Klacht tegen een raadsonderzoeker over de totstandkoming en inhoud van het raadsrapport. Hoewel de klachtencommissie van de RvdK ook geoordeeld heeft over het raadsrapport, verklaart het College de moeder ontvankelijk in haar klacht. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is echter geen sprake geweest.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mevrouw drs. B.J. van Leeuwen, lid-beroepsgenoot pedagogen,
de heer E.H. Weise, lid-beroepsgenoot jeugd- en gezinsprofessionals,

over het door:

[de moeder], klaagster, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

op 10 april 2019 ingediende klaagschrift tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming (locatie: [plaatsnaam]) hierna te noemen: de RvdK.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

De moeder wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. S.M. Wolfert, advocaat te Leek.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. E.J.C. de Jong, advocaat te Utrecht.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

– het aangepaste klaagschrift ontvangen op 29 april 2019;
– het verweerschrift ontvangen op 19 juni 2019;
– de aanvulling op het klaagschrift, een beschikking van het gerechtshof d.d. 2 juli 2019, ontvangen op 5 augustus 2019, en de door het College verzochte nadere toelichting hierop van 9 augustus 2019.

1.2 Op 8 augustus 2019 heeft het College aan partijen het voornemen kenbaar gemaakt om de zittingskamer voor de geplande mondelinge behandeling van de klacht te wijzigen. De zittingskamer is, gelet op de gewijzigde registratie van de jeugdprofessional zoals weergegeven onder 2.16 van deze beslissing, gewijzigd zodat deze bestaat uit zowel een lid-beroepsgenoot pedagoog als een lid-beroepsgenoot jeugd- en gezinsprofessional. Partijen hebben binnen de gestelde termijn geen bezwaar gemaakt tegen de gewijzigde zittingskamer.

1.3 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2019 in aanwezigheid van de moeder, de jeugdprofessional en de hiervoor genoemde gemachtigden. Hierbij zijn als toehoorders aanwezig geweest: de vertrouwenspersoon van de moeder, een collega van de jeugdprofessional en een tweede secretaris vanuit het College.

1.4 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2     De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft een minderjarige dochter. De dochter is geboren in 2008.

2.2 De moeder en haar ex-partner, de vader van de dochter, gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, zijn een aantal maanden na de geboorte van de dochter uit elkaar gegaan. Het ouderlijk gezag over de dochter werd aanvankelijk gezamenlijk uitgeoefend door de ouders. De dochter woont bij de moeder.

2.3 Tot april 2017 was sprake van een contactregeling tussen de vader en de dochter, waarbij de dochter één weekend in de veertien dagen bij de vader verbleef. In april 2017 stopt de moeder de contactregeling.

2.4 Op 17 november 2017 heeft bij de voorzieningenrechter een mondelinge behandeling van het  kort geding plaatsgevonden naar aanleiding van het verzoek van de vader een contactregeling tussen hem en de dochter vast te stellen. Tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding zijn de ouders overeengekomen dat zij deel gaan nemen aan het traject [naam ouderschapstraject] (hierna te noemen: het [ouderschapstraject]). In het geval het [ouderschapstraject] niet positief verloopt, wordt de RvdK door de voorzieningenrechter verzocht te bezien of nader raadsonderzoek noodzakelijk is en, indien dat het geval is, een onderzoek te verrichten naar een contactregeling tussen de vader en de dochter en daarover bij de rechtbank een rapport in te dienen.

2.5 Op 10 januari 2018 is middels het [ouderschapstraject] en een omgangshuis het contact tussen de vader en de dochter begeleid opgestart. Vanaf 24 maart 2018 vindt het contact tussen hen onbegeleid plaats.

2.6 Op 24 mei 2018 heeft de RvdK het eindrapport van het [ouderschapstraject] ontvangen. Uit het rapport blijkt samengevat dat het de ouders niet gelukt is om tot een constructieve communicatie te komen. De RvdK wordt geadviseerd een onderzoek te verrichten.

2.7 Op 26 september 2018 is de RvdK met het raadsonderzoek gestart. Het raadsonderzoek heeft de jeugdprofessional uitgevoerd. In een multidisciplinair overleg (MDO) op 23 oktober 2018 is besloten het raadsonderzoek uit te breiden naar een beschermingsonderzoek.

