Het College is van oordeel dat een schoolmaatschappelijk deskundige in haar functie voldoende betrokken is geweest om een inschatting te kunnen maken of er een vermoeden was van huiselijk geweld en/of kindermishandeling.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. M. Fiege, voorzitter,
mevrouw A. Wilting, lid-beroepsgenoot,
mevrouw S. Kouwenberg, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[Klager], hierna te noemen: de vader, wonende te [plaatsnaam],

op 14 mei 2019 ingediende klaagschrift tegen:

[Jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als schoolmaatschappelijk deskundige bij [school] te [plaatsnaam], hierna te noemen: de school.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. A. Jagt, advocaat te Amsterdam.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • Het klaagschrift ontvangen op 14 mei 2019;
  • het verweerschrift ontvangen op 15 juli 2019;
  • de door de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van de klacht overgelegde pleitnota.

1.2 De vader heeft het College op donderdagmiddag 3 oktober 2019 bericht dat hij zich om hem moverende redenen genoodzaakt ziet zich af te melden voor de mondelinge behandeling van de klacht en heeft het College in hetzelfde bericht verzocht de mondelinge behandeling uit te stellen.

1.3 Op 3 oktober 2019 heeft het College de vader bericht dat het besloten heeft de mondelinge behandeling van de klacht op 4 oktober 2019 door te laten gaan. Zeer kort voor de aanvang van een mondelinge behandeling van een klacht kan de behandeling slechts worden verplaatst als er sprake is van een (hoge) uitzonderingssituatie. De vader heeft onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een dergelijke situatie.

1.4 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2019 in aanwezigheid van de jeugdprofessional en diens gemachtigde. Vanuit het college is als toehoorder een juridisch medewerker aanwezig geweest.

1.5 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan de jeugdprofessional en diens gemachtigde medegedeeld dat de beslissing op 15 november 2019 wordt verstuurd. Deze datum is ook doorgegeven aan de vader.

2     De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft een minderjarige dochter die is geboren in 2004.

2.2 De dochter volgt op de school sinds februari 2016 voortgezet speciaal onderwijs.

2.3 De relatie tussen de vader en de moeder van de dochter, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, is beëindigd. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de dochter.

2.4 De dochter woont aanvankelijk bij de moeder. Eind maart 2018 is de dochter door de moeder naar de vader gebracht met de mededeling dat de zorg voor de dochter voor de moeder te zwaar is. De vader was op dat moment wegens een relatiebeëindiging woonachtig in een crisisopvang. De dochter is bij de vader in de crisisopvang gaan wonen.

2.5 Op 17 april 2018 vindt er een gesprek plaats tussen de vader, de jeugdprofessional en de directrice. Tijdens dit gesprek wordt aangegeven dat de school overweegt een melding bij Veilig Thuis te doen omdat er zorgen bestaan over het verblijf van de dochter in de crisisopvang, er problemen in de klas zijn en er sprake lijkt te zijn van veel spanning bij de dochter. Er wordt afgesproken dat de jeugdprofessional, na instemming van de moeder, contact zal leggen met de jeugdconsulent van de gemeente om te achterhalen welke vorm van hulp op korte termijn ingeschakeld kan worden. Op dat moment wordt besloten af te zien van een melding bij Veilig Thuis omdat de ouders hulp aanvaarden.

2.6 Eind juni 2018 is de vader met de dochter in zelfstandige woonruimte gaan wonen.

2.7 Begin oktober 2018 ontstaan er opnieuw zorgen op de school over het gedrag van de dochter. Ouders worden uitgenodigd voor een gesprek op school en de dochter is door een orthopedagoog geobserveerd in de klas. Op 13 december 2018 vindt een gesprek plaats met de ouders. Tijdens dit gesprek wordt afgesproken dat er zo spoedig mogelijk hulpverlening wordt ingezet, waarbij ook diagnostisch en genetisch onderzoek zal plaatsvinden.

2.8 Op 9 januari 2019 worden ouders uitgenodigd voor een spoedoverleg op 10 januari 2019 in verband met het gedrag van de dochter in de klas. Het spoedoverleg kan wegens omstandigheden pas op 15 januari 2019 plaatsvinden. De jeugdprofessional is bij het spoedoverleg met de ouders aanwezig. Hoewel dit gesprek vroegtijdig wordt beëindigd, wordt afgesproken dat ouders op 23 januari 2019 naar een jeugdconsulent van de gemeente gaan om een indicatie voor de dochter voor [Instelling 1] te krijgen. Vanwege de lange wachttijd bij [Instelling 1] wordt uiteindelijk voor een aanmelding bij [Instelling 2] gekozen. De school ontvangt op 14 februari 2019 bericht dat de dochter is aangemeld bij [Instelling 2].

