Een jeugdprofessional heeft een beroepsnorm geschonden door de gezaghebbende ouder niet vooraf te informeren over het opvragen van informatie bij het kinderdagverblijf.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter,
mevrouw mr. C.M.H.M. van Lent, lid-jurist,
mevrouw N. Baljet, lid-beroepsgenoot,
mevrouw drs. S. van der Kroon-Pantelić, lid-beroepsgenoot,
de heer drs. R.K. Koning, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [plaatsnaam],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als medewerker bij Veilig Thuis [plaatsnaam], hierna te noemen: Veilig Thuis.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. J.I. Heuvelhorst.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. B.M. Dijkstra, advocaat te Alkmaar.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 8 oktober 2017, met de bijlagen en de aanvulling hierop van 13 november 2017,
– het verweerschrift ontvangen op 9 januari 2018, met de bijlagen en de aanvulling hierop van 27 maart 2018.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 12 april 2018 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigde. Als toehoorder van de zijde van beklaagde zijn tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest [2 toehoorders].

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is moeder van de minderjarige kinderen: [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum], en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum], hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Klaagster en haar ex-partner, de vader van de kinderen zijn sinds 2015 uit elkaar. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt gezamenlijk uitgeoefend door klaagster en de vader. De kinderen wonen bij klaagster. De verstandhouding tussen klaagster en de vader is niet goed.

2.3

Vanaf 24 december 2016 heeft de politie een aantal meldingen gedaan bij Veilig Thuis. De politie maakte zich zorgen over [minderjarige 1]. Onderliggend zijn de problemen die klaagster en de vader hebben rondom de uitvoering van de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen.

Na de eerste politiemelding heeft beklaagde, in het kader van het onderzoek door Veilig Thuis, op 21 februari 2017 telefonisch contact gezocht met klaagster om haar te informeren over de werkwijze van Veilig Thuis, en om haar uit te nodigen voor een gesprek bij Veilig Thuis, waarvoor ook de vader zou worden uitgenodigd. Kort en zakelijk gezegd kon klaagster zich hier niet mee verenigen, waarna er geen gesprek heeft plaatsgevonden met klaagster. Gedurende het onderzoek hebben beklaagde en klaagster door middel van e–mailberichten met elkaar gecommuniceerd en heeft klaagster Veilig Thuis schriftelijk geïnformeerd; er heeft geen face to face gesprek plaatsgevonden.

Veilig Thuis heeft in mei 2017 zijn rapportage uitgebracht. De conclusie is dat het vermoeden van kindermishandeling in de vorm van psychisch geweld en pedagogische verwaarlozing is bevestigd. Veilig Thuis heeft daartoe blijkens de rapportage het volgende overwogen:
“Psychisch geweld: Ouders zijn niet in staat een rustige omgangsregeling te organiseren voor hun kinderen. De situatie hieromtrent escaleert regelmatig waardoor ook politie ter plaatse heeft moeten komen. Kinderen worden betrokken bij de strijd van ouders rondom deze omgang. [Klaagster] benadrukt in aanwezigheid van de kinderen hoe moeilijk de kinderen het hebben en dat zij veel hebben meegemaakt/getraumatiseerd zijn. (bron [instelling 2])
Pedagogische verwaarlozing: Ouders creëren een onduidelijke opvoedsituatie voor de kinderen door geen veiligheid te bieden bij het ophalen en terugbrengen van de kinderen. Met name [klaagster] lijkt zich zeer wisselend op te stellen naar de kinderen hierbij volgens de vader.
Vader uit zorgen over het opvoedkundig handelen van [klaagster] in de thuissituatie. Veilig Thuis heeft hier onvoldoende onderzoek naar kunnen doen, omdat [klaagster] hier niet aan mee wilde werken. Daarnaast heeft zij geen toestemming gegeven informanten te benaderen die geregeld/wekelijks de kinderen zien.[Klaagster] heeft kindertherapie geregeld zonder vader hierbij te betrekken. Veilig Thuis heeft vragen over de huidige psychische stabiliteit van [klaagster] en het effect daarvan op het opvoedkundig handelen van [klaagster].”
In vervolg op de rapportage heeft Veilig Thuis het gezin aangemeld bij Jeugdbescherming.

Op 25 april 2017 heeft naar aanleiding van een klacht van klaagster een klachtgesprek bij Veilig Thuis plaatsgevonden.

Op 5 september 2017 heeft klaagster een klacht ingediend bij de externe klachtencommissie GGD [plaatsnaam]. De externe klachtencommissie heeft vervolgens uitspraak gedaan –het College beschikt niet over de datum van de uitspraak-, en acht de klacht ongegrond, behoudens voor wat betreft de wijze waarop informatie is ingewonnen bij het kinderdagverblijf. Ten aanzien van laatstgenoemd aspect acht de klachtencommissie de klacht gegrond.

