De jeugdprofessional heeft in het vrijwillig kader de moeder begeleid. De dossiervorming heeft niet plaatsgevonden conform artikel 7.3.8 lid 1 van de Jeugdwet. Het College oordeelt dat dit een schending is van artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,

mevrouw G.A. van der Veen, lid-beroepsgenoot,

de heer H.A. ten Hove, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[Klaagster], klaagster, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

ingediende klaagschrift tegen:

[De jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als gezinscoach bij het Centrum Jeugd en Gezin [gemeente], hierna te noemen: het CJG.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

De moeder wordt in deze zaak bijgestaan door haar partner die zij heeft gemachtigd, de heer [partner].

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw S. Dik werkzaam bij DAS rechtsbijstand.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het aangepaste klaagschrift ontvangen op 21 juli 2019;
  • het verweerschrift ontvangen op 11 oktober 2019;
  • het voorgedragen gedeelte van de pleitnotitie van de gemachtigde van de moeder voor zover deze betrekking heeft op klachtonderdeel 6.

1.2 De moeder heeft het College op 6 november 2019 in een e-mail bericht dat zij niet in de gelegenheid is om bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn en dat zij zich laat vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 21 november 2019 in aanwezigheid van gemachtigde van de moeder en de jeugdprofessional en haar gemachtigde.

Een collega van de jeugdprofessional is als toehoorder aanwezig geweest.

1.3 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken wordt verstuurd.

2     De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft een zoon, geboren in 2012.

2.2 De moeder en haar ex-partner, de vader van de zoon, hierna samen aangeduid als: de ouders, zijn sinds 2012 uit elkaar. Zij oefenen gezamenlijk het gezag uit over de zoon.

2.3 In 2012 is de zoon getuige geweest van fysiek geweld tussen de ouders.

2.4 De kinderrechter heeft bij beschikking van de rechtbank van 18 november 2014 een zorgregeling vastgesteld waarbij de zoon drieënhalve dag per week bij de vader is. Het gerechtshof heeft de beschikking van de rechtbank op 9 september 2015 bekrachtigd.

2.5 De ouders en de zoon hebben van mei tot oktober 2016 een ‘[naam]’ traject doorlopen. De veiligheid binnen het gezin is door het team in kaart gebracht. De ouders zijn na afloop van het traject doorverwezen naar [de instelling] dat niet van start is gegaan omdat zij niet op een wachtlijst zijn gezet. De ouders hebben meerdere mediationtrajecten doorlopen.

2.6 De moeder heeft op 10 maart 2017 de zoon telefonisch aangemeld bij het CJG. Zij heeft haar zorgen geuit over de opvoedsituatie bij de vader en heeft gedragsmoeilijkheden gezien bij de zoon in de thuissituatie.

2.7 De jeugdprofessional is van 15 mei 2017 tot en met 6 mei 2019 in het vrijwillig kader bij het gezin van de moeder betrokken geweest.

2.8 De moeder heeft de rechtbank verzocht een zorgregeling met de vader vast te stellen van één weekend per veertien dagen. Op 19 oktober 2017 heeft de kinderrechter de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de RvdK) verzocht om een onderzoek in te stellen en te adviseren over de huidige zorg- en opvoedregeling. De kinderrechter heeft de beslissing aangehouden. De RvdK heeft op 22 augustus 2018 een raadsrapport opgesteld.

2.9 De RvdK heeft voor een nieuwe zitting bij de rechtbank van 16 januari 2019 een kort onderzoek verricht naar de huidige stand van zaken rondom de zoon en de ouders. Op 11 januari 2019 heeft de RvdK een briefrapport opgesteld. Het CJG en de school hebben de informatie die zij telefonisch hebben verstrekt, niet geaccordeerd.