2.9 Op 18 maart 2019 vindt er in de klas een escalatie plaats waarvan de leerkracht van de dochter een incidentbeschrijving heeft opgesteld. In een gesprek naar aanleiding van deze escalatie wordt aangekondigd dat bij een volgend incident een schorsingsmaatregel aan de dochter opgelegd zal worden.

2.10 Op 5 april 2019 ontvangt de school een e-mail van de moeder dat de intake bij [Instelling 2] niet heeft plaatsgevonden omdat de vader zijn toestemming voor de intake heeft ingetrokken. In het ‘klein Commissie van Begeleiding (CvB)’ wordt besproken dat er aanleiding is een melding bij Veilig Thuis te doen. De school is van mening dat de dochter de noodzakelijke zorg wordt onthouden doordat ouders niet tot overeenstemming kunnen komen. De jeugdprofessional informeert het ‘groot CvB’ hierover.

2.11 Op 9 april 2019 heeft de directrice van de school een melding bij Veilig Thuis gedaan. De melding is per e-mail aan de ouders toegezonden.

2.12 De jeugdprofessional is met ingang van [datum] 2018 als jeugd- en gezinsprofessional in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) geregistreerd.

 

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

 

4     De ontvankelijkheid

4.1 De jeugdprofessional is van mening dat de vader slechts ontvankelijk is in de klacht c.q. de klachtonderdelen voor zover hij namens zichzelf klaagt. De klachten die namens de dochter zijn ingediend zijn niet-ontvankelijk, nu beide ouders het ouderlijk gezag hebben en de moeder de onderhavige tuchtrechtelijke procedure niet steunt.
Het College verwerpt dit verweer, aangezien niet is gebleken dat de vader namens zijn dochter klaagt en/of haar vertegenwoordigt in onderhavige procedure.

4.2 De jeugdprofessional heeft daarnaast aangevoerd dat de vader niet ontvankelijk is in zijn klacht c.q. klachtonderdelen aangezien deze niet zien op het individuele professionele handelen van de jeugdprofessional. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional desgevraagd toegelicht dat zij als aandachtsfunctionaris binnen de school adviseert en ondersteunt waar er sprake is van een (voornemen tot) melding bij Veilig Thuis. De jeugdprofessional stelt vanaf het begin inhoudelijk betrokken te zijn bij de casus en dat zij bij de daadwerkelijke melding adviserend is geweest. Zo heeft zij de casus (anoniem) besproken met Veilig Thuis. Op het moment dat is besloten dat er over zou worden gegaan tot een melding bij Veilig Thuis, heeft de jeugdprofessional een schriftelijke opzet gemaakt voor de melding, is de melding in de CvB meegelezen en heeft de directrice uiteindelijk op de inhoud haar akkoord gegeven.

Het College zal dit verweer telkens bij de afzonderlijke klachtonderdelen bespreken.

 

5     De klacht, het verweer en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College.

5.1 Klachtonderdeel 1

5.1.1 De jeugdprofessional werkt bewust mee aan een melding bij Veilig Thuis op basis van niet geverifieerde informatie.

Toelichting:

Op 5 april 2019 stuurt de moeder een e-mail naar de directrice waarin zij meldt dat de intake bij [Instelling 2] door de vader is afgebroken. De moeder heeft verzuimd in deze e-mail te melden wat hieraan vooraf is gegaan. In het belang van de dochter waren er naar de mening van de vader meerdere gegronde redenen om de intake te laten beëindigen. In de beschikking van de gemeente was een andere hulpvraag opgenomen dan die was overeengekomen. Er werd niet meegewerkt aan de pogingen om dit voor de intake bij [Instelling 2] te corrigeren. De inhoud van het door de moeder gestuurde e-mailbericht is op geen enkele manier bij de vader gecontroleerd. Dit wist de jeugdprofessional of had dit kunnen weten door navraag te doen bij de directrice. De jeugdprofessional heeft ook geen contact opgenomen met de vader om zich nader te laten informeren. Dit terwijl zij als lid van het ‘klein CvB’ de verantwoordelijkheid heeft om als onderdeel van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, hierna te noemen: de meldcode, de signalen van (vermoeden van) huiselijk geweld en/of kindermishandeling af te wegen. Een dergelijke afweging kan niet plaatsvinden op basis van een korte e-mail waarin over het (mogelijk) handelen van een derde persoon wordt geklaagd, maar deze persoon niet eerst om tekst en uitleg is gevraagd. Desondanks wordt besloten om een melding bij Veilig Thuis te doen en de jeugdprofessional gaat hierin mee.

5.1.2 De jeugdprofessional merkt op dat het feitelijk juist is dat de intake bij [Instelling 2] niet heeft plaatsgevonden doordat de vader zijn toestemming heeft ingetrokken. Dit betreft het zoveelste (hulp)traject voor de dochter dat (vroegtijdig) wordt afgebroken, terwijl de school het belang van het spoedig inzetten van hulpverlening voor de dochter nu juist zo vaak bij de ouders kenbaar heeft gemaakt. De vader heeft zelfs aangegeven te begrijpen dat de school over zal moeten gaan tot het doen van een melding bij Veilig Thuis. In dit kader wordt benadrukt dat de schuldvraag om welke reden de intake is afgebroken voor de school niet relevant is; doorslaggevend is geweest dat de dochter nog steeds niet de zorg kreeg die zij spoedig nodig had. Ten overvloede wordt opgemerkt dat de moeder haar e-mail ook aan de vader heeft gestuurd en de vader hier niet op heeft gereageerd. De directrice heeft de ouders op 8 april 2019 kenbaar gemaakt dat de CvB door het afzeggen van de intake bij [Instelling 2] tot de conclusie is gekomen dat de noodzakelijke behandeling en diagnostiek voor de dochter ernstig wordt vertraagd. Dit gegeven vormde voldoende reden om een melding bij Veilig Thuis in gang te zetten, hetgeen de directrice in dezelfde e-mail aan ouders kenbaar heeft gemaakt. De vader heeft vervolgens binnen een uur op de betreffende e-mail gereageerd zonder daarbij de redenen kenbaar te maken die ervoor hebben gezorgd dat de intake bij [Instelling 2] is afgebroken of aan te geven dat het bericht van de moeder onjuist is, dit had vanzelfsprekend wel op zijn weg gelegen. In dit kader wordt benadrukt dat de jeugdprofessional in deze e-mailwisselingen niet is betrokken, hetgeen maakt dat het betreffende handelen haar sowieso niet verweten kan worden.

5.1.3 Gelet op hetgeen door de jeugdprofessional is toegelicht over haar rol als schoolmaatschappelijk deskundige c.q. aandachtsfunctionaris, in deze beslissing weergegeven onder 4.2, is het College van oordeel dat de vader ontvankelijk is in dit klachtonderdeel omdat door de jeugdprofessional is erkend dat zij heeft meegewerkt c.q. heeft geadviseerd met betrekking tot het doen van de melding bij Veilig Thuis. Het College is voorts van oordeel dat het zorgvuldiger was geweest als de juistheid van het e-mailbericht van de moeder bij vader was geverifieerd. Vast staat echter dat de inhoud van het e-mailbericht juist was. Vader heeft dit ook nooit betwist. Gelet hierop is het College van oordeel dat de jeugdprofessional ten aanzien hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

5.1.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

5.2 Klachtonderdeel 2

5.2.1 De jeugdprofessional stemt in en heeft meegewerkt aan het (gaan) doen van een melding bij Veilig Thuis zonder eerst de 5 wettelijk verplichte stappen van de meldcode te (hebben) doorlopen.

Toelichting:

Als aandachtfunctionaris huiselijk geweld & kindermishandeling, en als lid van zowel het ‘klein CvB’ als ‘groot CvB’ van de school is de jeugdprofessional het meest betrokken bij het proces en de inhoud. Dat er een zorgmelding bij Veilig Thuis zou worden gedaan zonder dat daarvoor de meldcode was doorlopen, kan haar derhalve niet zijn ontgaan. De directrice of iemand anders in dienst van de school heeft in de periode tussen 11 april 2019 en 16 april 2019 bij Veilig Thuis bevestigd dat de wettelijk verplichte stappen van de meldcode inderdaad niet zijn doorlopen. De jeugdprofessional heeft bewust meegewerkt aan het voornemen tot het begaan van een wetsovertreding en/of het uiteindelijk begaan van die overtreding.

