Klachten tegen een maatschappelijk werkster. In de kern wordt haar verweten dat zij de positie van klager als ouder met gezag onvoldoende heeft gerespecteerd.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter,
de heer mr. M.A. Stammes, lid-jurist,
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,
de heer E.H. Weise, lid-beroepsgenoot,
mevrouw D.J.E. de Graaf, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [plaatsnaam 1],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als maatschappelijk werkster bij [instelling], locatie [plaatsnaam 1].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

Klager wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [naam], werkzaam als vertrouwenspersoon bij AKJ te [plaatsnaam 2].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. S. Dik, werkzaam bij DAS te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift met bijlagen ontvangen op 8 september 2017;
– het verweerschrift met bijlagen ontvangen op 1 december 2017.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 5 februari 2018 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing – vanwege tweede paasdag – niet op 2 april 2018 maar op 3 april 2018 verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen wat partijen ter zitting verklaard hebben, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van de minderjarige kinderen: [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2007, en [minderjarige 2], geboren op [gebooortedatum] 2011, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Klager en zijn ex-partner, de moeder van de kinderen (hierna te noemen: de moeder), zijn uit elkaar. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt gezamenlijk uitgeoefend door klager en de moeder.

2.3

In mei 2015 is aan klager en de moeder wegens hun relatieproblemen hulpverlening vanuit een RIAGG ingezet.

2.4

De moeder wordt in mei 2015 doorverwezen naar [instelling voor vrouwenopvang], hierna te noemen: [vrouwenopvang], om een inschatting te maken betreffende haar veiligheid bij een eventuele scheiding. Derhalve is beklaagde op 6 mei 2015, als poortmedewerker van [vrouwenopvang], betrokken geraakt bij het gezin.

2.5

Op 15 juli 2015 hebben klager en de moeder een intakegesprek bij [instelling] gehad om de mogelijke gevolgen van de relatieproblemen voor de kinderen in kaart te brengen. Vervolgens is vanaf 3 september 2015, vanuit [instelling], hulpverlening aan klager en de moeder ingezet door een collega van beklaagde (beklaagde in de zaak 17.036Tf).

2.6

Medio oktober 2015 is er op verzoek van de moeder gezocht naar een zogenoemde time-out plek voor de moeder.

2.7

Op 27 oktober 2015 heeft, op voorstel van de betrokken medewerker vanuit [instelling], een verkennend kennismakingsgesprek plaatsgevonden met de moeder en met klager om te bezien of tegemoet kon worden gekomen aan de wens van de moeder voor een time-out plek bij [vrouwenopvang].

2.8

Op 28 oktober 2015 meldt de moeder zich samen met de kinderen bij [vrouwenopvang] als slachtoffer van huiselijk geweld. De moeder en de kinderen zijn dezelfde dag opgenomen bij [vrouwenopvang].

2.9

Op 14 januari 2016 heeft er een evaluatiegesprek van de plaatsing van de moeder en de kinderen plaatsgevonden met klager, de moeder, beklaagde en een collega van beklaagde. Vervolgens is de plaatsing van de moeder en de kinderen verlengd en is een verzoek tot onderzoek ingediend bij de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de RvdK. De betrokkenheid van beklaagde bij het gezin is na 14 januari 2016 beëindigd.

2.10

Op 13 april 2016 heeft beklaagde, naar aanleiding van een verzoek hiertoe, informatie verstrekt aan de RvdK over de reden van aanmelding bij [instelling].

2.11

De kinderrechter heeft bij beschikking van 16 juni 2016 van de rechtbank [plaatsnaam 1] de kinderen voor de duur van twaalf maanden onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd. De ondertoezichtstelling is uitgevoerd door de gecertificeerde instelling [naam gecertificeerde instelling].

2.12

Op 15 december 2016 eindigt de plaatsing van de moeder en de kinderen bij [vrouwenopvang].