2.8 Naar aanleiding van het concept raadsrapport heeft het bevindingengesprek met de vader op 5 december 2018 plaatsgevonden en met de moeder op 11 december 2018. Vervolgens is het concept raadsrapport aan de ouders toegestuurd, hen is een inzagetermijn van vijf dagen gegeven om daarop te reageren. De ouders hebben daarvan geen gebruik gemaakt.

2.9 De bevindingen van het raadsonderzoek zijn vastgelegd in het raadsrapport van 20 december 2018, hierna te noemen: het raadsrapport. De conclusie van het raadsonderzoek is dat de rechtbank verzocht wordt de dochter onder toezicht te stellen voor een periode van twaalf maanden. Daarnaast wordt de rechtbank geadviseerd het gezamenlijk gezag in stand te houden en het verzoek van de moeder met betrekking tot het eenhoofdig gezag af te wijzen. Tot slot wordt de rechtbank geadviseerd de dan geldende contactregeling tussen de vader en de dochter te handhaven en de gezinsvoogd toe te laten werken naar de oude contactregeling.

2.10 Op 28 januari 2019 heeft de moeder een klacht tegen de jeugdprofessional ingediend bij de interne klachtencommissie van de RvdK.

2.11 Tijdens de behandeling door de kinderrechter op 29 januari 2019 is de ondertoezichtstelling van de dochter mondeling toegewezen voor de duur van twaalf maanden. De moeder heeft hiertegen beroep ingesteld.

2.12 Bij afzonderlijke mondelinge uitspraak van de kinderrechter van 29 januari 2019 is de moeder belast met het eenhoofdig gezag over de dochter en is een contactregeling tussen de vader en de dochter vastgelegd, in die zin dat zij één middag per twee weken op zaterdag omgang hebben.

2.13 Bij beslissing van de interne klachtencommissie van de RvdK van 4 april 2019 is met betrekking tot één klachtonderdeel het oordeel onthouden, één klachtonderdeel is gegrond verklaard, twee klachtonderdelen zijn deels gegrond en deels ongegrond verklaard en drie klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard. Tevens heeft het MDO-team de opdracht gekregen om een brief op te stellen voor het gerechtshof met een rectificatie op die punten die zien op de gegrond verklaarde klachtonderdelen. Op 7 mei 2019 is namens de jeugdprofessional deze brief verzonden aan het gerechtshof.

2.14 Bij beschikking van 2 juli 2019 van het gerechtshof is de mondelinge uitspraak van de kinderrechter aangaande de ondertoezichtstelling vernietigd. Het gerechtshof verklaart (opnieuw rechtdoende) de RvdK niet-ontvankelijk in het verzoek tot ondertoezichtstelling van de dochter.

2.15 De moeder heeft naar aanleiding van de beslissing van de interne klachtencommissie van de RvdK besloten haar klacht voor te leggen aan de externe klachtencommissie van de RvdK. Deze mondelinge behandeling staat gepland op 28 augustus 2019.

2.16 De jeugdprofessional is als pedagoog van [datum] 2017 tot en met [datum] 2019 geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2019 is de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     De ontvankelijkheid

3.1 De jeugdprofessional stelt zich primair op het standpunt dat de moeder geen voldoende belang heeft bij het indienen van haar klacht en daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De moeder heeft dezelfde klacht al ingediend bij de interne klachtencommissie van de RvdK. Namens de directeur is de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard, hetgeen bovendien heeft geleid tot een wijziging/aanvulling van het rapport. Daarnaast heeft de moeder besloten haar klacht door te zetten naar de externe klachtencommissie van de RvdK, waar haar klacht opnieuw zal worden beoordeeld. Niet valt in te zien welk belang de moeder nog heeft om het persoonlijk handelen van de jeugdprofessional tuchtrechtelijk getoetst te zien. De jeugdprofessional heeft bovendien niet zelfstandig gehandeld, maar in multidisciplinair verband, terwijl het raadsrapport waar het om gaat niet een rapport van de jeugdprofessional is, maar een rapport van de RvdK.

