De jeugdbeschermer wordt verweten dat zij partijdig is, optreedt als belangenbehartiger van de vader, zij onjuiste informatie over de moeder heeft verstrekt aan de rechtbank en zij onterechte opmerkingen en klachtgesprekken gebruikt als gronden tot beëindiging van de ondertoezichtstelling.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter,
de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,
mevrouw J.A. Pires, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdbeschermer bij [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. S.M.C. van Papenrecht.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [vertrouwenspersoon], werkzaam bij […].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. E. Lam, werkzaam als advocaat te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– Het klaagschrift met de bijlagen ontvangen op 31 oktober 2018;
– het verweerschrift met de bijlagen ontvangen op 21 december 2018.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 14 februari 2019 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorders aan de zijde van klaagster is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest haar maatschappelijk werkster en een vriendin. Als toehoorders aan de zijde van beklaagde zijn tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest haar partner en een collega. Tevens is een kantoorgenoot van de gemachtigde van beklaagde als toehoorder tijdens de mondelinge behandeling aanwezig geweest.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is moeder van een dochter, geboren in 2008, hierna aan te duiden als: de dochter.

2.2

Klaagster en haar ex-partner, hierna te noemen: vader, zijn sinds 6 december 2010 uit elkaar.

2.3

Bij beschikking van 27 september 2012 heeft de kinderrechter de dochter onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd.

2.4

Bij beschikking van 18 december 2014 en bekrachtigd in de beschikking van 3 september 2015 is de hoofdverblijfplaats van de dochter vastgesteld bij vader. Klaagster heeft een omgangsregeling met de dochter. Sinds 26 juni 2018 is de vader belast met het gezag.

2.5

Beklaagde is van september 2015 tot 8 juni 2018 belast geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Vanaf eind 2017 heeft beklaagde de ondertoezichtstelling samen met een collega uitgevoerd. Beklaagde als contactpersoon voor de dochter en haar collega als contactpersoon voor klaagster en vader. Beklaagde is sinds [datum] 2013 geregistreerd bij het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). In de periode van [datum] 2013 tot [datum] 2018 is zij geregistreerd geweest als jeugdzorgwerker. Vanaf [datum] 2018 is beklaagde geregistreerd als jeugd- en gezinsprofessional.

2.6

Op 12 januari 2017 is de dochter aangemeld bij [instelling] voor een psychodiagnostisch onderzoek. In hun rapport van 20 februari 2018 stelt [instelling] dat: “in de onderzoeksmomenten domineert de strijd tussen ouders, waarbij er eigenlijk niet zo zeer sprake is van strijd als wel van voortdurende beschuldigingen en diskwalificaties van moeder naar vader en van moeder naar de gezinsvoogd en van moeder naar de onderzoekers”. [instelling] concludeert dat: “Van belang voor de ontwikkeling van de dochter is dat zij niet langer belast wordt met de voortdurende spanningen tussen ouders, strijd en beschuldigingen door moeder en rechtszaken zodat thema’s die in haar belevingswereld spelen, minder prominent hoeven te worden”.

2.7

Beklaagde heeft op 16 november 2017 een brief aan de rechtbank geschreven naar aanleiding van het verzoek van klaagster om vader failliet te verklaren. Zij heeft de rechtbank verzocht om het verzoek af te wijzen, nu dit niet in het belang van de dochter zou zijn. Op 21 december 2017 heeft beklaagde hierover per brief haar excuses aangeboden aan klaagster.

2.8

Op 18 januari 2017 heeft beklaagde in een brief aan de rechtbank -betreffende de beslissing van de kinderrechter over het verzoek eenhoofdig gezag door de vader- laten weten dat de GI niet kan adviseren om het eenhoofdig gezag wel of niet aan vader toe te wijzen. Beklaagde geeft aan dat het naast de duidelijkheid en rust die het biedt, ook negatieve gevolgen voor de dochter kan hebben. Ter zitting van 7 december 2017 heeft beklaagde, namens de GI, aangegeven dat zij het verzoek van vader tot eenhoofdig gezag over de dochter inmiddels ondersteunen. De rechter heeft op 26 juni 2018 het gezag aan vader toegewezen.

2.9

Op 8 juni 2018 heeft beklaagde gemaild dat zij, na intern overleg, zal stoppen als gezinsvoogd van de dochter.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

De klacht heeft, kort samengevat en zakelijk weergegeven, betrekking op dat beklaagde partijdig is naar vader en haar handelen gericht is op het beëindigen van de ondertoezichtstelling van de dochter.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij partijdig is en optreedt als belangenbehartiger van vader, in plaats van als gezinsvoogd voor de dochter. Sinds de hoofdverblijfplaats is gewijzigd naar vader is de wil van vader leidend geworden. Ook heeft beklaagde vader ondersteund tijdens de rechtszaak waarbij klaagster heeft verzocht om vader failliet te verklaren. Voorts heeft beklaagde bij de rechtbank aangegeven dat als vader belast wordt met eenhoofdig gezag de ondertoezichtstelling kan worden beëindigd.

3.2.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat zij zich niet herkent in het beeld dat klaagster over haar schetst. Zij betwist dan ook dat de mening van vader leidend is geweest. Nadat de hoofdverblijfplaats is gewijzigd naar vader is er wel meer contact met vader geweest als hoofdopvoeder. Tijdens de procedure van klaagster om de hoofdverblijfplaats weer bij haar te bepalen heeft de GI als standpunt ingenomen dat het wederom wijzigen van de hoofdverblijfplaats niet in het belang van de dochter zou zijn. De visie van de GI kan voor klaagster gevoeld hebben als partij kiezen voor vader. Beklaagde heeft echter gehandeld vanuit het kader van de ondertoezichtstelling, waarbij de inzet en steun erop gericht moet zijn om de ernstige ontwikkelingsdreiging bij de dochter op te heffen.
Beklaagde heeft ingezien dat de brief van 16 november 2017, voor de procedure omtrent het failliet verklaren van vader, niet op deze wijze had mogen worden opgesteld. Ze heeft deze brief geschreven vanuit een oprechte zorg over de gevolgen van een faillissement van de vader op de dochter. Ze had zich in deze brief moeten beperken tot haar zorg en niet moeten uitweiden. Op 21 december 2017 heeft zij haar excuses hiervoor aangeboden en ook nu biedt beklaagde nogmaals haar excuses aan.
Bij een evaluatie over de ondertoezichtstelling heeft de GI zichzelf de vraag gesteld wat de toegevoegde waarde was van een eventuele verlenging van de ondertoezichtstelling. Nu de ondertoezichtstelling vooral gericht was op het regelen van zaken omtrent de omgang en vakantie. Op dat moment waren er geen actuele bedreigingen. Na deze evaluatie zijn de zorgen, mede door een doorgestuurde melding van Veilig Thuis, over de dochter weer toegenomen waardoor de verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk werd geacht.

3.2.3

Het College overweegt het volgende. Beklaagde is betrokken geraakt nadat de hoofdverblijfplaats van de dochter is gewijzigd naar vader. Zij is op een moeilijk moment ingestapt en werd daarbij geconfronteerd met een besluit waar klaagster niet achter stond. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij begrijpt dat klaagster over dit genomen besluit verdriet heeft, maar dat zij zich als jeugdprofessional daarnaast diende te houden aan het genomen besluit. Omdat de dochter bij de vader woont was er op dat moment meer contact met de vader. Het College acht het verweer van beklaagde hierover navolgbaar. Het dossier biedt geen aanknopingspunten waaruit blijkt dat de wil van vader leidend is geweest. Het College is van oordeel dat het handelen van beklaagde gericht is geweest op de dochter.
Beklaagde heeft erkend dat zij de brief in de faillissementsprocedure van vader op deze wijze niet had mogen schrijven. Zij heeft deze brief geschreven vanuit emotie in het belang van de dochter. Zij heeft hierop gereflecteerd en haar excuses meermaals aangeboden. Het College heeft niet kunnen constateren dat de brief is geschreven ter ondersteuning van de vader. De brief is geschreven om uit te leggen wat een faillissement mogelijk voor de dochter kon betekenen. Het was beter geweest als beklaagde zich hier had beperkt tot algemene bewoordingen. Zij heeft met deze brief gehandeld met het belang van de dochter voor ogen.
Het College heeft vastgesteld dat het verzoek tot eenhoofdig gezag is gedaan door vader. Klaagster heeft dit niet betwist. Bij de behandeling van dit verzoek heeft beklaagde het standpunt van de GI naar voren gebracht. In het proces-verbaal van 7 december 2017 in bijlage 1 van het klaagschrift op pagina 4 geeft de GI aan dat zij op basis van de afgelopen maanden het verzoek tot eenhoofdig gezag van de vader inmiddels steunen. Mogelijk kan de ondertoezichtstelling dan worden afgebouwd. Hierin is niet opgenomen dat dit ten grondslag ligt aan het verzoek tot eenhoofdig gezag. Het College is van oordeel dat het verweer op dit punt van beklaagde navolgbaar is. Bij elke verlenging van de ondertoezichtstelling dient de afweging te worden gemaakt die door de GI op dat moment heeft plaatsgevonden.
Het College is van oordeel dat beklaagde in haar verweer en tijdens de mondelinge behandeling dit klachtonderdeel uitgebreid heeft weersproken en weerlegd. Naast de aangehaalde voorbeelden door klaagster zijn in het dossier geen verdere aanknopingspunten gevonden waaruit kan worden geconcludeerd dat beklaagde partijdig is geweest en heeft opgetreden als belangenbehartiger van vader, in plaats van als gezinsvoogd voor de dochter. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Klaagster verwijt beklaagde bij herhaling onjuiste informatie over haar aan de rechtbank en andere instanties te hebben verstrekt waardoor er een negatief beeld over haar als moeder is ontstaan. Zo heeft klaagster meerdere keren haar zorgen geuit over haar dochter, maar worden deze zorgen bij de kinderrechter omgedraaid door te stellen dat klaagster haar dochter hiermee belast. Ook heeft beklaagde bij de rechtbank aangegeven dat klaagster zou vinden dat medicatie van de huisarts niet hoeft te worden gegeven. Dit is onjuist, er was helemaal geen sprake van medicatie.

3.3.2

Beklaagde herkent zich niet in het verwijt dat zij een onjuist beeld over klaagster in de stukken heeft geschetst, maar kan zich voorstellen dat klaagster dit wel zo ervaart. Er wordt namelijk benoemd hoe de contacten met klaagster verlopen en de voortdurende strijd en emotionele druk die zij legt op de dochter. Alle zorgen die klaagster heeft geuit over haar dochter zijn steeds serieus genomen en door klaagster wordt ook niet nader onderbouwd dat dit niet het geval zou zijn geweest.
De opmerking over de medicatie van de huisarts heeft beklaagde niet in de juiste context genoemd. Ze had moeten benoemen dat zij tijdens een gesprek met vader had begrepen dat klaagster de meegegeven zalf voor een behandeling van de dochter niet gebruikte, maar daar een eigen middel voor in de plaats gaf. Voor beklaagde is dit echter een voorbeeld waaruit blijkt wat voor strijd klaagster met vader voert, hetgeen schadelijk is voor de dochter.

3.3.3

Het College overweegt het volgende. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling en in haar verweer toegelicht dat naar aanleiding van de zorgen vanuit klaagster er meerdere acties zijn ondernomen omdat beklaagde de zorgen niet herkende. Het College stelt vast dat de visie van beklaagde en klaagster over de zorgen soms lijnrecht tegenover elkaar hebben gestaan. Dat het voor klaagster op sommige momenten mogelijk heeft gevoeld alsof beklaagde haar zorgen tegen haar heeft gebruikt kan daar een logisch gevolg van zijn. Dit leidt echter niet tot de conclusie dat beklaagde hiermee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Daarnaast zijn de zorgen zoals beklaagde die had, bevestigd in het rapport van [instelling].
Beklaagde heeft aangegeven dat zij de opmerking over de medicatie van de huisarts niet in de juiste context heeft genoemd. Zij had hierbij duidelijker kunnen aangeven dat het ging om iets wat zij van vader had gehoord. Doordat dit niet te noemen is hier mogelijk verwarring over ontstaan. Het was beter geweest als beklaagde concreet de context van de opmerking had benoemd, maar dit weegt niet zo zwaar dat beklaagde hiervan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
Het College kan niet vaststellen dat bij herhaling onjuiste informatie over klaagster aan de rechtbank en andere instanties is verstrekt waardoor er een negatief beeld over haar als moeder is ontstaan. Het dossier biedt geen aanknopingspunten waaruit het door klaagster gestelde blijkt. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Klaagster stelt dat beklaagde is gericht op het eenhoofdig gezag van de vader zodat zij de ondertoezichtstelling kan beëindigen. Hierbij wordt niet gekeken naar het belang van de dochter. Tijdens de zittingen bij de rechtbank heeft beklaagde een betoog gehouden waarom klaagster aan de zijlijn moet worden gezet.

3.4.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat het nooit haar bedoeling is geweest om klaagster op afstand te zetten. Het was een zoektocht voor beklaagde en haar collega om te komen tot een meer stabiele situatie voor de dochter. Voorts leest beklaagde in dit klachtonderdeel een herhaling van de vorige twee klachtonderdelen en verwijst ze voor haar verweer naar 3.2.2 en 3.3.2.

3.4.3

Het College stelt vast dat dit klachtonderdeel reeds is behandeld bij klachtonderdeel I. Voor de beoordeling van dit klachtonderdeel verwijst het College naar 3.2.3. Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij een opmerking van haar gebruikt waarin klaagster aangeeft klachten te hebben over het functioneren van beklaagde, om een beëindiging van de ondertoezichtstelling aan te vragen. Ook heeft beklaagde een gesprek met de leidinggevende benoemd als klachtgesprek en dit gebruikt als één van de argumenten om de ondertoezichtstelling te beëindigen.

3.5.2

Beklaagde kan de geschetste situatie door klaagster niet herinneren. Het indienen van een klacht is geen grond voor het beëindigen van een ondertoezichtstelling. Er zijn veel telefoongesprekken met klaagster geweest waarin veel verwijten zijn gemaakt door klaagster. Mogelijk in reactie daarop heeft beklaagde aangegeven dat het blijven indienen van klachten niet bijdraagt aan de gestelde doelen binnen de ondertoezichtstelling en de ondertoezichtstelling dan contraproductief kan werken.
Over de opmerking omtrent het klachtgesprek met de leidinggevende van beklaagde is voor beklaagde niet duidelijk wat klaagster hiermee wil zeggen. Klaagster heeft een gesprek gehad met de regiomanager en op verzoek is beklaagde later bij dit gesprek aangeschoven. Los van het feit dat de ondertoezichtstelling niet is beëindigd is het wel of niet hebben van een klachtgesprek geen grond voor het beëindigen van een ondertoezichtstelling.

3.5.3

Het College stelt vast dat de bandopname waar klaagster in haar klacht naar verwijst geen onderdeel is van het overgelegde dossier. Beklaagde heeft in haar verweer aangegeven dat zij mogelijk heeft gezegd dat het blijven indienen van klachten niet bijdraagt aan een goede samenwerkingsrelatie. Het College leest dit ook in bijlage 5 pagina 4 van het verweer. Het hierbij door klaagster gelegde verband met het beëindigen van de ondertoezichtstelling is volgens het College niet vast te stellen noch gebleken uit het overgelegde dossier. Het College komt tot dezelfde conclusie ten aanzien van het verwijt dat beklaagde een klachtgesprek heeft gebruikt als één van de argumenten om de ondertoezichtstelling te beëindigen. Hierbij volgt het College het verweer van beklaagde dat het hebben van een klachtgesprek geen grond is voor het beëindigen van de ondertoezichtstelling, nu dit ook niet is gebleken uit het overgelegde dossier. Het klachtonderdeel is ongegrond.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 28 maart 2019 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder            mevrouw mr. S.M.C. van Papenrecht
voorzitter                                                  secretaris