2.13

Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2013 geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

3 Bevoegdheid College

Beklaagde staat in het register van Stichting Kwaliteitsregister Jeugd ingeschreven als jeugdzorgwerker in de functie van maatschappelijk werker.
Het College overweegt, op grond van artikelen 3.1 en 3.3 van het Tuchtreglement, dat het beslist met inachtneming van de algemene tuchtnorm waaraan de jeugdprofessional is onderworpen, welke algemene tuchtnorm betrekking heeft op de hulpverlening in het jeugddomein en op de uitoefening van het beroep waarvoor de jeugdprofessional is geregistreerd.
Uit de stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat beklaagde, in dienst van [instelling], dat onder meer jeugd- en opvoedhulp, acute zorg en vrouwenopvang aanbiedt, als maatschappelijk werkster ambulante hulp heeft verleend aan de moeder. De hulpverlening vanuit [instelling] heeft zich voornamelijk gericht op de moeder en de gevolgen voor de kinderen van de ouderproblematiek. Uit de stukken leidt het College af dat de hulpverlening gericht op de moeder kan worden aangemerkt als hulpverlening die geboden is aan de moeder in de context van het gezinssysteem waarvan zij deel uitmaakt. Vanwege deze systeem-gerichte werkwijze is het College van oordeel dat de hulpverlening ook het jeugddomein omvat. Het College komt dan ook tot het oordeel dat zij bevoegd is een oordeel te geven over de voorgelegde klachtonderdelen.

4 De klacht, het verweer en de beoordeling

4.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

4.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

4.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4.1.3

Klager verwijt beklaagde in de kern dat zij de positie van klager als ouder met gezag niet heeft gerespecteerd.

4.1.4

Hierna zullen de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een worden besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt

4.2 Klachtonderdeel I

4.2.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft de moeder en de kinderen op 28 oktober 2015 ten onrechte een plaats gegeven binnen [vrouwenopvang] als slachtoffer van huiselijk geweld en deze plaatsing op 14 januari 2016 ten onrechte verlengd.

Toelichting:
Beklaagde is als poortmedewerker verantwoordelijk geweest voor de plaatsing van moeder en verlenging daarvan. Nu tijdens het kennismakingsgesprek, waarbij beklaagde aanwezig is geweest, en de introductieperiode geen enkele melding is gemaakt van huiselijk geweld en/of enige vorm van urgentie, had beklaagde, als poortmedewerker, allereerst contact moeten opnemen met haar collega en klager om het verhaal van moeder te verifiëren. Beklaagde heeft hier voldoende tijd voor gehad. Mede gelet op het feit dat klager ouder met gezag is, had beklaagde klager moeten betrekken bij de plaatsing. Voorts is door beklaagde of anderen nooit een melding van huiselijk geweld gemaakt bij Veilig Thuis. Ook het besluit tot verlenging van de plaatsing op 14 januari 2016 heeft beklaagde genomen, zonder overleg met klager, onderzoek naar de feiten en een kritische evaluatie van het ‘verhaal van moeder’. Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikelen C (bereidheid iedere cliënt te helpen), D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), E (respect), K (vermoeden huiselijk geweld en/of kindermishandeling) en N (samenwerking in de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

