Klacht tegen de gezinshulpverlener. In de kern wordt haar verweten dat zij de positie van klager als ouder met gezag onvoldoende heeft gerespecteerd.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter,
de heer mr. M.A. Stammes, lid-jurist,
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,
de heer E.H. Weise, lid-beroepsgenoot,
mevrouw D.J.E. de Graaf, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [plaatsnaam 1],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als gezinshulpverlener bij [instelling], locatie [plaatsnaam 1].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

Klager wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [naam], werkzaam als vertrouwenspersoon bij AKJ te [plaatsnaam 2].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. S. Dik, werkzaam bij DAS te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift met bijlagen ontvangen op 8 september 2017;
– het verweerschrift met bijlagen ontvangen op 1 december 2017.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 5 februari 2018 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing – vanwege tweede paasdag – niet op 2 april 2018 maar op 3 april 2018 verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen wat partijen ter zitting verklaard hebben, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van de minderjarige kinderen: [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2007, en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2011, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Klager en zijn ex-partner, de moeder van de kinderen (hierna te noemen: de moeder), zijn uit elkaar. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt gezamenlijk uitgeoefend door klager en de moeder.

2.3

In mei 2015 is aan klager en de moeder wegens hun relatieproblemen hulpverlening vanuit een RIAGG ingezet.

2.4

Op 15 juli 2015 hebben klager en de moeder een intakegesprek bij [instelling] gehad om de mogelijke gevolgen van de relatieproblemen voor de kinderen in kaart te brengen. Vervolgens is vanaf 3 september 2015, vanuit [instelling], hulpverlening aan klager en de moeder ingezet door een collega van beklaagde (beklaagde in de zaak 17.036Tf).

2.5

Medio oktober 2015 is er op verzoek van de moeder gezocht naar een zogenoemde time-out plek voor de moeder.

2.6

Op 27 oktober 2015 heeft, op voorstel van de betrokken medewerker vanuit [instelling], een verkennend kennismakingsgesprek plaatsgevonden met de moeder en met klager om te bezien of tegemoet kon worden gekomen aan de wens van de moeder voor een time-out plek bij [instelling voor vrouwenopvang], hierna te noemen: [vrouwenopvang].

2.7

Op 28 oktober 2015 meldt de moeder zich samen met de kinderen bij [vrouwenopvang] als slachtoffer van huiselijk geweld. De moeder en de kinderen zijn dezelfde dag opgenomen bij [vrouwenopvang], waarna beklaagde betrokken is geraakt als gezinshulpverlener.

2.8

Op 14 januari 2016 heeft er een evaluatiegesprek van de plaatsing van de moeder en de kinderen plaatsgevonden met klager, de moeder, beklaagde en een collega van beklaagde. Vervolgens is de plaatsing van de moeder en de kinderen verlengd en is een verzoek tot onderzoek ingediend bij de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de RvdK.

2.9

Op 13 april 2016 heeft beklaagde, naar aanleiding van een verzoek hiertoe, informatie verstrekt aan de RvdK. Op 19 april 2016 heeft beklaagde dezelfde informatie aan klager en de moeder toegestuurd.

2.10

De kinderrechter heeft bij beschikking van 16 juni 2016 van de rechtbank [plaatsnaam 1] de kinderen voor de duur van twaalf maanden onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd. De ondertoezichtstelling is uitgevoerd door de gecertificeerde instelling [naam gecertificeerde instelling].

2.11

Op 15 december 2016 eindigt de plaatsing van de moeder en de kinderen bij [vrouwenopvang].

2.12

Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2013 geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

3 Bevoegdheid College

Beklaagde staat in het register van Stichting Kwaliteitsregister Jeugd ingeschreven als jeugdzorgwerker in de functie van ambulant hulpverlener.
Het College overweegt, op grond van artikelen 3.1 en 3.3 van het Tuchtreglement, dat het beslist met inachtneming van de algemene tuchtnorm waaraan de jeugdprofessional is onderworpen, welke algemene tuchtnorm betrekking heeft op de hulpverlening in het jeugddomein en op de uitoefening van het beroep waarvoor de jeugdprofessional is geregistreerd.
Uit de stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat beklaagde, in dienst van [instelling], dat onder meer jeugd- en opvoedhulp, acute zorg en vrouwenopvang aanbiedt, als gezinshulpverlener ambulante hulp heeft verleend aan de moeder. De hulpverlening vanuit [instelling] heeft zich voornamelijk gericht op de moeder en de gevolgen voor de kinderen van de ouderproblematiek. Uit de stukken leidt het College af dat de hulpverlening gericht op de moeder kan worden aangemerkt als hulpverlening die geboden is aan de moeder in de context van het gezinssysteem waarvan zij deel uitmaakt. Vanwege deze systeem-gerichte werkwijze is het College van oordeel dat de hulpverlening ook het jeugddomein omvat. Het College komt dan ook tot het oordeel dat zij bevoegd is een oordeel te geven over de voorgelegde klachtonderdelen.

4 De klacht, het verweer en de beoordeling

4.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

4.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

4.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4.1.3

Klager verwijt beklaagde in de kern dat zij de positie van klager als ouder met gezag onvoldoende heeft gerespecteerd.

4.1.4

Hierna zullen de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een worden besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt.

4.2 Klachtonderdeel I

4.2.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft de moeder en de kinderen op 28 oktober 2015 ten onrechte een plaats gegeven binnen [vrouwenopvang] als slachtoffer van huiselijk geweld en deze plaatsing op 14 januari 2016 ten onrechte verlengd.

Toelichting:
Nu tijdens het kennismakingsgesprek en de introductieperiode geen enkele melding is gemaakt van huiselijk geweld en/of enige vorm van urgentie, had beklaagde allereerst contact moeten opnemen met haar collega en klager om het verhaal van de moeder te verifiëren. Mede gelet op het feit dat klager ouder met gezag is en de kinderen samen met de moeder zijn geplaatst bij [vrouwenopvang], had klager betrokken moeten worden bij de plaatsing. Voorts is door beklaagde of anderen nooit een melding van huiselijk geweld gemaakt bij Veilig Thuis. Ook het besluit tot verlenging van de plaatsing op 14 januari 2016 heeft beklaagde genomen, zonder overleg met klager, onderzoek naar de feiten en een kritische evaluatie van ‘het verhaal van de moeder’. Tot slot hebben de zus van de moeder en haar dertienjarige dochter een maand bij [vrouwenopvang] gelogeerd, hetgeen niet is toegestaan blijkens het huishoudelijk reglement van [instelling]. Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

4.2.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde is pas betrokken geraakt na 28 oktober 2015 en is dus niet verantwoordelijk voor de plaatsing. In de maanden november en december 2015 zijn er diverse gesprekken met onder meer klager en de moeder gevoerd. De situatie tussen de ouders is in de periode na 28 oktober 2015 verergerd. In het evaluatiegesprek op 14 januari 2016 met klager, de moeder, beklaagde en haar collega is – mede naar aanleiding van de hulpvragen van de moeder – geconcludeerd dat de plaatsing van de moeder voor onbepaalde tijd verlengd zou worden. Tijdens dit evaluatiegesprek heeft de moeder aan klager uitgelegd waarom zij niet terug wilde naar klager. Beklaagde betwist dan ook dat klager niet betrokken zou zijn geweest bij de besluitvorming.
Wat betreft het verwijt dat de zus van de moeder en haar dochter een tijd bij [vrouwenopvang] mochten verblijven, stelt beklaagde dat de huisregels van [instelling] een basis zijn, maar er wordt zorg op maat geleverd. In het teamoverleg hierover is besloten dat de zus een steun voor de moeder is en zij om deze reden bij de moeder mocht verblijven.

4.2.3

Over de plaatsing van de moeder en de kinderen binnen [vrouwenopvang] stelt het College vast dat de moeder zich op 28 oktober 2015 met de kinderen bij [vrouwenopvang] gemeld heeft voor een opname. Beklaagde heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij op de dag van de plaatsing niet betrokken was bij de casus. Daarom kan beklaagde niet verantwoordelijk gehouden worden voor de plaatsing van de moeder en de kinderen en kan haar betreffende de plaatsing binnen [vrouwenopvang] geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden.
Ten aanzien van de verlenging van de plaatsing stelt klager dat dit besluit ten onrechte is genomen. Klager meent dat het besluit is genomen zonder overleg met hem, zonder onderzoek naar de feiten en een kritische evaluatie van ‘het verhaal van de moeder’. Het College stelt vast dat tijdens het evaluatiegesprek op 14 januari 2016 door [vrouwenopvang] geconcludeerd is dat – naar aanleiding van de hulpvragen van de moeder – de plaatsing van de moeder voor onbepaalde tijd verlengd zou worden. Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, stelt het College vast dat beklaagde de hulpvragen van de moeder en de ouderproblematiek en – naar het College begrijpt – de gevolgen hiervan voor de ontwikkeling van de kinderen mee heeft genomen in de afweging om de plaatsing van de moeder bij [vrouwenopvang] te verlengen. Het College verwijst in dit verband naar bijlage vijf behorend bij het verweerschrift, waarin verwezen wordt naar het evaluatiegesprek op 14 januari 2016 over het verloop van de crisisperiode. Daar heeft de moeder toelichting gegeven over haar beweegredenen de stap tot een time-out genomen te hebben en daarbij uitgesproken te willen kiezen voor een vervolgtraject binnen [vrouwenopvang]. Betreffende bijlage vermeldt tevens dat klager zich niet herkent in hetgeen de moeder aangeeft en dat zij leugens vertelt. In dat overleg wordt geconcludeerd dat de ouders naar de kinderen niet tot overeenstemming komen, steeds opnieuw in herhaling vallen en dat er verschillende visies zijn over gebeurtenissen met betrekking tot de kinderen en wat zij nodig hebben. Het verslag vermeldt dat dit de hulpverlening stagneert en dat de kinderen steeds meer klem zitten. Omdat binnen het vrijwillige kader het niet gelukt is om de hulpverlening op een passende wijze op te starten, willen betrokken hulpverleners de RvdK dan ook verzoeken de casus met spoed op te pakken. Gelet op het voorgaande concludeert het College dat beklaagde in redelijkheid tot haar beslissing is gekomen om de plaatsing te verlengen. Beklaagde heeft naar het oordeel van het College een zorgvuldige afweging gemaakt.
Daar waar klager beklaagde verwijt dat beklaagde heeft nagelaten ‘het verhaal van de moeder’ op juistheid te verifiëren, overweegt het College dat is gebleken dat beklaagde hulpverlening aan de moeder geboden heeft, in de vorm van ondersteuning rond de ouderproblematiek en de gevolgen daarvan voor de ontwikkeling van de kinderen. Gelet op de aard van deze, primair op de moeder gerichte, hulpverlening is het College van oordeel dat het niet op de weg van beklaagde lag om de informatie, afkomstig van de moeder, respectievelijk haar perceptie op de feiten, te verifiëren.
Voor zover klager beklaagde verwijt dat hij niet is betrokken bij het besluit om de plaatsing te verlengen, overweegt het College als volgt. De hulpverlening vanuit [vrouwenopvang] heeft zich primair op de moeder heeft gericht. Desalniettemin blijkt uit de overgelegde stukken dat er diverse gesprekken zijn geweest waarbij ook klager aanwezig was, zie bijvoorbeeld het evaluatiegesprek van 14 januari 2016. Het College volgt klager dan ook niet in zijn stelling dat hij niet bij de besluitvorming betrokken zou zijn geweest.
Tot slot heeft beklaagde inzake het verblijf van de zus van de moeder en haar dochter voldoende aannemelijk gemaakt dat, passend binnen de huisregels van [instelling], ter ondersteuning van de moeder – en in teamoverleg besloten – het verblijf van betrokkenen binnen [vrouwenopvang] kon worden toegestaan.

4.2.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

4.3 Klachtonderdeel II

4.3.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft geweigerd om klager te informeren over ‘het verhaal van de moeder’ met een beroep op een niet bestaande geheimhoudingsplicht.

Toelichting:
Klager heeft beklaagde in de periode tussen 28 oktober 2015 en 19 april 2016 meermaals gevraagd naar ‘het verhaal van de moeder’. Doordat [vrouwenopvang] echter in april 2016 vragen van de RvdK heeft beantwoord, is klager alsnog duidelijk geworden wat ‘het verhaal van de moeder’ was. Klager stelt voorts dat hij indirect als dader is weggezet van het plegen van huiselijk geweld. Door het ontbreken van informatie is hem de kans ontnomen om zich hiertegen te kunnen verweren. Klager is van mening dat zijn recht op verdediging zwaarder had moeten wegen dan een eventuele aanwezige geheimhoudingsplicht. Klager stelt tot slot dat hij als ouder met gezag recht had op informatie over zijn kinderen. Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikelen C (bereidheid iedere cliënt te helpen), D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), E (respect), F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

4.3.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
De moeder is de cliënt en op haar naam is het cliëntdossier gemaakt. Zonder toestemming van moeder mag beklaagde op grond van de Wet Bescherming Persoonsgegevens geen informatie verstrekken aan derden, in dit geval klager. Inzake de aan de RvdK beantwoorde vragen hebben beide ouders toestemming gegeven om [instelling] als informant te spreken, waarna [instelling] de vragen beantwoord heeft.

4.3.3

Het College volgt het verweer van beklaagde dat, zonder toestemming van de moeder, aan klager in beginsel geen informatie betreffende de hulpverlening van de moeder verstrekt kan worden. Dit blijkt onder meer uit artikel J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Nu klager blijkens de stukken geen toestemming gegeven heeft voor de inzet van kindhulpverlening vanuit [vrouwenopvang], is het College voldoende aannemelijk geworden dat betreffende de kinderen – op één verslag van een kennismakingsgesprek met de kinderen na, welke klager toegezonden is – geen kinddossiers door beklaagde zijn gemaakt. In zoverre kan klager geen beroep doen op recht op informatie c.q. dossiers inzake zijn kinderen die door [vrouwenopvang] zou zijn vastgelegd.

4.3.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

4.4 Klachtonderdeel III

4.4.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft onterecht ‘Code Rood’ ingezet en daarmee onterecht de toegang van klager als ouder met gezag tot zijn kinderen belemmerd.

