De gezinscoach (buurtteam) wordt verweten dat zij in strijd heeft gehandeld met gemaakte afspraken, onbevoegd en ondeskundig was, en een zwart beeld van de moeder heeft geschetst.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel, voorzitter,
mevrouw S.M.C. Bremmer-van de Kooij, lid-beroepsgenoot,
mevrouw T. Roosblad, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[moeder], hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[de jeugdprofessional], hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als gezinscoach bij [het buurtteam] te [plaatsnaam], hierna te noemen: het buurtteam.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

De moeder wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde, de heer mr. M. Erkens, advocaat te Den Haag.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde, de heer mr. E.J.C. de Jong, advocaat te Utrecht.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 7 februari 2019, met de bijlagen;
– het verweerschrift ontvangen op 9 april 2019, met de bijlagen.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 13 juni 2019 in aanwezigheid van de moeder, de jeugdprofessional en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder van de zijde van de moeder is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht haar partner aanwezig geweest. Als toehoorder van de zijde van de jeugdprofessional is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht haar manager aanwezig geweest. Vanuit het College is als toehoorder een tweede secretaris aanwezig geweest.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

De moeder heeft een dochter en een zoon uit een eerder huwelijk, hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen. De moeder en de vader van de kinderen zijn sinds maart 2017 gescheiden. De kinderen zijn in 2012 in een perspectief biedend pleeggezin geplaatst en de moeder heeft een bezoekregeling. In februari 2016 is het gezag van de moeder en de vader over de kinderen beëindigd. Sindsdien is [de GI], hierna te noemen: de GI, belast met de voogdij over de kinderen.

2.2

Vanaf 2010 zijn er diverse vormen van gezinsbegeleiding en opvoedondersteuning aan de moeder verleend.

2.3

In 2017 heeft de moeder een nieuwe relatie gekregen en is zij zwanger geraakt.

2.4

De moeder heeft zich aangemeld bij het buurtteam voor ondersteuning tijdens de zwangerschap. De moeder en het buurtteam hebben vervolgens besproken over hoe de begeleiding vorm zal krijgen. Vanaf 25 juli 2018 is de jeugdprofessional, die ambulante hulp gaat bieden, als gezinscoach bij de moeder betrokken geraakt. De moeder was op dat moment acht maanden zwanger.

2.5

Op 3 augustus 2018 heeft de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: RvdK, een rapport uitgebracht naar aanleiding van het verzoek van de GI van 26 april 2018 tot het verrichten van onderzoek naar het – toen nog – ongeboren kind: ‘omdat er ernstige zorgen zijn over de ontwikkeling en vrijwillige hulpverlening niet toereikend lijkt’.

2.6

Eind augustus 2018 hebben de moeder en haar nieuwe partner, hierna: de vader, een zoon gekregen. Het gezag over de zoon berust bij beide ouders. Er is sprake van een latrelatie.

2.7

Op verzoek van de RvdK heeft de kinderrechter bij beschikking van 13 september 2018 de zoon onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van negen maanden, dat wil zeggen tot 13 juni 2019. ‘Dit is noodzakelijk om de ontwikkeling en veiligheid van [de zoon] te kunnen monitoren en de beoogde hulpverlening te kunnen inzetten’. De voogd van de kinderen is vanaf dat moment tevens jeugdbeschermer van de zoon geworden.

2.8

De jeugdprofessional heeft in het kader van de ambulante hulpverlening aan de moeder een eindverslag opgesteld. Op 9 januari 2019 heeft de jeugdprofessional dit eindverslag, in het bijzijn van een collega, met de moeder besproken.

2.9

Op 11 januari 2019 heeft de GI de kinderrechter verzocht voor de zoon een spoedmachtiging uithuisplaatsing te verlenen. De GI is van mening ‘dat de uithuisplaatsing gedurende dag en nacht in het belang van de verzorging en opvoeding van [de zoon], of tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid noodzakelijk is’.

2.10

Bij beschikking van 14 januari 2019 heeft de kinderrechter de spoedmachtiging uithuisplaatsing verleend, in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van vier weken tot 11 februari 2019. ‘De bevindingen van het verslag van [de jeugdprofessional] maken dat de GI zich grote zorgen maakt over [de zoon]. [De moeder] kan onvoldoende aansluiten bij [de zoon] (mentaliseren) en is onvoldoende in staat dit aan te leren’.

2.11

De jeugdprofessional is als jeugd- en gezinsprofessional sinds [datum] 2018 geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

De kern van de klacht is dat de jeugdprofessional in strijd heeft gehandeld met de gemaakte afspraken, zij meningen en feiten in het eindverslag niet heeft gescheiden en hierin een onjuist beeld van de moeder heeft geschetst, zij onbevoegd en ondeskundig oordeelt en dat zij zich heeft laten gebruiken. De jeugdprofessional heeft niet onafhankelijk en professioneel gehandeld gedurende haar betrokkenheid bij de moeder.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional heeft in strijd gehandeld met de gemaakte afspraken, en daarbij heeft de jeugdprofessional onvoldoende hulp geboden.

3.2.2

Toelichting: De moeder kreeg de kans om voor de zoon te zorgen, nadat eerder haar twee andere kinderen uit huis zijn geplaatst en het ouderlijk gezag is beëindigd. De jeugdprofessional kwam voor hulp en ondersteuning eens per week thuis bij de moeder. De jeugdprofessional was in eerste instantie positief over de moeder en de zoon, maar na drie maanden adviseert zij dat de zoon uit huis moet worden geplaatst. De problemen die de jeugdprofessional ziet, zijn niet met de moeder besproken. Er is geen of onvoldoende hulp geboden. In het verslag geeft de jeugdprofessional zelf aan dat is afgesproken dat zij zo transparant mogelijk werkt: bij zorgen volgt eerst een gesprek met de moeder en daarna met andere hulpverleners. De jeugdprofessional geeft vervolgens aan dat zij er bewust voor heeft gekozen om sommige zaken niet te bespreken, omdat de samenwerkingsrelatie belangrijker zou zijn. De moeder begrijpt niet hoe de samenwerkingsrelatie belangrijker kan zijn als dit vervolgens leidt tot een negatieve beoordeling met ernstige consequenties zonder hierover met de moeder te spreken, haar een kans te bieden om te verbeteren en zo nodig aanvullende hulp in te schakelen. De jeugdprofessional heeft het wantrouwen van de moeder in de hulpverlening bevestigd.

3.2.3

De jeugdprofessional voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Het is juist dat de jeugdprofessional niet alle bevindingen die haar zorgen baarden (direct) met de moeder heeft besproken. De jeugdprofessional moest voorzichtig manoeuvreren bij de moeder, niet alleen vanwege de cognitieve beperkingen van de moeder, maar vooral vanwege het enorme wantrouwen dat de moeder jegens hulpverleners had. De moeder was verder soms erg dwingend. Vanuit dat perspectief bezien heeft de jeugdprofessional er voor gekozen om het opbouwen, en in stand houden van een goede samenwerkingsrelatie te laten prevaleren boven het steeds bespreekbaar maken van zaken die in de visie van de jeugdprofessional niet goed gingen. Een goede samenwerkingsrelatie was nodig om de eventuele mogelijkheden van de moeder zo goed als mogelijk te (laten) ontwikkelen. De jeugdprofessional is ervan overtuigd dat indien zij de moeder steeds met haar zorgen geconfronteerd zou hebben, de broze samenwerkingsrelatie dermate verstoord zou zijn geraakt dat hulpverlening feitelijk onmogelijk zou zijn geweest. De jeugdprofessional heeft jegens de moeder ook nooit naar voren gebracht dat zij volledig transparant zou zijn.