4.2.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde heeft rondom de plaatsing van moeder niet op eigen initiatief gehandeld, maar de casus herhaaldelijk besproken met het hele poortteam van [vrouwenopvang] en informatie ingewonnen bij collega’s van [instelling]. Voor elke persoon die met het gezin te maken had stond vast dat een time-out wenselijk was. Dit omdat klager en moeder over bijna alles een strijd voerden, over de hoofden van de kinderen. Kinderen die getuigen zijn van dergelijke conflicten worden gezien als slachtoffers van huiselijk geweld. Het team Jeugd was al betrokken ten aanzien van de kinderen, dus een melding bij Veilig Thuis was niet aan de orde. Met betrekking tot de besluitvorming rondom de plaatsing van moeder en verlenging hiervan is klager wel degelijk betrokken. Op 27 oktober 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden met klager, moeder en de hulpverlening op [vrouwenopvang] in de hoop tot overeenstemming te komen over een time-out. Klager en moeder komen echter niet tot een akkoord. Vervolgens heeft zowel moeder als beklaagde op 28 oktober 2015 geprobeerd klager op de hoogte te stellen over de opname van moeder en de kinderen. Een gesprek met klager bleek toen echter niet mogelijk. Op 14 januari 2016 heeft [vrouwenopvang] ingestemd met een verlenging van de plaatsing, omdat de hulpvragen van moeder voldoende waren om een verlenging van de plaatsing te rechtvaardigen. Tijdens het evaluatiegesprek op 14 januari 2016 heeft moeder aan klager uitgelegd waarom ze niet terug wilde naar klager.

4.2.3

Over de plaatsing van de moeder en de kinderen binnen [vrouwenopvang] stelt het College vast dat de moeder zich op 28 oktober 2015 met de kinderen bij [vrouwenopvang] gemeld heeft voor een opname. Het is het College gebleken dat [vrouwenopvang] opvang biedt aan een vrouw (en kinderen) indien er sprake is van huiselijk geweld en er hulpvragen op verschillende gebieden zijn. Klager stelt dat er geen sprake is geweest van huiselijk geweld, in die zin dat klager fysiek geweld heeft gebruikt. Klager meent dan ook dat er geen rechtvaardigding bestond voor de opname van moeder en de kinderen bij [vrouwenopvang]. Beklaagde heeft daarentegen aangegeven dat vanuit de optiek van [vrouwenopvang] ook sprake is van huiselijk geweld als kinderen getuige zijn van (veelvuldige) conflicten tussen ouders. Het College acht het uit de stukken voldoende aannemelijk geworden dat – vanwege onder meer de conflicten tussen de ouders – sprake is geweest van huiselijk geweld in brede zin. Voorts heeft beklaagde voldoende aannemelijk gemaakt dat een beslissing tot opname in overleg met de andere poortmedewerkers en een gedragswetenschapper wordt genomen, zo ook in dit geval. Gelet op voornoemde overweging van beklaagde omtrent de vraag of er sprake is van huiselijk geweld en het gegeven dat de beslissing tot opname van de moeder met de kinderen – naar het College begrijpt – multidisciplinair genomen is, is het College van oordeel dat beklaagde met haar handelen binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Het College concludeert dan ook dat beklaagde betreffende de plaatsing binnen [vrouwenopvang] geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden.
Ten aanzien van de verlenging van de plaatsing stelt klager dat dit besluit ten onrechte is genomen. Klager meent dat het besluit is genomen zonder overleg met hem, zonder onderzoek naar de feiten en een kritische evaluatie van ‘het verhaal van de moeder’. Het College stelt vast dat tijdens het evaluatiegesprek op 14 januari 2016 door [vrouwenopvang] geconcludeerd is dat – naar aanleiding van de hulpvragen van de moeder – de plaatsing van de moeder voor onbepaalde tijd verlengd zou worden. Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, stelt het College vast dat beklaagde de hulpvragen van de moeder en de ouderproblematiek en – naar het College begrijpt – de gevolgen hiervan voor de ontwikkeling van de kinderen mee heeft genomen in de afweging om de plaatsing van de moeder bij [vrouwenopvang] te verlengen. Het College verwijst in dit verband naar bijlage vijf behorend bij het verweerschrift, waarin verwezen wordt naar het evaluatiegesprek op 14 januari 2016 over het verloop van de crisisperiode. Daar heeft de moeder toelichting gegeven over haar beweegredenen de stap tot een time-out genomen te hebben en daarbij uitgesproken te willen kiezen voor een vervolgtraject binnen [vrouwenopvang]. Betreffende bijlage vermeldt tevens dat klager zich niet herkent in hetgeen de moeder aangeeft en dat zij leugens vertelt. In dat overleg wordt geconcludeerd dat de ouders naar de kinderen niet tot overeenstemming komen, steeds opnieuw in herhaling vallen en dat er verschillende visies zijn over gebeurtenissen met betrekking tot de kinderen en wat zij nodig hebben. Het verslag vermeldt dat dit de hulpverlening stagneert en dat de kinderen steeds meer klem zitten. Omdat binnen het vrijwillige kader het niet gelukt is om de hulpverlening op een passende wijze op te starten, willen betrokken hulpverleners de RvdK dan ook verzoeken de casus met spoed op te pakken. Gelet op het voorgaande concludeert het College dat beklaagde in redelijkheid tot haar beslissing is gekomen om de plaatsing te verlengen. Beklaagde heeft naar het oordeel van het College een zorgvuldige afweging gemaakt.
Daar waar klager beklaagde verwijt dat beklaagde heeft nagelaten ‘het verhaal van de moeder’ op juistheid te verifiëren, overweegt het College dat is gebleken dat beklaagde hulpverlening aan de moeder geboden heeft, in de vorm van ondersteuning rond de ouderproblematiek en de gevolgen daarvan voor de ontwikkeling van de kinderen. Gelet op de aard van deze, primair op de moeder gerichte, hulpverlening is het College van oordeel dat het niet op de weg van beklaagde lag om de informatie, afkomstig van de moeder, respectievelijk haar perceptie op de feiten, te verifiëren.
Voor zover klager beklaagde verwijt dat hij niet is betrokken bij het besluit om de plaatsing te verlengen, overweegt het College als volgt. De hulpverlening vanuit [vrouwenopvang] heeft zich primair op de moeder heeft gericht. Desalniettemin blijkt uit de overgelegde stukken dat er diverse gesprekken zijn geweest waarbij ook klager aanwezig was, zie bijvoorbeeld het evaluatiegesprek van 14 januari 2016. Het College volgt klager dan ook niet in zijn stelling dat hij niet bij de besluitvorming betrokken zou zijn geweest.

4.2.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

4.3 Klachtonderdeel II

4.3.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft geweigerd om klager te informeren over ‘het verhaal van moeder’ met een beroep op een niet bestaande geheimhoudingsplicht.

Toelichting:
Klager heeft beklaagde in de periode tussen 28 oktober 2015 en 19 april 2016 meermaals gevraagd naar ‘het verhaal van de moeder’. Doordat [vrouwenopvang] echter in april 2016 vragen van de RvdK heeft beantwoord, is klager alsnog duidelijk geworden wat ‘het verhaal van de moeder’ was. Klager stelt voorts dat hij indirect als dader is weggezet van het plegen van huiselijk geweld. Door het ontbreken van informatie is hem de kans ontnomen om zich hiertegen te kunnen verweren. Klager is van mening dat zijn recht op verdediging zwaarder had moeten wegen dan een eventuele aanwezige geheimhoudingsplicht. Klager is tot slot van mening dat hij als ouder met gezag recht had op informatie over zijn kinderen. Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikelen C (bereidheid iedere cliënt te helpen), D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), E (respect), F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

4.3.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde heeft getracht klager zo goed mogelijk te informeren. Moeder is echter de cliënt en beklaagde kan op grond van de Wet Bescherming Persoonsgegevens geen persoonlijke informatie van moeder met klager delen. Beklaagde heeft getracht om de vragen van klager betreffende de opname van de moeder en kinderen zo goed mogelijk te beantwoorden.