2.10 De jeugdprofessional is sinds [datum] 2015 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College. Vanwege de samenhang worden klachtonderdelen 4 en 5 gezamenlijk behandeld. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij onzorgvuldig is omgegaan met belastende informatie over en verschillende signalen van fysiek geweld jegens de zoon door de vader. De moeder heeft de jeugdprofessional al in 2017 verteld dat de zoon aangeeft dat de vader hem tegen het hoofd slaat. Ook heeft de moeder aangegeven dat zij hier zelf getuige van is geweest. Verder heeft de moeder aan de jeugdprofessional verteld dat de zoon heeft gezegd dat de vader hem bij zijn keel heeft gegrepen en daarbij zijn keel heeft dichtgeknepen. Daarnaast heeft de moeder in latere gesprekken aangegeven dat de zoon zelf zegt dat hij wordt geslagen door de vader. Op 27 maart 2018 heeft de moeder de jeugdprofessional een e-mail gestuurd met stukken waaruit blijkt dat de vader erkent corrigerende tikken te geven. De jeugdprofessional heeft niet gereageerd op deze e-mail. De moeder heeft op 31 mei 2018 genoemde stukken persoonlijk overhandigd aan de jeugdprofessional. De stukken zijn door de jeugdprofessional niet verwerkt in de rapportage, niet met de vader besproken en zij heeft geen melding gemaakt van mogelijke kindermishandeling. De gedragingen van de zoon zijn zorgwekkend en zijn mogelijk signalen van kindermishandeling. Ook op school zijn er grote zorgen over de ontwikkeling van de zoon.

4.1.2 De jeugdprofessional herkent zich niet in deze klacht en voert aan dat zij de stappen uit de ‘Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling’ heeft gevolgd. Zij heeft signalen in kaart gebracht door informatie bij moeder en Veilig Thuis op te vragen. Ook heeft zij contact gezocht met Veilig Thuis en overleg gehad met een gedragswetenschapper. Verder heeft zij met de ouders gesproken en heeft zij de vader op de hoogte gebracht van de zorgelijke signalen die moeder heeft gegeven. Omdat de vader heeft ontkend, de moeder niet direct om hulp heeft gevraagd en Veilig Thuis heeft aangegeven dat de veiligheid niet in het geding was, heeft de jeugdprofessional de hulp voortgezet. De jeugdprofessional heeft met de RvdK samengewerkt. Ook heeft zij de zoon geobserveerd en heeft zij gesprekken gevoerd met hem en de vader. Zij heeft zowel intern als extern overlegd. Daarom heeft zij de moeder uitgelegd dat de moeder met de vader dient te praten over de informatie die de zoon haar geeft. De jeugdprofessional heeft de moeder ondersteund in de gezamenlijke gesprekken met de vader en heeft haar steeds de mogelijkheid geboden om hierover te praten.

4.1.3 Het College overweegt het volgende. Hoewel het in de rede had gelegen dat de jeugdprofessional de relevante gedeelten uit contactjournaals in deze procedure had overgelegd, heeft zij voldoende toegelicht welke stappen zij heeft ondernomen nadat zij door de moeder op de hoogte was gebracht van signalen van fysiek geweld van de vader naar de zoon. Zo heeft zij contact opgenomen met Veilig Thuis, de school en de schoolarts. Ook heeft zij gesproken met de moeder, de vader en de zoon. Verder heeft zij het contact tussen de vader en de zoon geobserveerd. Op basis van deze acties, heeft zij geen signalen van fysiek geweld kunnen vaststellen van de vader richting de zoon. De jeugdprofessional heeft naar het oordeel van het College zorgvuldig gehandeld. Het gedeelte van de klacht dat betrekking heeft op de rapportage, wordt besproken in klachtonderdeel 2. Het klachtonderdeel is ongegrond.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij onzorgvuldig heeft gerapporteerd. Zij heeft in het dossier geen melding gemaakt van de e-mail die de moeder op 27 maart 2018 heeft gestuurd. Ook heeft zij in de rapportage niet genoemd dat zij tijdens een gesprek op 31 mei 2018 van de moeder stukken heeft ontvangen waaruit blijkt dat de vader de zoon tikken heeft gegeven en dat de moeder foto’s heeft overhandigd waaruit blijkt dat de moeder door de vader is verwurgd. De jeugdprofessional heeft gerapporteerd dat het de verantwoordelijkheid van de moeder is om onveilige situaties bespreekbaar te maken hetgeen niet besproken is tijdens het gesprek. De jeugdprofessional heeft gerapporteerd dat zij op 1 januari 2019 met de partner van de moeder heeft gesproken. Dat is niet correct. De partner van de moeder heeft de jeugdprofessional op 21 januari 2019 gebeld en een e-mail gestuurd. Deze contacten zijn niet in de rapportage terug te vinden. Op 29 januari 2019 heeft de partner gebeld met de jeugdprofessional hetgeen zij foutief heeft gedateerd. De partner van de moeder kan zich niet vinden in de inhoud van de rapportage. Hij heeft de jeugdprofessional met name aangesproken op het feit dat de jeugdprofessional de verantwoordelijkheid om over fysiek geweld te praten, bij de moeder neerlegt.

4.2.2 De jeugdprofessional erkent dat zij niet alles in het dossier heeft opgenomen vanwege de hoge werkdruk en de crisissituaties in andere gezinnen. Zij heeft gezamenlijke e-mails van de ouders en Whatsappberichten niet toegevoegd aan het dossier. De jeugdprofessional heeft in persoonlijke gesprekken met de ouders gecommuniceerd over de inhoud van de berichten. De jeugdprofessional heeft de foto van de moeder met blauwe plekken in haar nek besproken met de ouders afzonderlijk. De moeder noemt het wurgen, de vader stelt dat hij de moeder bij de nek heeft gegrepen. Volgens de vader was het een op zichzelf staande situatie tussen de ouders. Hij heeft zich bij de jeugdprofessional geëxcuseerd voor deze situatie. Ook heeft de jeugdprofessional contact gehad met het [naam] Team. De jeugdprofessional is van mening dat zij interventies heeft gepleegd na het lezen van de informatie.

Achteraf gezien had de jeugdprofessional een verslag dat zij altijd naast het dossier bewaart, geheel moeten inscannen, zo stelt zij. Zij heeft het bewaard naast het dossier. Doordat de teamleider had aangegeven dat in het dossier achteraf geen veranderingen mogen worden aangebracht, is het volledig overhandigen van het dossier bemoeilijkt. De jeugdprofessional heeft hier lering uit getrokken.

De RvdK heeft een telefonisch gesprek met de jeugdprofessional uitgeschreven en zonder accordering toegevoegd aan het briefrapport van 11 januari 2019. De jeugdprofessional heeft aan de ouders haar excuses aangeboden en heeft een aanvullend verslag naar alle betrokkenen gestuurd. De partner van de moeder was niet tevreden over het aanvullende verslag en heeft de jeugdprofessional hierover gebeld.

4.2.3 Het College overweegt het volgende. Op grond van artikel 7.3.8 lid 1 van de Jeugdwet is een jeugdprofessional verplicht een dossier in te richten met betrekking tot de verlening van jeugdhulp voor zover dit voor een goede hulpverlening aan de betrokkene noodzakelijk is. Gelet op de toelichting bij artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker, dient verslaglegging en dossiervorming plaats te vinden conform de beroepsstandaard. Naar het oordeel van het College waarborgt de verslaglegging en dossiervorming de kwaliteit en de continuïteit van de hulpverlening. De jeugdprofessional kan op deze wijze transparant zijn en laten zien of en welke dilemma’s er waren en welke keuzes zijn gemaakt. Het dossier onderbouwt het handelen van de jeugdprofessional. Daarnaast kan de jeugdprofessional op basis van het dossier verantwoording afleggen aan de cliënt, een klachtencommissie of – in dit geval – het College. De jeugdprofessional heeft in haar verweerschrift erkend dat zij niet alle stukken in het dossier heeft opgenomen. Zij heeft gezamenlijke e-mails van de ouders en WhatsAppberichten niet toegevoegd aan het dossier en zij heeft naast het dossier een verslag bewaard. Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat het gaat om een dik verslag over een rechtszaak ten behoeve van een omgangsregeling.

Het College is van oordeel dat alle correspondentie over de mogelijke onveiligheid van de zoon relevant en noodzakelijk is voor de hulpverlening aan de betrokkenen en daarom in het dossier moet worden opgenomen . Hetzelfde geldt voor correspondentie over rechtszaken, de communicatie tussen ouders in de vorm van gezamenlijke e-mails en WhatsAppberichten, en voor de verslagging over de contactmomenten met de ouders. Uit de door de moeder overgelegde rapportage van de jeugdprofessional waarin zij een overzicht geeft van de contactmomenten met de moeder, de partner van de moeder, de RvdK en de hulpverleners die bij de casus zijn betrokken, blijkt het College niet dat zij melding heeft gemaakt van de e-mail die de moeder heeft gestuurd aan de jeugdprofessional op 27 maart 2018. Ten aanzien van de contactmomenten tussen de jeugdprofessional en de partner van de moeder overweegt het College dat de moeder heeft gesteld dat er zowel telefonisch als per e-mail contact is geweest op 21 januari 2019 en dat de jeugdprofessional dat niet heeft vastgelegd. Het contactmoment op 29 januari 2019 is door de jeugdprofessional opgenomen in het dossier met de datum 1 januari 2019. De jeugdprofessional heeft het door de moeder gestelde niet weersproken.

De jeugdprofessional heeft aangevoerd dat zij door de hoge werkdruk en crisissen in andere gezinnen het dossier niet precies heeft kunnen bijhouden. Het College wijst de jeugdprofessional in dit verband op haar autonome professionele verantwoordelijkheid. Conform artikel Q (toetsing beroepsmatig en functioneel handelen aan de waarden en normen van het beroep) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker had de jeugdprofessional met haar collega’s en de teamleider moeten bespreken dat zij niet conform de professionele standaard kon werken.

Het College concludeert dat de dossiervorming niet heeft plaatsgevonden conform artikel 7.3.8 lid 1 van de Jeugdwet en oordeelt dat dit een schending is van artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Het klachtonderdeel is gegrond.

4.3 Klachtonderdeel 3

4.3.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij onzorgvuldig is geweest in haar adviezen over de behandeling van de zoon. Zij heeft in maart 2018 een persoonlijkheidsonderzoek geadviseerd en de zoon hiervoor aangemeld. De aanmelding is daarna geannuleerd omdat de vader zijn toestemming had ingetrokken. In december 2018 heeft de jeugdprofessional geadviseerd om bij de zoon een breed persoonlijkheidsonderzoek af te nemen. Na een overleg met een gz-psychologen, heeft zij dat niet meer wenselijk geacht.

4.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan. De ouders hadden, nadat de jeugdprofessional hen hierover had geadviseerd, overeenstemming over de training ‘Piep zei de Muis’ voor de zoon en de training ‘Triple P’ voor de ouders. De ouders waren het niet eens over de inzet van speltherapie en een persoonlijkheidsonderzoek. De jeugdprofessional kan dat dan zelf niet doorzetten omdat zij daarvoor toestemming en medewerking van beide ouders nodig heeft. Zij heeft met de moeder meegedacht en geprobeerd de juiste stappen te zetten. De jeugdprofessional is meegegaan met de wens van moeder tot een persoonlijkheidsonderzoek. Na overleg met de gz-psychologen bleek hulp voor de zoon op het gebied van trauma en hechting een geschikte interventie. Voor de moeder is deze wisseling onduidelijk geweest. De jeugdprofessional zal in het vervolg de gz-psychologen eerder meenemen in haar overwegingen en adviezen. Ook zal zij in het vervolg de gz-psychologen zelf hun advies met de ouders laten bespreken.

4.3.3 Het College overweegt het volgende. Het is begrijpelijk dat de jeugdprofessional het persoonlijkheidsonderzoek niet heeft uitgevoerd omdat de toestemming van de vader ontbrak. De jeugdprofessional heeft daarna opnieuw een persoonlijkheidsonderzoek geadviseerd maar is teruggekomen op haar advies nadat de gz-psychologen kenbaar hebben gemaakt dat zij de zoon hiermee niet wilden belasten. Het College is met de jeugdprofessional van oordeel dat het beter was geweest als zij eerder met de gz-psychologen hierover had gesproken maar zij is hiermee niet getreden buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Het klachtonderdeel is ongegrond.