Toelichting:
Beklaagde is verantwoordelijk voor het inzetten van ‘Code Rood’, inhoudende dat klager [vrouwenopvang] niet mocht betreden en dat hij zijn kinderen niet mocht zien totdat een omgangsregeling zou zijn vastgesteld. Omdat het hulpverlening in het vrijwillige kader betrof, meent klager dat er geen enkele basis bestond om klager vrijelijk toegang en contact met zijn kinderen te ontzeggen. Tijdens het gezamenlijke evaluatiegesprek op 2 november 2015 is ‘Code Rood’ op verzoek van een collega van beklaagde omgezet in ‘Code Groen’. Klager meent dat beklaagde op 28 oktober 2015, de dag dat de moeder zich meldde bij [vrouwenopvang], advies had moeten opvragen bij haar collega. Beklaagde had dan hetzelfde advies gekregen. Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), E (respect), F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

4.4.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
De poortmedewerker is verantwoordelijk voor het inschatten van de veiligheid en het afnemen van een risicoscreening, hetgeen leidt tot het geven van een code aan de veiligheid. Beklaagde kan dan ook geen verwijt worden gemaakt betreffende de gegeven code.

4.4.3

Het College overweegt betreffende de gegeven code aan de veiligheid, te weten ‘Code Rood’, als volgt. Beklaagde heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet verantwoordelijk is geweest voor de gegeven code, nu zij ten tijde van de dag van de plaatsing niet betrokken was bij de casus. Om deze reden volgt het College het verweer van beklaagde en is van oordeel dat beklaagde betreffende de gegeven code geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden.

4.4.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

4.5 Klachtonderdeel IV

4.5.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft onterecht geweigerd de procedure omtrent ‘Code Rood’ toe te lichten en op papier toe te zenden. Voorts was zij na inzet van ‘Code Rood’ onredelijk lang niet bereikbaar.

Toelichting:
Toen klager op 29 oktober 2015 vernam dat ‘Code Rood’ was ingezet, hebben klager en een collega van beklaagde (meermaals) geprobeerd te achterhalen wat deze code inhield en waarom deze was afgegeven. Beklaagde had klager zo snel mogelijk en zo volledig mogelijk moeten informeren over ‘Code Rood’. Klager heeft pas een week nadat hij op de hoogte is gesteld dat ‘Code Rood’ was ingezet contact met beklaagde kunnen krijgen. Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

4.5.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde is als gezinshulpverlener in beginsel niet de aangewezen persoon om de procedure omtrent ‘Code Rood’ toe te lichten. Omdat de situatie zo hoog was opgelopen, is beklaagde op 2 november 2015 het gesprek aangegaan met beide ouders. Het doel van dit gesprek was duidelijkheid met betrekking tot de omgangsregeling te verkrijgen en eventueel de code aan te passen. In dit gesprek heeft beklaagde gepoogd de vragen van klager inzake de code zo goed mogelijk te beantwoorden. Overigens heeft de collega van beklaagde, die de code heeft afgegeven, per e-mail ook gepoogd de vragen zo goed mogelijk te beantwoorden.

4.5.3

Het College volgt het verweer van beklaagde, dat zij in beginsel niet de aangewezen persoon was om de procedure omtrent de code toe te lichten. Beklaagde heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet verantwoordelijk is geweest voor de gegeven code en dus ook niet voor het informeren daarover. Beklaagde kan hierin geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden. Overigens betwist beklaagde dat zij geweigerd zou hebben de procedure omtrent de code toe te lichten. Beklaagde stelt dat zij getracht heeft de vragen van klager hierover in het gesprek van 2 november 2015 zo goed mogelijk te beantwoorden. Het is College is dan ook niet gebleken dat beklaagde zoals door klager is gesteld een onredelijk lange periode niet bereikbaar zou zijn geweest.

4.5.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

4.6 Klachtonderdeel V

4.6.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft klager bewust misleid over de inhoud van de interventie van de huisarts en de hulpverlening aan de kinderen en heeft zijn positie als ouder met gezag opzij geschoven.

Toelichting:
Op 11 november 2015 heeft klager een gesprek gehad met beklaagde en een stagiaire. In dit gesprek is aan klager toestemming gevraagd voor een algemeen onderzoek van de kinderen, af te nemen door een huisarts van [vrouwenopvang]. Later bleek het te gaan om psychologische testen van de kinderen, om zodoende vragenlijsten aan de moeder te verstrekken. Klager heeft zich hierdoor misleid gevoeld door beklaagde en heeft geen toestemming gegeven aan [vrouwenopvang] om zich nog met zijn kinderen bezig te houden. Desondanks heeft klager begin 2016 vernomen dat op 11 november 2015 toch gesprekken met de kinderen gevoerd zijn, gericht op jeugdhulpverlening en observatie. Beklaagde heeft door aldus te handelen de positie van klager, als ouder met gezag, genegeerd. Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en E (respect) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

4.6.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Tijdens het gesprek op 11 november 2015 heeft de stagiaire getracht uit te leggen wat het consult met de verpleegkundige en kinderarts inhoudt, hetgeen een algemeen medisch onderzoek van de kinderen inhoudt waarbij tevens een vragenlijst wordt ingevuld. Er is niet gezegd dat er psychologische testen gedaan zouden worden die aan de moeder verstrekt zouden worden. Dit is niet het doel van een dergelijk consult en behoort niet tot het vakgebied van een verpleegkundige en kinderarts. Beklaagde heeft tijdens het gesprek nogmaals gepoogd aan klager de inhoud van het consult uit te leggen, maar klager leek dit (in zijn boosheid) niet meer te horen. Het consult heeft niet plaatsgevonden, omdat klager geen toestemming gaf. Beklaagde heeft slechts op 10 november 2015 een kennismakingsspelletje met de kinderen gedaan, zonder inhoudelijke vragen te stellen. Beklaagde was namelijk in de verwachting dat klager, zoals haar ervaring tot die tijd was met gezaghebbende vaders, toestemming zou geven voor de kindhulpverlening (wat beklaagde met de kinderen zou gaan doen). Op 11 november 2015 heeft beklaagde de verslagen over deze kennismaking opgesteld, maar daarbij vergeten de datum aan te passen naar 10 november 2015. Beklaagde heeft hiervoor aan klager reeds haar excuses aangeboden, die zijn destijds door klager geaccepteerd.

4.6.3

Het College overweegt dat van afname van psychologische testen bij de kinderen, met het oogmerk om vragenlijsten aan de moeder te verstrekken, uit de stukken onvoldoende is gebleken. Naar het oordeel van het College is van een bewuste misleiding door beklaagde hierover geen sprake geweest. Evenmin concludeert het College dat beklaagde de positie van klager opzij geschoven heeft, nu zij immers met het oog op het beoogde consult toestemming aan klager gevraagd heeft. Over de gesprekken, die geaccordeerd zijn op 11 november 2015, heeft beklaagde voldoende aannemelijk gemaakt dat de kennismaking met de kinderen op 10 november 2015 heeft plaatsgevonden. Het College overweegt dat wellicht beter was geweest alvorens met de kinderen kennis te maken, de toestemming van klager over de kindhulpverlening te hebben afgewacht. Bij een tuchtrechtelijke toetsing gaat het er echter niet om of het handelen beter had gekund. Naar het oordeel van het College is beklaagde binnen de kaders van een redelijke beroepsuitoefening gebleven en valt haar aldus geen tuchtrechtelijk verwijt te maken. Bovendien had beklaagde hiervoor reeds haar excuses richting klager aangeboden, die door klager blijkens de stukken destijds zijn geaccepteerd.

4.6.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

4.7 Klachtonderdeel VI

4.7.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft klager niet geïnformeerd over geweld tegen de kinderen.

Toelichting:
De kinderen zijn gedurende hun verblijf binnen [vrouwenopvang] slachtoffer geweest van fysiek geweld. [Kind 1] is tenminste op 6 en 7 september 2016 geslagen door een ander kind. Klager heeft beklaagde hier tweemaal over gemaild, maar heeft hier geen reactie ontvangen. Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikel 10 lid 3 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg en artikelen E (respect), F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening), K (vermoeden kindermishandeling) en M (verslaglegging / dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

4.7.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
De ambulante hulpverlening vanuit [vrouwenopvang] betreft tweewekelijkse huisbezoeken. Er is geen pedagogische werker aanwezig die verantwoordelijk voor de kinderen zou zijn. De moeder is verantwoordelijk voor de kinderen en de communicatie richting klager. Na de e-mail van klager over het incident is beklaagde met een collega hierover in gesprek gegaan met de moeder. De moeder heeft hierin aangegeven dat zij klager reeds telefonisch op de hoogte gebracht had van het incident. Beklaagde heeft nog een e-mail over het incident aan de gezinsvoogd gestuurd. Beklaagde heeft niet op klager gereageerd om de contacten met klager via de gezinsvoogden te laten verlopen en omdat vanuit [instelling] op 24 juni 2016 een ontzegging toegang aan klager is opgelegd. De gedragswetenschapper heeft op 25 augustus 2016 aan beklaagde kenbaar gemaakt dat dit ook een contactverbod inhield.

4.7.3

Het College overweegt als volgt. Klager stelt dat in september 2016 binnen [vrouwenopvang] sprake was van mishandeling van zijn kinderen. Uit de stukken blijkt echter dat andere betrokkenen, waaronder de moeder en [instelling], hierover een andere visie hebben. Los van wat al dan niet heeft plaatsgevonden tussen de kinderen, concludeert het College dat de (ambulante) zorgaanbieder niet verantwoordelijk gehouden kan worden voor een incident wat zich buiten de zorg afspeelt. Gelet op de ontzegging toegang aan klager en het opgelegde contactverbod valt beklaagde voorts geen tuchtrechtelijk verwijt te maken dat zij niet op de e-mailberichten van klager gereageerd heeft.

4.7.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

4.8 Klachtonderdeel VII

4.8.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft onvoldoende verslaglegging bijgehouden, waardoor zij zich niet controleerbaar en/of transparant heeft opgesteld.

