Het College van Beroep volgt het standpunt van de moeder niet dat een medewerker van het buurtteam de hulpverlening heeft stopgezet en een uithuisplaatsing heeft geïnitieerd.

Het College van Beroep heeft beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.P. van der Linden, voorzitter,
mevrouw mr. C.C.J. Maas, lid-jurist,
mevrouw H.W. Kamphof, lid-beroepsgenoot,
de heer H.A. ten Hove, lid-beroepsgenoot,
mevrouw F.A. Leeflang, lid-beroepsgenoot,

in de zaak van:

[Klaagster], klaagster in eerste aanleg, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

tegen:

[Jeugdprofessional], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als gezinscoach bij [buurtteam], hierna te noemen: het buurtteam.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

De moeder wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. M. Erkens, advocaat te Den Haag.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. E.J.C. de Jong, advocaat te Utrecht.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift, met de bijlagen, dat de moeder op 7 februari 2019 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– het verweerschrift, met de bijlagen, dat de jeugdprofessional op 9 april 2019 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 19.075Ta van 25 juli 2019;
– het beroepschrift, met de bijlagen, dat de moeder op 12 september 2019 heeft ingediend;
– het verweerschrift dat de jeugdprofessional op 22 oktober 2019 heeft ingediend.

1.2 Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht alle klachtonderdelen ongegrond verklaard.

1.3 De moeder heeft op 12 september 2019 tegen deze beslissing – tijdig – beroep aangetekend.

1.4 De jeugdprofessional heeft op 22 oktober 2019 een verweerschrift tegen het beroep ingediend.

1.5 De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 9 januari 2020 in aanwezigheid van de moeder, de jeugdprofessional en de hiervoor genoemde gemachtigden. Zowel de moeder als de jeugdprofessional is tijdens de mondelinge behandeling van het beroep vergezeld door een toehoorder: de partner van de moeder en de manager van de jeugdprofessional.

1.6 Na afloop van de mondelinge behandeling van het beroep heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing op 20 februari 2020 wordt verstuurd.

2     De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden, gaat het College van Beroep van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft uit een eerder huwelijk een dochter en een zoon, hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen. De kinderen wonen sinds augustus 2012 in een perspectief biedend pleeggezin. Tussen de moeder en de kinderen is er een bezoekregeling. In februari 2016 is het gezag van de moeder en haar ex-partner over de kinderen beëindigd. Op dat moment wordt de [GI], hierna te noemen: de GI, belast met de voogdij over de kinderen. De moeder en haar ex-partner zijn in maart 2017 gescheiden.

2.2 In 2017 heeft de moeder een nieuwe relatie gekregen en is zij zwanger geraakt.

2.3 De moeder heeft zich aangemeld bij het buurtteam voor ondersteuning tijdens de zwangerschap. De moeder en het buurtteam hebben vervolgens besproken hoe de begeleiding vorm zal krijgen. Vanaf 25 juli 2018 is de jeugdprofessional, die ambulante hulp gaat bieden, bij de moeder betrokken geraakt. De moeder is op dat moment acht maanden zwanger.

2.4 Op 3 augustus 2018 heeft de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: RvdK, een rapport uitgebracht naar aanleiding van het verzoek van de GI van 26 april 2018 tot het verrichten van onderzoek naar het – toen nog – ongeboren kind: ‘omdat er ernstige zorgen zijn over de ontwikkeling en vrijwillige hulpverlening niet toereikend lijkt’.

2.5 Op 29 augustus 2018 hebben de moeder en haar partner, hierna te noemen: de vader, een zoon gekregen. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de zoon. Tussen de ouders is sprake van een latrelatie.

2.6 Op verzoek van de RvdK heeft de kinderrechter bij beschikking van 13 september 2018 de zoon onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van negen maanden, dat wil zeggen tot 13 juni 2019. ‘Dit is noodzakelijk om de ontwikkeling en veiligheid van [de zoon] te kunnen monitoren en de beoogde hulpverlening te kunnen inzetten’. De voogd van de kinderen is vanaf dat moment tevens de jeugdbeschermer van de zoon geworden.

2.7 De jeugdprofessional heeft in het kader van de ambulante hulpverlening aan de moeder een verslag van bevindingen opgesteld. Op 9 januari 2019 heeft de jeugdprofessional dit verslag, in het bijzijn van een collega, met de moeder besproken.

2.8 Op 11 januari 2019 heeft de GI de kinderrechter verzocht voor de zoon een spoedmachtiging uithuisplaatsing te verlenen. De GI is van mening ‘dat de uithuisplaatsing gedurende dag en nacht in het belang van de verzorging en opvoeding van [de zoon], of tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid noodzakelijk is’.

2.9 Bij beschikking van 14 januari 2019 heeft de kinderrechter de spoedmachtiging uithuisplaatsing verleend, in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van vier weken tot 11 februari 2019. ‘De bevindingen van het verslag van [de jeugdprofessional] maken dat de GI zich grote zorgen maakt over [de zoon]. [De moeder] kan onvoldoende aansluiten bij [de zoon] (mentaliseren) en is onvoldoende in staat dit aan te leren’. De uithuisplaatsing van de zoon is tot op heden verlengd.

2.10 De jeugdprofessional is als jeugd- en gezinsprofessional sinds [datum] 2018 geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College van Beroep beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessionals aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en/of nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.3 Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling van de klachtonderdelen I, II en III die het College van Toezicht op 25 juli 2019 ongegrond heeft verklaard.

4     Het beroep, verweer en de beoordeling

4.1.1 Hierna zullen de in het beroepschrift aangehaalde klachtonderdelen een voor een worden besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in beroep, evenals het verweer in beroep, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven.

4.1.2 Het College van Beroep wijst er nog op dat in een beroepsprocedure alleen grieven kunnen worden aangevoerd die zien op de beoordeling van de oorspronkelijke klachtonderdelen zoals geformuleerd bij het College van Toezicht. Voor zover de moeder in het beroepschrift nieuwe klachtonderdelen heeft opgenomen zijn deze niet in deze beslissing opgenomen en kan het College van Beroep daar geen oordeel over geven.

4.2 Klachtonderdeel I

4.2.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel I als volgt geformuleerd: “De jeugdprofessional heeft in strijd gehandeld met de gemaakte afspraken, en daarbij heeft de jeugdprofessional onvoldoende hulp geboden.”

4.2.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel – voor zover relevant – als volgt geoordeeld:
“[..] Het College [van Toezicht] kan echter niet vaststellen dat de jeugdprofessional niet overeenkomstig de gemaakte afspraken gehandeld zou hebben, zeker nu in het eindverslag ook helder beschreven staat dat gewerkt moest gaan worden aan de twee genoemde doelen (ondersteuning van de moeder en rapporteren aan de GI). [..]

Ten aanzien van het deel van de klacht van de moeder dat de jeugdprofessional eerst positief was, daarna negatief en voorts niet alles bespreekbaar heeft gemaakt, overweegt het College [van Toezicht] als volgt. De jeugdprofessional heeft in haar schriftelijke verweer maar ook tijdens de mondelinge behandeling van de klacht verklaard, dat zij steeds heeft gemanoeuvreerd tussen het bewaken van de relatie met de moeder, mede gezien het grote wantrouwen van de moeder tegen hulpverleners, en het – op zo positief mogelijke wijze – bespreekbaar maken van wat zij zag. Zij heeft daardoor gemeend niet op ieder moment met de moeder in gesprek te moeten gaan over wat er in haar ogen niet goed ging. Overigens, zo heeft de jeugdprofessional gesteld, was zij niet zozeer terughoudend in het benoemen van haar observaties over de toename van signalen van een vermijdende hechting tussen de moeder en de zoon, maar meer over huishoudelijke zaken. De jeugdprofessional bestrijdt dan ook dat zij tussentijds niets met de moeder besproken heeft. Zo heeft de jeugdprofessional een video-opname gemaakt, die zij samen met de moeder heeft teruggekeken en heeft zij haar observaties een aantal keren met de moeder gedeeld. De jeugdprofessional heeft benadrukt dat zij hierover regelmatig tussentijds afstemming heeft gezocht met haar collega’s, en dat zij ook met de jeugdbeschermer heeft gesproken. Hoewel het College [van Toezicht] zich bewust is van de impact op de moeder, kan het College [van Toezicht] de jeugdprofessional volgen in de door haar gemaakte afwegingen, ook als dat impliceert dat er daardoor minder met de moeder is besproken. Het College [van Toezicht] heeft in het verslag gelezen dat de jeugdprofessional ‘zo transparant’ mogelijk zal werken. Dat zij niet op ieder moment volledig transparant heeft gewerkt, zoals de jeugdprofessional hierboven heeft verklaard, betekent volgens het College [van Toezicht] niet dat zij buiten de grenzen van haar beroepsmatig handelen is getreden. Dat er niets met de moeder besproken zou zijn, heeft de jeugdprofessional onbetwist weerlegd. Overigens heeft het College [van Toezicht] niet geconstateerd dat de jeugdprofessional in het eindverslag heeft geadviseerd dat de zoon uit huis geplaatst moest worden, zoals de moeder in haar klacht heeft verwoord.

Vast staat voorts dat de jeugdprofessional de moeder drie à vier uur per week ondersteuning heeft geboden en dat zij regelmatig telefonisch en Whatsapp contact met haar heeft onderhouden. Dat de ondersteuning onvoldoende is geweest, zoals de moeder stelt, is volgens het College [van Toezicht] niet aannemelijk geworden. Mogelijk had de jeugdprofessional op een bepaald moment meer (specialistische) ondersteuning kunnen inroepen, wat zij tijdens de mondelinge behandeling van de klacht zelf ook heeft beaamd. De afweging van de jeugdprofessional dat niet te doen, namelijk het wantrouwen van de moeder jegens hulpverleners, het winnen van het vertrouwen van de moeder en het risico dat twee jeugdprofessionals mogelijk tegen elkaar zouden kunnen worden uitgespeeld, acht het College [van Toezicht] desondanks navolgbaar. Bovendien is het geven van een oordeel over – het afnemen van – gehechtheid, nu de zoon eerst nog oogcontact met de jeugdprofessional maakte, maar na verloop van tijd weg keek, geen medische diagnose en heeft de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling verklaard zelf veel kennis te hebben van, en ruime ervaring te hebben met, deze problematiek. Het College [van Toezicht] ziet in de klacht dan ook geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt.”

4.2.3 De moeder voert ten aanzien van dit klachtonderdeel het volgende aan. In de kern zag de gemaakte afspraak er namelijk op toe dat er zo transparant mogelijk werd gewerkt. Dat het College van Toezicht van oordeel is dat wel uitvoering is gegeven aan de gemaakte afspraak getuigt van het bagatelliseren, verkeerd inschatten en onjuist beoordelen van het handelen en de consequenties van het handelen van de jeugdprofessional. Omdat er is afgesproken dat er zo transparant mogelijk wordt gewerkt, mag de moeder erop vertrouwen dat er een open en eerlijke relatie ontstaat. De afspraak over transparantie is gemaakt in het licht van het feit dat bekend is dat er wantrouwen bij de moeder jegens de hulpverlening is. In dat licht is niet te volgen dat de jeugdprofessional vervolgens kan stellen dat ‘zoveel mogelijk’ haar ruimte geeft om niet open en eerlijk te zijn. De grens van het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen in het licht van het vertrouwen van cliënten in de jeugdzorg wordt juist eerder bereikt door een specifieke afspraak in deze speciale casus. Vanuit een situatie van positiviteit is ineens besloten tot het stopzetten van de hulpverlening en een uithuisplaatsing, zonder dat dit eerst is besproken en specialistische hulp is ingezet. Daarbovenop acht de moeder het oordeel van het College van Toezicht omtrent de gehechtheid onnavolgbaar, omdat de jeugdprofessional geen deskundige is die een diagnose op dit gebied mag vaststellen.