4.3.3

Het College volgt het verweer van beklaagde dat, zonder toestemming van de moeder, aan klager in beginsel geen informatie betreffende de hulpverlening van de moeder verstrekt kan worden. Dit blijkt onder meer uit artikel J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Desalniettemin is het College gebleken dat beklaagde in een emailcorrespondentie met klager in december 2015 en januari 2016 klager geïnformeerd heeft – daar waar mogelijk gelet op de privacy van de moeder – over ‘het verhaal van moeder’ en de reden van de plaatsing. Beklaagde heeft, door klager aldus te informeren, naar het oordeel van het College zorgvuldig gehandeld en is binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening gebleven. Het is het College voorts voldoende aannemelijk geworden dat beklaagde, als maatschappelijk werker, slechts ambulante hulp verleend heeft aan de moeder en niet (direct) aan de kinderen. Het College is dan ook van oordeel dat beklaagde slechts verantwoordelijk gehouden kan worden voor de verslaglegging met betrekking tot de hulpverlening die zij aan de moeder verleend heeft. Voor zover klager stelt dat hij recht had op informatie over zijn kinderen, concludeert het College dan ook dat beklaagde hierin – als hulpverlener van de moeder – geen tuchtrechtelijk verwijt te maken valt.

4.3.4

Klachtonderdeel II wordt ongegrond verklaard.

4.4 Klachtonderdeel III

4.4.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft onterecht ‘Code Rood’ ingezet en daarmee onterecht de toegang van klager als ouder met gezag tot zijn kinderen belemmerd.

Toelichting:
Beklaagde is verantwoordelijk voor het inzetten van ‘Code Rood’, inhoudende dat klager [vrouwenopvang] niet mocht betreden en dat hij zijn kinderen niet mocht zien totdat een omgangsregeling zou zijn vastgesteld. Omdat het hulpverlening in het vrijwillige kader betrof, meent klager dat er geen enkele basis bestond om klager vrijelijk toegang en contact met zijn kinderen te ontzeggen. Tijdens het gezamenlijke evaluatiegesprek op 2 november 2015 is ‘Code Rood’ op verzoek van een collega van beklaagde omgezet in ‘Code Groen’. Klager meent dat beklaagde op 28 oktober 2015, de dag dat de moeder zich meldde bij [vrouwenopvang], advies had moeten opvragen bij haar collega. Beklaagde had dan hetzelfde advies gekregen. Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), E (respect), F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

4.4.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde heeft bij het beoordelen van de veiligheid gebruikt gemaakt van de Risicoscreening van het Jonker Verweij Instituut en aan de hand van de door de moeder aangeleverde informatie code Rood ingezet. Hetgeen klager beweert over dat beklaagde haar collega niet eerder dan 2 november 2015 over de situatie en de code zou hebben gesproken, betwist beklaagde. Beklaagde heeft haar collega diezelfde dag gesproken over het besluit tot opname en wat de code voor klager inhield. Ter zitting heeft beklaagde in aanvulling op de afgegeven code het volgende aangegeven. ‘Code Rood’ betekent binnen [vrouwenopvang] dat de betrokkenen zich niet buiten [vrouwenopvang] mogen verplaatsen. In deze casus was er een grote kans dat – wanneer ouders elkaar zouden treffen – er een escalatie in het bijzijn van de kinderen zou plaatsvinden. Om deze reden is in overleg met collega’s besloten om tijdelijk ‘Code Rood’ af te geven om aldus escalatie tussen de ouders (in het bijzijn van de kinderen) te voorkomen.

4.4.3

Het College overweegt betreffende de gegeven code aan de veiligheid, te weten ‘Code Rood’, als volgt. Het College concludeert dat beklaagde ter zitting een aanvullende uitleg heeft gegeven over het gebruik van de Risicoscreening van het Jonker Verweij Instituut en de inzet van ‘Code Rood’. Beklaagde heeft met deze uitleg voldoende aannemelijk gemaakt dat het binnen [vrouwenopvang] slechts een instrument is om een inschatting te maken van de situatie en des te meer omtrent de vraag in hoeverre betrokkenen zich al dan niet buiten [vrouwenopvang] mogen verplaatsen. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde voldoende gemotiveerd dat zij – in overleg met collega’s – op basis van de informatie van de moeder en tevens de geschatte kans op escalatie tussen de ouders (in het bijzijn van de kinderen) tijdelijk ‘Code Rood’ heeft ingezet. Het is het College niet gebleken dat beklaagde hierbij een onzorgvuldige afweging heeft gemaakt. Beklaagde kan naar het oordeel van het College dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.

