Er is geen sprake van het suggereren van onwaarheden aan de rechter. Wel was het beter geweest indien de jeugdbeschermer duidelijk had aangegeven welke bronnen (en uit welk jaar) zijn geraadpleegd voor de briefrapportage aan de rechter.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
de heer W.M.P. van Engelen, lid-beroepsgenoot,
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[De moeder], klaagster, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

op 6 mei 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[De jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij de [GI], locatie: [locatie], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. M.R. Veerman.

De moeder wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [naam], advocaat te [plaatsnaam].

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. K.M. ten Pas, werkzaam als jurist bij DAS.

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift ontvangen op 6 mei 2020;
  • het verweerschrift ontvangen op 28 juli 2020;
  • de conclusie van repliek ontvangen op 10 augustus 2020;
  • de conclusie van dupliek ontvangen op 18 augustus 2020.

1.2 De voorzitter heeft op grond van artikel 3 van de tijdelijke regeling werkwijze van het College van Toezicht en het College van Beroep in verband met COVID-19 (Corona), hierna: tijdelijke regeling, besloten om de klacht schriftelijk af te handelen. Op grond van artikel 5 van de tijdelijke regeling zijn partijen in de gelegenheid gesteld om nog eenmaal schriftelijk te reageren op hetgeen door de wederpartij naar voren is gebracht (repliek en dupliek).

1.3 De schriftelijke behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2020. De beslissing is op 5 oktober 2020 aan partijen verzonden.

2 De feiten

Op grond van de stukken gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft twee minderjarige zoons en een meerderjarige dochter. De oudste zoon is geboren in 2006 en de jongste zoon is geboren in 2007, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2 De moeder en haar ex-partner, de vader van de kinderen, gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, zijn sinds 2016 gescheiden. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt aanvankelijk gezamenlijk uitgeoefend door de ouders. De rechtbank heeft bij beschikking van 20 september 2019 het gezamenlijk gezag over de kinderen beëindigd en bepaald dat het gezag voortaan aan de vader toekomt. De hoofdverblijfplaats van de kinderen is reeds bij beschikking van 1 april 2016 bij de vader bepaald.

2.3 De kinderrechter heeft bij beschikking van 29 augustus 2017 de kinderen voor de duur van twaalf maanden onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is laatstelijk tot 29 augustus 2020 verlengd. De jeugdprofessional is sinds juni 2019 belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen.

2.4 De rechtbank heeft bij beschikking van 20 september 2019 de behandeling van de zaak ten aanzien de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht aangehouden. De GI is verzocht om de rechtbank nader te informeren over het verloop van de ondertoezichtstelling en de visie van de GI op de toekomst.

2.5 De jeugdprofessional heeft in de briefrapportage van 24 oktober 2019 de rechtbank geïnformeerd over het verloop van de ondertoezichtstelling en de visie van de GI op de toekomst.

2.6 Bij beschikking van 24 januari 2020 heeft de rechter op grond van artikel 1:377a lid 3 sub c van het Burgerlijk Wetboek de moeder het recht op omgang met de kinderen ontzegt.

2.7 De jeugdprofessional is sinds [datum] 2017 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3 Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4 De klacht, het verweer, de conclusie van repliek, de conclusie van dupliek en de beoordeling

De klacht, het verweer en de conclusies van repliek en dupliek (indien daarin relevante informatie voor het klachtonderdeel is aangeleverd) worden hieronder zakelijk weergegeven. Daarna volgt het oordeel van het College. De reikwijdte van een klacht dient voor alle betrokkenen, inclusief het College, helder te zijn. Het College richt zich dan ook uitsluitend op de klacht die is ingediend op 6 mei 2020. Voor zover de moeder in de conclusie van repliek haar klacht heeft uitgebreid, geeft het College hier geen oordeel over.

4.1 De klacht

4.1.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende: het suggereren van onwaarheden aan de rechter, namelijk dat er een vermoeden van psychische problematiek bij de moeder is.

