intervisie en zij bij nieuwe hulpverleningstrajecten nadrukkelijk nagaat of beide gezaghebbende ouders op de hoogte zijn van haar aanwezigheid. Het College ziet op grond van deze omstandigheden af van het opleggen van een maatregel.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart de klacht deels gegrond;
  • ziet af van het opleggen van een maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 1 juli 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. S.C. van Duijn                                                          mevrouw mr. A.V. Verweij

voorzitter                                                                                         secretaris