4.4.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

4.5 Klachtonderdeel IV

4.5.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft onterecht geweigerd de procedure omtrent ‘Code Rood’ toe te lichten en op papier toe te zenden. Voorts was zij na inzet van ‘Code Rood’ onredelijk lang niet bereikbaar.

Toelichting:
Toen klager op 29 oktober 2015 vernam dat ‘Code Rood’ was ingezet, hebben klager en een collega van beklaagde (meermaals) geprobeerd te achterhalen wat deze code inhield en waarom deze was afgegeven. Beklaagde had klager zo snel mogelijk en zo volledig mogelijk moeten informeren over ‘Code Rood’. Klager heeft pas een week nadat hij op de hoogte is gesteld dat ‘Code Rood’ was ingezet contact met beklaagde kunnen krijgen. Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

4.5.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde heeft de door klager bedoelde collega diezelfde dag geïnformeerd over het besluit om ‘Code Rood’ in te zetten en heeft aangegeven dat klager en moeder een opzet konden maken voor een omgangsregeling tussen klager en zijn kinderen. Door de werkdagen van beklaagde en de gezinshulpverlener, kon de omgangsregeling met betrokkenen niet op vrijdag maar pas de maandag daarop worden besproken. Beklaagde kan zich voorstellen dat dit voor klager vervelend is geweest. De vragen die klager heeft gesteld ten aanzien van de procedure omtrent code Rood heeft zij met haar e-mailbericht van 30 december 2015 beantwoord.

4.5.3

Het College overweegt dat klager geen onderbouwende stukken heeft overgelegd over zijn verwijt dat beklaagde onredelijk lang niet bereikbaar was. Voor zover het verwijt erop ziet dat beklaagde van 29 oktober 2015 tot 2 november 2015 niet bereikbaar is geweest, acht het College dit geen onredelijk lange termijn. Ten aanzien van het verwijt dat klager beklaagde geen uitleg heeft gegeven over ‘Code Rood’ overweegt het College allereerst dat uit de stukken blijkt dat beklaagde op de dag van de opname getracht heeft klager telefonisch te informeren (omtrent het verblijf van de kinderen), een gesprek met klager bleek echter niet mogelijk. Beklaagde werd door de politie, die ter plekke van klager aanwezig was, geïnformeerd over de situatie. Het College overweegt dat dit telefonisch contact een gelegenheid voor klager geweest had kunnen zijn om zijn mogelijke vragen omtrent de ‘Code Rood’ aan beklaagde te stellen. Dat dit telefonisch contact niet heeft kunnen plaatsvinden, valt naar het oordeel van het College beklaagde niet te verwijten. Daarnaast is het College gebleken dat beklaagde in haar e-mailbericht aan klager van 30 december 2015 klager alsnog geïnformeerd heeft – daar waar mogelijk gelet op de privacy van de moeder – waarom ‘Code Rood’ destijds is afgegeven. Het College kan klager dan ook niet volgen in zijn stelling dat beklaagde heeft geweigerd om de procedure omtrent ‘Code Rood’ toe te lichten en op papier te zetten. Beklaagde heeft, door klager aldus te informeren, naar het oordeel van het College zorgvuldig gehandeld en is binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening gebleven.

4.5.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

4.6 Klachtonderdeel V

4.6.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft klager behandeld alsof hij de dader van huiselijk geweld was.