3.2 Namens de moeder is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aangevoerd dat zij voldoende belang heeft bij het indienen van haar klacht. Zij is een directbetrokkene, omdat het raadsonderzoek op haar (en de dochter) betrekking heeft gehad. Tijdens het raadsonderzoek was de jeugdprofessional voor hen het aanspreekpunt en haar naam staat onder het raadsrapport. De procedures bij de interne en de externe klachtencommissie van de RvdK zien toe op het raadsrapport en niet op het individuele handelen van de jeugdprofessional. Deze procedures betekenen daarom niet dat de jeugdprofessional niet op haar individuele handelen tuchtrechtelijk kan worden aangesproken. De klachten in de tuchtprocedure gaan over de wijze waarop de jeugdprofessional het raadsonderzoek heeft uitgevoerd, het raadsrapport heeft opgesteld en de bejegening richting de moeder. De moeder stelt zich op het standpunt dat zij voldoende belang heeft om deze klachten tuchtrechtelijk te laten toetsen.

3.3 Het College overweegt ten eerste het volgende met betrekking tot het aangevoerde of de moeder al dan niet voldoende belang heeft bij het indienen van haar klacht. Op grond van artikel 3.2 van het Tuchtreglement, versie 1.3, kan een belanghebbende die meent dat een jeugdprofessional de algemene tuchtnorm overtreedt, hiertegen een klacht indienen bij het College van Toezicht van SKJ. Bij de begripsbepalingen in artikel 1 van dit Tuchtreglement is bepaald dat een belanghebbende “elke (rechts)persoon die een direct of indirect belang heeft bij het beroepsmatig handelen van de jeugdprofessional” is. Het College merkt de moeder als belanghebbende aan en overweegt hiertoe als volgt. De jeugdprofessional heeft namens de RvdK het raadsonderzoek uitgevoerd (en het raadsrapport opgesteld), waarin onder meer de moeder een directbetrokkene is geweest. Deze directe betrokkenheid van de moeder kan niet anders met zich meebrengen dan dat zij aangemerkt dient te worden als belanghebbende in de zin van artikel 1 van het Tuchtreglement, omdat zij volgens het College een direct belang heeft bij (een tuchtrechtelijke toetsing van) het beroepsmatig handelen van de jeugdprofessional. Het enkele gegeven dat sprake is van een rapport dat is opgesteld in multidisciplinair verband, zoals namens de jeugdprofessional aangevoerd, brengt nog niet met zich mee dat hieruit volgt dat de moeder niet-ontvankelijk is in de klacht. Het College wijst in dit verband op artikel 3.VIII sub a van het Kwaliteitskader van de Raad voor de Kinderbescherming 2016, hierna te noemen: het Kwaliteitskader van de RvdK: “de RvdK werkt met geregistreerde jeugdzorgwerkers en geregistreerde gedragswetenschappers. Dit betekent dat medewerkers werken volgens de voor hen geldende beroepscode. Verder houden zij zich aan de geldende richtlijnen jeugdhulp. Daarbij houden geregistreerde medewerkers een inhoudelijke verantwoordelijkheid voor het eigen handelen en zijn daarop aanspreekbaar.”

3.4 Ten tweede is aangevoerd dat de moeder niet-ontvankelijk in de klacht moet worden verklaard, omdat zij geen belang heeft bij het indienen van haar klacht nu zij zich reeds tot de interne en externe klachtenprocedure van de RvdK heeft gewend. Hiertoe overweegt het College als volgt. In beginsel heeft het Tuchtrecht een zelfstandig bestaansrecht naast andere (klacht)procedures. Op grond van artikel 7.10 van het Tuchtreglement kan het College echter beslissen een klacht, waarover eerder een beslissing is genomen of zal worden genomen, in een andere met voldoende waarborgen omklede procedure, niet in behandeling te nemen of de behandeling daarvan op te schorten. Het College merkt op er oog voor te hebben dat tegen een jeugdprofessional op verschillende manieren een klacht kan worden ingediend en is zich bewust van de impact van deze verschillende procedures. Het onderhavige raadsrapport is zowel voorgelegd aan de kinderrechter, als aan de interne- en externe klachtencommissie van de RvdK. Door deze (gevolgde) procedures ligt aan het College de vraag voor of op grond van artikel 7.10 van het Tuchtreglement kan worden vastgesteld of de klacht van de moeder reeds beoordeeld is in een andere met voldoende waarborgen omklede procedure. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt hiertoe als volgt. Een tuchtprocedure verschilt van genoemde procedures, omdat de colleges van SKJ het individuele (beroepsmatig) handelen van een jeugdprofessional toetsen aan de voor hem of haar geldende professionele standaard. Hiervan kan de jeugdprofessional leren. Anderzijds kan de hele beroepsgroep van deze toets leren en kan normoverschrijdend gedrag worden voorkomen. Dit maakt volgens het College dat het toetsingskader, het karakter en de aard van een tuchtprocedure, in vergelijking tot eerdergenoemde procedures, niet van gelijke aard zijn. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat de klacht van de moeder – over het individuele handelen van de jeugdprofessional – reeds beoordeeld is in een andere met voldoende waarborgen omklede procedure. Dat een tuchtprocedure – naast de interne of externe klachtencommissie van de RvdK – een zelfstandig bestaansrecht heeft, kan volgens het College ook worden afgeleid uit het reeds aangehaalde artikel 3.VIII sub a van het Kwaliteitskader van de RvdK.

3.5 Het College verklaart de moeder ontvankelijk in haar klacht.

4     Het beoordelingskader en de geldende beroepscode

4.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

4.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4.3 Het College dient te beoordelen of de jeugdprofessional – als raadsonderzoeker – is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Het College toetst daartoe het handelen van de jeugdprofessional aan de professionele standaard zoals omschreven onder 4.1 van deze beslissing. Het specifieke aan de organisatie gerelateerde kader waar het College aan toetst betreft in deze casus het reeds genoemde Kwaliteitskader van de RvdK. Daarin zijn de algemene kwaliteitseisen vastgelegd die gelden voor onderzoeken die door (de medewerkers van) de RvdK worden uitgevoerd. Voor wat betreft de geldende beroepscode, toetst het College in beginsel op grond van de kamer waarin een jeugdprofessional geregistreerd is, het handelen van een jeugdprofessional aan – onder meer – de voor die kamer geldende beroepscode. De jeugdprofessional is gedurende het opstellen van het raadsrapport als pedagoog geregistreerd geweest, zoals weergegeven onder 2.16 van deze beslissing. De jeugdprofessional is echter als raadsonderzoeker betrokken geweest bij de moeder. Het verrichten van de werkzaamheden als raadsonderzoeker is volgens het College niet verbonden aan de registratie in een bepaalde kamer van SKJ. Het College zal het handelen van de jeugdprofessional daarom toetsen aan de voor haar tijdens haar handelen in deze casus geldende beroepscode; de Beroepscode van de Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen. Hier hebben ook beide partijen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht de voorkeur aan gegeven.

4.4 Het College merkt tot slot op dat een deel van de klachtonderdelen onderbouwd zijn met (de gegrond verklaarde klachten van) de beslissing van de interne klachtencommissie van de RvdK van 4 april 2019. Zoals reeds onder 3.4 van deze beslissing overwogen, is het toetsingskader in het klachtrecht anders dan in het tuchtrecht. Hieruit volgt dat klachten, die gegrond zijn verklaard bij een klachtencommissie, niet zonder meer leiden tot een gegrondverklaring bij een tuchtrechtelijke toetsing.

5     De klacht, het verweer en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College.

5.1 Klachtonderdeel 1

5.1.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De moeder is onvoldoende gehoord tijdens het raadsonderzoek en niet serieus genomen.

Toelichting:
De punten die de moeder gedurende het raadsonderzoek heeft aandragen, werden afgewimpeld. Tijdens het onderzoek is de nadruk gelegd op de moeder. De RvdK schrijft geen zorgen te hebben over de opvoedingssituatie bij de vader thuis of zijn mogelijkheden om contact te hebben met de dochter. Daardoor is de indruk ontstaan dat alleen de moeder het probleem is en dat de dochter niet naar haar vader wil vanwege een loyaliteitsconflict. Hetgeen de dochter, de moeder en overige informanten daarover hebben aangevoerd, is buiten beschouwing gelaten. Ook zijn meerdere punten niet tijdig aan de moeder teruggekoppeld. Pas na het indienen van de klacht bij de klachtencommissie van de RvdK is de jeugdprofessional op een aantal zaken teruggekomen. Als voorbeeld benoemt de moeder de uitleg die zij ontvangen heeft, na indiening van de klacht, over het opvragen van haar Justitieel Documentatie Systeem (JDS).