3.2.4

Het College overweegt als volgt:
Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de moeder desgevraagd verklaard dat zij zelf contact heeft gezocht met het buurtteam, omdat zij verplicht was om hulp in te schakelen. De moeder was op dat moment in verwachting en wilde leren om ‘een goede moeder’ te zijn. Vast staat dat vanaf 25 juli 2018 de jeugdprofessional als ambulante hulpverlener drie à vier uur per week bij de moeder thuis is gekomen. De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht onweersproken gesteld dat er bij de start van de hulpverlening in juli 2018 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de moeder, de voogd van de kinderen, een eerder betrokken hulpverlener en de jeugdprofessional. Tijdens dit gesprek zijn de doelen vastgesteld. In het eindverslag staan deze doelen ook benoemd, namelijk ‘het bevorderen van de hechting’ en ‘het vergroten van het mentaliserende vermogen’. Tevens heeft de jeugdprofessional in het startgesprek aangegeven dat zij een dubbele taak had: zij gaf ondersteuning aan de moeder, maar diende ook te rapporteren aan de GI. Het College overweegt dat deze dubbele opdracht mogelijk tot verwarring heeft geleid bij de moeder, nu de moeder er kennelijk van uit is gegaan dat zij alleen opvoedondersteuning zou krijgen van de jeugdprofessional. Het College kan echter niet vaststellen dat de jeugdprofessional niet overeenkomstig de gemaakte afspraken gehandeld zou hebben, zeker nu in het eindverslag ook helder beschreven staat dat gewerkt moest gaan worden aan de twee genoemde doelen (ondersteuning van de moeder en rapporteren aan de GI). Voorts overweegt het College daartoe dat de RvdK reeds op 26 april 2018 door de GI is verzocht een onderzoek in te stellen naar het nog ongeboren kind en dat de kinderrechter bij beschikking van 13 september 2018 de zoon onder toezicht heeft gesteld van de GI. Op het moment dat de jeugdprofessional in juli 2018 betrokken raakte bij de moeder liep er derhalve een raadsonderzoek. In dit kader verwijst het College naar artikel 7.3.11 lid 4 van de Jeugdwet, dat luidt als volgt: ‘Derden die beroepshalve beschikken over inlichtingen inzake feiten en omstandigheden die de persoon van een onder toezicht gestelde minderjarige, diens verzorging en opvoeding of de persoon van een ouder of voogd betreffen, welke inlichtingen noodzakelijk kunnen worden geacht voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling, verstrekken de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert, deze inlichtingen desgevraagd of uit eigen beweging, zonder toestemming van de betrokkenen en indien nodig met doorbreking van de plicht tot geheimhouding op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van hun ambt of beroep’. Gelet op deze (wettelijke) bepaling is de jeugdprofessional ertoe gehouden haar observaties te delen met de betrokken GI. Daaruit vloeit naar het oordeel van het College voort dat de jeugdprofessional door aan deze verplichting te voldoen, niet in strijd heeft gehandeld met de op haar van toepassing zijnde Beroepscode.
Ten aanzien van het deel van de klacht van de moeder dat de jeugdprofessional eerst positief was, daarna negatief en voorts niet alles bespreekbaar heeft gemaakt, overweegt het College als volgt. De jeugdprofessional heeft in haar schriftelijke verweer maar ook tijdens de mondelinge behandeling van de klacht verklaard, dat zij steeds heeft gemanoeuvreerd tussen het bewaken van de relatie met de moeder, mede gezien het grote wantrouwen van de moeder tegen hulpverleners, en het – op zo positief mogelijke wijze – bespreekbaar maken van wat zij zag. Zij heeft daardoor gemeend niet op ieder moment met de moeder in gesprek te moeten gaan over wat er in haar ogen niet goed ging. Overigens, zo heeft de jeugdprofessional gesteld, was zij niet zozeer terughoudend in het benoemen van haar observaties over de toename van signalen van een vermijdende hechting tussen de moeder en de zoon, maar meer over huishoudelijke zaken. De jeugdprofessional bestrijdt dan ook dat zij tussentijds niets met de moeder besproken heeft. Zo heeft de jeugdprofessional een video-opname gemaakt, die zij samen met de moeder heeft teruggekeken en heeft zij haar observaties een aantal keren met de moeder gedeeld. De jeugdprofessional heeft benadrukt dat zij hierover regelmatig tussentijds afstemming heeft gezocht met haar collega’s, en dat zij ook met de jeugdbeschermer heeft gesproken. Hoewel het College zich bewust is van de impact op de moeder, kan het College de jeugdprofessional volgen in de door haar gemaakte afwegingen, ook als dat impliceert dat er daardoor minder met de moeder is besproken. Het College heeft in het verslag gelezen dat de jeugdprofessional ‘zo transparant’ mogelijk zal werken. Dat zij niet op ieder moment volledig transparant heeft gewerkt, zoals de jeugdprofessional hierboven heeft verklaard, betekent volgens het College niet dat zij buiten de grenzen van haar beroepsmatig handelen is getreden. Dat er niets met de moeder besproken zou zijn, heeft de jeugdprofessional onbetwist weerlegd. Overigens heeft het College niet geconstateerd dat de jeugdprofessional in het eindverslag heeft geadviseerd dat de zoon uit huis geplaatst moest worden, zoals de moeder in haar klacht heeft verwoord.
Vast staat voorts dat de jeugdprofessional de moeder drie à vier uur per week ondersteuning heeft geboden en dat zij regelmatig telefonisch en Whatsapp contact met haar heeft onderhouden. Dat de ondersteuning onvoldoende is geweest, zoals de moeder stelt, is volgens het College niet aannemelijk geworden. Mogelijk had de jeugdprofessional op een bepaald moment meer
(specialistische) ondersteuning kunnen inroepen, wat zij tijdens de mondelinge behandeling van de klacht zelf ook heeft beaamd. De afweging van de jeugdprofessional dat niet te doen, namelijk het wantrouwen van de moeder jegens hulpverleners, het winnen van het vertrouwen van de moeder en het risico dat twee jeugdprofessionals mogelijk tegen elkaar zouden kunnen worden uitgespeeld, acht het College desondanks navolgbaar. Bovendien is het geven van een oordeel over – het afnemen van – gehechtheid, nu de zoon eerst nog oogcontact met de jeugdprofessional maakte, maar na verloop van tijd weg keek, geen medische diagnose en heeft de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling verklaard zelf veel kennis te hebben van, en ruime ervaring te hebben met, deze problematiek. Het College ziet in de klacht dan ook geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt.

3.2.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional heeft de feiten en de meningen niet gescheiden, en de meningen niet onderbouwd.

3.3.2

Toelichting:
De jeugdprofessional schrijft in de begeleidende brief bij het eindverslag dat zij feiten en meningen zoveel mogelijk scheidt, maar dat is niet terug te lezen in het eindverslag. Feiten en meningen lopen moeiteloos door elkaar. De meningen zijn tendentieus en bepalend, zonder enige onderbouwing. De moeder benoemt in haar klacht een aantal voorbeelden, waaronder dat de jeugdprofessional schrijft dat de moeder ‘voortdurend overvraagd is’, hetgeen in strijd is met de opmerking dat de moeder ‘heel geduldig is en de tijd neemt’. Onjuist is ook dat de jeugdprofessional schrijft dat de moeder ‘het overzicht zou missen’. De jeugdprofessional was bovendien maar één uur per week bij de moeder.

3.3.3

De jeugdprofessional voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Volgens de jeugdprofessional heeft zij in haar verslaglegging voldoende door laten klinken dat het ging om haar professionele observaties en visie op hetgeen zij constateerde. Observaties zijn geen feiten en zo heeft de jeugdprofessional dat ook niet naar voren gebracht. Tegelijkertijd was het wel aan de jeugdprofessional om juist haar eigen observaties te noteren en kenbaar te maken aan bijvoorbeeld de jeugdbeschermer. Een andere mogelijkheid is er niet binnen het kader waarin de jeugdprofessional haar werkzaamheden moest verrichten. Concrete, feitelijke metingen zijn zelden mogelijk. Het is evident dat de moeder de bevindingen van de jeugdprofessional niet onderschrijft, maar dat maakt nog niet dat die bevindingen onjuist waren. Bovendien meent de jeugdprofessional dat zij haar bevindingen goed heeft beschreven en dat uit die beschrijvingen een ook voor derden duidelijk beeld naar voren komt.

3.3.4

Het College overweegt als volgt:
Het College leest in de klacht van de moeder dat feiten en meningen in het eindverslag niet zijn gescheiden en meningen niet zijn onderbouwd. De jeugdprofessional heeft in het eindverslag naar het oordeel van het College haar persoonlijke waarnemingen en ervaringen naar eer en geweten opgeschreven. Het College ziet duidelijk terug dat de jeugdprofessional haar bevindingen in het eindverslag kennelijk heeft gebaseerd op de teksten uit de contactjournaals, waarin de observaties per contactmoment beschreven staan. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional desgevraagd verklaard dat zij iedere observatie had kunnen onderbouwen, doch dat zij ervoor gekozen heeft niet alles uitgebreid te beschrijven en zich te beperken tot wat er voor de zoon belangrijk was. Het College volgt de jeugdprofessional in haar verklaring dat zij meer had kunnen onderbouwen, en meent ook dat het eindverslag op bepaalde punten nauwkeuriger had gekund, maar dat is niet wat er bij een tuchtrechtelijke toetsing centraal staat. Centraal staat de vraag of de jeugdprofessional is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en dat is naar het oordeel van het College het geval.