4.2.4 De jeugdprofessional stelt zich op het standpunt dat zij niet degene is geweest die de hulpverlening heeft stopgezet en de uithuisplaatsing heeft geïnitieerd. Het beëindigen van de hulpverlening is te wijten aan de moeder en de uithuisplaatsing is een beslissing van de kinderrechter geweest. Daarnaast geeft de jeugdprofessional aan dat zij de moeder niet alleen positieve feedback heeft gegeven en verwijst daarvoor bijvoorbeeld naar de aantekeningen van 31 oktober 2018. Tot slot geeft de jeugdprofessional aan dat zij niet nader ingaat op het feit dat zij eerst specialistische hulp had moeten inroepen alvorens de hulpverlening te stoppen, nu dit een nieuw klachtonderdeel is.

4.2.5 Het College van Beroep stelt allereerst vast dat de moeder zowel in haar beroepschrift als tijdens de mondelinge behandeling van het beroep dit klachtonderdeel heeft geprobeerd uit te breiden. Het College van Beroep verwijst naar hetgeen hierover in deze beslissing is opgenomen onder 4.1.2. Het College van Beroep stelt voorts vast dat tussen partijen niet in geschil is dat op 7 augustus 2018 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de betrokken ketenpartners en de moeder. Doel van dit gesprek is geweest om de hulpverlening op elkaar af te stemmen. In een contactjournaal is – voor zover relevant – over dit overleg het volgende opgenomen: “[De jeugdprofessional] geeft aan zo transparant mogelijk te werken. Eerst overleggen met [de moeder]. Wanneer het over de veiligheid van de baby gaat kan [de jeugdprofessional], [andere hulpverleners] ook direct in overleg met elkaar of [de jeugdbeschermer]. Het buurtteam gaat ondersteunen in het bevorderen van de hechting, krijgen van een ritme en het zorgen voor de baby. [De jeugdbeschermer] geeft aan dat hij graag wil dat we observeren in het contact tussen [de moeder] en de baby.[..] wanneer de vraag voor ondersteuning te groot wordt zal het buurtteam doorverwijzen naar gespecialiseerde gezinsondersteuning. [..]” Het College van Beroep overweegt dat uit het voorgaande blijkt dat er met de moeder is gesproken over de taken die de verschillende hulpverleners hadden. Het College van Beroep acht het echter wel zorgvuldig, hetgeen de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van het beroep ook heeft erkend, dat van dergelijke gesprekken c.q. afspraken een gespreksverslag wordt gemaakt. Zo is voor alle partijen helder wat is afgesproken en dit desgewenst teruggelezen kan worden. Tussen partijen is daarnaast niet in geschil dat de jeugdprofessional het verslag van bevindingen op verzoek van de jeugdbeschermer heeft geschreven en dat er tijdens het bespreken van het verslag een incident in de woning van de moeder heeft plaatsgevonden. De kinderrechter heeft niet lang daarna aanleiding gezien om voor de zoon een spoedmachtiging uithuisplaatsing te verlenen. Door het uitspreken van deze kinderbeschermingsmaatregel bestond de noodzaak, zoals partijen hebben erkend tijdens de mondelinge behandeling van het beroep, voor de hulpverlening door de jeugdprofessional niet langer. Het College van Beroep kan daarom het standpunt van de moeder niet volgen dat het de jeugdprofessional is geweest die de hulpverlening heeft stopgezet. Het College van Beroep acht het van de zijde van de moeder een verstrekkend verwijt dat de jeugdprofessional de uithuisplaatsing geïnitieerd zou hebben. Het College van Beroep acht het passend bij de taak van de jeugdprofessional, nog los van de vraag of zij hiertoe verplicht is in het licht van de Jeugdwet, dat zij inlichtingen verstrekt over de hulpverlening die zij heeft verleend. Zoals de jeugdprofessional terecht in de begeleidende brief bij het verslag van bevindingen heeft geschreven, kan zij geen beslissingen nemen en is dit aan de jeugdbeschermer. Dat de jeugdprofessional mogelijk kon voorzien dat haar verslag niet zonder gevolgen zou blijven, is naar het oordeel van het College van Beroep voor de beoordeling van dit klachtonderdeel niet relevant. Zij heeft, passend bij haar taak, een verslag van bevindingen geschreven, met daarin zowel zorgen als krachten, en kan niet (tuchtrechtelijk) verantwoordelijk gehouden worden voor de daaruit voortvloeiende acties van ketenpartners. Hierbij merkt het College van Beroep nog op dat de moeder in de gelegenheid is geweest tijdens de zitting bij de kinderrechter haar zienswijze kenbaar te maken over de verzoeken die de GI heeft gedaan. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep is gebleken dat de kinderrechter desondanks de noodzaak heeft gezien de machtiging uithuisplaatsing voor de zoon tot op heden te verlengen. Voor zover de grieven zich richten tegen het al dan niet hebben van een dubbele taak en/of de wijze van opstellen van het verslag van bevindingen, gaat het College van Beroep hierop in bij respectievelijk de klachtonderdelen II en III. 

4.2.6 De grief faalt. Het College van Beroep handhaaft het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdeel I, zij het onder aanvulling van de motivering.

4.3 Klachtonderdeel II

4.3.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel II als volgt geformuleerd: “De jeugdprofessional heeft de feiten en de meningen niet gescheiden, en de meningen niet onderbouwd.”

4.3.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “Het College [van Toezicht] leest in de klacht van de moeder dat feiten en meningen in het eindverslag niet zijn gescheiden en meningen niet zijn onderbouwd. De jeugdprofessional heeft in het eindverslag naar het oordeel van het College [van Toezicht] haar persoonlijke waarnemingen en ervaringen naar eer en geweten opgeschreven. Het College [van Toezicht] ziet duidelijk terug dat de jeugdprofessional haar bevindingen in het eindverslag kennelijk heeft gebaseerd op de teksten uit de contactjournaals, waarin de observaties per contactmoment beschreven staan. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional desgevraagd verklaard dat zij iedere observatie had kunnen onderbouwen, doch dat zij ervoor gekozen heeft niet alles uitgebreid te beschrijven en zich te beperken tot wat er voor de zoon belangrijk was. Het College [van Toezicht] volgt de jeugdprofessional in haar verklaring dat zij meer had kunnen onderbouwen, en meent ook dat het eindverslag op bepaalde punten nauwkeuriger had gekund, maar dat is niet wat er bij een tuchtrechtelijke toetsing centraal staat. Centraal staat de vraag of de jeugdprofessional is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en dat is naar het oordeel van het College [van Toezicht] het geval.”

4.3.3 De moeder geeft aan dat ze geen kennis had van de contactjournaals die het College van Toezicht ten grondslag legt aan het oordeel, met als gevolg dat het verslag van bevindingen zonder concrete onderbouwing waartegen de moeder zich kon verweren, naar de jeugdbeschermer is gestuurd.

4.3.4 De jeugdprofessional is van mening dat het College van Toezicht terecht heeft geconcludeerd dat het verslag van bevindingen is gebaseerd op eerdere contactjournaals. De jeugdprofessional geeft aan dat haar bevindingen in deze verslagen bijna per definitie subjectief zijn. De jeugdprofessional is daarnaast van mening dat zij ook niet de suggestie heeft gewekt dat haar bevindingen op een andere grondslag zijn gebaseerd dan haar observaties. Tot slot benadrukt de jeugdprofessional dat haar observaties en de schriftelijke weergave daarvan geenszins tot stand zijn gekomen op basis van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.

4.3.5 Het College van Beroep overweegt over dit klachtonderdeel als volgt. Uit het verslag van bevindingen maakt het College van Beroep op dat dit een weergave is van de bevindingen c.q. observaties van de jeugdprofessional tijdens de hulpverlening aan de moeder. Het College van Beroep volgt het standpunt van de jeugdprofessional dat deze bevindingen bijna per definitie subjectief zijn. Dat dit verslag van bevindingen – kennelijk – voornamelijk is gebaseerd op contactjournaals acht het College van Beroep navolgbaar en ziet niet in hoe dit zou kunnen leiden tot een tuchtrechtelijk verwijt. Het College van Beroep overweegt dat als er een verslag over het verloop van de hulpverlening wordt opgemaakt, het zorgvuldig is te kijken welke bevindingen er ten tijde van de hulpverlening waren – welke bijvoorbeeld in contactjournaals zijn vastgelegd – zodat dit nog goed terug te halen is en verwerkt kan worden in het betreffende verslag. Het College van Beroep ziet geen aanleiding de jeugdprofessional ten aanzien van dit klachtonderdeel een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

4.3.6 De grief faalt. Het College van Beroep handhaaft het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdeel II.

4.4 Klachtonderdeel III

4.4.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel III als volgt geformuleerd: “De jeugdprofessional heeft onbevoegd, ondeskundig en buiten haar taak en opdracht gehandeld.”

4.4.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld:“Uit zowel het verweer, als uit hetgeen de jeugdprofessional heeft verklaard tijdens de mondelinge behandeling van de klacht blijkt voldoende dat er een dubbele taak lag. Enerzijds bood de jeugdprofessional vanaf 25 juli 2018 opvoedondersteuning aan de moeder. Anderzijds lag er vanaf de start van de ondersteuning de opdracht van de GI te rapporteren. Reeds onder klachtonderdeel I is het College [van Toezicht] hier uitgebreid op ingegaan. De jeugdprofessional heeft haar observaties, gezien de context van de ondertoezichtstelling, mogen delen met de GI. Het College [van Toezicht] overweegt dat dit een gangbare werkwijze is, die niet maakt dat de jeugdprofessional onbevoegd en/of ondeskundig is en buiten haar taak en opdracht heeft gehandeld.”

4.4.3 De moeder betwist dat de jeugdprofessional een dubbele taak had. De moeder erkent dat de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling was en dat het resultaat daarvan een rapport is, maar dit rapport diende te gaan over het verloop van de hulpverlening. Dit rapport dient geen oordelen over de moeder te bevatten zoals hier aan de orde is en zoals omschreven in het klaagschrift.

4.4.4 De jeugdprofessional stelt dat het in essentie gaat om de vraag of de jeugdprofessional een dubbele taak had. De jeugdprofessional is van mening dat het ook voor de moeder duidelijk moet zijn geweest dat er zowel hulp werd verleend, als rapporteren aan de jeugdbeschermer. In dit kader verwijst de jeugdprofessional naar de aantekeningen van 7 augustus 2018. Daarnaast geeft de jeugdprofessional aan dat, als het niet duidelijk was geweest voor moeder, zij desgevraagd de informatie alsnog op verzoek aan de jeugdbeschermer had moeten verstrekken op grond van artikel 7.3.11 lid 4 Jw. Verder geeft de jeugdprofessional aan dat zij bestrijdt dat zij buiten de grenzen van haar deskundigheid is gestreden bij het weergeven van haar observaties. De jeugdprofessional geeft aan dat zij zeer ervaren is als gezinscoach en is juist vanuit die ervaring bij de moeder betrokken geraakt. Er is daarnaast uit niets gebleken dat haar observaties onjuist zijn geweest.

4.4.5 Het College van Beroep stelt allereerst vast dat de moeder zowel in haar beroepschrift als tijdens de mondelinge behandeling van het beroep dit klachtonderdeel heeft geprobeerd uit te breiden. Het College van Beroep verwijst naar hetgeen hierover in deze beslissing is opgenomen onder 4.1.2. Daarnaast verwijst het College van Beroep naar hetgeen in deze beslissing is opgenomen onder 4.2.5 over het gesprek dat is gevoerd op 7 augustus 2018 waarin de onderlinge rolverdeling is besproken. Daarnaast heeft het College van Beroep in 4.3.5 van deze beslissing reeds een oordeel gegeven over de wijze waarop de jeugdprofessional haar observaties in het verslag van bevindingen heeft weergegeven. Al het voorgaande in acht genomen ziet het College van Beroep geen aanleiding tot het oordeel te komen dat de jeugdprofessional buiten haar taak en opdracht heeft gehandeld.

4.4.6 Het College van Beroep verwerpt de grief en handhaaft het oordeel van het College van Toezicht over klachtonderdeel III.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

  • handhaaft het oordeel van het College van Toezicht van 25 juli 2019 in zaaknummer 19.075Ta, zij het onder aanvulling van de motivering van klachtonderdeel I.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 20 februari 2020 aan partijen toegezonden.

 

de heer mr. A.P van der Linden,
voorzitter

mevrouw mr. T. Kuijs,
secretaris