Een Veilig Thuis medewerker wordt verweten dat zij de vader niet voorzien heeft van relevante en juiste informatie.

De voorzitter van het College van Toezicht, mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, hierna te noemen: de voorzitter, heeft beslist over het door:

[klager], hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats],

op 20 juni 2019 ingediende klaagschrift tegen:

[de jeugdprofessional], hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als maatschappelijk werkster bij de organisatie Veilig Thuis, locatie: [locatie], hierna te noemen: Veilig Thuis.

De jeugdprofessional is als jeugdzorgwerker van [datum] 2017 tot [datum] 2018 geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

1     Het verloop van de procedure

1.1 De voorzitter heeft kennisgenomen van:

– het aangepaste klaagschrift ontvangen op 8 juli 2019;
– het verweerschrift ontvangen op 22 augustus 2019.

2     De klacht, het verweer en de beoordeling

2.1 De vader verwijt de jeugdprofessional – samengevat – het volgende:
Foutieve informatievoorziening over de geboden hulp- en dienstverlening, en het achterhouden van informatie naar een van de gezaghebbende ouders.

Toelichting:
Uit de toelichting op de klacht begrijpt de voorzitter dat de kern van het verwijt van de vader erin gelegen is dat de jeugdprofessional op 16 mei 2019 telefonisch contact heeft gehad met de echtgenote van de vader (hierna te noemen: de moeder) en [de instelling] (hierna te noemen: de instelling). Over dit contact is de vader niet geïnformeerd. Ook is de vader onjuist en tegenstrijdig geïnformeerd in een later e-mailbericht van de jeugdprofessional van 21 mei 2019, waarin zij schrijft dat Veilig Thuis de melding heeft overgedragen naar het voorliggend veld. In het Verzoek tot Onderzoek (hierna te noemen: VTO), gericht aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de RvdK), staat bevestigd dat telefonisch contact is geweest met Veilig Thuis tijdens een gesprek van de moeder met de primair jeugdhulpverlener. Dit was de vader tot dan toe onbekend en dit is naar hem toe altijd ontkend. Volgens de vader heeft de jeugdprofessional niet gehandeld volgens haar beroepscode, omdat zij hem geen relevantie informatie heeft verschaft.

2.2 De jeugdprofessional heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Voor zover van belang voor de beoordeling voert zij – samengevat – het volgende aan:
Het contact met de moeder heeft volgens de jeugdprofessional niet geleid tot een VTO aan de RvdK. De (inhoud van de) vier meldingen bij Veilig Thuis vanaf augustus 2015 hebben volgens haar gemaakt dat zij het advies aan de reeds betrokken hulpverlener heeft gegeven een VTO te schrijven. Zij kan het zich niet herinneren dat haar de vraag is gesteld of er een afspraak is geweest tussen de moeder en [de instelling]. Bovendien is het vanuit privacy oogpunt niet aan haar om informatie over de moeder en/of [de instelling] aan de vader te verstrekken.
De jeugdprofessional wijst erop dat het doel van het telefonisch contact met Veilig Thuis was het inschatten van de veiligheid van de moeder en het kind op het moment dat de vader geïnformeerd zou worden over de politiemelding en de overdracht naar de lopende hulpverlening. Het telefonisch contact met de moeder is niet van invloed geweest op de beoordeling van de politiemelding. De jeugdprofessional heeft aan de vader de relevante informatie over de politiemelding, de overdracht en het advies aan [de instelling] per e-mailbericht verstrekt. Bij ontvangst van een melding doet Veilig Thuis standaard een bekendheidscheck en op basis hiervan is besloten tot overdracht. Het informeren van alle betrokkenen is afgestemd met de primair betrokken hulpverlener van [de instelling].
Tot slot geeft de jeugdprofessional aan dat, zoals de vader stelt, inderdaad uit de beroepscode volgt dat de jeugdprofessional relevante informatie aan de cliënt verstrekt. Echter, naar haar mening is een eigen initiatief van een volwassen cliënt, om contact op te nemen met hulpverlening in het kader van een beoordeling op veiligheid, geen relevante informatie die aan een partner verstrekt wordt. De feitelijke informatie die nodig was voor de overdracht is zorgvuldig overgedragen. Betrokkenen zijn hierover geïnformeerd.

2.3 De voorzitter overweegt als volgt:
Uit het Handelingsprotocol Veilig Thuis 2019 (hierna te noemen: het Handelingsprotocol), hoofdstuk 2 onder 2.1: ‘2. Veilig Thuis informeert alle directbetrokkenen’ volgt over welke relevante onderwerpen informatie wordt verstrekt aan de directbetrokkenen. De voorzitter concludeert dat het informeren van de vader over het contact zoals dit in onderhavige casus heeft plaatsgevonden met de moeder, in genoemde lijst niet voorkomt. Uit het overgelegde e-mailbericht van de jeugdprofessional van 20 mei 2019, gericht aan de vader, is conform genoemde bepaling de vader geïnformeerd over onder meer de inhoud van de melding en op welke wijze en onder welke voorwaarden het dossier is gesloten. Ook blijkt uit hetzelfde hoofdstuk van het Handelingsprotocol, onder 2.1: ‘6. Uitzonderingen’ dat sprake kan zijn van uitzonderingssituaties met betrekking tot het contact met (alle) directbetrokkenen. Alhoewel de voorzitter voorop wil stellen dat transparantie richting alle betrokkenen wenselijk wordt geacht, blijkt uit genoemde bepaling dat ook andere (zwaarwegende) gronden kunnen meespelen waardoor transparantie niet altijd kan worden nagestreefd. Met betrekking tot het contact met de moeder en [de instelling] op 16 mei 2019 heeft de jeugdprofessional voldoende aannemelijk gemaakt dat zij vanuit privacy oogpunt geen informatie over de moeder en/of [de instelling] aan de vader heeft verstrekt. De voorzitter oordeelt dat de jeugdprofessional in het contact met de vader niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft.

2.4 Op grond van artikel 8.4 van het Tuchtreglement, versie 1.3, verklaart de voorzitter de klacht ongegrond.

3     De beslissing

Dit alles overwegende komt de voorzitter tot de volgende beslissing:

– verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gedaan door de voorzitter en op 20 september 2019 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter