Het College stelt vast dat instellingsbeleid voor wat betreft dossierverstrekking niet conform de Jeugdwet is. Een ambulant hulpverlener heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door dit beleid niet te toetsen aan de beroepsstandaard.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mevrouw D.J.E. de Graaf, lid-beroepsgenoot,
mevrouw  A. Wilting, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[de vader], klager, hierna te noemen: de vader, wonende te [plaatsnaam],

op 2 september 2019 ingediende klaagschrift tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als ambulant hulpverlener bij [de instelling], hierna te noemen: [de instelling].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. M.R. Veerman.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. J.G.F.M. Hoffmans, werkzaam als advocaat te Den Haag.

1 Het verloop van de procedure

1.1 Beide partijen hebben ingestemd met een bemiddelingsgesprek onder leiding van de bemiddelaar van het College. Het bemiddelingsgesprek heeft plaatsgevonden op 15 november 2019. Op 20 november 2019 heeft de vader het College laten weten dat hij de klacht tegen de jeugdprofessional doorzet. Op 26 november 2019 is de jeugdprofessional hierover geïnformeerd.

1.2  Het College heeft kennisgenomen van:

  • het aangepaste klaagschrift ontvangen op 24 september 2019;
  • het verweerschrift ontvangen op 8 januari 2020.

1.3 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 5 februari 2020 in aanwezigheid van de vader, de jeugdprofessional en de hiervoor genoemde gemachtigde. Hierbij zijn als toehoorders aanwezig geweest: de leidinggevende van de jeugdprofessional en een tweede secretaris vanuit het College.

1.4 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft een minderjarige dochter, geboren in 2016, hierna aan te duiden als: de dochter.

2.2 De vader en zijn ex-partner, de moeder van de dochter, gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, zijn gescheiden. Het ouderlijk gezag over de dochter wordt gezamenlijk uitgeoefend door de ouders. De dochter woont bij de moeder.

2.3 De huisarts van de vader heeft de ouders op 12 maart 2018 doorverwezen naar [de instelling]. De hulpvraag is als volgt geformuleerd: “Graag begeleiding rond goed ouderschapsplan en optimale zorg voor [de dochter].

2.4 Op 26 juni 2018 is het hulpverleningstraject Ouderschap Blijft bij [de instelling] gestart. De jeugdprofessional is vanuit [de instelling] als ambulant hulpverlener degene die Ouderschap Blijft heeft uitgevoerd. De jeugdprofessional heeft het hulpverleningsplan voor de dochter opgesteld, welke de ouders op 26 juni 2018 hebben ondertekend.

2.5 In het kader van Ouderschap Blijft hebben er gezamenlijke gesprekken tussen de ouders en de jeugdprofessional plaatsgevonden. Tijdens het tweede gezamenlijke gesprek heeft de jeugdprofessional kort individueel met de moeder gesproken.

2.6 Op 14 augustus 2018 zou een individueel gesprek tussen de jeugdprofessional en de vader plaatsvinden. De vader heeft dit gesprek wegens gezondheidsredenen per e-mailbericht op dezelfde dag afgezegd. De jeugdprofessional heeft vervolgens het individuele gesprek met de moeder afgezegd.

2.7 Op 28 december 2018 heeft de jeugdprofessional het concept eindverslag opgesteld en aan de ouders toegestuurd. De vader heeft hierop gevraagd het dossier van zijn dochter in te mogen zien.

2.8 Op 20 februari 2019 zijn de ouders in de gelegenheid gesteld om ieder dertig minuten het dossier in te zien.

2.9 Op 4 maart 2019 heeft de vader aan de jeugdprofessional kenbaar gemaakt dat hij voornemens is een tuchtklacht bij SKJ tegen haar in te dienen en er daarom vanuit gaat dat het definitief maken van het eindverslag wordt opgeschort totdat de tuchtprocedure is beëindigd.

2.10 Op 3 april 2019 heeft de jeugdprofessional aan de vader laten weten dat de indicatie voor Ouderschap Blijft op 12 maart 2019 is verlopen. De vader wordt in de gelegenheid gesteld uiterlijk 10 april 2019 zijn aanvullingen op het concept eindverslag in te dienen.

2.11 Op 1 mei 2019 heeft de jeugdprofessional het eindverslag definitief gemaakt en de cliëntadministratie verzocht om deze, inclusief de bijlage(n) van de ouders, naar hen en de verwijzer te versturen.

2.12 Op 15 mei 2019 heeft de vader de jeugdprofessional geïnformeerd dat de verwijzer het begeleidend schrijven van de vader bij zijn reactie op het concept eindverslag niet heeft ontvangen. De jeugdprofessional heeft de cliëntadministratie dezelfde dag verzocht om het concept eindverslag en de bijlage(n) opnieuw naar de verwijzer te versturen.

2.13 De jeugdprofessional is sinds [datum] 2013 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3 Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4 De klacht, het verweer en de beoordeling

De zeven in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional is niet open geweest over haar beweegredenen de afspraak voor een individueel gesprek met de moeder af te zeggen.

Toelichting:
Naar aanleiding van het verloop van de gezamenlijke gesprekken zijn er met zowel de vader als de moeder afspraken gemaakt voor individuele gesprekken. De vader heeft zijn gesprek van 14 augustus 2018 wegens gezondheidsredenen op het laatste moment afgezegd. De jeugdprofessional heeft vervolgens gereageerd ook het geplande gesprek met de moeder af te zeggen, met als reden “de communicatie en het proces zuiver te houden”. Op 15 augustus 2018 heeft de vader gevraagd in welke zin het door laten gaan van het gesprek met de moeder de communicatie en het proces onzuiver zou maken. Hier heeft de jeugdprofessional niet op gereageerd. In haar reactie op het e-mailbericht van de vader van 29 augustus 2018 waarin hij zijn vraag herhaalt, geeft de jeugdprofessional het volgende aan: “Om mijn positie van meerzijdig partijdig te kunnen blijven waarborgen is het belangrijk dat ik niet alleen met moeder in gesprek ga”. De vader had het gesprek slechts afgezegd vanwege gezondheidsklachten. Het individuele gesprek met de vader had op een later moment alsnog kunnen plaatsvinden. De vader heeft aangegeven dat hij twijfels heeft over de waarde van Ouderschap Blijft, vanwege zijn gevoel dat de jeugdprofessional partijdig is. De vader heeft sterk het gevoel overgehouden dat de jeugdprofessional eerst met de vader het individuele gesprek wilde voeren, om in het voordeel van de moeder de communicatie en het proces zuiver te houden. Dit is voor de vader een bevestiging van zijn gevoel dat de jeugdprofessional partijdig is.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Nadat de vader op 14 augustus 2018 per e-mailbericht zijn afspraak had afgezegd, heeft de jeugdprofessional de afspraak met de moeder afgezegd. Dit heeft zij in haar e-mailbericht aan de vader van 30 augustus 2018 toegelicht. Tevens heeft zij in hetzelfde e-mailbericht haar excuses aangeboden dat zij nog niet had gereageerd op het e-mailbericht van de vader van 15 augustus 2018. Omdat het onduidelijk was wanneer een vervolgafspraak met de vader zou kunnen plaatsvinden, achtte de jeugdprofessional het beter om, zodra de vader een nieuwe afspraak kon maken, de gesprekken met beide ouders kort na elkaar in te plannen.
In het e-mailbericht van 29 augustus 2018 van de vader komt naar voren dat hij twijfelt over of hij Ouderschap Blijft wil voortzetten. Indien het hulpverleningstraject niet zou worden voortgezet, zouden er ook geen individuele gesprekken plaatsvinden. Het doel van de individuele gesprekken was om te bekijken wat beide ouders nodig hadden in de gesprekken om het hulpverleningstraject verder vorm te kunnen geven. In het eerstvolgende gezamenlijke gesprek zou dit dan worden teruggekoppeld. Dit heeft de jeugdprofessional ook in haar e-mailbericht van 30 augustus 2018 benoemd en aan de vader gevraagd of hij Ouderschap Blijft wenste voort te zetten. De jeugdprofessional heeft geen enkele voorkeur wie van de ouders het eerst op gesprek komt, zij heeft daar geen enkel belang bij.

4.1.3 Het College overweegt als volgt:
Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional toegelicht dat binnen Ouderschap Blijft slechts individuele gesprekken met de ouders worden gevoerd indien het hulpverleningstraject stagneert of vastloopt. Het doel van de individuele gesprekken is om te kijken wat een ieder nodig heeft in de gesprekken om het traject verder vorm te kunnen geven en het vertrouwen in de jeugdprofessional uit te spreken. Dit wordt dan in het eerstvolgende gezamenlijke gesprek aan elkaar teruggekoppeld. Uit het overgelegde e-mailbericht van 30 augustus 2018 is het College gebleken dat de jeugdprofessional aan de vader heeft toegelicht dat vanwege de onduidelijkheid over de voortgang van Ouderschap Blijft het doel van het individuele gesprek is komen te vervallen. Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat de jeugdprofessional voldoende transparant is geweest over haar beweegredenen om het individuele gesprek met de moeder af te zeggen. Bovendien blijkt uit het door ouders ondertekende hulpverleningsplan van 26 juni 2018 dat wanneer een van de ouders een afspraak afzegt, de andere ouder ook wordt afgebeld. Nu het afzeggen van het individuele gesprek volgens de afspraken uit het hulpverleningsplan is gegaan en de jeugdprofessional voldoende transparant is geweest over haar beweegredenen, concludeert het College dat de jeugdprofessional in dit klachtonderdeel geen tuchtrechtelijk verwijt te maken valt.

4.1.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional heeft niet gereageerd toen de vader per e-mailbericht liet weten dat hij het gevoel had dat de beloofde objectiviteit verloren was gegaan. Tevens heeft de jeugdprofessional de vader onder druk gezet.

Toelichting:
In het e-mailbericht van 29 augustus 2018 heeft de vader aangegeven dat hij het gevoel heeft dat de beloofde objectiviteit en/of de meerzijdige partijdigheid verloren is gegaan na een individueel onderhoud van tien minuten met de moeder tijdens het tweede gezamenlijke gesprek dat de ouders met de jeugdprofessional hebben gevoerd. Over het individuele gesprek is een zeer summiere terugkoppeling gegeven waarin de jeugdprofessional alleen heeft aangegeven dat zij de moeder gerust heeft gesteld en het belang van de gespreksonderwerpen heeft uitgelegd. De jeugdprofessional heeft geen inhoudelijke reactie gegeven op het e-mailbericht van 29 augustus 2018. Op 30 augustus 2018 heeft de jeugdprofessional een e-mailbericht aan de vader gestuurd waarin zij hem minder dan zeven dagen de tijd geeft om aan te geven of de vader door wil gaan met Ouderschap Blijft. Hierdoor voelde de vader zich onder grote druk gezet.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Omdat de emoties tijdens het tweede gezamenlijke gesprek hoog opliepen, heeft de moeder om een time-out gevraagd. Het gesprek met de moeder was slechts gericht om haar weer in staat te stellen het gezamenlijke gesprek met de vader voort te zetten. Dit heeft de jeugdprofessional direct aan de vader in het gezamenlijke gesprek uitgelegd. In de daarop volgende twee gesprekken heeft de jeugdprofessional nogmaals uitgelegd wat er met de moeder is besproken. De moeder heeft dit ook bevestigd. Helaas heeft dit het wantrouwen van de vader jegens de jeugdprofessional niet weggenomen. Het is juist dat de jeugdprofessional aan de vader heeft gevraagd om binnen zeven dagen aan te geven of Ouderschap Blijft kon worden voortgezet. In hetzelfde e-mailbericht geeft de jeugdprofessional aan dat zij Ouderschap Blijft niet te lang kan ophouden zonder duidelijkheid over de vraag of er een voortzetting van het traject zal plaatsvinden. Van het onder druk zetten van de vader is geen sprake.

4.2.3 Het College overweegt als volgt:
Ten aanzien van het verwijt dat de jeugdprofessional niet heeft gereageerd op het gevoel van de vader dat de beloofde objectiviteit verloren is gegaan, overweegt het College het volgende. Het College stelt vast dat in het bedoelde e-mailbericht geen specifieke vraag aan de jeugdprofessional is gesteld voor wat betreft haar objectiviteit of het verlies daarvan. Tevens is het College gebleken dat de jeugdprofessional tijdens de gezamenlijke gesprekken is ingegaan op het onderwerp van objectiviteit/meerzijdige partijdigheid.
Ten aanzien van het verwijt dat de jeugdprofessional de vader onder druk heeft gezet vanwege de gegeven reactietermijn, overweegt het College als volgt. Het College stelt allereerst voorop dat een reactietermijn van ongeveer één week redelijk wordt geacht en conform hetgeen gebruikelijk is in de praktijk. De vader heeft desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling van de klacht toegelicht dat hij de beslissing over het voortzetten van Ouderschap Blijft met zijn advocaat wilde bespreken en dat hij zich daardoor onder druk gezet voelde om snel een afspraak met zijn advocaat te maken. Dit is echter wel binnen de gestelde termijn gelukt. De jeugdprofessional heeft daarop aangegeven het spijtig te vinden om te horen dat de vader zich onder grote druk gezet voelde. Indien de vader om uitstel had gevraagd, was daar de ruimte voor geweest. Naar aanleiding van hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling van de klacht, concludeert het College dat de vader binnen de gestelde termijn met zijn advocaat in gesprek is gegaan. Van het onder druk zetten van de vader om op korte termijn te reageren over de voortgang van het hulpverleningstraject is derhalve geen sprake, temeer omdat er sprake is geweest van een redelijke reactietermijn. Indien het niet mogelijk zou zijn geweest om binnen de gestelde termijn met zijn advocaat in gesprek te gaan of de vader vanwege andere redenen een langere reactietermijn nodig had, lag het naar het oordeel van het College op de weg van de vader om dit aan de jeugdprofessional kenbaar te maken en uitstel te vragen. Dit alles overwegende concludeert het College dat de jeugdprofessional heeft gehandeld binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

4.2.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.3 Klachtonderdeel 3

4.3.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Het eindverslag van Ouderschap Blijft bevat aannames en wordt op essentiële punten niet onderbouwd met voorbeelden. Tevens is de conclusie van de jeugdprofessional in het definitieve eindverslag aangepast.

Toelichting:
In zijn reactie op het concept eindverslag heeft de vader beschreven dat het eindverslag aannames bevat. Daarnaast wordt het op essentiële onderdelen niet onderbouwd met bewijsstukken en ontbreekt er informatie of is er onjuiste informatie opgenomen. Tevens heeft de jeugdprofessional haar conclusie in het definitieve eindverslag aangepast, zonder dit te benoemen bij het versturen hiervan. In haar e-mailbericht van 4 februari 2019 had de jeugdprofessional echter aangegeven dat zij niets in het eindverslag zou wijzigen naar aanleiding van de reacties van de ouders.

4.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
In het eindverslag staat beschreven hoe het traject is verlopen en wat de jeugdprofessional heeft geobserveerd tijdens de gesprekken. Het is de bedoeling van Ouderschap Blijft de ouders te leren op een andere manier met elkaar te communiceren. Het gaat daarbij niet om ‘bewijsvoering’, maar om de vraag hoe onderwerpen en zorgen bespreekbaar kunnen worden gemaakt zodat de andere ouder de ruimte voelt om te reageren. Tijdens de gesprekken kan het voorkomen dat de ene ouder meer spreekruimte krijgt dan de andere ouder, juist om de ouders verder te brengen in het hulpverleningstraject. De jeugdprofessional benoemt dit dan, juist om te laten zien dat zij een bewuste keuze maakt en om te voorkomen dat zij partijdig wordt bevonden.
In het verslag is kort en bondig beschreven wat de bevindingen van de jeugdprofessional zijn over het verloop van het proces, en wat de ouders daarover hebben aangegeven. Anders dan de vader stelt, heeft de jeugdprofessional haar conclusie en visie niet aangepast in het eindverslag.

4.3.3 Het College overweegt als volgt:
Vooropgesteld wordt dat het eindverslag als doel heeft om te reflecteren op het doorlopen traject. De behaalde doelen en hetgeen waar eventueel nog aan gewerkt moet worden staan hierin opgenomen. Tevens formuleert de jeugdprofessional op basis van observaties en bevindingen een conclusie en advies. Omdat het eindverslag met name wordt geschreven op basis van de observaties en bevindingen van de jeugdprofessional, is het niet noodzakelijk het eindverslag te onderbouwen met bewijsstukken. Op grond van artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker (hierna: de Beroepscode) dient de jeugdprofessional de (jeugdige) cliënt de gelegenheid te bieden tot inzage in en aanvulling of correctie van het dossier, waaronder ook het eindverslag behoort. Het recht op correctie houdt in dat tenminste feitelijke onjuistheden gecorrigeerd dienen te worden. In het geval de ouders een andere visie op het doorlopen traject hebben dan de jeugdprofessional, kunnen zij dit kenbaar maken. In het hulpverleningsplan onder ‘8. Eindgesprek’ staat het volgende: “Indien u geen feitelijke wijzigingen wilt aanbrengen in het verslag, maar een mening hebt over het verslag, kunt u deze mening op papier zetten”. De mening/reactie van beide ouders is bij het definitieve eindverslag als bijlage toegevoegd en overgelegd bij het klaagschrift. Hetgeen bovendien gebruikelijk is in de praktijk. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional, voor wat betreft dit gedeelte van de klacht, heeft gehandeld in overeenstemming met artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode. Ten aanzien van het verwijt van de vader dat de jeugdprofessional de conclusie in het definitieve eindverslag heeft aangepast, oordeelt het College als volgt. Het concept eindverslag en het definitieve eindverslag zijn door de vader overgelegd als bijlage bij zijn klaagschrift. Het College heeft de conclusie zoals weergegeven in het eindverslag onder ‘7. Conclusie en advies’ met elkaar vergeleken en concludeert dat er in de kern geen sprake is geweest van het aanpassen van de conclusie, het verbeteren van een spelfout daargelaten. Indien de vader heeft bedoeld dat hetgeen onder ‘5. Ontwikkeling tijdens het traject, motivatie van en samenwerking met jeugdige en ouders/verzorgers’ is aangepast, concludeert het College dat er een enkele tekstuele aanpassing is gemaakt. Deze aanpassingen zijn naar het oordeel van het College niet nadelig voor de vader, maar dienen eerder ter verduidelijking. Het College valt niet in te zien hoe de vader daarmee in zijn belangen geschaad zou zijn. Gelet op het voorgaande oordeelt het College dat er geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.

4.3.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.4 Klachtonderdeel 4

4.4.1. De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Onvolledige dossiervorming.

Toelichting:
De e-mailberichten die de vader heeft verzonden en ontvangen die inhoudelijk over Ouderschap Blijft gaan en waarin hij de jeugdprofessional aanspreekt op het verliezen van haar meerzijdige partijdigheid, zijn niet opgenomen in het dossier. Ook staat niks in het dossier opgenomen over het korte individuele onderhoud dat met de moeder heeft plaatsgevonden. Tevens zijn diverse gemaakte (en niet nagekomen) afspraken tussen de ouders niet beschreven. De jeugdprofessional heeft geweigerd (delen) van het dossier mee te geven of beschikbaar te stellen. De vader heeft het dossier slechts kort en onder voorwaarden onder toezicht van de jeugdprofessional en haar leidinggevende mogen inzien.

4.4.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De dossierinzage is verlopen volgens de werkwijze van [de instelling]. Per e-mailbericht van 11 februari 2019 heeft de jeugdprofessional de procedure met betrekking tot het inzien van het dossier nader toegelicht. Bij de dossiervorming is het uitgangspunt dat niet alle e-mailberichten in het dossier worden opgenomen, omdat deze niet worden gebruikt voor het bespreken van inhoudelijke informatie. Dit is van tevoren in het hulpverleningsplan aangegeven.

4.4.3 Het College overweegt als volgt:
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht toegelicht dat hij in zijn e-mailbericht twijfels heeft geuit over de meerzijdige partijdigheid van de jeugdprofessional. Dat is volgens de vader relevant voor het dossier, zodat collega’s van de jeugdprofessional of derden van de mogelijke partijdigheid op de hoogte zijn. Het College volgt het standpunt van de vader niet, omdat zoals overwogen onder 4.3.3 het eindverslag als doel heeft dat gereflecteerd wordt op het doorlopen traject. Het uitgangspunt van een eindverslag is dat beschreven wordt of de doelen van het traject al dan niet behaald zijn. Het College volgt de jeugdprofessional dan ook in haar verweer dat e-mailberichten in beginsel niet opgenomen worden in het eindverslag. Temeer omdat in het hulpverleningsplan van 26 juni 2018 beschreven is dat inhoudelijke informatie niet per e-mailbericht wordt besproken, maar tijdens de oudergesprekken. Daarnaast staat het de vader vrij om zijn twijfels over de meerzijdige partijdigheid van de jeugdprofessional te beschrijven in zijn reactie op het eindverslag. Voor wat betreft het verwijt dat gaat over de wijze van dossierinzage overweegt het College als volgt. Op grond van artikel 7.3.10 van de Jeugdwet dient de jeugdprofessional aan de betrokkene desgevraagd inzage in en een afschrift van het dossier te verstrekken. De verstrekking kan slechts achterwege blijven voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een ander. De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht desgevraagd toegelicht dat zij de procedure van [de instelling] heeft opgevolgd. De ouders hebben elk 30 minuten de tijd gekregen om het dossier in te zien. Er wordt geen afschrift van het dossier verstrekt, omdat het dossier ook werkaantekeningen van de jeugdprofessional en mogelijk privacygevoelige informatie van de andere ouder bevat. Indien het dossier verstrekt wordt, dient de informatie van de andere ouder in het kader van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) uit het dossier te worden gehaald, waardoor het volgens de jeugdprofessional een onsamenhangend verhaal wordt. Het College stelt vast dat het beleid van [de instelling] voor wat betreft dossierverstrekking niet conform de Jeugdwet is, nu het uitgangspunt van [de instelling] is dat aan betrokkenen geen dossier verstrekt wordt. Op grond van voornoemd artikel uit de Jeugdwet is de jeugdprofessional, die de jeugdhulp verleend heeft, verantwoordelijk voor een juiste dossierverstrekking. Daarnaast dient op grond van artikel Q (Toetsing beroepsmatig en functioneel handelen aan de waarden en normen van het beroep) van de Beroepscode een jeugdprofessional bij het uitvoeren van het beleid van zijn/haar organisatie te toetsen of dit overeenkomt met de beroepsstandaard (waaronder ook de van toepassing zijnde wettelijke regelgeving valt). Indien een jeugdprofessional signaleert dat dit niet het geval is, dan dient de jeugdprofessional op grond van artikel P (Aanvaarding organisatie als beleidskader) van de Beroepscode dit met collega’s te overleggen en via de gebruikelijke kanalen binnen de instelling aan de orde te stellen. Het is het College niet gebleken dat de jeugdprofessional dat gedaan heeft. Nu de jeugdprofessional het beleid voor wat betreft dossierverstrekking van [de instelling] heeft opgevolgd, zonder dit beleid te toetsen aan de beroepsstandaard, kan haar een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden op grond van artikel P (Aanvaarding organisatie als beleidskader) en artikel Q (Toetsing beroepsmatig en functioneel handelen aan de waarden en normen van het beroep) van de Beroepscode.

4.4.4 Het College verklaart het klachtonderdeel gedeeltelijk gegrond, namelijk voor wat betreft de dossierverstrekking.

4.5 Klachtonderdeel 5

4.5.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Onzorgvuldigheid in het versturen van het definitieve eindverslag.

Toelichting:
Bij het versturen van het definitieve eindverslag heeft de jeugdprofessional nagelaten de reactie van de vader mee te sturen naar de verwijzer. Hierin stond beschreven dat de vader een tuchtprocedure zou starten en was daarom van belang om te worden meegezonden naar de verwijzer. De vader is dit te weten gekomen omdat de verwijzer zijn huisarts is. Hierdoor heeft het geen verdere gevolgen gehad. Indien de rechtbank de ouders had doorverwezen, had het vervelende gevolgen kunnen hebben en was de vader het niet, of pas in een veel later stadium te weten gekomen. Het definitieve eindverslag wat de vader heeft ontvangen bevatte namelijk wel zijn reactie. Op het verzoek van de vader is het definitieve eindverslag, inclusief zijn reactie, opnieuw naar de verwijzer verzonden. Het begeleidend schrijven bij de reactie weigerde de jeugdprofessional op te nemen in de bijlagen. Hierin stond beschreven dat de vader een tuchtprocedure zou starten en was daarmee van belang om bij te voegen.

4.5.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional heeft de cliëntadministratie de opdracht gegeven het definitieve eindverslag inclusief de bijlagen te verzenden. Bij navraag bleek dat de stukken op 3 mei 2019 aan alle partijen verzonden waren. Het gehele eindverslag inclusief de bijlagen is vervolgens op 17 mei 2019 nogmaals toegestuurd aan de verwijzer.

4.5.3 Het College overweegt als volgt:
Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie bij het verweerschrift blijkt dat de jeugdprofessional de cliëntadministratie de opdracht heeft gegeven om het definitieve eindverslag inclusief de bijlage(n) van de ouders naar de verwijzer te sturen. De cliëntadministratie heeft bevestigd dit te hebben gedaan. Het valt de jeugdprofessional dan ook niet tuchtrechtelijk te verwijten dat de verwijzer de bijlage(n) niet zou hebben ontvangen, dat valt immers buiten haar invloedssfeer. Voor wat betreft het niet toevoegen van het begeleidend schrijven van de vader, oordeelt het College als volgt. Het College acht het invoelbaar dat de vader het belangrijk vindt dat zijn begeleidend schrijven toegevoegd zou worden aan het dossier. Indien het voor de vader van belang was dat de verwijzer en/of de rechtbank op de hoogte was van het voornemen van de vader een tuchtprocedure te starten, had de vader dit echter ook zelf kenbaar kunnen maken. Immers, de verwijzer is zijn huisarts. Tevens had de vader bij de rechtbank zijn begeleidend schrijven kunnen inbrengen in de procedure of dit kenbaar kunnen maken aan de rechter tijdens de mondelinge behandeling. Voor het afsluiten van het hulpverleningstraject Ouderschap Blijft heeft de jeugdprofessional naar het oordeel van het College een volledig dossier, inclusief de reacties van de ouders verstuurd. Het begeleidend schrijven van de vader zou de inhoud van het definitieve eindverslag niet veranderen.

4.5.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.6 Klachtonderdeel 6

4.6.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional communiceert niet over de einddatum van Ouderschap Blijft. Zij heeft het traject afgesloten en het definitieve eindverslag verstuurd voordat de onderhavige tuchtklacht behandeld kon worden.

Toelichting:
De vader heeft de jeugdprofessional verzocht het definitieve eindverslag niet te versturen, in afwachting van de uitkomst van de onderhavige tuchtprocedure. De jeugdprofessional weigerde dit, omdat de indicatie voor Ouderschap Blijft was verlopen en zij daarom het hulpverleningstraject moest afsluiten. De indicatie had volgens de vader eenvoudig verlengd kunnen worden via de verwijzer. Op zijn eerdere vraag of voor Ouderschap Blijft een einddatum stond, heeft de jeugdprofessional nooit de datum genoemd waarop de indicatie afloopt, noch dat dit een reden zou zijn dat het eindverslag definitief gemaakt moest worden. Het beëindigen van het traject kwam dan ook als een verassing voor de vader.

4.6.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De onderhavige tuchtprocedure staat los van Ouderschap Blijft. Er was geen reden om het hulpverleningstraject aan te houden in afwachting van de uitkomst van de tuchtprocedure. In het hulpverleningsplan staat opgenomen dat Ouderschap Blijft een looptijd heeft van zes tot maximaal negen maanden. De verwijzing dateerde van 12 maart 2018. De startdatum van Ouderschap Blijft was 26 juni 2018. In haar e-mailbericht van 11 februari 2019 heeft de jeugdprofessional aangegeven dat het streven was Ouderschap Blijft binnen zes tot acht weken na het laatste gesprek af te sluiten. Er is dus duidelijk gecommuniceerd over de einddatum van Ouderschap Blijft. Het versturen van het eindverslag en het sluiten van het dossier is verlopen volgens de werkwijze van [de instelling]. Bovendien staat in het hulpverleningsplan opgenomen dat na het (eventuele) eindgesprek en de aanvullingen van de ouders, het eindverslag definitief wordt gemaakt en aan alle partijen wordt toegestuurd. Hier hoeft niet alsnog toestemming voor te worden gevraagd, omdat de ouders bij het ondertekenen van het hulpverleningsplan hier al toestemming voor hebben gegeven. Na de toezending van het definitieve eindverslag wordt Ouderschap Blijft gesloten.

4.6.3 Het College overweegt als volgt:
In het hulpverleningsplan staat opgenomen dat Ouderschap Blijft een traject van zes tot maximaal negen maanden is. Tevens staat in het hulpverleningsplan opgenomen dat aan het eind van Ouderschap Blijft een gezamenlijk eindgesprek volgt. Het hulpverleningstraject van de ouders is op 26 juni 2018 begonnen en zou op grond van het voorgaande daarom uiterlijk in april 2019 eindigen. In een e-mailbericht van 28 januari 2019 aan de vader schrijft de jeugdprofessional dat het hulpverleningstraject in de afrondende fase is en ouders worden uitgenodigd voor een eindgesprek om het concept verslag te bespreken. In haar e-mailbericht van 11 februari 2019 maakt de jeugdprofessional kenbaar dat het hulpverleningstraject normaal binnen 6-8 weken na het eindgesprek wordt afgerond. Het College concludeert dat de jeugdprofessional voldoende duidelijk gecommuniceerd heeft over het beëindigen van Ouderschap Blijft. Dat de vader wellicht behoefte had aan een concrete datum, kan het College begrijpen. Dit had mogelijk beter gekund. Bij een tuchtrechtelijke toetsing gaat het er echter niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund. De jeugdprofessional valt daarom geen tuchtrechtelijk verwijt te maken voor wat betreft de communicatie over de einddatum van Ouderschap Blijft. Voor wat betreft de jeugdprofessional wordt verweten dat zij het eindverslag definitief heeft gemaakt voordat de onderhavige tuchtprocedure was afgerond, overweegt het College als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de vader desgevraagd aangegeven dat de moeder het definitieve eindverslag in een procedure bij de rechtbank heeft ingebracht en dit gevolgen heeft gehad voor de zorg- en contactregeling van de vader met zijn dochter. Met het starten van de tuchtprocedure verwachtte de vader dat het eindverslag nog niet definitief kon worden gemaakt en daarmee ook niet kon worden ingebracht in de procedure bij de rechtbank.
Uit de Beroepscode en internationale wetgeving (het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind) volgt dat (voor een jeugdprofessional) de belangen van het kind de eerste overweging dienen te vormen. Het College is van oordeel dat in het geval door het indienen van een tuchtklacht een jeugdprofessional een hulpverleningstraject (tijdelijk) moet aanhouden, dit het belang van het kind niet dient. Immers, de hulpverlening aan het kind kan hierdoor (mogelijk) stagneren. Indien de vader wenste dat de procedure bij de rechtbank werd aangehouden in afwachting van onderhavige tuchtprocedure, had de vader hiertoe een verzoek bij de rechtbank kunnen indienen. Het is dan aan de betreffende rechter(s) om een afweging te maken omtrent het al dan niet aanhouden van die gerechtelijke procedure. Het College concludeert dat de jeugdprofessional dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken voor wat betreft het versturen van het definitieve eindverslag.

4.6.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.7 Klachtonderdeel 7

4.7.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional is tijdens Ouderschap Blijft niet ingegaan op de hulpvraag. Tevens is in het concept eindverslag de verwijzer onjuist benoemd.

Toelichting:
De huisarts van de vader heeft de ouders, op verzoek van de vader, doorverwezen naar [de instelling]. De hulpvraag op de verwijsbrief was duidelijk een concreet geschreven, namelijk: “Graag begeleiding rond goed ouderschapsplan en optimale zorg voor [de dochter].” De vader heeft ervaren dat de jeugdprofessional hierin niets heeft kunnen betekenen. Toen de vader aangaf dat het aantal uren waarin de dochter naar de kinderopvang ging was afgenomen, wat het gastouderbureau heeft bevestigd, wilde de jeugdprofessional hier niet naar kijken. De jeugdprofessional heeft dit in haar eindverslag beschreven als ‘bewijsdrang’. De vader vindt dat hij niet aangesproken zou moeten worden op zijn bewijsvoering, maar dat de moeder op zijn minst om een verklaring gevraagd had kunnen worden. Hetzelfde is gebeurd toen de moeder zich niet aan de afspraak over de  hoofdverblijfplaats van de dochter heeft gehouden. Aan de vader werd gevraagd waarom de hoofdverblijfplaats van de dochter belangrijk voor hem is, maar bij de moeder werd niet doorgevraagd. Tot slot heeft de jeugdprofessional in het concept eindverslag geschreven dat de rechtbank de ouders heeft doorverwezen naar Ouderschap Blijft en is de hulpvraag van de huisarts niet benoemd.

4.7.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Het is juist dat in het concept eindverslag een onjuiste verwijzing is opgenomen. De moeder heeft de jeugdprofessional hierop gewezen. Dit is een slordigheid, maar heeft geen enkele invloed gehad op de begeleiding of op het hulpverleningstraject. Het gaat er bij Ouderschap Blijft immers om dat de ouders hun wijze van communiceren op elkaar aanpassen en met elkaar hun zorgen bespreken. De ouders zijn met elkaar in gesprek gegaan over hun zorgen om de dochter en over de manier hoe op dit moment het ouderschap samen wordt vormgegeven. Het gaat er niet om dat wordt onderzocht ‘wie de waarheid spreekt’. Het gaat erom dat de ouders tijdens de gesprekken handvatten krijgen aangereikt en inzicht krijgen in het effect van de verschillende manieren van communiceren van beide ouders. De bedoeling van Ouderschap Blijft is dat de ouders het gesprek met elkaar aangaan over de opvoeding van hun dochter.

4.7.3 Het College overweegt als volgt:
De jeugdprofessional wordt allereerst verweten dat zij tijdens Ouderschap Blijft niet is ingegaan op de hulpvraag. In het hulpverleningsplan onder het kopje ‘3. Einddoelen’ zijn de doelen voor Ouderschap Blijf geformuleerd. Het College is van oordeel dat de geformuleerde doelen toezien op de hulpvraag zoals geformuleerd onder 2.3 van deze beslissing. Tevens leest het College in het eindverslag dat in de gesprekken aan de hand van de geformuleerde doelen met de hulpvraag is gewerkt. Blijkens het eindverslag en de overgelegde e-mailcorrespondentie stelt het College dat door omstandigheden het de ouders niet is gelukt aan de inhoud van het traject toe te komen. Deze omstandigheden vallen de jeugdprofessional niet te verwijten. Het College heeft begrip voor de mogelijke verwachtingen van de vader dat er eerst feiten vastgesteld zouden worden, alvorens aan de hulpvraag gewerkt zou worden. Dit is naar het oordeel van het College echter niet het doel van Ouderschap Blijft, noch ziet het vaststellen van feiten toe op de hulpvraag. Concluderend komt het College tot het oordeel dat de jeugdprofessional heeft gehandeld binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Tevens wordt het de jeugdprofessional verweten dat zij de verwijzer in het concept eindverslag verkeerd heeft benoemd. Nu de jeugdprofessional dit naar aanleiding van de reactie van de moeder gecorrigeerd heeft in het definitieve eindverslag, en het eindverslag naar de juiste verwijzer is verzonden, is er naar het oordeel van het College geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.

4.7.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

5 Conclusie

5.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot klachtonderdeel 4 gedeeltelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De dossierverstrekking is niet conform de Jeugdwet gegaan en de jeugdprofessional heeft nagelaten het daarvoor betreffende instellingsbeleid te toetsen aan de beroepsstandaard. De jeugdprofessional heeft hierdoor in strijd gehandeld met artikel P (Aanvaarding organisatie als beleidskader) en artikel Q (Toetsing beroepsmatig en functioneel handelen aan de waarden en normen van het beroep) van de Beroepscode. Hoewel de onvolledige dossierverstrekking verwijtbaar geacht wordt, overweegt het College dat het nalaten op zichzelf bezien niet dermate ernstig is dat het opleggen van een maatregel gerechtvaardigd is. Ook omdat de jeugdprofessional het ‘standaard’ beleid van [de instelling] hierin gevolg heeft. Het College gaat er met dit oordeel vanuit dat wordt bijgedragen aan een verdere bewustwording over het wettelijke recht op dossierverstrekking, zowel binnen [de instelling], als de gehele beroepsgroep.

5.2 Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat gebleken is dat de jeugdprofessional heeft moeten handelen in een complexe zaak. Ouderschap Blijft wordt ingezet indien de omgang tussen de uitwonende ouder en het kind niet plaatsvindt of problematisch verloopt. De oorzaak hiervan is gelegen in (chronische) conflicten tussen de ouders. Het is van groot belang om te voorkomen dat de jeugdprofessional een onderdeel wordt van de strijd tussen de ouders. De norm in het veld is dan ook dat twee jeugdprofessionals Ouderschap Blijft uitvoeren. De ouders hebben dan elk hun eigen aanspreekpunt en doordat de jeugdprofessionals samenwerken, kunnen zij de meerzijdige partijdigheid beter borgen. Tevens vloeit uit de Richtlijn ‘Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp voor jeugdhulp en jeugdbescherming’ onder ‘2.3 Aanbevelingen’, punt 10, voort dat indien er sprake is van tegenstrijdige belangen van de ouders, het nodig kan zijn om twee jeugdprofessionals aan en casus toe te wijzen. Als inzet van Ouderschap Blijft nodig is, speelt er per definitie een ernstig conflict tussen de ouders waarbij (mogelijk) sprake is van tegenstrijdige belangen. Het College wil de werkgever van de jeugdprofessional, en de beroepsgroep in het algemeen, dan ook in overweging meegeven hier rekening mee te houden in het toewijzen van een zaak.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdeel 4 gedeeltelijk gegrond;
  • verklaart voor het overige klachtonderdelen 1 tot en met 7 ongegrond;
  • ziet af van het opleggen van een maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 18 maart 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. S.C. van Duijn                                                          mevrouw mr. M.R. Veerman

voorzitter                                                                                        secretaris