5.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Dit klachtonderdeel laat zich moeilijk weerspreken en ook moeilijk toetsen, omdat het een gevoel betreft en niet een verifieerbaar feit. De jeugdprofessional heeft twee gesprekken met de moeder gehad, er is meermalen een bevindingengesprek aangeboden en er is telefonisch overleg geweest. De insteek van het raadsonderzoek was om te bezien of de situatie van de dochter zorgwekkend was en zo ja, wat er nodig zou zijn om daarin verbetering aan te brengen. Mogelijk heeft de moeder de verwachting gehad dat de RvdK haar standpunt en zienswijze zou volgen en zou bevestigen dat de omgang tussen de vader en de dochter gestopt zou worden. Het is daarom wellicht begrijpelijk dat de inhoud van het rapport de moeder niet welgevallig was en zij zich daarom onvoldoende gehoord heeft gevoeld, maar dat is een subjectieve beleving die zich niet tuchtrechtelijk laat toetsen.
De moeder is gedurende het raadsonderzoek gehoord en voldoende in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze kenbaar te maken. Van de twee gesprekken is een verslag opgenomen in het raadsrapport. De moeder heeft bovendien de mogelijkheid gekregen om op het conceptrapport in zijn geheel, waaronder het besluit en het advies van de RvdK, te reageren. Zij heeft hiervan, ondanks de inspanningen van de jeugdprofessional, geen gebruik van gemaakt. Het Kwaliteitskader van de RvdK geeft hieromtrent aan dat de ouder de gelegenheid krijgt om mondeling dan wel schriftelijk op het conceptrapport te reageren. De jeugdprofessional heeft de moeder conform het Kwaliteitskader van de RvdK een inzagetermijn van vijf dagen gegeven, maar hier is geen gebruik van gemaakt en er is geen uitstel gevraagd. De moeder heeft niet aangegeven op welke punten het conceptraadsrapport zou moeten worden aangepast. Het valt dan niet goed te begrijpen dat de moeder thans het standpunt inneemt dat zij zich onvoldoende gehoord heeft gevoeld. Indien de moeder meent dat de jeugdprofessional meer haar kant had moeten kiezen, dan is dat verwijt zonder grond, omdat de jeugdprofessional daartoe niet gehouden was. De jeugdprofessional was gehouden het belang van de dochter te dienen en zij is van oordeel dat de situatie van de dochter zorgwekkend was. Het is de taak van de jeugdprofessional en de RvdK om dergelijke bevindingen naar voren te brengen. Dat de moeder zich daarbij of daardoor niet gehoord heeft gevoeld, is vervelend en betreurt de jeugdprofessional, maar levert geen tuchtrechtelijk verwijt op.

5.1.3 Het College overweegt als volgt:
Allereerst wordt de jeugdprofessional in dit klachtonderdeel verweten dat zij de moeder onvoldoende gehoord heeft. Blijkens het raadsrapport zijn twee gesprekken met de moeder gevoerd, op 9 en 30 oktober 2018. Ook heeft op 11 december 2018 tussen de jeugdprofessional en de moeder het bevindingengesprek plaatsgevonden en is de moeder in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het conceptrapport. Van de twee gesprekken die met de moeder gevoerd zijn, is (uitvoerig) verslag gedaan op pagina 10 tot en met 13 van het raadsrapport. Het College concludeert op grond van het voorgaande dat de jeugdprofessional de moeder voldoende gehoord heeft.
Het tweede verwijt in dit klachtonderdeel luidt dat de moeder zich niet serieus genomen voelt. De moeder stelt zich onder meer op het standpunt dat gedurende het raadsonderzoek niets met haar verhaal gedaan is en dat onterecht de nadruk op haar heeft gelegen. De moeder kan zich naar aanleiding van het uitgevoerde raadsonderzoek kennelijk niet vinden in de verslaglegging en zienswijze van de RvdK, zoals door de jeugdprofessional verwoord in het raadsrapport. Het College wijst de moeder erop dat zij – conform artikel 3.VI sub a en b van het Kwaliteitskader van de RvdK – in de gelegenheid is gesteld te reageren op het conceptrapport. Deze mogelijkheid is bij uitstek bedoeld om te reageren op de inhoud van het raadsrapport en de raadsmedewerker te wijzen op eventuele onjuistheden in het raadsrapport. Een reactie wordt in het raadsrapport meegenomen of als bijlage toegevoegd. Ook kan een reactie op het conceptrapport leiden tot een wijziging in het raadsrapport, besluit of advies. Als dat niet het geval is, kan de rechter tenminste kennisnemen van de reactie en deze meenemen in de beoordeling. Het College acht het kwalijk dat de moeder van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt heeft. Dat de zienswijze van de jeugdprofessional en de moeder niet overeenkomen, betekent volgens het College niet dat vastgesteld kan worden dat de jeugdprofessional gedurende het raadsonderzoek de moeder niet serieus heeft genomen, evenmin dat zij op andere wijze richting de moeder in haar bejegening tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft.