2.4

Beklaagde is werkzaam als medewerker bij Veilig Thuis en heeft het onderzoek in de onderhavige zaak verricht.

2.5

Beklaagde is als psycholoog sinds [datum] 2016 geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

De klacht komt er in de kern op neer dat beklaagde informatie negeert en haar zin doordrijft, zij klaagster niet serieus neemt, de inhoud van haar rapportage niet deugt en dat zij onvoldoende deskundig is om het onderzoek uit te voeren.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Zij negeert informatie die al bekend was bij Veilig Thuis over de vader, zoals de inhoud van de twee lange brieven die klaagster in reactie op de melding, aan de voorgangers van beklaagde had gezonden, in de periode voordat Veilig Thuis had besloten een onderzoek te verrichten. Ook weigert zij het dossier met informatie over het eerste gezin van de vader te betrekken bij haar onderzoek. Beklaagde drijft haar eigen werkwijze door in die zin dat ze, ondanks het feit dat klaagster heeft aangegeven dat de vader een narcist is, een gesprek met beide ouders wil, hoewel dit bij narcisten sterk wordt afgeraden. Ook heeft beklaagde in haar onderzoek ten onrechte geen rekening gehouden met andere belangrijke omstandigheden, zoals de rechtszaken die nog moesten plaatsvinden, de hulpverlening die al was ingezet en het feit dat de eerste ex-partner van de vader en zijn kinderen tegen dezelfde problemen met de vader aanlopen als klaagster.

3.2.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde geeft aan dat haar niet helemaal duidelijk is waar de informatie over het vermeende narcisme van de vader toe had moeten leiden. Zij verwijst naar artikel 8.4.1 van het VNG-model Handelingsprotocol voor het advies- en meldpunt Huiselijk geweld en kindermishandeling ‘Veilig Thuis’ (verder te noemen: het Handelingsprotocol), waarin staat dat gesprekken met betrokkenen, dus ook met de vader, behoren tot het onderzoek. Bovendien heeft beklaagde niet alleen aangedrongen op een gesprek met ouders in elkaars bijzijn, maar heeft zij klaagster ook gevraagd of zij alleen met Veilig Thuis in gesprek zou willen. Dit wilde klaagster echter ook niet, zij wilde alleen in gesprek met iemand die verstand zou hebben van narcisme. Beklaagde hoeft als onderzoeker niet akkoord te gaan met die voorwaarde.
Uit de overgelegde correspondentie blijkt voorts niet dat beklaagde geen acht heeft willen slaan op alle voorhanden zijnde informatie. Mogelijk heeft beklaagde niet woordelijk gezegd dat klaagster niet met haar ex-man in een ruimte wilde zijn, maar waar het om gaat is dat ze niet in bijzijn van de vader in gesprek wilde met Veilig Thuis, zoals in de rapportage is vermeld.
In de rapportage is de inhoud van de brief van klaagster van 20 januari 2017 en de inhoud van haar
e-mailbericht van 30 januari 2017 samengevat weergegeven. Ook is in de rapportage verwerkt dat klaagster vertelt dat de vader een narcist is. Al deze informatie is dus in het rapport verwerkt. Op grond van artikel E van de beroepscode respecteert de jeugdzorgwerker de persoon van de ouder met zijn eigen verantwoordelijkheid en opvoedingsvisie. Dat betekent echter niet dat de jeugdzorgwerker zonder meer hoeft aan te nemen wat de ene ouder over de andere ouder zegt.
Ten aanzien van het verwijt dat beklaagde de informatie over het andere gezin van de vader niet heeft betrokken bij de rapportage, verwijst beklaagde naar de vraagstelling in de rapportage: ”Wat hebben de ouders nodig om constructief te communiceren over hun kinderen?” en “Hoe kunnen de kinderen op positieve wijze met beide ouders contact hebben?”. Het onderzoek ging volgens beklaagde derhalve over de kinderen en hun ouders. Beklaagde stelt dat er dus een gefundeerde afweging is gemaakt over de reikwijdte van het onderzoek. Daarnaast geeft beklaagde aan dat hetgeen beide ouders verteld hebben over deze vorige relatie van de vader overigens wel in de rapportage is opgenomen, voor zover het voor het systeem relevant was. Ook is informatie ingewonnen bij de [jeugdbeschermer] van het eerste gezin van de vader, met zijn toestemming. Het is derhalve volgens beklaagde niet juist dat er in het geheel niets met de informatie over het eerste gezin is gedaan.

