In tegenstelling tot wat een moeder en grootmoeder in de klacht stellen, is het College van oordeel dat niet is gebleken dat de verslaglegging in een onderzoekrapport van Veilig Thuis opzettelijk vernietigend, belastend, onjuist en aangedikt is.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk, voorzitter,

mevrouw J.A. Pires, lid-beroepsgenoot,

mevrouw S. Bruinhard, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager1] en [klager2], hierna afzonderlijk aangeduid als de moeder en de grootmoeder, gezamenlijk te noemen: klagers, wonende te [woonplaats],

op 27 november 2019 ingediende klaagschrift tegen:

[beklaagde], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als onderzoeker bij Veilig Thuis [locatie], hierna te noemen: Veilig Thuis.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [naam], werkzaam als jurist bij Veilig Thuis.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het aangepaste klaagschrift ontvangen op 11 december 2019;
  • het verweerschrift ontvangen op 11 februari 2020.

1.2 De voorzitter heeft op grond van artikel 5 van de tijdelijke regeling werkwijze van het College van Toezicht en het College van Beroep in verband met COVID-19 (Corona), hierna: tijdelijke regeling, besloten om de klacht alsnog schriftelijk af te handelen. Op grond van artikel 7 van de tijdelijke regeling zijn partijen in de gelegenheid gesteld om nog eenmaal schriftelijk te reageren op hetgeen door de wederpartij naar voren is gebracht (repliek en dupliek). Klagers hebben niet binnen de gestelde termijn een conclusie van repliek ingediend die voldeed aan de eisen van artikel 7 van de tijdelijke regeling.

1.3 De schriftelijke behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 2 juni 2020. De beslissing is op 14 juli 2020 aan partijen verzonden.

2     De feiten

Op grond van de stukken gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 Klagers zijn de grootmoeder en de moeder van twee minderjarige kinderen. De dochter is geboren in 2012 en de zoon is geboren in 2016.

2.2 De moeder en haar ex-partner, de vader van de kinderen, gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, zijn sinds 2017 gescheiden. Zij oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de kinderen. De kinderen en de moeder wonen in een zorginstelling. De grootmoeder is mede-eigenaar van de zorginstelling en zij is de persoonlijk begeleider van moeder.

2.3 Op 30 juli 2018 heeft Veilig Thuis een anonieme melding ontvangen. Een collega van de jeugdprofessional is van 19 september tot 27 december 2018 betrokken geweest bij het onderzoek dat op basis van de melding is ingesteld.

2.4 De jeugdprofessional heeft op 22 januari 2019 het onderzoek van haar collega overgenomen. Zij heeft het conceptonderzoeksrapport naar de moeder gestuurd op 26 maart 2019. Het onderzoeksrapport is definitief vastgesteld op 27 april 2019.

2.5 De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) heeft op 14 maart 2019 een opdracht van de rechtbank ontvangen om te onderzoeken welke zorgregeling tussen de vader en de kinderen het meest in het belang van de kinderen is. Ook heeft de RvdK op 5 juni 2018 een verzoek tot onderzoek (VTO) van Veilig Thuis ontvangen. Veilig Thuis heeft zorgen over de ontwikkeling van de kinderen, de opvoedomgeving en de opvoedingsmogelijkheden van de moeder. De RvdK heeft op 8 augustus 2019 een rapport uitgebracht.

2.6 De RvdK heeft de kinderrechter verzocht om de kinderen onder toezicht te stellen voor de duur van één jaar. De kinderrechter heeft de kinderen bij beschikking van 4 september 2019 met ingang van 4 september 2019 tot 4 september 2020 onder toezicht gesteld.

2.7 Klagers hebben een klacht ingediend bij de klachtencommissie van Veilig Thuis. De klachtencommissie heeft op 30 oktober 2019 de klachtonderdelen die betrekking hebben op het uitgevoerde onderzoek ongegrond verklaard.

2.8 De jeugdprofessional is van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

De klacht wordt besproken en beoordeeld. De klacht en het verweer worden zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College.

4.1 De klacht

4.1.1 Volgens de klagers is de verslaglegging opzettelijk vernietigend, belastend, onjuist en aangedikt. Op 7 februari 2019 is een gesprek geweest. De jeugdprofessional heeft een conceptrapport uitgebracht met aantijgingen zonder hoor en wederhoor die zijn gebaseerd op een eigen visie, meningen en interpretaties. De zorginstelling is vals beschuldigd. Door de zorginstelling een profiteur te noemen en mede schuldig aan de achterstand in de ontwikkeling van de (klein)kinderen, is schade berokkend. De jeugdprofessional is niet neutraal en heeft zich partijdig opgesteld. Het concept rapport is ongeoorloofd doorgestuurd naar het Centrum voor Jeugd- en Gezin.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan. Op 25 januari 2019 is tijdens een multi-disciplinair overleg in kaart gebracht wat de stand van het onderzoek is en welke stappen er nog gezet moeten worden. Bij het onderzoek heeft de jeugdprofessional de informatie van haar collega gebruikt. De besluiten die tijdens het onderzoek zijn genomen, zijn in lijn met paragraaf 2.2 van het Handelingsprotocol Veilig Thuis 2019 (hierna: Handelingsprotocol). Alle besluiten zijn in overleg met een collega genomen. Het is dus niet zo dat de jeugdprofessional alles op basis van haar eigen visie heeft bepaald. De jeugdprofessional betwist dat zij tijdens het onderzoek vooringenomen was. Ook heeft zij hoor en wederhoor toegepast zoals dat omschreven is in paragraaf 10.3 van het Handelingsprotocol. De jeugdprofessional heeft op 7 februari 2019 samen met een collega met klagers gesproken. Zij heeft excuses aangeboden voor de lange periode waarin klagers niets hebben gehoord en heeft benoemd dat Veilig Thuis zich grote zorgen maakt over de ontwikkeling van de kinderen en dat er zicht moet komen op deze ontwikkeling. Tijdens dit gesprek is besproken dat Veilig Thuis van de moeder toestemming en medewerking nodig heeft om het onderzoek af te kunnen ronden en dat als de toestemming en medewerking niet worden verleend, Veilig Thuis genoodzaakt is om een verzoek tot onderzoek in te dienen bij de RvdK. De jeugdprofessional betreurt het als deze boodschap als dreigement is opgevat of als vermanend is ervaren. De jeugdprofessional heeft de ouders uitgenodigd voor een overleg op 26 maart 2019. Het doel van dat overleg is het bespreken van het conceptonderzoeksrapport. Op 23 maart 2019 heeft de moeder gemaild dat zij niet bij het overleg aanwezig zal zijn. Zij heeft via een brief op het concept onderzoeksrapport gereageerd. Op basis daarvan heeft de jeugdprofessional wijzigingen aangebracht in het onderzoeksrapport waarna deze definitief is vastgesteld. Het conceptonderzoeksrapport is niet met het Centrum voor Jeugd en Gezin gedeeld. De jeugdprofessional heeft wel het definitieve onderzoeksrapport gedeeld met het Centrum voor Jeugd en Gezin van de gemeente waar de moeder en de kinderen op dat moment staan ingeschreven. De WMO 2015 bepaalt in artikel 4.1.1. lid 2 onder f dat Veilig Thuis het College van Burgemeester en Wethouders in kennis stelt als er een verzoek tot onderzoek wordt ingediend bij de RvdK. De taakuitoefening is door het College van Burgemeester en Wethouders gemandateerd aan het Centrum voor Jeugd en Gezin die verantwoordelijk is voor de regie op de veiligheid tijdens het verzoek tot onderzoek door de RvdK. Hiervoor is inzicht nodig in de bevindingen en conclusies van Veilig Thuis die in het onderzoeksrapport zijn vermeld. Klagers zijn in de gelegenheid gesteld om inhoudelijk te reageren op het rapport.

4.1.3 Het College overweegt het volgende. De jeugdprofessional heeft het onderzoek op 22 januari 2019 overgenomen van een collega die zich op 27 december 2018 ziek heeft gemeld. Het onderzoek lag op dat moment bijna een maand stil. Uit de stukken blijkt dat de jeugdprofessional veelvuldig met de klagers heeft gecommuniceerd en hen heeft betrokken bij het onderzoek. Zo heeft zij tijdens een gesprek met de klagers op 7 februari 2019 haar excuses aangeboden voor het feit dat het onderzoek al zo lang duurt. Ook heeft zij toen verteld dat er grote zorgen zijn over de ontwikkeling van de kinderen en wat er nodig is om het onderzoek af te ronden. Er is gesproken over een verzoek tot onderzoek bij de RvdK als de moeder geen toestemming geeft voor het opvragen van informatie bij de betrokken hulpverleners. Dat is op papier vastgelegd en door de moeder en de vader ondertekend. Ook zijn de moeder en de vader op 26 maart 2019 uitgenodigd voor een bespreking van het conceptonderzoeksrapport. De moeder heeft op 23 maart 2019 laten weten dat zij niet bij de bespreking aanwezig zou zijn omdat zij het conceptonderzoeksrapport eerst zelf wilde lezen. De jeugdprofessional heeft een e-mail van 26 maart 2019 overgelegd waaruit blijkt dat zij het conceptonderzoeksrapport aan de moeder heeft gemaild. De jeugdprofessional heeft de moeder gevraagd of zij het concept telefonisch of persoonlijk wil bespreken. De moeder heeft per brief op het conceptonderzoeksrapport gereageerd. Het College concludeert dat de jeugdprofessional de moeder in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren op het conceptonderzoeksrapport. De jeugdprofessional heeft transparant gehandeld en heeft gepoogd om met de klagers in contact te blijven.

In het onderzoeksrapport heeft de jeugdprofessional zich gebaseerd op informatie van verschillende partijen. Zo heeft Veilig Thuis informatie ingewonnen bij onder meer de moeder, de vader, hun hulpverleners, de zorginstelling, de huisarts en de jeugdgezondheidszorg GGD. In het onderzoeksrapport heeft de jeugdprofessional weergegeven wat de informanten naar voren hebben gebracht.

Het behoort tot de werkzaamheden van de jeugdprofessional om in het onderzoeksrapport op basis van de gesprekken met de moeder, de vader en de informanten, bevindingen op te schrijven, haar visie te benoemen en adviezen te geven over de hulp en wat er nodig is voor het gezin van de moeder. De professionele visie van de jeugdprofessional komt tot uiting door het gebruik van de woorden ‘Veilig Thuis vraagt zich af’, ‘tevens heeft Veilig Thuis vragen over’ en ‘Veilig Thuis vindt het noodzakelijk dat’. Uit het onderzoeksrapport volgt naar het oordeel van het College niet dat de zorginstelling een profiteur is en mede schuldig is aan de achterstand in de ontwikkeling van de (klein)kinderen. Deze stelling van klagers is feitelijk onjuist. Dat de verslaglegging opzettelijk vernietigend, belastend, onjuist en aangedikt is, is niet uit de stukken gebleken.

Dat de moeder het niet eens zijn met de inhoud van het onderzoeksrapport is duidelijk. De moeder heeft dat in een e-mail van 1 april 2019 aan de jeugdprofessional laten weten. De moeder heeft in deze e-mail geen toestemming aan de jeugdprofessional gegeven om een definitief onderzoeksrapport op te stellen en dat met derden te delen. Het College kan zich voorstellen dat het voor klagers moeilijk moet zijn geweest dat de jeugdprofessional een verzoek tot onderzoek heeft ingediend bij de RvdK. De jeugdprofessional heeft dat besluit echter op 4 april 2019 na een multidisciplinair overleg genomen en zij heeft de moeder hierover op 5 april 2019 per e-mail geïnformeerd. Hierin staat vermeld waarom Veilig Thuis heeft besloten om een verzoek tot onderzoek in te dienen bij de RvdK. De jeugdprofessional heeft in deze e-mail uitgelegd dat het Centrum voor Jeugd en Gezin in de cc staat van de e-mail. Deze neemt de regie op de veiligheid over na de afronding van het onderzoek van Veilig Thuis. Niet uit deze e-mail noch uit de andere stukken blijkt dat de jeugdprofessional het conceptonderzoeksrapport heeft gestuurd naar het Centrum van Jeugd en Gezin. De jeugdprofessional heeft het definitieve onderzoeksrapport doorgestuurd naar het Centrum voor jeugd en Gezin op grond van artikel 4.1.1. lid 2 onder f van de WMO 2015. Zij was daartoe wettelijk verplicht. Het College concludeert dat de jeugdprofessional zorgvuldig heeft gehandeld. Het is het College op basis van de stukken dan ook niet gebleken dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

4.1.4 Het College verklaart de klacht ongegrond.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 14 juli 2020 aan partijen toegezonden.

 

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk                                             mevrouw mr. A.C. Veerman

voorzitter                                                                                        secretaris