4.4 Klachtonderdelen 4 en 5

4.4.1. De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij de RvdK onzorgvuldig heeft geïnformeerd over de fysieke veiligheid van de zoon bij de vader. Zij heeft in het raadsrapport en de aanvullingen hierop gesteld dat het CJG geen zorgen heeft over de veiligheid van de zoon. Dat staat in contrast met de vele meldingen van de moeder. Ook heeft de jeugdprofessional de RvdK onzorgvuldig geïnformeerd over de veiligheid van de zoon als gevolg van het blokkeren van de zorg door de vader. De jeugdprofessional heeft de RvdK niet gemeld dat de vader heeft geweigerd om mee te werken aan een onderzoek van het CJG omdat hij bang was dat de informatie tegen hem kon worden gebruikt. Zij heeft de RvdK verteld dat de vader geen behoefte had aan contact met het CJG omdat hij geen problemen ervaart met het gedrag van de zoon en zijn opvoeding. De voortdurende weigering van de vader om mee te werken of toestemming te geven voor de zorg en behandeling voor de zoon dient te worden beschouwd als zorgonthouding en dat is een onveilige ontwikkelingssituatie voor de zoon.

4.4.2 De jeugdprofessional is van mening dat zij de RvdK zorgvuldig heeft geïnformeerd over de fysieke veiligheid van de zoon bij de vader. Zij is uitgegaan van eigen observaties en informatie van betrokkenen. Tijdens een raadsonderzoek worden alle betrokkenen gehoord. Het is aan de moeder om de informatie die zij van haar zoon krijgt, te delen met de RvdK. De jeugdprofessional heeft de moeder voorbereid op het gesprek met de RvdK. De jeugdprofessional kan zich voorstellen dat het onzorgvuldig is overgekomen dat de verslaglegging aan de RvdK veranderd moest worden. De informatie die de jeugdprofessional telefonisch aan de RvdK heeft verstrekt, is zonder accordering in het briefrapport van 11 januari 2019 opgenomen en is later aangepast.

De vader heeft de zorg aan het begin van het traject geblokkeerd waardoor, samen met de signalen van de moeder, serieuze zorgen over de zoon zijn ontstaan. Daarna, vanaf november 2017, heeft hij samengewerkt. De vader heeft toestemming gegeven aan de moeder om voor haarzelf en de zoon hulp te organiseren, het bieden van hulp op school, de cursus ‘Piep zei de Muis’ voor de zoon. Verder hebben beide ouders een opvoedcursus doorlopen. De ouders verschillen echter van mening over de wijze waarop de hulp voor de zoon moet worden ingezet en op welk moment.

4.4.3 Het College overweegt het volgende. Het is duidelijk dat de moeder zorgen heeft. In een situatie als deze, is het aan de jeugdprofessional om zich een mening te vormen over de fysieke veiligheid van de zoon bij de vader. Het behoort tot de taak van de jeugdprofessional om zelf een standpunt in nemen en dat te ventileren, ook als dat afwijkt van het standpunt van de moeder. In de beoordeling van klachtonderdeel 1 staat opgenomen welke acties de jeugdprofessional heeft ondernomen naar aanleiding van de signalen van de moeder. Zij heeft op basis hiervan een eigen inschatting gemaakt die in het raadsrapport is opgenomen, net als de mening van de moeder. Dat moeder het niet eens met de visie van de jeugdprofessional, maakt niet dat de jeugdprofessional verwijtbaar heeft gehandeld. Tot slot maakt het College uit onder andere het briefrapport van de RvdK van 11 januari 2019 op dat er voor de zoon hulpverlening is ingezet. Zo heeft hij logopedie gekregen, heeft hij op school ondersteuning van een multidisciplinair team ontvangen en is de cursus ‘Piep zei de Muis’ afgerond. De vader is niet met een persoonlijkheidsonderzoek en met speltherapie voor de zoon akkoord gegaan, maar het College concludeert hieruit niet dat hij alle zorg voor de zoon heeft geblokkeerd. De jeugdprofessional valt geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

De klachtonderdelen zijn ongegrond.

4.5 Klachtonderdeel 6

4.5.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij de RvdK onzorgvuldig heeft geïnformeerd over de communicatie tussen de ouders. Zij heeft zonder onderbouwing benoemd dat de spanningen tussen de ouders blijven bestaan, omdat de ouders nog niet zelfstandig met elkaar in gesprek kunnen door onverwerkte trauma’s en verschillen in zienswijze over het verleden. Verder stelt zij dat de vader situaties rationeel benadert. Volgens de moeder staan de gedragingen van de vader een gelijkwaardige veilige communicatie in de weg. De jeugdprofessional heeft ten onrechte in het raadsrapport benoemd dat de ouders een andere visie hebben over de reden waarom het mediationtraject is gestopt. Ook is zij op de hoogte van de verschillende mediationtrajecten die de ouders hebben doorlopen en adviseert zij de RvdK om toch weer mediation op te starten.

4.5.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan. Zij heeft de RvdK geïnformeerd op basis van haar eigen observaties over de communicatie tussen de ouders. Het blijft voor hen noodzakelijk om te communiceren over de opvoeding van de zoon. De jeugdprofessional heeft geadviseerd om de mediation weer op te pakken omdat zij in de eerste fase van de gezamenlijke gesprekken tussen de ouders een respectvolle opbouwende manier van overleg heeft geconstateerd. De zoon moet het vertrouwen krijgen dat hij onbevooroordeeld van beide ouders mag houden. De ouders dienen hun uiterste beste te doen om met elkaar te communiceren en problemen en frustraties te parkeren in het belang van de zoon. De jeugdprofessional heeft de Whatsappberichten van de moeder vluchtig gelezen en geparkeerd. Zij heeft met de moeder gesproken over wat haalbaar is in de communicatie met de vader en wat zij naast zich neer zou kunnen leggen.

4.5.3 Het College verwijst naar de beoordeling van de klachtonderdelen 4 en 5. Ook hier geldt dat het tot de taak van de jeugdprofessional behoort om zelf een standpunt in nemen en dit te ventileren, ook als dat afwijkt van het standpunt van de moeder.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

4.6 Conclusie

4.6.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot klachtonderdeel 2 tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Een jeugdprofessional is op grond van artikel 7.3.8 lid 1 van de Jeugdwet en artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker verplicht een dossier aan te leggen, bij te houden en te bewaren over alle zaken die relevant en noodzakelijk zijn voor de hulpverlening. Door middel van een zorgvuldige en volledige verslaglegging maakt de jeugdprofessional haar afwegingen voor zowel cliënten als collega’s inzichtelijk. De jeugdprofessional kan op deze wijze transparant handelen en verantwoording afleggen aan de cliënt, een klachtencommissie of aan het College.

4.6.2 Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid en de op te leggen maatregel overweegt het College dat de jeugdprofessional op één punt tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. In situaties waarin ouders moeizaam met elkaar omgaan en er signalen zijn van onveiligheid van het kind is een goede verslaglegging en dossiervorming van essentieel belang. Hoewel de jeugdprofessional in haar verweerschrift heeft erkend dat de verslag- en dossiervorming niet volledig was, heeft zij naar het oordeel van het College tijdens de mondelinge behandeling niet getoond dat zij op dit punt inzicht heeft in haar handelen en dat zij lering heeft getrokken uit de klacht. Het College concludeert dat de jeugdprofessional daarmee onvoldoende heeft gereflecteerd op haar gedrag. Gelet op het voorgaande, acht het College het passend en geboden om aan de jeugdprofessional de maatregel van waarschuwing op te leggen.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdeel 2 gegrond;
  • verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond;
  • legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College en op 2 januari 2020 aan partijen toegezonden.

 

mevrouw mr. S.C. van Duijn                                                          mevrouw mr. A.C. Veerman

voorzitter                                                                                            secretaris