Toelichting:
De jeugdprofessional heeft in de briefrapportage van 24 oktober 2019 aan de rechtbank het volgende geschreven: “Moeder laat mogelijk psychiatrisch gedrag zien naar de kinderen waardoor het contact onveilig en onvoorspelbaar verloopt. De kinderen ervaren het contact met de moeder belastend waardoor zij slecht lijken te functioneren op school en in de thuissituatie.” En: “De toenmalige jeugdbeschermer heeft bij [de GI] een intern overleg gehad met de gedragsdeskundige. KSCD was toen niet van toepassing gezien de mogelijke psychiatrische problematiek van de moeder”.  Ook heeft de jeugdprofessional geschreven dat de moeder druk legt op de kinderen door zeer claimend gedrag te vertonen, bijvoorbeeld door de kinderen onderweg naar school te volgen en te benaderen. Dit klopt niet. De ondersteunend coördinator van de school van de oudste zoon heeft op 9 maart 2020 schriftelijk verklaard dat de moeder volgens afspraak niet op school is geweest, , behoudens één keer vlak voor de voorjaarsvakantie om hulp te krijgen bij het inloggen op het schoolportaal Magister. Tevens is door de mentor aan de oudste zoon gevraagd of hij tot op heden de moeder in of bij de school heeft gezien. Hierop heeft hij ontkennend geantwoord. Tot slot merkt de moeder op dat de GI in een brief van 18 december 2019 hun fouten ook toegegeven. In deze brief staat het volgende opgenomen: “De klacht betreft rapportage die door [de GI] verzonden is aan de Rechtbank. Hierbij zou de suggestie zijn gedaan dat rapportage over de psychische gesteldheid van uw moeder door u en uw moeder gemanipuleerd zou zijn. We hebben besproken dat deze suggestie onterecht in de eerste rapportage aan de rechtbank verstuurd is. In latere rapportage is deze dan ook verwijderd. Ter plaatse hebben wij excuses gemaakt over deze misstap.”

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Het vermoeden van psychische problematiek bij de moeder volgt uit informatie van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de RvdK). In het rapport van de RvdK van 27 juni 2017 wordt op pagina 5 geschreven over de psychische gezondheid van de moeder. In de beschikking van 29 augustus 2017 staat opgenomen dat door de RvdK is aangegeven dat er bij de moeder sprake lijkt te zijn van psychische problematiek. De jeugdprofessional is van mening dat zij het vermoeden van psychische problematiek op goede gronden aan de kinderrechter heeft medegedeeld. Zij wijst erop dat de kinderrechter bij de beoordeling van het verzoek van de moeder tot een regeling inzake het omgangsrecht niet heeft aangenomen dat er sprake is van psychische problematiek van de moeder. Voor zover de klacht toeziet op hetgeen in de brieven aan de kinderrechter is aangeven betreffende het volgen en benaderen van de kinderen naar school voert de jeugdprofessional het volgende aan. De jeugdprofessional heeft het voorgaande vastgesteld op basis van het door haar ontvangen dossier en de contacten met school maatschappelijk werker. Uit de contactjournaals blijkt dat de vorige jeugdbeschermer in november 2019 (In het verweerschrift staat november 2019, maar het College vermoedt dat bedoeld is november 2017) contact heeft gehad met de school over het feit dat de moeder de kinderen daar regelmatig opzocht. Hierover is het volgende in het contactjournaal opgenomen: “Ik heb net gebeld met de school van [de kinderen]. De school geeft aan dat [de kinderen] het erg onrustig vinden en behoorlijk van slag zijn omdat u ze elke morgen opzoekt om te knuffelen.” Op basis hiervan is de jeugdprofessional van mening dat voornoemde mededeling aan de kinderrechter correct is. Voorts geeft de moeder aan dat de GI zou hebben toegegeven een verkeerde suggestie over de moeder te hebben gewekt, waarbij zij verwijst naar een brief. Vermoedelijk betreft dit een brief aan de meerderjarige dochter van de moeder waarin excuses zijn aangeboden voor het feit dat de dochter ten onrechte in de brief van 23 oktober 2019 is genoemd nu de betreffende geboortedatum niet de geboortedatum van de dochter is.

4.1.3 De moeder voert in de conclusie van repliek het volgende aan:
Vooralsnog meent de moeder dat de jeugdprofessional ten onrechte bij de rechtbank een beeld heeft geschetst als ware er sprake is van psychische problematiek. De jeugdprofessional onderbouwt haar stelling met een incident wat op de school van de kinderen zou hebben plaatsgevonden. Allereerst kan op basis van dergelijke incidenten niet worden vastgesteld dat er sprake zou zijn van psychische problematiek. Ten tweede komt deze informatie uit het contactjournaal van 6 november 2017, terwijl de rechtbank in de procedures in 2019 geïnformeerd wenste te worden over de recente stand van zaken. Ook de informatie van de RvdK is gedateerd. De enige door de jeugdprofessional genoemde bron van een recentere datum is een e-mailbericht van de jeugdprofessional aan de moeder, waaruit ook niet blijkt dat recent contact met de school is geweest. De moeder heeft in de onderhavige procedure een verklaring van 9 maart 2020 van de school ingediend. Hiermee wenst de moeder aan te geven dat de informatie over het incident op school onjuist, dan wel niet recent is. De moeder betreurt het dat de jeugdprofessional in 2019 niet zelf nader onderzoek heeft gedaan, bijvoorbeeld door contact op te nemen met de school, in plaats van informatie uit 2017 te citeren. In 2019 kwam de informatie over het lastigvallen van de kinderen enkel uit de hoek van de vader (en volgens de jeugdprofessional ook soms van de kinderen). De moeder meent dat gelet op haar vermoeden dat de kinderen de vader niet durven tegen te spreken en napraten, grondiger onderzoek op haar plaats was geweest. Door onjuiste conclusies of verouderde informatie voor te leggen aan de rechtbank heeft de jeugdprofessional wel degelijk de besluitvorming van de rechtbank beïnvloed, op een voor de moeder en de kinderen nadelige manier. Het maakt niet uit dat de rechtbank zelf concludeert dat de psychische gesteldheid niet kan worden vastgesteld. Dit is meer dan terecht. Ook de rechter is net als de jeugdprofessional geen psycholoog en kan dergelijke conclusies, op basis van de genoemde incidenten en gedateerde informatie, niet maken. Dit bevestigt des te meer dat ook de jeugdprofessional dergelijke conclusies niet had mogen trekken. Voor wat betreft de brief van 18 december 2019 het volgende. Door de jeugdprofessional was ten onrechte de conclusie getrokken dat de moeder een verklaring van een psycholoog zou hebben ingediend die niet op haar maar op haar meerderjarige dochter betrekking zou hebben. Dit bleek volkomen onjuist te zijn. Naar aanleiding van een door de dochter van de moeder ingediende klacht is het een en ander helder geworden en de genoemde brief aan zowel de dochter als de moeder toegezonden. De jeugdprofessional heeft met haar aangepaste brief van 7 november 2019 de rechter geïnformeerd dat de moeder een brief met een verkeerde geboortedatum zou hebben ingediend. Na de klachtenprocedure heeft de jeugdprofessional dit niet hersteld, dit terwijl de rechtbank pas in januari 2020 uitspraak heeft gedaan. De jeugdprofessional heeft een belangrijke informatierol in het besluitvormingsproces bij de rechtbank. Zij wordt als een neutrale bron gezien, en er wordt dan ook veel waarde gehecht aan haar standpunt en rapportages. Dit betekent dat er uiterst zorgvuldig met informatie moet worden omgegaan, en er in bepaalde gevallen wel degelijk aan waarheidsvinding moet worden gedaan. Of in ieder geval dienen vermoedens van de jeugdbeschermer niet als feiten te worden gepresenteerd.

4.1.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:
De jeugdprofessional betwist dat door haar moedwillig onjuiste informatie aan de rechtbank zou zijn verstrekt. Op 4 december 2019 heeft een gesprek met de moeder plaatsgevonden over de brief die op 24 oktober 2019 aan de kinderrechter is toegezonden. In die brief is ten onrechte opgenomen dat de door de moeder getoonde brief van de psychiater betrekking zou hebben op haar meerderjarige dochter. Tijdens voornoemd gesprek heeft de jeugdprofessional haar excuses aangeboden voor deze vergissing en aangegeven dat er reeds een gecorrigeerde brief aan de rechtbank was toegezonden. Voorts is afgesproken dat de GI een nieuwe briefrapportage zou sturen wanneer de rechtbank een nieuwe datum zou hebben gepland om de aangehouden zaak met betrekking tot de omgang verder te behandelen. Als gevolg van de op 21 januari 2020 gewezen beschikking, waarin de moeder het recht op omgang is ontzegd, heeft de jeugdprofessional deze gelegenheid niet meer gekregen. Het door de jeugdprofessional genoemde incident bij de school betrof geen onderbouwing van de psychische problematiek van de moeder, maar is genoemd om aan te geven waarom de kinderen onder andere angstig lijken te zijn voor de moeder. Hoewel het betreffende incident dateert van 2017 was de impact daarvan in 2019 nog bij de kinderen aanwezig. Het ouderlijk gezag van de moeder is op 20 september 2019 beëindigd. Uit het overgelegde proces-verbaal van de zitting van 23 augustus 2019 blijkt dat er door de jeugdprofessional geen opmerkingen zijn gemaakt over de psychische gesteldheid van de moeder. Het vermoeden van psychische problematiek bij de moeder is genoemd in reactie op vragen van de kinderrechter. De jeugdprofessional heeft de overwegingen van de toenmalige jeugdbeschermer weergegeven. Er is geschreven dat er sprake is van mogelijke psychiatrische problematiek bij de moeder. Bij repliek is ten onrechte aangegeven dat de jeugdprofessional dit als feit zou hebben gesteld.

4.1.5 Het College overweegt als volgt:
De jeugdprofessional wordt verweten dat zij onwaarheden gesuggereerd heeft aan de kinderrechter in de op 24 oktober 2019 briefrapportage. In deze briefrapportage leest het College dat de jeugdprofessional spreekt over mogelijk psychiatrisch gedrag bij de moeder. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional een vermoeden uitspreekt en geen diagnose stelt, noch dit als feit heeft gepresenteerd. Bovendien blijkt uit het rapport van de RvdK van 27 juni 2017 dat er in het verleden zorgmeldingen zijn geweest vanwege de psychische gesteldheid van de moeder, hetgeen de RvdK ook naar voren heeft gebracht in de procedure betreffende de ondertoezichtstelling op 29 augustus 2017. Van het suggereren van onwaarheden door de jeugdprofessional aan de rechter is derhalve geen sprake. Wel was het naar het oordeel van het College beter geweest als de jeugdprofessional in de briefrapportage duidelijk had aangegeven welke bronnen zij heeft geraadpleegd voor het opstellen van de briefrapportage en duidelijk had aangegeven uit welk jaar deze informatie kwam. De rechter had immers verzocht om, onder andere, geïnformeerd te worden over wat er in het kader van de ondertoezichtstelling tot dan toe concreet was gedaan met betrekking tot herstel en opbouw van het contact tussen de moeder en de kinderen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het echter niet om of het handelen beter had gekund. Het College oordeelt derhalve dat er geen sprake is van een tuchtrechtelijk verwijt. Voor wat betreft het verwijt dat de jeugdprofessional ten onrechte heeft gesuggereerd dat de moeder de kinderen opzoekt bij hun school, overweegt het College als volgt. In de briefrapportages van 24 oktober 2019 en 7 november 2019 is opgenomen dat de moeder de kinderen onderweg naar school kon benaderen. Uit de overgelegde contactjournaals blijkt dat de moeder de kinderen in 2017 regelmatig op de school opzocht. Voorts blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van 23 augustus 2019 dat de (toenmalige) advocaat van de moeder ter zitting het volgende heeft aangegeven: “[De kinderen] hebben toen aangegeven dat ze omgang met [de moeder] moeilijk vonden. Het is toen tijdelijk stopgezet door de GI. Dat was halverwege vorig schooljaar. Toen het volgens de GI weer hervat kon worden, wilden [de kinderen] helemaal niet meer en hebben ze gezegd dat het beter is dat er helemaal geen contact is. Dan loopt vervolgens bij [de moeder] de druk op en gaat ze naar de school van [de kinderen] of naar het huis van [de vader] en [de kinderen]”. Het College acht het voldoende aannemelijk op grond van de stukken uit het dossier dat de moeder de kinderen heeft opgezocht bij de school, waardoor er naar het oordeel van het College geen sprake is van het suggereren van onwaarheden aan de rechter over dit onderwerp en de jeugdprofessional daarom geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken.

4.1.6 Het College verklaart de klacht ongegrond.

5 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 5 oktober 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. S.C. van Duijn                                                       mevrouw mr. M.R. Veerman

voorzitter                                                                                    secretaris