5.2.2 De jeugdprofessional voert aan dat zij als aandachtsfunctionaris ondersteuning en advies kan bieden aan degene die voornemens is een melding bij Veilig Thuis te doen. De jeugdprofessional heeft bij de onderhavige melding de directrice geadviseerd en ondersteund, waarna de directrice heeft besloten daadwerkelijk te gaan melden. In de ogen van de jeugdprofessional is het proces voorafgaand aan de melding, en de melding zelf, zorgvuldig geweest en in lijn met de meldcode. Het is onjuist dat de school bij Veilig Thuis heeft aangegeven dat de meldcode niet goed zou zijn doorlopen; de stappen zijn wel degelijk zorgvuldig doorlopen. Er zijn met de ouders meerdere gesprekken gevoerd over de zorgen voordat er is gemeld. De school is telkens met de ouders in gesprek gegaan en heeft de voortgang gemonitord, tot de school moest constateren dat de ouders er samen onvoldoende uitkwamen. Hierop is beoordeeld dat de ernst en de situatie noopten tot het doen van een melding; een en ander opnieuw in lijn met de meldcode.

5.2.3 Gelet op hetgeen door de jeugdprofessional is toegelicht over haar rol als schoolmaatschappelijk deskundige c.q. aandachtsfunctionaris, in deze beslissing weergegeven onder 4.2, is het College van oordeel dat de vader ontvankelijk is in dit klachtonderdeel omdat door de jeugdprofessional is erkend dat zij heeft meegewerkt c.q. heeft geadviseerd met betrekking tot het doen van de melding bij Veilig Thuis. Het College overweegt verder dat de vader zijn stelling dat de (school heeft erkend dat de) stappen van de meldcode niet zijn doorlopen niet feitelijk heeft onderbouwd. Het is het College ook anderszins niet gebleken dat de stappen van de meldcode niet zijn doorlopen.

5.2.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

5.3 Klachtonderdeel 3

5.3.1 De jeugdprofessional negeert de voorwaarde van – sterk – vermoeden of wetenschap van huiselijk geweld en/of kindermishandeling.

Toelichting:
Op grond van stap 4 van de eigen meldcode die de school hanteert, moet het gaan om (een sterk vermoeden van) huiselijk geweld of kindermishandeling. De jeugdprofessional kon vanuit haar rol absoluut geen sterk vermoeden of de wetenschap hebben van huiselijk geweld en/of kindermishandeling. Zij heeft dit bovendien ook bevestigd gezien in stap 4 van de meldcode nu deze niet (accuraat) is doorlopen. Later in het proces had de jeugdprofessional ook nog de tijd en gelegenheid om te controleren of er van (een sterk vermoeden van) huiselijk geweld en/of kindermishandeling sprake was; namelijk uit de inhoud van het (mogelijk door haar (mede-)) ingevulde meldingsformulier van Veilig Thuis. Dit heeft zij nagelaten.

5.3.2 De jeugdprofessional vindt de redenatie van de vader dat de jeugdprofessional nooit een (sterk) vermoeden van huiselijk geweld en/of kindermishandeling kan hebben gehad onnavolgbaar. De jeugdprofessional is bij de schoolgang van de dochter en de vele besprekingen met de vader betrokken geweest. Bovendien geldt dat de melder de overtuiging moet hebben dat er een vermoeden is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling. Volledigheidshalve wordt in dit kader nog opgemerkt dat de melder niet aan waarheidsvinding hoeft te doen, dit is namelijk vaak niet (goed) mogelijk en ook de reden dat er gemeld mag worden bij een vermoeden van huiselijk geweld en/of kindermishandeling. De jeugdprofessional begrijpt dan ook goed dat de directrice is overgegaan tot het doen van een melding.

5.3.3 Gelet op hetgeen door de jeugdprofessional is toegelicht over haar rol als schoolmaatschappelijk deskundige c.q. aandachtsfunctionaris, in deze beslissing weergegeven onder 4.2, is het College van oordeel dat de vader ontvankelijk is in dit klachtonderdeel omdat door de jeugdprofessional is erkend dat zij heeft meegewerkt c.q. heeft geadviseerd met betrekking tot het doen van de melding bij Veilig Thuis.

Het College overweegt voorts als volgt. Voor zover de vader in het klachtonderdeel stelt dat stap 4 van de meldcode niet (accuraat) is doorlopen, verwijst het College naar hetgeen is geoordeeld over het volgen van de meldcode zoals in deze beslissing opgenomen onder 5.2.3. Het College volgt de vader voorts niet in zijn standpunt dat de jeugdprofessional vanuit haar rol geen sterk vermoeden of de wetenschap kon hebben van huiselijk geweld en/of kindermishandeling. In dit kader merkt het College op dat het onthouden van zorg ook valt onder (het kunnen hebben van) een vermoeden van huiselijk geweld en/of kindermishandeling. De jeugdprofessional is vanuit haar rol als schoolmaatschappelijk deskundige c.q. aandachtsfunctionaris bij de zorgen van de dochter betrokken geweest. Zij heeft onderdeel uitgemaakt van de CvB, is bij de zogenoemde ‘groot overleggen’ aanwezig geweest en heeft desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling van de klacht kenbaar gemaakt dat er tussen haar en de vader ook contact geweest. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional in haar functie voldoende betrokken is geweest om een inschatting te kunnen maken of er een vermoeden was van huiselijk geweld en/of kindermishandeling.

5.3.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

5.4 Klachtonderdeel 4

5.4.1 De jeugdprofessional verstuurt (of laat dit doen) een formulier met de zorgmelding terwijl het niet voldoet aan de voorwaarden van Veilig Thuis.

Toelichting:

De inhoud van de melding moet voldoen aan de voorwaarden die Veilig Thuis stelt aan het gebruik van het ‘Formulier voor schriftelijke melding (vermoedens) van kindermishandeling en/of huiselijk geweld.’ Daarin staat dat de informatie zo concreet en feitelijk mogelijk moet worden weergegeven, recent moet zijn en door de melder zelf zijn waargenomen. Dit is niet het geval. De jeugdprofessional kende vanuit haar taken en verantwoordelijkheden zowel de voorwaarden als inhoud van het formulier of had in elk geval daarvan moeten of dan toch tenminste kunnen kennisnemen. Desondanks heeft zij het ingevulde formulier verzonden of laten verzenden.

5.4.2 De jeugdprofessional voert aan dat zowel de directrice als de jeugdprofessional het formulier van Veilig Thuis kennen. De informatie bij de melding is zo concreet en feitelijk mogelijk weergegeven, is actueel en door de directrice zelf waargenomen. De directe aanleiding om alsnog over te gaan tot het doen van een melding is geweest dat het opstarten van passende en noodzakelijke hulpverlening stagneerde en/of aanzienlijke vertraging opliep, doordat ouders (opnieuw) niet tot overeenstemming konden komen over het hulptraject. Ouders wisten, althans behoorden na alle gesprekken te weten, dat de school zou overgaan tot een melding bij Veilig Thuis als de hulpverlening weer zou stagneren of vertraging zou oplopen. De melding was voor de moeder dan ook geen verrassing en de school heeft de ouders telkens op gelijke wijze geïnformeerd.

5.4.3 Het College is van oordeel dat de vader niet-ontvankelijk is in dit klachtonderdeel en overweegt hiertoe als volgt. Zoals weergegeven onder 4.2 van deze beslissing heeft de jeugdprofessional toegelicht welke rol zij als aandachtsfunctionaris heeft als het gaat om het doen van een melding bij Veilig Thuis. Naar het oordeel van het College is voldoende aannemelijk geworden dat de jeugdprofessional een schriftelijke opzet maakt voor de melding bij Veilig Thuis, maar het de directrice is die uiteindelijk de inhoud controleert, al dan niet in overleg met de CvB, en de melding verstuurt. Gelet hierop ziet het College in het licht van het door de vader geformuleerde klachtonderdeel hierbij geen rol voor de jeugdprofessional weggelegd. Het klachtonderdeel betreft niet haar individuele professionele handelen als gevolg waarvan de vader niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in dit klachtonderdeel.

5.4.4 Het College verklaart de vader niet-ontvankelijk in het klachtonderdeel.

5.5 Klachtonderdeel 5

5.5.1 De inhoud van de zorgmelding is een jegens de vader geconstrueerde aanklacht.

Toelichting:
De inhoud van de zorgmelding is naar de mening van de vader opgesteld op basis van aantoonbaar feitelijke onjuistheden, vele omissies en buiten de context geplaatste situaties. Daar waar eerder het stopzetten van een intakegesprek werd aangegeven als aanleiding, is bij Veilig Thuis uiteindelijk een geconstrueerd en uitvoerig negatief beeld van de vader neergezet als enige opvoeder en verzorger van de dochter. De moeder wordt daarbij gespaard. De jeugdprofessional heeft dit document als aandachtsfunctionaris mogelijk (mede) op- en/of samengesteld. Indien zij dit niet heeft gedaan, kende ze de inhoud of had ze vanuit haar rol en verantwoordelijkheden van de inhoud kennis moet nemen en daarop moeten besluiten om niet tot verzenden van de melding over te gaan. De jeugdprofessional heeft er hoe dan ook bewust voor gekozen om deze geconstrueerde aanklacht jegens de vader te (laten) versturen.

5.5.2 De jeugdprofessional betwist dat de melding een jegens de vader geconstrueerde aanklacht zou zijn. In de melding wordt in het geheel niet ingegaan op de vraag wie er schuld zou hebben aan het feit dat de hulpverlening voor de dochter onvoldoende op gang kwam. In de melding wordt enkel feitelijk de situatie die aanleiding heeft gegeven om een melding te doen beschreven, welke informatie concreet en correct is geweest. De directrice heeft in de melding zelfs aangegeven dat de vader zich bijzonder inspant voor zijn dochter door aan te geven: “Vader heeft de verzorging van zijn dochter bewonderenswaardig opgepakt. Met grote inzet heeft hij zich op deze grote taak gestort.” En “Vader heeft laten zien zich enorm in te willen zetten voor [dochter](..).” Voor zover de vader stelt dat de melding feitelijke onjuistheden, vele omissies en buiten de context geplaatste situaties bevat, stelt de jeugdprofessional zich op het standpunt dat de vader heeft verzuimd dit (deugdelijk) te motiveren. Door de jeugdprofessional wordt tot slot nog benadrukt dat de melding bij Veilig Thuis geenszins bedoeld is geweest als aanval op de vader.

5.5.3 Het College overweegt over dit klachtonderdeel als volgt. Omdat de jeugdprofessional heeft toegelicht dat zij een schriftelijke opzet doet voor de melding, is het College van oordeel dat de vader ontvankelijk is in dit klachtonderdeel. Het is het College echter niet gebleken dat de inhoud van de zorgmelding een jegens de vader geconstrueerde aanklacht is. De vader heeft ook nagelaten, hoewel dit op zijn weg lag, deugdelijk te motiveren dat de melding aantoonbare onjuistheden, vele omissies en buiten de context geplaatste situaties bevat. Het College leest in de melding een verloop van de situatie tot aan het moment van de melding. Hierin zijn naast de zorgen ook positieve punten benoemd, bijvoorbeeld dat vader heeft laten zien zich enorm in te willen zetten voor de dochter en dat de dochter goed wordt verzorgd. Het College ziet niet in hoe de inhoud van de zorgmelding een geconstrueerde aanklacht tegen de vader is.

5.5.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

5.6 Klachtonderdeel 6

5.6.1 De jeugdprofessional heeft bewust en vastberaden een rol gespeeld in de klachtonderdelen 1 t/m 5.

Toelichting:
De jeugdprofessional had de rol, positie, tijd en ruimschoots de gelegenheid om op meerdere momenten te weigeren (nog langer) aan deze manier van werken deel te nemen en op haar schreden terug te keren. Doordat zij dit niet heeft gedaan, heeft zij de belangen van de dochter en de vader en diens gezin ernstig geschaad.

5.6.2 Naar de mening van de jeugdprofessional is niet duidelijk welk handelen haar nu precies wordt verweten. Vaststaat dat de jeugdprofessional telkens acht heeft geslagen op de belangen van de dochter en veel begrip heeft getoond jegens haar ouders. De jeugdprofessional heeft zich zeer ingespannen om ouders behulpzaam te zijn bij het vinden van de juiste hulpverlening en telkens in lijn met haar beroepsstandaard gehandeld.

5.6.3 Het College overweegt over dit klachtonderdeel als volgt. De jeugdprofessional heeft erkend dat zij, passend bij haar functie, tijdens het proces rondom het doen van de melding bij Veilig Thuis een rol heeft gehad, zodat de vader ontvankelijk is in dit klachtonderdeel. Gelet echter op het feit dat de klachtonderdelen 1 t/m 3 en 5 ongegrond zijn verklaard en de vader niet-ontvankelijk is verklaard in klachtonderdeel 4, is niet komen vast te staan dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

5.6.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

6     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart de vader niet-ontvankelijk in klachtonderdeel 4;
  • verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 15 november 2019 aan partijen toegezonden.

 

mevrouw mr. M. Fiege                                                                    mevrouw mr. T. Kuijs

voorzitter                                                                                            secretaris