3.2.3

Het College constateert dat in het rapport van Veilig Thuis uit mei 2017 zowel de brief van klaagster aan Veilig Thuis van 20 januari 2017 als het e-mailbericht van klaagster aan Veilig Thuis van 30 januari 2017 is vermeld, en dat inhoud hiervan is samengevat. Gelet hierop acht het College niet aannemelijk geworden dat beklaagde de inhoud van deze brieven negeert, zoals door klaagster is gesteld.
In het door beklaagde overgelegde contactjournaal van het telefoongesprek tussen beklaagde en klaagster op 21 februari 2017 staat vermeld dat beklaagde klaagster heeft gevraagd of zij alleen met Veilig Thuis in gesprek wil gaan, nadat klaagster had aangegeven geen gezamenlijk gesprek te willen. Voorts maakt van het dossier deel uit een e-mailbericht van beklaagde aan klaagster van 2 maart 2017 waarin beklaagde het aanbod om met klaagster alleen in gesprek te gaan, heeft herhaald. Het College acht gelet hierop niet aannemelijk dat beklaagde zich jegens haar onnodig star heeft opgesteld en slechts met klaagster en de vader samen in gesprek wilde, zoals klaagster stelt. Het College neemt hierbij mede in aanmerking dat het telefonisch contact op 21 februari 2017 tot doel had een afspraak te maken voor een face to face gesprek.
Ook constateert het College dat in het rapport van Veilig Thuis is vermeld dat de vader drie kinderen heeft uit een eerder huwelijk, waarbij [instelling] betrokken is, en dat ten aanzien van de situatie rond deze kinderen een Raadsonderzoek is gestart. Voorts is in het rapport opgenomen dat beide ex-partners van de vader volgens klaagster aangeven problemen te ervaren met de vader, en dat Veilig Thuis de [jeugdbeschermer] van de vader als informant heeft benaderd. Het College ziet gelet hierop niet in dat beklaagde weigert informatie over het eerste gezin van de vader te betrekken bij haar onderzoek, zoals klaagster stelt, en heeft in het dossier geen aanknopingspunten voor de stelling dat beklaagde onvoldoende relevante informatie over het eerste gezin van de vader heeft verworven.
Tot slot acht het College onvoldoende aannemelijk gemaakt dat beklaagde in haar onderzoek te weinig rekening heeft gehouden met andere door klaagster genoemde omstandigheden, zoals rechtszaken en hulpverlening die al was ingezet. Het College meent dat klaagster als ouder met gezag in een onderzoek van Veilig Thuis naar de vraag of er sprake is van mishandeling van haar kinderen ook een eigen verantwoordelijkheid heeft. Het College kan zich voorstellen dat klaagster, als zij in gesprek was gegaan met Veilig Thuis, beter haar kant van het verhaal had kunnen belichten, dat dit tot een vollediger onderzoek had geleid, en dat beklaagde dan op haar beurt meer mogelijkheden had gehad om de werkwijze van Veilig Thuis aan klaagster uit te leggen. Dat het hiervan niet is gekomen, kan beklaagde echter naar het oordeel van het College niet worden verweten. Het College is van oordeel dat beklaagde, gegeven de omstandigheden en haar wettelijke taak, voldoende heeft meebewogen met klaagster.

3.2.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Zij neemt klaagster als cliënt niet serieus door geen interesse te tonen in haar mening aangaande het narcisme van de vader. Beklaagde laat hierdoor zien geen open houding te hebben, en meteen te oordelen. Beklaagde dreigt volgens klaagster verder met ernstige maatregelen, zoals contact met de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de RvdK) en de Beschermtafel, als klaagster niet doet wat beklaagde zegt, zonder dat dit ook maar op iets concreets is gebaseerd. Klaagster stelt dat als beklaagde gewoon haar werk zou doen, dat dreigen nergens voor nodig is.
Beklaagde komt ongefundeerd en ten onrechte tot de conclusie dat klaagster haar kinderen blootstelt aan mishandeling; beklaagde zet ten onrechte geen vraagtekens bij de vele agressiemeldingen over de vader bij de politie, die de vader stelselmatig ontkent. Klaagster stelt dat het zowel gaat om verbale agressie als om fysieke mishandelingen door vader van klaagster, zijn eerste ex-partner als zijn oudste dochter. Als beklaagde deze agressie van de vader had benoemd, dan was er al een veel genuanceerder beeld geschetst volgens klaagster. Beklaagde toont bovendien geen enkele zelfreflectie; zij erkent niet dat zij zaken misschien op een andere manier had kunnen aanpakken. Klaagster geeft aan zich niet in het rapport te herkennen; hetzelfde geldt voor haar psychotherapeut. Klaagster mist bijvoorbeeld in het rapport dat zij zich stevig heeft getoond, door ervoor te kiezen met [minderjarige 1] en hoogzwanger van [minderjarige 2] in hun belang de vader vanwege fysieke en psychische mishandeling te verlaten.

3.3.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde heeft met haar opmerking dat het narcisme van de vader niet gediagnosticeerd was en dat er niet gediagnosticeerd wordt op narcisme, slechts willen aangeven dat Veilig Thuis niet alleen op basis van de informatie van klaagster kan aannemen dat de vader een narcist is. Bovendien zou het narcisme van de vader naar de mening van beklaagde niet in de weg staan aan een onderzoek. Het belang van de kinderen is voor Veilig Thuis leidend, conform art. A van de Beroepscode, zo stelt zij. Voor beklaagde was het doel van het betreffende telefoongesprek op 21 februari 2017 dat zij een afspraak zou kunnen maken met beide ouders om, bij voorkeur in elkaars bijzijn, te praten over de melding. Beklaagde betreurt het dat ze er niet in geslaagd is om in het eerste telefoongesprek een positief contact met klaagster op te bouwen. Zij vindt echter dat zij binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Achteraf vindt beklaagde wel dat zij klaagster op 21 februari 2017 aan het einde van de dag had moeten terugbellen, zoals afgesproken, al was het om te melden dat ze nog geen overleg met de gezondheidszorgpsycholoog had kunnen hebben. Beklaagde betreurt dat het niet is gekomen tot een face-to-face gesprek waarin klaagster en beklaagde op de inhoud hadden kunnen ingaan. Beklaagde is van mening dat uit haar opmerkingen zoals weergegeven in de klacht en in het contactjournaal van het telefoongesprek van 21 februari 2017 niet blijkt dat zij de mening van klaagster er niet toe vond doen, of dat ze geen open houding had. Integendeel, zo stelt zij: toen bleek dat klaagster niet in bijzin van de vader in gesprek wilde, vroeg beklaagde aan klaagster of zij dan alleen met Veilig Thuis in gesprek wilde, waarna zij te horen kreeg dat zij zich eerst moest verdiepen in narcisme. Voor Veilig Thuis was dit geen aanleiding om het onderzoek door een andere medewerker te laten doen. Beklaagde heeft hierover wel overleg gehad met de gezondheidszorgpsycholoog en de teammanager. Die gaven aan dat een onderzoeker niet gespecialiseerd behoefde te zijn op het gebied van narcisme. Voor nadere ondersteuning kon beklaagde een beroep doen op de gezondheidszorgpsycholoog. Aangezien klaagster ook geen vertrouwen had in de eerste twee medewerkers van Veilig Thuis waarmee zij contact had, is het volgens beklaagde overigens maar zeer de vraag of klaagster een andere medewerker van Veilig Thuis wel deskundig genoeg had gevonden. Beklaagde geeft aan dat haar reacties niet getuigen van gebrek aan zelfreflectie. In reactie op de klacht geeft beklaagde immers op bepaalde punten aan dat zaken anders hadden moeten lopen, zo stelt zij.

3.3.3

Het College acht niet aannemelijk dat beklaagde klaagster als cliënt niet serieus heeft genomen en geen interesse toonde in haar mening betreffende het narcisme van de vader. Beklaagde heeft immers het verzoek van klaagster om het onderzoek te laten verrichten door een specialist in narcisme, multidisciplinair besproken. Voorts heeft beklaagde, zoals hierboven reeds ten aanzien van het eerste klachtonderdeel is overwogen, toen zij op 21 februari 2017 telefonisch van klaagster vernam dat zij vanwege het narcisme van de vader geen gezamenlijk gesprek wilde, aangeboden om met klaagster alleen in gesprek gegaan. Bovendien had het telefonisch contact op 21 februari 2017 tot doel een afspraak te maken voor een face to face gesprek met klaagster ten behoeve van het onderzoek; het College acht het dan ook begrijpelijk dat beklaagde op dat moment verder niet uitgebreid is ingegaan op klaagsters stelling aangaande het narcisme. Het College concludeert dat beklaagde gelet op het doel van het telefonisch contact op 21 februari 2017 met een voldoende open houding dit contact is aangegaan.
Ten aanzien van het benoemen en onderzoeken van de agressiemeldingen overweegt het College als volgt. In het rapport van mei 2017 is onder meer vermeld dat klaagster heeft verklaard dat vader [minderjarige 1] en haar fysiek heeft mishandeld, dat hij een dochter uit een eerder huwelijk in het bijzijn van [minderjarige 1] heeft mishandeld, dat de vader heeft verklaard dat deze dochter uit zijn eerste huwelijk aangifte tegen hem heeft gedaan van dit incident en dat de aanklacht is geseponeerd. Voorts constateert het College dat in het rapport is vermeld dat er drie politiemeldingen bij Veilig Thuis zijn betreffende het gezin van klaagster en de vader en dat er daarnaast politiemeldingen uit het eerste gezin van de vader bekend zijn bij Veilig Thuis. Het College acht aldus niet aannemelijk geworden dat beklaagde de agressie van de vader niet heeft benoemd, zoals klaagster stelt. Voorts heeft beklaagde de [jeugdbeschermer] van het eerste gezin van de vader als informant benaderd en is in het rapport vermeld dat er een Raadsonderzoek wordt verricht naar de situatie van de kinderen in het eerste gezin van de vader. Uit het rapport komt derhalve naar voren dat beklaagde kennis heeft genomen van bedoelde informatie rond de vader en de zorgen hierover, en dat zij deze heeft meegewogen in haar onderzoek. Het College acht niet aannemelijk gemaakt dat beklaagde hierin onjuist of onzorgvuldig heeft gehandeld.
Evenmin acht het College aannemelijk geworden dat beklaagde dreigt met ernstige maatregelen als contact met de RvdK en de Beschermtafel, zonder dat dit op iets concreets is gebaseerd. Het College constateert dat in bijlage 1 bij het rapport van mei 2017 in multidisciplinaire overleggen op 4 april 2017 en op 21 april 2017 respectievelijk is besloten dat wanneer klaagster geen toestemming geeft voor het spreken van het kinderdagverblijf als informant er overlegd zal worden met de RvdK rondom mogelijke inbreng bij de Beschermtafel en dat het advies van de RvdK is de zaak aan te melden bij Jeugdbescherming. Het College is van oordeel dat beklaagde derhalve door in haar
e-mailbericht van 7 april 2017 aan klaagster te noemen dat er onvoldoende zicht is op de situatie, en dat om goed zicht te krijgen het noodzakelijk is om klaagster te spreken, de kinderen te zien en het kinderdagverblijf te benaderen als informant, op duidelijke wijze uitvoering heeft gegeven aan hetgeen in multidisciplinair overleg was besloten. Het College vermag niet in te zien dat beklaagde hiermee buiten de grenzen is getreden van een redelijk bekwame jeugdprofessional.
Tot slot heeft beklaagde naar het oordeel van het College zowel in haar verweerschrift als ter zitting getoond in staat te zijn tot reflectie op haar eigen handelen.

3.3.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
De inhoud van de rapportage deugt niet, in die zin dat beklaagde zaken verdraait, hierin onvolledige en valse informatie heeft opgenomen en valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Beklaagde heeft de informatie van de huisarts van klaagster verdraaid, en ook een deel van de informatie van de huisarts weggelaten –te weten dat er in de twee gezinnen rond de vader dezelfde problemen spelen- omdat het niet in haar straatje paste. Doordat beklaagde blijft beweren dat deze informatie is geaccordeerd, pleegt zij valsheid in geschrifte. Beklaagde heeft voorts zonder toestemming van klaagster en zonder haar te informeren contact opgenomen met het kinderdagverblijf ten behoeve van informatie. Beklaagde problematiseert, doet geen onderzoek maar zet slechts twee losse verhalen neer, zonder aan waarheidsvinding te doen. Beklaagde schrijft klakkeloos op wat er wordt gezegd, gaat zelf maar aan de slag met een eigen mening en schrijft dit als waarheid op. Vooral de stelling dat klaagster als moeder aan psychische mishandeling doet doordat zij in het bijzijn van de kinderen genoemd heeft dat zij het moeilijk hebben, is uit de lucht gegrepen. Klaagster meent dat beklaagde te stellig is, zonder nadere onderbouwing; zij noemt nergens ‘mogelijkheden” of “overwegingen”. Beklaagde zet verder ten onrechte nergens vraagtekens bij het gedrag, de houdingen en stellingen van de vader, bijvoorbeeld over het mishandelen van zijn oudste dochter, over wie hij is als persoon, over de relatie tot zijn eerste gezin en zijn agressie, zo stelt zij. Er is dan ook sprake van een eenzijdig verhaal.

3.4.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde bestrijdt dat zij door de wijze waarop zij het rapport heeft opgesteld, het vertrouwen in de jeugdzorg heeft geschonden. Beklaagde verwijst naar de voorschriften ten aanzien van het vastleggen van de uitkomsten van het onderzoek op pagina 33 van het Handelingsprotocol. Beklaagde stelt dat zij zich aan deze regels heeft gehouden. Uit het rapport blijkt immers duidelijk wanneer wordt weergegeven wat de vader, klaagster of de professional heeft verteld. Daarmee zijn het inderdaad twee “losse” op zichzelf staande verhalen en worden feiten onderscheiden van meningen.
Beklaagde heeft aangegeven dat zij op 30 maart 2017 contact heeft gehad met de huisarts van klaagster, wat zij en de huisarts elkaar over en weer hebben verteld en dat zij afspraken dat beklaagde een verslag hiervan zou opmaken. Beklaagde geeft aan dat de huisarts op 3 april 2017 in een e-mailbericht in reactie op het verslag heeft geschreven: “Prima verslag, dank”. Beklaagde stelt dat conform het Handelingsprotocol de in de rapportage opgenomen weergave van de informatie van de professionals, door hen is geaccordeerd.
Beklaagde begrijpt dat klaagster stelt dat zij haar geen toestemming gaf om met andere hulpverleners te spreken omdat informatie “in een gat zou vallen” en er niet de deskundigheid was om het in het juiste kader te passen. Beklaagde vraagt zich af waar klaagster dit op baseert: zij heeft beklaagde slechts één keer telefonisch gesproken.
In een reactie van 8 maart 2017 op een e-mailbericht van beklaagde van 2 maart 2017 geeft klaagster aan dat het e-mailbericht misleidend is omdat de suggestie zou worden gewekt dat er geen informatie wordt opgevraagd als ze geen toestemming geeft; dit staat er volgens beklaagde echter niet: er wordt alleen aangegeven dat er behoudens haar tegenbericht uit gegaan wordt van toestemming. Het e-mailbericht is volgens beklaagde dan ook niet misleidend want al in het eerste telefoongesprek is tegen klaagster gezegd dat er met en zonder haar toestemming informatie kon worden opgevraagd, maar dat het er om gaat dat het al dan niet hebben van toestemming bij de informant moet worden gemeld.
In het handelingsprotocol staat, zo stelt beklaagde, dat Veilig Thuis in principe de ouders informeert over informatie die bij professionals opgevraagd is of wordt, en dat daarbij dus geen toestemming wordt gevraagd. Hoewel het dus volgens beklaagde feitelijk niet nodig is om toestemming te vragen, doet Veilig Thuis dat in de regel wel zodat dit opgenomen kan worden in het dossier en verstrekt aan de informanten.
Beklaagde stelt dat zij op 28 maart 2017 telefonisch informatie heeft opgevraagd bij het kinderdagverblijf, met toestemming van de vader. Beklaagde had klaagster niet om toestemming hoeven vragen, maar haar wel vooraf moeten informeren. Zij erkent dat het onzorgvuldig is dat dit niet is gebeurd, maar niet dusdanig onzorgvuldig dat zij daarmee niet is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsbeoefening.
Beklaagde geeft voorts aan dat de door [medewerker] van [instelling 2] gegeven informatie door haar is geaccordeerd. Niet alleen is in het rapport opgenomen dat klaagster in bijzijn van de kinderen bespreekt hoe moeilijk ze het hebben, maar ook dat er met klaagster is besproken dat ze beter de positieve zaken kan benadrukken en dat klaagster hiervoor open stond. Aldus is er een genuanceerd beeld gegeven. Het in aanwezigheid van de kinderen de traumatische situatie benadrukken is volgens beklaagde, ongeacht of dit een jaar geleden is, een signaal dat Veilig Thuis serieus moet nemen. Dit gedrag valt onder de norm ‘psychisch geweld’. Beklaagde bestrijdt dat er hierdoor sprake is van het misbruiken van invloed. Deze conclusie in de rapportage volgt uit feitelijke informatie die in de context, en ook volledig is weergegeven. Wellicht had in de rapportage of in de reactie aan klaagster uitgebreider uitgelegd moeten worden, waarom dit niet goed is voor de kinderen en dus valt onder de noemer ‘psychisch geweld’, aldus beklaagde.
Onjuist is volgens beklaagde de stelling van klaagster dat er nergens vraagtekens gezet worden bij het gedrag van de vader. Beklaagde heeft gesproken met de vader en informatie bij zijn huisarts opgevraagd. Beklaagde stelt dat in het rapport ook de meldingen over agressie uit het verleden zijn weergegeven. Deze meldingen staan niet in de beoordeling/conclusie; daarin staat wel dat er in het andere gezin van de vader een Raadsonderzoek zal worden verricht en dat [instelling] actief is.
Beklaagde betwist dat zij in haar e-mailbericht van 7 april 2017 ergens mee heeft gedreigd. Ze heeft alleen aangegeven dat zij, om goed zicht te krijgen, met klaagster persoonlijk wilde spreken, de kinderen wilde zien en het kinderdagverblijf wilde benaderen als informant. In een e-mailbericht van 11 april 2017 aan beklaagde heeft klaagster volgens beklaagde aangegeven dat zij het gedrag en de houding van beklaagde meer dan zat is, terwijl beklaagde niet meer verlangde dan het maken van een afspraak voor een gesprek, het zien van de kinderen en het inwinnen van informatie bij de kinderopvang. Beklaagde geeft aan dat Veilig Thuis vervolgens op advies van de RvdK heeft besloten dat het gezin aangemeld zal worden bij [instelling]. Dat heeft volgens beklaagde niets te maken met het ‘dreigen met ernstige maatregelen als ik niet doe wat zij zegt”, zoals klaagster stelt. Beklaagde heeft juist geprobeerd zo transparant mogelijk te zijn.
Beklaagde geeft aan dat zij het concept rapport aan klaagster heeft voorgelegd, met het verzoek hierop te reageren. Zij heeft de reactie van de ouders vermeld onder “Mening betrokkenen” en heeft de reactie van klaagster als bijlage bij het rapport aangehecht. Alleen feitelijke onjuistheden worden in het rapport zelf aangepast, zo stelt beklaagde.

3.4.3

Het College constateert dat beklaagde in haar rapport overeenkomstig het VNG Handelingsprotocol voor het Advies- en Meldpunt Huiselijk geweld en kindermishandeling “Veilig Thuis” de feiten heeft gescheiden van meningen, oordelen en hypothesen. De mening van klaagster is blijkens het rapport op veel punten anders dan die van de vader, zodat deze meningen tegenover elkaar staan, maar dit maakt naar het oordeel van het College niet dat beklaagde niet juist heeft gehandeld.

Van het dossier maakt voorts deel uit een e-mailbericht van de huisarts van klaagster aan beklaagde van 3 april 2017 waarin de huisarts in antwoord op de vraag van beklaagde haar weergave van de verstrekte informatie te accorderen, aangeeft: “Prima verslag. Dank”. Het College kan klaagster dan ook niet volgen in haar standpunt dat er in deze sprake zou zijn van het verdraaien van informatie en valsheid in geschrifte; de weergave van de informatie die door deze professional is verstrekt, is immers conform het Handelingsprotocol door haar geaccordeerd. Ook anderszins is niet gebleken dat beklaagde informatie heeft verdraaid dan wel onjuist heeft weergegeven.

Het College stelt vast dat ook de informatie van de [instelling 2] is geaccordeerd. Op deze informatie is de conclusie in het rapport, dat sprake is van psychisch geweld, deels gebaseerd. Het College is dan ook van oordeel dat klaagster tegenover de gemotiveerde betwisting van beklaagde zoals hierboven onder 3.4.2 weergegeven, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de conclusie dat er sprake is van psychisch geweld, uit de lucht is gegrepen. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat beklaagde door de conclusie van psychisch geweld te trekken naar aanleiding van de informatie van de [instelling 2], buiten de grenzen is getreden van een redelijk bekwaam jeugdprofessional.

Ten aanzien van het raadplegen van het kinderdagverblijf is het volgende van belang.

In een e-mailbericht van 2 maart 2017 aan klaagster geeft beklaagde aan dat zij in het kader van het onderzoek in ieder geval contact gaat opnemen met het consultatiebureau en de huisarts, dat nog beoordeeld zal worden of het noodzakelijk is andere professionals te benaderen en dat beklaagde ervan uitgaat dat klaagster instemt met het opvragen van informatie als zij voor 8 maart 2018 niets heeft vernomen. In het rapport staat dat beklaagde op 28 maart 2017 het kinderdagverblijf telefonisch heeft benaderd voor informatie, dat een belafspraak is gemaakt voor 30 maart 2017, dat klaagster op 28 maart 2017 een e-mailbericht naar beklaagde heeft gezonden dat zij allerminst toestemming heeft gegeven en dat het kinderdagverblijf op 30 maart 217 niet heeft teruggebeld naar Veilig Thuis. Het College is van oordeel dat beklaagde, zoals ook de klachtencommissie heeft geoordeeld en beklaagde zelf heeft erkend, niet overeenkomstig het Handelingsprotocol heeft gehandeld door niet vooraf aan klaagster te laten weten dat zij voornemens was contact op te nemen met het kinderdagverblijf voor informatie. Anders dan klaagster stelt, was het geven van toestemming voor het raadplegen van informanten echter niet nodig. Het College begrijpt overigens de bij klaagster ontstane verwarring getuige haar e-mailbericht van klaagster aan beklaagde van 8 maart 2017; het vragen van toestemming om informanten te raadplegen verhoudt zich moeizaam met de mededeling dat ook zonder toestemming informanten kunnen worden geraadpleegd. In het e-mailbericht van 2 maart 2017 heeft beklaagde weliswaar aangekondigd dat zij mogelijk nog contact zal opnemen met andere professionals, maar dit bericht kan niet gezien worden als een gericht vooraf informeren aangaande een extern contact. Dat het uiteindelijk op 28 maart 2017 en ook niet later is gekomen van inhoudelijk contact met het kinderdagverblijf, doet aan een en ander niet af. Het College is van oordeel dat beklaagde door klaagster niet vooraf te informeren over het raadplegen van het kinderdagverblijf aldus een beroepsnorm heeft geschonden. Desgevraagd heeft beklaagde aangegeven vanwege de aard van haar werkzaamheden de beroepscode voor de Jeugdzorgwerker van toepassing te achten, ondanks haar registratie als psycholoog. Voor klaagster geldt dat zij evenzeer bij de formulering van haar klachten aansluiting heeft gezocht bij de beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Het College zal hierin meegaan, en is van oordeel dat beklaagde betreffende haar contact met het kinderdagverblijf heeft gehandeld in strijd met artikel F van de beroepscode voor de Jeugdzorgwerker, waarin is voorgeschreven dat de jeugdzorgwerker de wettelijke vertegenwoordiger van de jeugdige cliënt de voor de hulpverlening relevante informatie verschaft. Nu beklaagde geregistreerd is als psycholoog, zal het College ambtshalve ook het geschonden corresponderende artikel van de Beroepscode voor psychologen vermelden, te weten artikel 83, waarin is voorgeschreven dat de psycholoog de cliënt van tevoren op de hoogte stelt wanneer zij op grond van een wettelijke bepaling verplicht is gegevens zonder toestemming te verstrekken aan derden.
Tot slot is het College niet gebleken van een eenzijdig verhaal, zoals door klaagster gesteld. Zoals hierboven reeds overwogen, kan het College zich voorstellen dat klaagster, als zij in gesprek was gegaan met beklaagde, beter haar kant van het verhaal en visie had kunnen belichten, en dat dit een vollediger onderzoek had opgeleverd. Dat het hiervan niet is gekomen, kan beklaagde echter naar het oordeel van het College niet worden verweten.

3.4.4

Het klachtonderdeel wordt gegrond verklaard voor wat betreft de wijze waarop informatie is ingewonnen bij het kinderdagverblijf. Voor het overige is dit klachtonderdeel ongegrond.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven dat zij onvoldoende deskundig is om het onderzoek van Veilig Thuis uit te voeren. Zo heeft zij onvoldoende kennis van narcisme en is zij ook niet bereid zich hierin te verdiepen. Verder heeft zij geen analytisch vermogen.

3.5.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde stelt dat klaagster concludeert dat zij niet deskundig is, slechts op grond van twee opmerkingen die in een eerste telefoongesprek zijn gemaakt. Daarmee staat volgens beklaagde nog niet vast dat de beroepsnorm is overtreden in die zin dat zij niet beschikt over actuele kennis en niet in nauwe aansluiting op de ontwikkelingen in de jeugdzorg handelt. Het belang van de kinderen is leidend in het onderzoek, niet de visie van klaagster op de persoonlijkheid van de vader, aldus beklaagde. Beklaagde heeft zich in het onderzoek laten bijstaan, zo blijkt ook uit de rapportage.

3.5.3

Het College acht mede in aanmerking genomen hetgeen zij ten aanzien van de andere klachtonderdelen heeft overwogen, niet aannemelijk gemaakt dat beklaagde onvoldoende deskundig is om het onderzoek van Veilig Thuis uit te voeren. Beklaagde is psycholoog en aldus voldoende gekwalificeerd om onderzoeken bij Veilig Thuis te verrichten. Voorts is uit het dossier naar voren gekomen dat zij daar waar nodig in multidisciplinair verband heeft overlegd en voor wat betreft specifieke kennis aangaande narcisme een beroep kon doen op een gezondheidszorgpsycholoog. Ook overigens is het College niet gebleken van onvoldoende deskundigheid van beklaagde.

3.5.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

3.5.5

Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot klachtonderdeel III deels een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het College ziet af van het opleggen van een maatregel. Hierbij neemt het College in aanmerking dat de klachtencommissie reeds heeft geoordeeld dat beklaagde ten aanzien van haar contact met het kinderdagverblijf onjuist heeft gehandeld, beklaagde dit heeft erkend en hierop heeft gereflecteerd, en dat het handelen van beklaagde weinig nadeel heeft opgeleverd doordat er geen informatie is verstrekt en aldus ook geen (geaccordeerde) informatie afkomstig van het kinderdagverblijf in het rapport is opgenomen.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdeel III deels gegrond en deels ongegrond, en de overige klachtonderdelen ongegrond;
– ziet af van het opleggen van een maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 24 mei 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder
voorzitter

mevrouw mr. J.I. Heuvelhorst
secretaris