3.3.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional heeft onbevoegd, ondeskundig en buiten haar taak en opdracht gehandeld.

3.4.2

Toelichting:
Een onderdeel van de ondertoezichtstelling is een onderzoek naar de ouders. Het is de taak van de jeugdprofessional om hulp en steun te bieden, niet om te oordelen. De jeugdprofessional oordeelt echter wel. Zo heeft zij geoordeeld dat ‘de leerbaarheid van de moeder beperkt is’. De jeugdprofessional is niet opgeleid en bevoegd om dergelijke oordelen te geven. De voorbeelden die de jeugdprofessional schetst overtuigen ook niet. Volgens de moeder is het geen probleem dat een moeder een zuigeling aan de borst legt als deze huilt. Hier wordt het kind rustig van. De jeugdprofessional gaat haar boekje te buiten door te oordelen dat hier sprake zou zijn van een ongezond patroon en dat het de moeder niet lukt om dit patroon te doorbreken.

3.4.3

De jeugdprofessional voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
De jeugdprofessional bestrijdt de juistheid van dit klachtonderdeel. Weliswaar was het primair de taak van de jeugdprofessional om aan de moeder steun en begeleiding te bieden, maar tegelijkertijd had zij ook verplichtingen jegens de zoon. De voorgeschiedenis van de moeder bracht dat ook met zich mee. Zelfs als het niet de taak van de jeugdprofessional zou zijn geweest om de GI van haar bevindingen op de hoogte te stellen, dan nog zou het vanwege het maatschappelijke belang dat wordt gehecht aan het voorkomen van het onveilig laten opgroeien van kinderen voor de jeugdprofessional noodzakelijk zijn geweest om aan de bel te trekken. Dat geldt temeer nu de zoon reeds kort na zijn geboorte onder toezicht is gesteld, nog een baby was en zodoende extra bescherming nodig had. De jeugdprofessional heeft dat bovendien ook met de moeder besproken en aangegeven wat zij miste in het contact tussen de moeder en de zoon. Zij heeft dan ook niet buiten haar taak en opdracht gehandeld.

3.4.4

Het College overweegt als volgt:
Uit zowel het verweer, als uit hetgeen de jeugdprofessional heeft verklaard tijdens de mondelinge behandeling van de klacht blijkt voldoende dat er een dubbele taak lag. Enerzijds bood de jeugdprofessional vanaf 25 juli 2018 opvoedondersteuning aan de moeder. Anderzijds lag er vanaf de start van de ondersteuning de opdracht van de GI te rapporteren. Reeds onder klachtonderdeel I is het College hier uitgebreid op ingegaan. De jeugdprofessional heeft haar observaties, gezien de context van de ondertoezichtstelling, mogen delen met de GI. Het College overweegt dat dit een gangbare werkwijze is, die niet maakt dat de jeugdprofessional onbevoegd en/of ondeskundig is en buiten haar taak en opdracht heeft gehandeld.

3.4.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1

De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional heeft ten onrechte een zwart beeld van de moeder geschetst.

3.5.2

Toelichting:
Een centraal oordeel van de jeugdprofessional is dat de moeder onvoldoende zou kunnen mentaliseren en dat de zoon geen oogcontact zou maken. De jeugdprofessional maakt zich zorgen over de hechtingsrelatie tussen de moeder en de zoon. Kennelijk heeft zij richting de jeugdbeschermer aangegeven dat ‘er sterke signalen zijn van een vermijdende hechting’. Deze conclusie wordt echter niet onderschreven door het consultatiebureau. Zij zien een heel goede ontwikkeling van de zoon. Dit schrijft de jeugdprofessional ook in haar eindverslag, maar toch geeft ze het door. Het is voor de moeder onduidelijk wat de jeugdprofessional precies heeft geconstateerd, maar haar vernietigende mening is duidelijk. Volgens de jeugdprofessional zou de relatie tussen de moeder en de zoon steeds slechter worden, maar dit is feitelijk onjuist. De relatie is fantastisch en de zoon ontwikkelde zich goed.