Toelichting:
Beklaagde heeft klager sinds de eerste bespreking op 2 november 2015 steeds behandeld alsof hij dader van huiselijk geweld was. Klager stelt dat beklaagde respectloos heeft gehandeld. Beklaagde heeft gehandeld vanuit een standaardprocedure waarbij met de kinderen gesproken wordt in geval van opname in de vrouwenopvang vanwege bedreiging/geweld. Moeder en kinderen waren echter opgenomen vanwege een time-out een behoorden daardoor volgens klager niet tot de standaard doelgroep van [vrouwenopvang]. Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en E (respect) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

4.6.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde herkent zich niet in het verwijt van klager. Zij is zich ervan bewust dat er altijd meer kanten zitten aan een verhaal en heeft ook steeds gepoogd om tot overleg te komen, daar waar dit mogelijk was.

4.6.3

Het College overweegt dat hoewel klager stelt dat beklaagde hem zou hebben behandeld alsof hij dader van huiselijk geweld is geweest, het College op grond van de stukken niet tot die conclusie komt. Dit neemt niet weg dat het College er oog voor heeft dat bij klager begrijpelijkerwijs het gevoel is ontstaan dat hij door zijn omgeving als dader van huiselijk geweld zou kunnen worden gezien. Beklaagde valt hierin echter geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

4.6.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

4.7 Klachtonderdeel VI

4.7.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft onvoldoende verslaglegging bijgehouden, waardoor zij zich niet controleerbaar en/of transparant heeft opgesteld.

Toelichting:
Op 13 april 2016 heeft een collega van beklaagde een lijst met vragen van de RvdK beantwoord en vervolgens het concept bronverslag geaccordeerd zonder ouders hierin te kennen. Het bronverslag voldoet volgens klager niet aan de minimale randvoorwaarden, die door de ombudsman in 2013 in het rapport “Is de zorg gegrond?” zijn geadviseerd.
Op 30 mei en 1 juni 2016 heeft klager vervolgens vragen gesteld aan de gedragswetenschapper over het bronverslag. De gedragswetenschapper heeft aan klager teruggekoppeld dat zij de vragen voorgelegd had aan [vrouwenopvang], met het verzoek om de vragen uiterlijk op 10 juni 2016 te beantwoorden. De gedragswetenschapper heeft vervolgens per e-mail op 10 juni 2016 verklaard dat de vragen van klager niet beantwoord zouden worden. Klager meent dat dit komt omdat beklaagde de vragen van de gedragswetenschapper over onder meer het opname- en verlengingsbesluit niet heeft willen beantwoorden. Daarentegen bevestigde de gedragswetenschapper wel dat het buitengewoon onzorgvuldig was dat de antwoorden en de concept bronverslagen niet met de ouders zijn besproken voordat deze naar de RvdK verzonden zijn. Het feit dat de gedragswetenschapper bij [vrouwenopvang] moest vragen hoe de feiten lagen, toont aan dat het dossier onvoldoende op orde was. Voorts heeft klager aan beklaagde en haar management diverse malen gevraagd om een kopie van het dossier. Het dossier dat klager heeft gekregen is incompleet. Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikelen F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en M (verslaglegging / dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

4.7.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde is na 14 januari 2016 niet meer gekoppeld geweest aan de casus. Zij is derhalve niet op de hoogte van de vragen die klager aan de gedragswetenschapper heeft gesteld. Voorts heeft klager nooit het dossier bij beklaagde opgevraagd en behoort het dossier enkel aan de moeder toe. Beklaagde zou om deze reden het dossier ook niet aan klager kunnen overhandigen. Tot de kind dossiers van [instelling] Jeugd heeft beklaagde geen toegang, omdat klager geen [vrouwenopvang] geen toestemming heeft gegeven voor kind-hulpverlening.

4.7.3

Het College verwijst allereerst naar rechtsoverweging 4.3.3 van deze beslissing, waarin reeds overwogen is dat beklaagde slechts verantwoordelijk gehouden kan worden voor de verslaglegging met betrekking tot de hulpverlening die zij aan de moeder verleend heeft, nu zij geen (directe) hulpverlening aan de kinderen geboden heeft. Klager kan echter naar het oordeel van het College geen beroep doen op recht op informatie c.q. verslagen over de moeder. Het College volgt klager dan ook niet in het verwijt dat beklaagde onvoldoende verslaglegging zou hebben bijgehouden, dit blijkt niet uit de stukken noch uit de e-mailcorrespondentie tussen klager en de gedragswetenschapper. Te meer nu uit de stukken blijkt dat beklaagde slechts tot en met 14 januari 2016 bij de hulpverlening aan het gezin betrokken is geweest. Naar het oordeel van het College valt beklaagde inzake dit klachtonderdeel dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

4.7.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

4.8 Klachtonderdeel VII

4.8.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft relevante informatie weggelaten in de verslaglegging naar de RvdK en heeft ouders onvoldoende betrokken.

Toelichting:
Beklaagde heeft in sterke mate bijgedragen aan de niet geheel objectieve beeldvorming in het bronverslag, terwijl zij op de hoogte was van de verschillende voorbeelden van onverantwoordelijk / schadelijk gedrag van de moeder ten aanzien van de kinderen. De door klager hierover aangedragen informatie, waaruit een minder positief beeld over de moeder en haar aandeel in de problemen blijkt, is weggelaten. Volgens klager deelt de interne klachtencommissie van de RvdK de opvatting dat vanuit [instelling] het begrip voor beide ouders niet helemaal in balans was. Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), J (vertrouwelijkheid), K (vermoeden kindermishandeling), M (verslaglegging / dossiervorming) en Q (toetsing beroepsmatig en functioneel handelen aan de waarden en normen van het beroep) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

4.8.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde heeft slechts de vraag rondom de aanmelding aangedragen voor het verslag van de RvdK.

4.8.3

Zoals reeds onder 4.7.3 is overwogen is het College gebleken dat beklaagde na 14 januari 2016 niet meer betrokken is geweest bij de hulpverlening aan het gezin. Het College acht het om deze reden aannemelijk dat beklaagde slechts de vraag rondom de aanmelding heeft aangedragen voor het verslag van de RvdK, hetgeen door klager niet is weersproken. Naar het oordeel van het College heeft klager onvoldoende onderbouwd dat beklaagde bij de beantwoording van deze vraag relevante informatie heeft weggelaten.

4.8.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

4.9 Klachtonderdeel VIII

4.9.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft de moeder onterecht aangespoord om niet met klager te overleggen, wat wel verplicht was op grond van zijn status als ouder met gezag.

Toelichting:
Beklaagde heeft moeder aangespoord en geholpen om de kinderen over te schrijven op het adres van [vrouwenopvang]. Beklaagde zou de moeder hebben gemotiveerd om dit niet met klager te bespreken of hem hierin te betrekken. Voorts meent klager dat [vrouwenopvang] verzocht heeft de kinderen over te schrijven op een aparte zorgverzekeringspolis van de moeder en dit niet te melden aan klager. Bij dergelijke beslissingen hoort een ouder met gezag te worden betrokken. Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

4.9.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Het wijzigen van het adres en het overschrijven van de kinderen op een andere verzekeringspolis behoort niet tot het takenpakket van beklaagde. Er kan beklaagde derhalve geen verwijt gemaakt worden.

4.9.3

Het College overweegt dat, hoewel klager stelt dat beklaagde de moeder (onterecht) zou hebben aangespoord om niet met klager te overleggen over het inschrijven van de kinderen op het adres van [vrouwenopvang] en bij het overschrijven van de kinderen op een aparte zorgverzekeringspolis, klager hiertoe geen onderbouwende stukken heeft overgelegd. Zo kan niet worden vastgesteld of beklaagde de moeder hierin zou hebben aangespoord. Voorts stelt het College vast dat beklaagde blijkens de stukken niet betrokken is geweest bij het overschrijven van de kinderen op een andere zorgverzekeringpolis. Beklaagde valt aldus geen tuchtrechtelijk verwijt hierin te maken.

4.9.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

5 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 3 april 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris