Een analoge toepassing van artikel 35 van het Tuchtreglement brengt met zich mee dat het College niet bevoegd is om te oordelen over handelingen van voor de registratiedatum van verweerders.

Samenstelling van het College van Beroep
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden in de volgende samenstelling:

mr. P. A. J. Th. van Teeffelen, voorzitter;
W.L. Scholtus;
W.J. Veldhuis, leden-beroepsgenoten.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.N. Tabak.

1 Verloop van de procedure tot aan het beroep

Op 11 februari 2015 heeft het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, een klaagschrift ontvangen dat klachten behelst over bovengenoemde verweersters, allen werkzaam bij dezelfde gecertificeerde instelling. Het College heeft het klaagschrift ontvankelijk verklaard.

Aan verweersters is verzocht een verweerschrift in te dienen. Op 28 mei 2015 heeft het College het verweerschrift ontvangen. Het College heeft besloten, daartoe bevoegd krachtens art. 5 van het Tuchtreglement, om de klachten tegen de verweersters, gezien de samenhang van de klachten, gezamenlijk te behandelen. Het College heeft een mondelinge behandeling van de zaak wenselijk geacht en heeft de zaak op 5 juni 2015 op hoorzitting behandeld.

Het College heeft bij beslissing van 6 september 2015 geconcludeerd niet bevoegd te zijn om te oordelen over de klachten met betrekking tot verweersters A, B, C en E omdat die klachten betrekking hebben op een periode die ligt voor de aanvang van de registratiedatum van verweersters. Deze klachten zijn daarom niet ontvankelijk verklaard.

Het College heeft de klachten tegen verweerster D in de klachtonderdelen I tot en met VII ongegrond verklaard en in klachtonderdeel VIII niet ontvankelijk verklaard. Het College heeft de klachten tegen verweerster F in klachtonderdeel I en III ongegrond verklaard en in klachtonderdeel II en IV niet ontvankelijk verklaard.

Appellanten zijn tegen deze beslissing in beroep gegaan.

2 Ontvankelijkheid van het beroepschrift en van het beroep

Tijdig binnen de beroepstermijn hebben appellanten op 16 oktober 2015 beroep ingesteld bij het College van Beroep. Als grondslag voor het beroep hebben appellanten aangevoerd dat het College heeft nagelaten om in het kader van het vooronderzoek bewijsstukken op te vragen bij appellanten waaruit het nalatig handelen blijkt. Daarnaast bevat de beslissing volgens appellanten allerlei onjuistheden en is de beslissing onvoldoende gemotiveerd.

Het College van Beroep heeft conform artikel 34 van het Tuchtreglement aanvullende informatie bij appellanten opgevraagd om verduidelijking te krijgen over de periode waarin de feiten zich hebben afgespeeld. Deze aanvulling van appellanten is op 14 december 2015 ontvangen.

Het College van Beroep komt op grond van de ingebrachte stukken tot de conclusie dat de feiten betreffende verweersters A, B, C en E zich hebben afgespeeld voor de datum van hun registratie. Het College van Beroep acht zich niet bevoegd om te oordelen over handelingen die voor de registratiedatum van verweersters hebben plaatsgevonden en overweegt dat een analoge toepassing van artikel 35 van het Tuchtreglement, dat tot 1 december 2015 van kracht is geweest, alsmede artikel 12.10 van het huidige tuchtreglement met zich meebrengt dat het beroepschrift voor wat betreft verweersters a, b, c, en e niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

3 Beslissing

Dit alles overwegende verklaart het College van Beroep het beroepschrift niet ontvankelijk voor wat betreft verweersters A, B, C en E.

De behandeling van het beroepsschrift tegen verweersters D. en F. wordt voortgezet in de stand van zaken waarin de procedure tegen verweersters D. en F. zich thans bevindt.

Uitspraak aldus gedaan op 14 januari 2016 in de genoemde samenstelling.

mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter

mevrouw mr. L.N. Tabak, secretaris