3.5.3

De jeugdprofessional voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Dit klachtonderdeel suggereert dat de jeugdprofessional over de moeder een negatief waardeoordeel heeft willen geven, maar dat is zeker niet het geval geweest. De jeugdprofessional heeft gezien hoezeer de moeder haar uiterste best deed om voor de zoon het goede te doen en zij heeft bovendien enige tijd de hoop gehad dat het de moeder dit keer wél zou lukken. Op een gegeven moment echter moest de jeugdprofessional die hoop laten varen. Een belangrijke observatie van de jeugdprofessional was dat als de moeder de zoon in haar armen had, er geen oogcontact was tussen de moeder en de zoon. Er was in de visie van de jeugdprofessional evident een hechtingsprobleem aan het ontstaan tussen de zoon en de moeder. De jeugdprofessional heeft dat als een belangrijk signaal gezien, maar heeft dat niet als een negatief waardeoordeel over de moeder bedoeld. De jeugdprofessional heeft heel goed gezien dat de wil bij de moeder er zeker was, maar dat haar capaciteiten niet voldoende waren. Dat zal de moeder zich ongetwijfeld hebben aangetrokken, maar het ontbreken van bepaalde capaciteiten is soms een gegeven en niet een waardeoordeel.

3.5.4

Het College overweegt als volgt:
Voor zover de jeugdprofessional wordt verweten dat zij van de moeder in het eindverslag een zwart beeld heeft geschetst, acht het College dit klachtonderdeel onvoldoende onderbouwd met relevante stukken. Naar het oordeel van het College ligt er een eindverslag, waarin de zorgen, maar ook zeker de krachten van de moeder beschreven staan en waarin ook waardering voor de moeder wordt uitgesproken. Gelet op de taak die de jeugdprofessional had in het gezinssysteem van de moeder, is het College van oordeel dat al deze – uiteenlopende – bevindingen in het eindverslag opgenomen dienen te worden. Het College ziet in deze klacht dan ook geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt.

3.5.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.6 Klachtonderdeel V

3.6.1

De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional heeft zich laten gebruiken en heeft niet onafhankelijk en professioneel gehandeld.

3.6.2

Toelichting:
Toen de jeugdprofessional met de moeder het eindverslag besprak, vroeg de moeder waarom de jeugdprofessional zo negatief was. Gedurende een aantal maanden was de jeugdprofessional positief en vervolgens ineens negatief. Hierop antwoordde de jeugdprofessional dat het de bedoeling was dat de zoon uit huis werd geplaatst. De moeder weet dat de jeugdprofessional zich voor het karretje van de jeugdbeschermer van de zoon heeft laten spannen, nu de jeugdprofessional haar eigen naam niet goed weet te spellen in de aanbiedingsbrief van het eindverslag en het de moeder helder is dat de jeugdbeschermer van mening is dat de moeder geen kind mag opvoeden. De jeugdprofessional is met een opdracht in het gezin gekomen. Zij heeft zich als een schaap gekleed en gedragen, maar de jeugdprofessional bleek een wolf te zijn.

3.6.3

De jeugdprofessional voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
In reactie op dit klachtonderdeel kan de jeugdprofessional slechts opmerken dat zij zich door niemand heeft laten gebruiken en dat zij wel degelijk professioneel heeft gehandeld en op basis van haar professionaliteit en jarenlange ervaring haar eigen mening heeft gevormd. Dat blijkt in de visie van de jeugdprofessional ook wel uit haar verslaglegging. Die verslaglegging en de door de jeugdprofessional getrokken conclusies zijn op geen enkele wijze beïnvloed door anderen, bijvoorbeeld door de jeugdbeschermer. Zoals eerder opgemerkt heeft de jeugdprofessional enige tijd echt de hoop gehad dat het de moeder dit keer wél zou lukken om haar zoon zelf op te voeden, maar op een gegeven moment moest de jeugdprofessional een andere conclusie trekken. Dat was haar eigen conclusie.

3.6.4

Het College overweegt dat klachtonderdeel V, dat de jeugdprofessional niet onafhankelijk en niet professioneel zou hebben gehandeld, een herhaling is van eerdere klachten en dat het oordeel van het College hierover reeds voldoende onder de voorgaande klachtonderdelen is weergegeven.

3.6.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.7 Conclusie

Het College concludeert dat de klachtonderdelen ongegrond zijn en dat de jeugdprofessional niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 25 juli 2019 aan partijen toegezonden.

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel                                                                            mevrouw mr. E.C. Abbing
voorzitter                                                                                                                     secretaris