5.1.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

5.2 Klachtonderdeel 2

5.2.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional heeft onzorgvuldig gerapporteerd.

Toelichting:
In het advies van het raadsraadsrapport is allereerst opgenomen dat de ouders niet in staat zijn gebleken om met de hulpverlening in het vrijwillig kader tot afspraken te komen, hetgeen onjuist is. Zoals eerder ook in het raadsraadsrapport onder het kopje ‘4. Gezinssituatie en andere belangrijke betrokkenen’, pagina 3, is opgenomen, blijkt dat de omgang is opgestart met behulp van een [ouderschapstraject] en een omgangshuis. De opmerking in het advies is derhalve in strijd met artikel 3.3 van de Jeugdwet. Het op deze wijze opnemen van de stelling is ook volgens de klachtbehandelaar van de RvdK onjuist en dient aangevuld en/of verbeterd te worden.
Daarnaast is in het raadsraadsrapport opgenomen dat de vader de moeder een goede moeder vindt. Daarmee wordt de indruk gewekt dat de vader uit de strijd blijft en positief over de moeder praat, hetgeen niet juist is. In het raadsraadsrapport onder het kopje ‘8.2 Bron: Gesprek met vader op het kantoor van de RvdK op 3 oktober 2018’ is onder meer het volgende opgenomen: “Vader vindt dat moeder aan [de dochter] leert om vader te negeren. Hij ziet dit als psychische mishandeling.”,  “Moeder heeft geen empathisch vermogen, vader acht het mogelijk dat moeder borderline heeft” en “Na de geboorte ging het minder tussen ouders, vader denkt door een combinatie van hormonen, borderline en de hoge werkdruk van vader.” De opgenomen zinsnede in de conclusie geeft dan ook een onvolledig beeld. De klachtbehandelaar van RvdK heeft ook geoordeeld dat deze zinsnede in de conclusie van het raadsrapport ten onrechte is opgenomen.
Ten derde ontbreken positieve zaken omtrent de moeder in de opsomming over de zorgen en krachten over de dochter, terwijl in het raadsrapport voldoende positieve zaken zijn opgenomen. De positieve punten lijken enkel over de vader te gaan. Ook hier heeft de klachtbehandelaar van de RvdK de moeder gelijk gegeven en geoordeeld dat er in de conclusie meer evenwicht aangebracht had mogen worden.
Voorts worden er uitlatingen van de dochter in het raadsrapport geciteerd waarvan de jeugdprofessional, na de behandeling van de klacht bij de klachtencommissie van de RvdK, heeft toegegeven dat het niet om citaten gaat. De moeder kan zich niet voorstellen dat de jeugdprofessional niet weet dat het plaatsen van een tekst tussen aanhalingstekens, op de wijze zoals in het raadsrapport opgenomen, wijst op een citaat. De moeder acht deze werkwijze zeer kwalijk en tuchtrechtelijk laakbaar omdat juist in de beantwoording van de onderzoeksvragen de formuleringen van de uitlatingen van de dochter als doorslaggevend worden geacht. Het heeft er volgens de moeder alle schijn van dat het raadsrapport is opgesteld met als doel te komen tot afwijzing van haar verzoeken en tot toewijzing van het verzoek tot ondertoezichtstelling.
Tot slot stelt de moeder zich – middels de ingediende aanvulling op de klacht – op het standpunt dat de ondertoezichtstelling inmiddels door het gerechtshof beëindigd is en dat er vervolgens vanuit de RvdK geen nieuw verzoek tot ondertoezichtstelling is ingediend. De RvdK heeft klaarblijkelijk afstand genomen van het raadsrapport zoals opgesteld door de jeugdprofessional, althans er is geen aanleiding gezien om naar aanleiding van de eerder gestelde zorgen opnieuw een verzoek tot ondertoezichtstelling in te dienen.