Toelichting:
Op 13 april 2016 heeft beklaagde een lijst met vragen van de RvdK beantwoord en vervolgens het concept bronverslag geaccordeerd zonder ouders hierin te kennen. Het bronverslag voldoet volgens klager niet aan de minimale randvoorwaarden, die door de ombudsman in 2013 in het rapport “Is de zorg gegrond?” zijn geadviseerd. Op 30 mei en 1 juni 2016 heeft klager vervolgens vragen gesteld aan de gedragswetenschapper over het bronverslag. De gedragswetenschapper heeft aan klager teruggekoppeld dat zij de vragen voorgelegd had aan beklaagde, met het verzoek om de vragen uiterlijk op 10 juni 2016 te beantwoorden. De gedragswetenschapper heeft vervolgens per e-mail op 10 juni 2016 verklaard dat de vragen van klager niet beantwoord zouden worden. Daarentegen bevestigde de gedragswetenschapper wel dat het buitengewoon onzorgvuldig was dat de antwoorden en de concept bronverslagen niet met de ouders zijn besproken voordat deze naar de RvdK verzonden zijn. Het feit dat de gedragswetenschapper bij beklaagde moest vragen hoe de feiten lagen, toont aan dat het dossier onvoldoende op orde was. Voorts heeft klager aan beklaagde en haar management diverse malen gevraagd om een kopie van het dossier. Het dossier dat klager heeft gekregen is incompleet. Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikelen F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en M (verslaglegging / dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

4.8.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Binnen [vrouwenopvang] is de moeder de cliënt en heeft klager slechts recht op inzage in en afschrift van de kinddossiers. Omdat klager geen toestemming heeft verleend voor de kindhulpverlening, zijn de kinddossiers – op de verslagen van de kennismaking na – leeg. Betreffende het bronverslag aan de RvdK is beklaagde ervan uitgegaan, nu ouders toestemming verleend hadden aan de RvdK om [instelling] te benaderen als informant, dat zij als informant vrijuit informatie aan de RvdK kon geven. Het bronverslag is op hetzelfde moment naar de ouders als naar de RvdK gestuurd. In het kader van transparantie zou het beter zijn geweest als het verslag voor de RvdK eerst naar ouders zou zijn verstuurd en een reactie was gevraagd. Beklaagde is zich niet bewust geweest van deze procedurestap, maar zal een verslag een volgende keer wel eerst aan ouders sturen. Inzake de vragen van klager is er vanuit [vrouwenopvang] op een gegeven moment besloten dat het beter is om niet meer te reageren op klager, omdat elk contact leidde tot meer vragen op detailniveau. De gedragswetenschapper heeft dit in een e-mail aan klager beschreven. Dit heeft er niets mee te maken dat het dossier onvoldoende op orde zou zijn, zoals klager stelt. Voorts konden veel vragen van klager niet beantwoord worden, vanwege de privacy van de moeder. Omdat het contact met klager niet constructief verliep, is uiteindelijk een ontzegging toegang aan klager opgelegd, zie punt 4.7.2 van deze beslissing.

4.8.3

Het College verwijst allereerst naar rechtsoverweging 4.3.3 van deze beslissing, waarin reeds overwogen is dat klager in beginsel geen recht heeft op informatie betreffende de hulpverlening van de moeder en dat klager geen toestemming gegeven heeft voor de inzet van kindhulpverlening vanuit [vrouwenopvang]. Voor het College is voldoende aannemelijk geworden dat inzake de kinderen, met uitzondering van het verslag van het kennismakingsgesprek met de kinderen dat aan klager toegezonden is, geen dossiers door beklaagde zijn gemaakt. In zoverre kan klager geen beroep doen op recht op informatie c.q. verslagen over zijn kinderen noch over die van de moeder die door [vrouwenopvang] zou zijn vastgelegd. Het College volgt klager dan ook niet in het verwijt dat beklaagde onvoldoende verslaglegging zou hebben bijgehouden, dit blijkt niet uit de stukken noch uit de e-mailcorrespondentie tussen klager en de gedragswetenschapper.
Over het verwijt dat het bronverslag zonder de ouders hierin te kennen naar de RvdK is toegezonden, oordeelt het College als volgt. Indien ouders aan de RvdK toestemming hebben gegeven om (op voorhand) bepaalde informanten te benaderen voor het onderzoek, mogen deze informanten hun visie over de hulpverlening en over de problematiek aan de RvdK geven. Het College is van oordeel dat de informanten niet eerst de gegeven informatie aan de betrokkenen hoeven voor te leggen. Het onderzoek van de RvdK vermeldt immers in beginsel de mening van (een) belanghebbende(n). Na het opstellen van het raadsonderzoek stelt de RvdK betrokkenen in de gelegenheid om op de samenvatting van het conceptraadsrapport te reageren. Voor klager is er dan ook de mogelijkheid geweest zijn visie op het raadsonderzoek te geven en het gestelde van beklaagde te weerleggen.
Tot slot is het College van oordeel dat de door klager aangehaalde rapportage van de Ombudsman uit 2013 niet van toepassing is op de ambulante hulpverlening die vanuit [instelling] is geboden. Het rapport is geschreven ten behoeve van het toenmalige Bureau Jeugdzorg, Advies- en Meldpunt Kindermishandeling en de RvdK. Het rapport is dus geschreven voor gecertificeerde instellingen, de RvdK en Advies- en Meldpunt Kindermishandeling. Nu [instelling] geen gecertificeerde instelling is, zien de in het rapport neergelegde randvoorwaarden niet toe op het door beklaagde opgestelde bronverslag. Gelet hierop heeft het College niet getoetst of het bronverslag aan de minimale randvoorwaarden uit het rapport voldoen. Naar het oordeel van het College valt beklaagde inzake dit klachtonderdeel dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

4.8.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

4.9 Klachtonderdeel VIII

4.9.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft relevante informatie weggelaten in de verslaglegging aan de RvdK en heeft de ouders onvoldoende betrokken.

Toelichting:
Klager meent dat beklaagde in haar bronverslag naar de RvdK de moeder te veel als slachtoffer heeft weergegeven. De door klager hierover aangedragen informatie, waaruit een minder positief beeld over de moeder en haar aandeel in de problemen blijkt, is weggelaten. Volgens klager deelt de interne klachtencommissie van de RvdK de opvatting dat vanuit [instelling] het begrip voor beide ouders niet helemaal in balans was. Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), J (vertrouwelijkheid), K (vermoeden kindermishandeling), M (verslaglegging / dossiervorming) en Q (toetsing beroepsmatig en functioneel handelen aan de waarden en normen van het beroep) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

4.9.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde heeft getracht overstijgend te reageren op de vragen van de RvdK. Om een evenwichtig beeld te scheppen zijn de voorbeelden die de moeder aangegeven heeft ten aanzien van klager, en andersom, weggelaten. Het zijn verschillende percepties en het is niet feitelijk aan te tonen wie de schuldige is.

4.9.3

Het College overweegt dat in een bronverslag naar de RvdK alle relevante informatie opgenomen dient te worden. Een professional is bevoegd, tot op zekere hoogte, hierin een eigen afweging te maken. Het College begrijpt uit de stukken dat in deze casus veel incidenten hebben gespeeld, waarin de ouders verschillen van perceptie op de feiten. Beklaagde heeft naar het oordeel van het College zorgvuldig gehandeld door ervoor te kiezen om op overstijgend niveau te reageren op de vragen van de RvdK. Het College begrijpt dat beklaagde hierdoor immers getracht heeft de werkelijkheid van de opvoedsituatie rondom de kinderen, qua ontwikkeling en veiligheid, zo goed mogelijk weer te geven.

4.9.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

4.10 Klachtonderdeel IX

4.10.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft de moeder onterecht aangespoord om niet met klager te overleggen, wat wel verplicht was op grond van zijn status als ouder met gezag.

Toelichting:
Beklaagde heeft moeder aangespoord en geholpen om de kinderen over te schrijven op het adres van [vrouwenopvang]. Beklaagde zou de moeder hebben gemotiveerd om dit niet met klager te bespreken of hem hierin te betrekken. Voorts meent klager dat [vrouwenopvang] verzocht heeft de kinderen over te schrijven op een aparte zorgverzekeringspolis van de moeder en dit niet te melden aan klager. Bij dergelijke beslissingen hoort een ouder met gezag te worden betrokken. Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

4.10.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde heeft de moeder niet aangespoord om de kinderen op het adres van [vrouwenopvang] in te schrijven, noch om dit niet met klager te bespreken. Beklaagde is niet betrokken geweest bij deze inschrijving. Toen [vrouwenopvang] vernam dat de kinderen per abuis op hetzelfde adres als moeder zijn ingeschreven, is dit meteen rechtgezet. Ook van het overschrijven van de kinderen op een andere zorgverzekeringspolis is beklaagde niet op de hoogte geweest. De sociaal juridisch dienstverlener pakt dergelijke zaken op. De gezinshulpverlener wordt hierover niet in detail geïnformeerd.

4.10.3

Het College overweegt dat hoewel klager stelt dat beklaagde de moeder (onterecht) zou hebben aangespoord om niet met klager te overleggen over het inschrijven van de kinderen op het adres van [vrouwenopvang] en bij het overschrijven van de kinderen op een aparte zorgverzekeringspolis, klager geen onderbouwende stukken heeft overgelegd. Zo kan niet worden vastgesteld of beklaagde de moeder hierin zou hebben aangespoord. Voorts heeft beklaagde stukken overgelegd op basis waarvan het College vaststelt dat zij niet betrokken is geweest bij de inschrijving van de kinderen op het adres van [vrouwenopvang] noch bij het overschrijven van de kinderen op een andere zorgverzekeringspolis. Beklaagde valt aldus geen tuchtrechtelijk verwijt hierin te maken.

4.10.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

4.11 Klachtonderdeel X

4.11.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft onvoldoende duidelijk gemaakt wat haar functie was.

Toelichting:
Beklaagde is meermaals aangeschoven bij gesprekken tussen klager en managers/gedragswetenschappers van [instelling], zonder dat zij daarbij aan klager helder heeft gemaakt dat zij de mentor van de moeder was. Klager is hier op 2 maart 2016 per toeval achter gekomen. Klager meent dat beklaagde als mentor automatisch voor het belang van de moeder zal hebben gekozen en hierdoor in de gesprekken niet neutraal kan zijn geweest. Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), E (respect) en F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

4.11.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
De functienaam van beklaagde is gezinshulpverlener. De term ‘mentor’ gebruikt beklaagde niet, omdat dit niet de juiste is. Klager heeft nooit om uitleg gevraagd over de functie van beklaagde, om deze reden wist beklaagde niet dat er onduidelijkheid bij klager bestond over haar functie. De gezinshulpverlener stelt het belang van de kinderen voorop en kiest niet automatisch voor het belang van de moeder. Desondanks beseft beklaagde zich dat ze niet geheel neutraal kan zijn, gezien haar functie bij [vrouwenopvang] en het feit dat alleen de moeder de cliënt is. Zij heeft geprobeerd om enerzijds klager te betrekken bij de hulpverlening en anderzijds om op professionele wijze te werken aan de individuele doelen van de moeder, zoals dit hoort bij de functie van gezinshulpverlener.

4.11.3

Het College overweegt dat hoewel klager stelt dat beklaagde onvoldoende duidelijk gemaakt zou hebben wat haar functie was, klager geen onderbouwende stukken betreffende dit verwijt heeft overgelegd. Voorts heeft beklaagde gesteld dat zij niet wist dat bij klager onduidelijkheid bestond over haar functie. Het College concludeert dan ook, dat daar waar klager geen uitleg inzake haar functie gevraagd heeft, haar geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden over de eventuele onduidelijkheid hierin. Beklaagde betwist overigens ten stelligste dat haar functienaam ‘mentor’ zou zijn, hetgeen het College ook niet uit de stukken is gebleken.

4.11.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

4.12 Klachtonderdeel XI

4.12.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft de privacy van klager en zijn kinderen geschonden door zonder zijn medeweten verslag uit te brengen aan [de gecertificeerde instelling] van privégesprekken tussen hem en de kinderen (via Skype).

Toelichting:
Tenminste in oktober en november 2016 zijn, op verzoek van [de gecertificeerde instelling], door de medewerkers van [vrouwenopvang] wekelijks verslagen opgemaakt (en toegezonden naar [de gecertificeerde instelling]) van privégesprekken tussen klager en zijn kinderen. Klager meent dat de verslagen inhoudelijk niet kloppen en suggestief zijn. Voorts is het afluisteren van deze gesprekken tegenstrijdig aan het gegeven dat beklaagde geweigerd heeft om een bij klager achtergelaten skype voicemail en video van 29 februari 2016 te beluisteren. Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

4.12.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
De gezinsvoogd van [de gecertificeerde instelling] heeft [vrouwenopvang] verzocht om te controleren of de skypecontacten tussen de kinderen en ouders plaatsvonden, omdat de moeder had aangegeven dat het skypecontact niet tot stand kwam in de weken dat de kinderen bij klager waren. [vrouwenopvang] heeft hiermee ingestemd, ervan uitgaande dat het voornoemde door de gezinsvoogd ook met klager zou zijn besproken. De avonddienst van [vrouwenopvang] heeft, na elk skypecontact tussen klager en de kinderen, een terugkoppeling aan beklaagde gestuurd. Beklaagde heeft deze terugkoppelingen doorgestuurd naar de gezinsvoogd. Beklaagde betreurt het dat achteraf is gebleken dat klager hiervan niet op de hoogte was. Beklaagde heeft hiervan geleerd dat bij elke actie en/of handeling dient te worden nagegaan of beide gezaghebbende ouders op de hoogte zijn en instemmen, zodat de hulpverlening zo zorgvuldig en transparant mogelijk vormgegeven wordt.

4.12.3

Het College overweegt dat klager geen onderbouwende stukken betreffende de verslaglegging van de telefoongesprekken tussen hem en zijn kinderen heeft overgelegd. Beklaagde heeft echter erkend dat [vrouwenopvang] belmomenten tussen klager en zijn kinderen, op verzoek van [de gecertificeerde instelling], heeft bijgehouden. Beklaagde heeft in haar verweer voldoende aannemelijk gemaakt dat de gesprekken niet zijn afgeluisterd. Het doel was slechts om vast te stellen of de belmomenten tussen klager en zijn kinderen plaatsvonden. Wat al dan niet het doel van de verslaglegging was, het College is van oordeel dat op grond van artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker de gezaghebbende ouder geïnformeerd had moeten worden over dat de belmomenten tussen klager en zijn kinderen zouden worden bijgehouden. Deze verantwoordelijkheid ligt echter volgens het College bij de instelling die een dergelijk verzoek doet, in dit geval [de gecertificeerde instelling]. Het College acht het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat beklaagde niet heeft geverifieerd of klager over voornoemde was geïnformeerd. Beklaagde heeft hier volgens het College gerechtvaardigd op mogen vertrouwen. Ten overvloede merkt het College op dat het getuigt van zorgvuldigheid van beklaagde dat zij, reflecterend op haar handelen, in het vervolg zal controleren of de gezaghebbende ouder geïnformeerd is.

4.12.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

5 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 3 april 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris