Het verzoek van de moeder om af te wijken van de verjaringstermijn zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement wordt door de voorzitter van het College afgewezen. De moeder werd reeds eerder ondersteund door een vertrouwenspersoon die haar had kunnen helpen met het indienen van haar klacht.

De voorzitter van het College van Toezicht, mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk, hierna te noemen: de voorzitter, heeft beslist over het verzoek tot afwijking van de verjaringstermijn met betrekking tot het door:

[de moeder], klaagster, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

op 4 februari 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als gedragswetenschapper bij [de instelling], hierna te noemen: [de instelling]. De jeugdprofessional is sinds [datum] 2016 als master-orthopedagoog geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

De moeder wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer M.E. Kranenburg, vertrouwenspersoon bij AKJ.

1     Het verloop van de procedure

1.1 De voorzitter heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift ontvangen op 4 februari 2020;
  • het verzoek van de moeder ontvangen op 17 februari 2020;
  • het verweerschrift ontvangen op 4 maart 2020.

1.2 Uit het klaagschrift blijkt dat de klacht gaat over het handelen van de jeugdprofessional in de periode van 2 december 2016 tot 30 augustus 2018. Op grond van artikel 6.5 van het Tuchtreglement van SKJ, versie 1.3, vervalt de mogelijkheid tot het indienen van een klacht door verjaring na drie jaar. De termijn van verjaring begint op de dag volgend op die waarop het desbetreffende handelen heeft plaatsgevonden, dan wel volgend op het moment waarop de belanghebbende van het handelen op de hoogte raakte. Een deel van de ingediende klacht is op grond van voornoemd artikel in beginsel verjaard, omdat het handelen van de jeugdprofessional op het moment van indienen van de klacht meer dan drie jaar geleden heeft plaatsgevonden.

1.3 In afwijking van voornoemd artikel, kan de voorzitter  op grond van artikel 6.7 van het Tuchtreglement bepalen dat een klager alsnog ontvankelijk is in de klacht. De klager dient hiertoe een gemotiveerd verzoek aan de voorzitter  voor te leggen, waaruit voldoende blijkt dat hij of zij niet eerder in de gelegenheid is geweest om de klacht in te dienen. De moeder is op 10 februari 2020 door het College in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 17 februari 2020 op grond van voornoemd artikel een gemotiveerd verzoek in te dienen. Na ontvangst van het verzoek van de moeder, is de jeugdprofessional op 19 februari 2020 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 4 maart 2020 een verweerschrift in te dienen met betrekking tot het verzoek van de moeder.

2 Het verzoek, het verweer en de beoordeling

2.1 De moeder heeft het volgende in haar verzoek aangevoerd:
Als eerste stelt de moeder dat zij niet in staat is geweest om haar klachten sneller in te dienen dan zij heeft gedaan. In 2018 heeft de moeder oplossingsgerichte gesprekken met de jeugdprofessional gevoerd. Het voorleggen van haar klachten aan het tuchtcollege van SKJ strookt niet met de intentie van deze gesprekken. Helaas hebben de oplossingsgerichte gesprekken voor de moeder niet tot een oplossing geleid, wel zijn deze gesprekken zeer tijdsintensief geweest. Hierdoor heeft zij niet de mogelijkheid gehad om volledig gebruik te maken van haar klachttermijn.
Na de oplossingsgerichte gesprekken lag er een nieuwe hulpvraag via de gemeente bij [de instelling]. De moeder wilde deze hulpvraag niet doorkruisen. Tevens vreesde zij dat het indienen van een tuchtklacht gevolgen zou hebben voor de nieuwe hulpvraag. In verband met inkoopafspraken van de gemeente bestond geen mogelijkheid om hulp in te kopen bij een andere organisatie. De moeder zat daarmee in een afhankelijkheidspositie, die  van invloed is geweest op haar stappen in de tuchtprocedure. Na afloop van de betrokkenheid van de jeugdprofessional in augustus/oktober 2018 speelde er te veel in het leven van de moeder om op dat moment een tuchtklacht in te dienen. Sinds 2017 staat de moeder onder behandeling van een systeemtherapeut, om te verwerken dat zij het contact met haar zoon was kwijtgeraakt. Tevens heeft van februari 2018 tot juni 2019 een ingrijpend traject met de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de RvdK) plaatsgevonden dat het nodige heeft gevergd van de draagkracht van de moeder. Het kon niet van haar verwacht worden dat zij in deze periode haar tuchtklacht indiende. In september 2019 had de moeder pas voldoende draagkracht om een tuchtprocedure te starten. Zij heeft daartoe toen stappen gezet door contact op te nemen met het AKJ. Het indienen van het klaagschrift heeft wegens een overlijden in de directe familiekring van de moeder, nog nadere vertraging opgelopen.
Voorts stelt de moeder zich op het standpunt dat  slechts sprake is van een summiere overschrijding van de verjaringstermijn. De jeugdprofessional is vanaf 2 december 2016 betrokken geweest bij het gezin van de moeder. Het vroegst gedateerde voorbeeld is van 20 december 2016. Volgens het thans geldende Tuchtreglement had de moeder haar klacht uiterlijk 21 december 2019 in moeten dienen. De moeder heeft haar klaagschrift ongeveer anderhalve maand na het verstrijken van deze termijn ingediend.

2.2 De jeugdprofessional heeft – samengevat – het volgende in zijn verweerschrift aangevoerd:
Allereerst stelt de jeugdprofessional dat het verzoek van de moeder een feitelijke grondslag mist voor een toewijzing van haar verzoek. De moeder heeft haar verzoek niet voorzien van enige onderbouwing. Door dit gebrek aan onderbouwing is niet vast te stellen dat  sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen af te wijken van de vastgestelde verjaringstermijn. De jeugdprofessional verwijst hiervoor naar de beslissing van de voorzitter van het College met het zaaknummer 19.563Ta onder 2.2 van die beslissing.
Voor wat betreft de moeder stelt dat zij niet in staat was om haar klachten eerder in te dienen voert de jeugdprofessional het volgende aan. De moeder heeft pas op 7 maart 2018,  een jaar na het laatste gesprek dat medewerkers van de instelling met de moeder hebben gevoerd, aangegeven dat zij een oplossingsgericht gesprek met de betrokken hulpverleners en directeur/bestuurder wilde voeren. De moeder is hierin bijgestaan door een vertrouwenspersoon van Zorgbelang [regio]. Na het eerste gesprek op 17 april 2018 zijn op verzoek van de moeder nog twee oplossingsgerichte gesprekken gevoerd, respectievelijk op 28 mei 2018 en 30 augustus 2018. Het valt de jeugdprofessional niet aan te rekenen dat de oplossingsgerichte gesprekken (pas) een kleine anderhalf jaar na het einde van het behandeltraject afgerond waren. Daarnaast heeft de jeugdprofessional samen met haar collega, de jeugdprofessional in de zaak 20.053Ta, in het laatste oplossingsgerichte gesprek aangegeven dat er onvoldoende vertrouwen was dat verdere gesprekken toegevoegde waarde zouden hebben. In de aanwezigheid van de vertrouwenspersoon hebben zij de moeder geadviseerd om een klacht in te dienen. Dit was op 30 augustus 2018. De moeder heeft om haar moverende redenen anderhalf jaar gewacht met het indienen van onderhavige tuchtklacht. De moeder heeft voorts aangedragen dat zij tijdens het ingrijpende traject met de RvdK in de periode februari 2018 tot juni 2019 niet in staat kan worden geacht een klacht in te dienen. In deze periode was de moeder volgens de jeugdprofessional wel in staat tot het voeren van de drie oplossingsgerichte gesprekken, het opvragen van het dossier, en het opvragen van de persoonsgegevens van de jeugdprofessional. Bovendien werd de moeder op dat moment bijgestaan door haar vertrouwenspersoon. De jeugdprofessional herkent zich niet in het standpunt van de moeder dat zij in een afhankelijkheidspositie heeft gezeten. De moeder heeft op 3 augustus 2018 contact opgenomen met de collega van de jeugdprofessional om de mogelijkheden voor een nieuwe samenwerking te verkennen. Bovendien waren er voor de moeder diverse mogelijkheden geweest om hulp te krijgen waarbij de jeugdprofessional niet betrokken zou zijn. Voorts heeft de moeder op 14 maart 2019, bijna een jaar voor het indienen van de tuchtklacht, het SKJ-registratienummer van de jeugdprofessional opgevraagd en gekregen. De jeugdprofessional betreurt het dat de moeder te maken heeft gehad met vervelende familieomstandigheden in de periode oktober-december 2019, maar wijst erop dat de moeder pas 5 maanden later haar klacht daadwerkelijk heeft ingediend. De jeugdprofessional benadrukt dat de moeder reeds bekend was met de inhoud van het dossier en de procedures en dat de moeder gedurende lange tijd ondersteuning heeft gehad van een vertrouwenspersoon.
Ten aanzien van het standpunt van de moeder dat slechts sprake is van een summiere overschrijding van de verjaringstermijn voert de jeugdprofessional  aan dat de aanmelding voor het hulpverleningstraject vanuit de gemeente  op 23 september 2016 door [de instelling] is ontvangen. Vervolgens startte het behandeltraject op 2 december 2016 . Na de evaluatie op 4 mei 2017 hebben geen hulpverleningscontacten meer plaatsgevonden. De overschrijding van de verjaringstermijn betreft de periode van 2 december 2016 tot 4 februari 2017. Wat de jeugdprofessional betreft is geen sprake van een summiere overschrijding. Gedurende het behandeltraject zijn er vier gesprekken met de moeder gevoerd. Twee van deze gesprekken hebben plaatsgevonden voor 4 februari 2017, namelijk het oriënterend kennismakingsgesprek op 2 december 2016 en het gesprek op 20 december 2016. De jeugdprofessional benadrukt dat ook een geringe overschrijding van de verjaringstermijn gedegen onderbouwd moet zijn omdat de verjaringstermijn een belangrijke functie heeft.
De jeugdprofessional merkt ten overvloede op dat de motivatie van de moeder niet steekhoudend is. Daarnaast is de jeugdprofessional van mening dat van haar niet verwacht kan worden dat zij de informatie over een traject van meer dan drie jaar geleden zich nog in voldoende mate en detail kan herinneren, hetgeen onontbeerlijk is in een tuchtklachtprocedure. Het belang van de jeugdprofessional, dat zij er op mag vertrouwen dat  na een zeker tijdsverloop geen klachten meer tegen haar kunnen worden ingediend en het algemeen rechtsbelang dienen hier te prevaleren. Slechts op zwaarwegende gronden kan een uitzondering op deze regel worden gemaakt. Hiervan is in dit geval geen sprake.

2.3 De voorzitter overweegt als volgt:
In het thans geldende Tuchtreglement is de verjaringstermijn op drie jaar gesteld. Alleen indien  sprake is van bijzondere omstandigheden, kan de voorzitter op verzoek van een klager van deze verjaringstermijn afwijken. De klager dient dan conform artikel 6.7 van het Tuchtreglement te motiveren waarom hij of zij niet eerder in de gelegenheid was om de klacht in te dienen. De vraag die dan ook voor ligt is of de moeder de bijzondere omstandigheden die afwijking  van de hoofdregel rechtvaardigen, voldoende gesteld en gemotiveerd heeft.
De voorzitter beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Het siert de moeder dat zij middels oplossingsgerichte gesprekken tot een oplossing heeft willen komen, alvorens de onderhavige tuchtklacht in te dienen. Het standpunt van de moeder dat de oplossingsgerichte gesprekken zeer tijdsintensief zijn geweest en zij daardoor niet de mogelijkheid heeft gehad om volledig gebruik te maken van haar klachttermijn volgt de voorzitter echter niet. Het laatste oplossingsgerichte gesprek heeft op 30 augustus 2018 plaatsgevonden. De moeder heeft vervolgens ruim anderhalf jaar gewacht met het indienen van haar tuchtklacht.
Het standpunt van de moeder dat zij vreesde dat het indienen van de tuchtklacht gevolgen zou hebben voor de nieuwe hulpvraag, volgt de voorzitter evenmin. Blijkens de overgelegde e-mailcorrespondentie bij het verweerschrift, heeft de moeder op 3 augustus 2018 per e-mailbericht contact opgenomen met de collega van de jeugdprofessional. Op dat moment hadden op verzoek van de moeder al twee oplossingsgerichte gesprekken met de jeugdprofessional plaatsgevonden. In dit e-mailbericht vraagt de moeder aan de collega of hij contact kan opnemen met een professional met kennis van het onderwerp ouderverstoting. Tevens vraagt de moeder het volgende: “Mijn vraag is of je dit gescheiden kunt houden van het andere traject waar we elkaar eind augustus verder over spreken, dit omdat deze zaak op zich staat.” De voorzitter maakt hieruit op dat met ‘het andere traject’ de reeks oplossingsgerichte gesprekken wordt bedoeld. Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie leest de voorzitter dat de collega positief heeft gereageerd op een mogelijke nieuwe samenwerking met de moeder, ondanks de lopende oplossingsgerichte gesprekken. Zo heeft de collega op 8 augustus 2018 per e-mailbericht het volgende aan de moeder laten weten: “Ik heb [de aangedragen professional] gebeld en zijn voicemail ingesproken met de vraag dat ik het verzoek van jou heb gekregen om met hem te onderzoeken of het mogelijk is een samenwerking tussen hem en [de instelling]/[hulpverleningstraject] te hebben. Gevraagd of hij mij terug wil bellen. Heeft hij mij morgenmiddag nog niet teruggebeld dan zal ik het opnieuw proberen.” Het standpunt van de moeder, dat zij in een afhankelijkheidspositie ten opzichte van [de instelling] of de jeugdprofessional heeft gezeten volgt de voorzitter dan ook niet. Bovendien mag van een bij SKJ geregistreerde (jeugd)professional worden verwacht dat, indien er een tuchtklacht wordt ingediend, hij/zij de tuchtprocedure niet van invloed laat zijn op de samenwerking met de ouder(s).
Met betrekking tot de stelling van de moeder dat slechts sprake is van een summiere overschrijding van de verjaringstermijn, ongeveer anderhalve maand het volgende. De voorzitter stelt voorop dat zij aan de ene kant oog heeft voor de positie van de moeder en het recht dat zij heeft om het handelen van een jeugdprofessional tuchtrechtelijk te laten toetsen. Aan de andere kant mag een jeugdprofessional niet te lang in onzekerheid leven met de wetenschap dat mogelijk een tuchtklacht kan worden ingediend, wat de dagelijkse werkzaamheden kan belasten. Gelet op deze belangenafweging en in het kader van de rechtszekerheid, is in het thans geldende Tuchtreglement gekozen voor een verjaringstermijn van drie jaar. Indien het standpunt van de moeder gevolgd zou worden, zou dat afbreuk doen aan de voornoemde gemaakte belangenafweging en de  rechtszekerheid die het Tuchtreglement beoogt.
Tot slot merkt de voorzitter op kennis genomen te hebben van de stelling van de moeder dat haar draagkracht beperkt was door het verlies van het contact met haar zoon en een overlijden in haar directe familiekring. De moeder heeft echter deze stelling niet voorzien van enige feitelijke onderbouwing. Hierdoor is niet vast te stellen dat sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden die het rechtvaardigen af te wijken van de vastgestelde verjaringstermijn van drie jaar. Nu de moeder, in ieder geval in 2018, ondersteuning had van een vertrouwenspersoon van Zorgbelang [regio], meent de voorzitter dat de vertrouwenspersoon de klacht voor de moeder had kunnen indienen of haar hiermee kunnen helpen.

2.4 De voorzitter wijst het verzoek van de moeder af en oordeelt dat het klaagschrift aangepast dient te worden met inachtneming van de verjaringstermijn, zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement. Nu het Tuchtreglement niet voorziet in het nemen van een tussenbeslissing, verklaart de voorzitter met toepassing van artikel 14.3 van het Tuchtreglement voor wat betreft de procedure in beroep artikel 7.9 sub b van het Tuchtreglement van overeenkomstige toepassing.

3 De tussenbeslissing

Dit alles overwegende komt de voorzitter tot de volgende tussenbeslissing:

  • wijst het verzoek van de moeder af en handhaaft de verjaringstermijn zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement;
  • oordeelt dat het klaagschrift tenminste aanpassing behoeft met inachtneming van de vastgestelde verjaringstermijn;
  • verklaart tegen deze beslissing met toepassing van artikel 14.3 van het Tuchtreglement voor wat betreft de procedure in beroep artikel 7.9 sub b van het Tuchtreglement van overeenkomstige toepassing;
  • houdt de zaak aan tot en met 29 april 2020 in afwachting van een eventuele beroepsprocedure.

Aldus gedaan door de voorzitter en op 1 april 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk
voorzitter