5.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Het gaat hier om een klachtonderdeel dat reeds aan de orde is geweest in de klachtenprocedure bij de RvdK, waar het gegrond verklaard is. Dit heeft ook geleid tot nadere actie, te weten de brief van 7 mei 2019 aan het gerechtshof. Deze omstandigheden maken het voor de jeugdprofessional ten eerste niet begrijpelijk dat de moeder hierover opnieuw een klacht indient, gericht tegen de jeugdprofessional persoonlijk. Ten tweede is het voor de jeugdprofessional niet goed mogelijk om zich te verweren, omdat zij reeds op grond van de uitspraak van de directie/klachtbehandelaar gehouden is geweest om een brief aan het gerechtshof te schrijven met daarin een aanvulling op het raadsrapport. Indien zij nu toch verweer zou voeren tegen dit klachtonderdeel, zou zij zich niet geloofwaardig maken en zou de organisatie haar kunnen verwijten dat zij de bevindingen van de directeur/klachtbehandelaar bestrijdt. Zodoende zal er geen inhoudelijk verweer worden gevoerd tegen het klachtonderdeel. Ook hier is aan de orde dat de moeder in een veel eerder stadium haar beklag had kunnen doen, namelijk ten tijde van het onderzoek waarin aan haar het conceptraadsrapport is verstrekt en zij in de gelegenheid is gesteld daarop te reageren. Deze mogelijkheid heeft de moeder niet benut.
Ook wordt erop gewezen dat het opgestelde raadsrapport in eerste instantie bedoeld is als reactie op het verzoek van de rechtbank en daarnaast ter voorlichting aan de rechtbank die moet beslissen over de vraag of een ondertoezichtstelling aan de orde moet zijn. Uit de processen-verbaal van de behandeling bij de kinderrechter op 29 januari 2019 blijkt dat de kinderrechter het raadsrapport voldoende zorgvuldig en duidelijk achtte om te worden betrokken in de beoordeling. De brief van 7 mei 2019 bevat ten principale geen wijzigingen van het rapport, in het bijzonder niet wat betreft de positie van de dochter. De brief is een aanvulling op bepaalde onderdelen, maar dat maakt nog niet dat het rapport zoals dat er eerder lag onvoldoende was, laat staan dat de jeugdprofessional bij de totstandkoming tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld zou hebben.
De jeugdprofessional is, vanwege de beschreven totstandkoming van het rapport, van oordeel dat uit het enkele feit dat de directie/klachtbehandelaar een aantal klachtonderdelen gegrond heeft verklaard nog niet volgt dat een zodanig verwijt kan worden gemaakt dat dit ook tuchtrechtelijke gevolgen dient te hebben. Daartoe is nodig dat vastgesteld wordt dat zij in strijd heeft gehandeld met de voor haar geldende professionele beroepscode. Daarvan is in de visie van de jeugdprofessional niet gebleken.

5.2.3 Het College overweegt als volgt:
Door de moeder is gesteld dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft doordat zij met de beantwoording van de onderzoeksvragen, vanaf pagina 18 van het raadsrapport, tenminste op vier punten niet volledig is geweest. Het College heeft met betrekking tot deze punten kennisgenomen van de beslissing van de interne klachtencommissie van 4 april 2019, waarin deze onderdelen gegrond zijn verklaard. Zoals reeds onder 4.4 van deze beslissing opgenomen, brengt dat echter niet zonder meer met zich mee dat de jeugdprofessional op deze punten ook tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Hiervan is slechts sprake wanneer de jeugdprofessional met haar handelen buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is getreden. Het College overweegt dat voldoende gebleken is dat de mogelijk onvolledige beantwoording van de onderzoeksvragen, niet afdoet aan het genomen raadsbesluit en advies, zoals verwoord vanaf pagina 21 van het raadsrapport. Het College betrekt in dit oordeel de brief van 7 mei 2019, waarin de jeugdprofessional de genoemde vier punten heeft aangevuld, maar het raadsbesluit en advies onveranderd zijn gebleven. Dat deze onveranderd zijn gebleven, blijkt volgens het College ook uit de beschikking van het gerechtshof van 2 juli 2019 waarin de RvdK mondeling verweer gevoerd heeft tegen de verzoeken van de moeder om de beschikking van de kinderrechter, waarin de ondertoezichtstelling is verleend, te vernietigen. Hoewel het College het beter had gevonden wanneer de beantwoording van de onderzoeksvragen in het raadsrapport vollediger en/of evenwichtiger was geweest, is niet gebleken dat de jeugdprofessional met de beantwoording van de onderzoeksvragen in strijd gehandeld heeft met de professionele standaard. Te meer nu het raadsrapport multidisciplinair tot stand gekomen is. Ook het onterecht dan wel abusievelijk opnemen van aanhalingstekens in een passage, is naar het oordeel van het College onvoldoende om te spreken van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.

5.2.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

5.3 Klachtonderdeel 3

5.3.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional is partijdig.

Toelichting:
Het raadsrapport is op een onnavolgbare wijze tot stand gekomen, hetgeen uit de gevolgde interne klachtenprocedure van de RvdK geconcludeerd dient te worden. Niet alleen zijn in het raadsrapport de positieve punten omtrent de moeder ten onrechte weggelaten, ook worden vrijwel enkel de positieve punten van de vader belicht. De hulpverlening in het vrijwillig kader en de uitkomst daarvan zijn op een dusdanige manier uitgelegd dat dit ten onrechte een grond heeft gevormd voor een ondertoezichtstelling. Ook is gesteld dat de dochter zinnen gebruikt waar de jeugdprofessional, in de klachtenprocedure bij de RvdK, vervolgens op terugkomt. De moeder heeft daar in de praktijk veel hinder van ondervonden met de gezinsvoogd. De moeder stelt zich concluderend op het standpunt dat de jeugdprofessional partijdig moet zijn geweest bij het opstellen van het raadsrapport. Een andere reden om op een dergelijke manier met de verkregen informatie om te gaan, is niet naar voren gekomen.

5.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De moeder bedoelt kennelijk dat de jeugdprofessional bij het opstellen van het raadsrapport partij zou hebben gekozen voor de vader. Daarvan is echter geen sprake geweest. De jeugdprofessional heeft steeds het belang van de dochter voor ogen gehad, hetgeen gezien haar taakuitoefening van haar verwacht mag en moet worden. Zij is daarbij niet partijdig geweest. Ook is er voldoende aan gedaan om de zorgen over de dochter te onderzoeken en te verifiëren. De jeugdprofessional heeft daartoe gesprekken met zowel de moeder, de vader en de dochter gevoerd. Ook zijn professionele informanten benaderd. Voorts heeft de jeugdprofessional de aanwezige (proces)stukken uit het raadsdossier geraadpleegd. De ingewonnen informatie is vervolgens op meerdere momenten tijdens het onderzoek in multidisciplinair verband besproken, geduid en gewogen. Multidisciplinaire overleggen tijdens een raadsonderzoek voorkomen, dan wel verkleinen, het risico op eventuele vooringenomenheid, aangezien verschillende professionals vanuit verschillende disciplines gedurende het onderzoek met de raadsonderzoeker meedenken en bij de beoordeling van de ingewonnen informatie worden betrokken. Dat de verkregen informatie anders gewogen en geïnterpreteerd wordt dan door de moeder, wil niet zeggen dat er sprake is geweest van partijdigheid. De jeugdprofessional bestrijdt dat in ieder geval.

5.3.3 Het College overweegt als volgt:
Het is het College gebleken dat partijen op meerdere punten verschillen van visie en wat al dan niet in het belang van de dochter is. Deze verschillen maken nog niet dat de jeugdprofessional partijdig is geweest met het opstellen van het raadsrapport of dat zij gedurende het raadsonderzoek niet de zienswijze van de RvdK mag benoemen. Van een jeugdprofessional mag men verwachten dat deze, uit hoofde van zijn of haar functie en professionaliteit, onpartijdig is, dan wel meerzijdig partijdig. Het gegeven dat de moeder het niet eens is met de zienswijze van de RvdK, zoals verwoord door de jeugdprofessional, maakt volgens het College niet dat de jeugdprofessional partijdig heeft gehandeld. In (de toelichting op) het klachtonderdeel en de overgelegde onderbouwing ziet het College geen aanwijzingen dat de jeugdprofessional partijdig heeft gehandeld.

5.3.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

6     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 1 oktober 2019 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris