Er is niet gebleken dat een raadsonderzoeker contact heeft gehad met de huisarts en ten onrechte een uithuisplaatsing heeft aangekondigd.

Het College van Beroep heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.P. van der Linden, voorzitter,
de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, lid-jurist,
mevrouw I. de Jongh-Stols, lid-beroepsgenoot,
mevrouw S.P. van Buuren, lid-beroepsgenoot,
de heer D.N.A. Bidjai, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[Appellante], klaagster in eerste aanleg, hierna te noemen: appellante, wonende te [woonplaats],

ingediende beroepschrift tegen:

[Verweerster], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: verweerster, werkzaam als raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de RvdK.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

Appellante wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. W.A.M. van Ooijen, werkzaam bij DAS rechtsbijstand.

Verweerster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. H.M.Th. de Pont, advocaat te Tilburg.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:
– het door appellante bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift ontvangen op 6 oktober 2017, met de bijlagen en de aanvullingen hierop ontvangen op 24 oktober 2017, 30 oktober 2017, 8 november 2017 en 4 maart 2018;
– het door verweerster bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift, met de bijlagen, ontvangen op 20 december 2017;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 17.114Tc van 9 mei 2018;
– het door appellante ingediende beroepschrift, met bijlagen, tegen voornoemde beslissing ontvangen op 4 januari 2019;
– het door verweerster ingediende verweerschrift ontvangen op 20 maart 2019.

1.2

Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht de klacht ongegrond verklaard.

1.3

Op 3 december 2018 heeft de (voormalige) gemachtigde van appellante kenbaar gemaakt dat het beroepschrift, zoals ingediend in zaaknummer 18.013B ook wordt geacht te zijn ingediend tegen de beklaagde in zaaknummer 17.114Tc. Het College van Beroep heeft dit echter, nu er in het beroepschrift in zaaknummer 18.013B slecht één beslissing van het College van Toezicht was vermeld, niet als zodanig aangemerkt. De voorzitter van het College van Beroep heeft op 20 december 2018 besloten appellante in de gelegenheid te stellen, nu er bij zowel partijen als het College van Beroep onduidelijkheid is ontstaan over de reikwijdte van het beroepschrift, uiterlijk 4 januari 2019 een afzonderlijk beroepschrift in te dienen in zaaknummer 17.114Tc. Dit beroepschrift is vervolgens door appellante op 4 januari 2019 ingediend en door het College van Beroep in behandeling genomen onder zaaknummer 19.001Bb.

1.4

Door verweerster is op 20 maart 2019 een verweerschrift tegen het beroep ingediend.

1.5

Op 2 april 2019 zijn partijen bericht dat het College van Beroep van oordeel is dat het beroep schriftelijk afgedaan kan worden conform artikel 12.14 van het Tuchtreglement (versie 1.2). Het beroep wordt in dat geval uitsluitend beoordeeld op grond van de processtukken. Partijen zijn in hetzelfde bericht in de gelegenheid gesteld om tegen dit voornemen van het College van Beroep uiterlijk 15 april 2019 schriftelijk en gemotiveerd bezwaar te maken. Partijen hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

1.6

Partijen zijn op 16 mei 2019 bericht dat de beslissing uiterlijk op 27 juni 2019 wordt verstuurd.

2 De feiten

Op grond van de stukken gaat het College van Beroep van de volgende feiten uit:

2.1

Appellante is de moeder van een zoon die is geboren in 2013.

2.2

De zoon is geboren uit een affectieve relatie tussen appellante en haar ex-partner, de vader van de zoon. De ouders hebben tot 1 januari 2015 samengewoond. Het ouderlijk gezag over de zoon wordt uitgeoefend door appellante. De vader heeft de zoon erkend.

2.3

Op 17 november 2015 heeft de rechtbank de RvdK verzocht om onderzoek te doen naar de vraag of de uitoefening van gezamenlijk gezag in het belang is van de zoon en of er mogelijkheden zijn voor omgang met de vader. De zittingsvertegenwoordiger meent dat onderzoek naar een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is en er wordt aan de ouders aangekondigd dat dit ook onderzocht zal worden. De RvdK besluit aldus ambtshalve het onderzoek uit te breiden tot een beschermingsonderzoek. Op 4 januari 2016 start de RvdK, locatie [locatie], met het raadsonderzoek.

2.4

Op 24 februari 2016 heeft appellante een klacht ingediend over het dan lopende raadsonderzoek (hierna te noemen: het eerste raadsonderzoek). Op 2 juni 2016 besluit de regiodirecteur dat er een nieuw raadsonderzoek dient te worden verricht door een andere regio en aldus door andere raadsonderzoekers. Vervolgens is de RvdK, locatie [locatie], gestart met het nieuwe raadsonderzoek, hierna te noemen: het tweede raadsonderzoek.

2.5

Op 10 juni 2016 heeft de RvdK het tweede raadsonderzoek afgerond, en een verslag van bevindingen opgesteld, en de rechtbank geadviseerd de behandeling van de verzoekschriften aan te houden en de ouders te verwijzen naar de module Ouderschapsbemiddeling van [de instelling]. De RvdK ziet op dat moment mogelijkheden bij de ouders waardoor de ontwikkeling van de zoon niet langer wordt bedreigd, zodat er geen noodzaak bestaat tot het verzoeken van een kinderbeschermingsmaatregel.

2.6

Op 20 juli 2016 heeft de rechtbank de ouders verwezen naar [de instelling] en is de verdere behandeling van de verzoeken over het gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aangehouden tot 17 januari 2017.

2.7

Op 24 januari 2017 heeft de rechtbank de RvdK opnieuw verzocht om een onderzoek inzake het gezag en de omgangsregeling te verrichten alsmede een beschermingsonderzoek. Daarnaast zijn de ouders tijdens de zitting overeengekomen dat er een begeleide omgangsregeling tussen de vader en de zoon kan worden opgestart onder begeleiding van [de instelling].

2.8

Het derde raadsonderzoek is gestart op 24 maart 2017. Op 3 juli 2017 heeft de RvdK een conceptrapport uitgebracht en daarin besloten om de kinderrechter te verzoeken een ondertoezichtstelling uit te spreken over de zoon, en de rechtbank te adviseren het verzoek van de vader om hem mede te belasten met het gezag toe te wijzen alsmede het verzoek betreffende een omgangsregeling aan te houden in afwachting van de uitkomst van de hulpverlening aan de ouders, waaronder de inzet van de gezinsvoogd. Het conceptrapport is op 3 juli 2017 aan de ouders overhandigd c.q. verzonden.

2.9

Verweerster is sinds [datum] 2013 in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) geregistreerd. In de periode van [datum] 2013 tot [datum] 2018 als jeugdzorgwerker. Met ingang van [datum] 2018 is zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd. Verweerster is werkzaam als raadsonderzoeker bij de RvdK. Zij heeft samen met verweersters in de zaaknummers 18.013B (17.114Ta) en 19.001Ba (17.114Tb) het derde raadsonderzoek verricht. De rol van verweerster in het onderzoek was beperkt, in die zin dat zij vanaf 24 maart 2017 tot eind april/begin mei 2017 heeft geparticipeerd in het onderzoek, en daarna vanwege langdurige afwezigheid is vervangen door verweerster in zaaknummer 19.001Ba (17.114Tb).

3 Het beroep, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College van Beroep wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling van de klacht die door het College van Toezicht in de beslissing van 9 mei 2018 ongegrond is verklaard.

3.1.4

Hierna wordt de klacht besproken en beoordeeld. De oorspronkelijke klacht wordt genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grief in beroep, evenals het verweer in beroep, waarna het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven.

3.2 De klacht

3.2.1

Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is de klacht als volgt geformuleerd: “[Appellante] verwijt [verweerster] zakelijk weergegeven dat zij, toen zij de huisarts van [appellante] belde, een uithuisplaatsing heeft aangekondigd terwijl daar geen sprake van was. De huisarts was hierover zeer verbaasd en heeft een en ander tijdens een huisbezoek aan [appellante] verteld.”.

3.2.2

Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van de klacht als volgt: “Het College [van Toezicht] constateert dat [verweerster] de stelling van [appellante] gemotiveerd heeft betwist. Nu [appellante] geen feiten heeft aangevoerd die haar stelling nader onderbouwen, is haar klacht dat [verweerster] de huisarts van [appellante] heeft gebeld en zonder aanleiding een uithuisplaatsing heeft aangekondigd, ongegrond.”. Het College van Toezicht heeft de klacht ongegrond verklaard.

3.2.3

Appellante voert tegen de beslissing van het College van Toezicht als grief aan, dat het niet duidelijk is waarop het College van Toezicht zich heeft gebaseerd toen het oordeelde dat verweerster de stelling van appellante voldoende heeft betwist. Het enkel door verweerster ontkennen van een stelling kan niet beschouwd worden als voldoende gemotiveerd. Uit het conceptrapport van 3 juli 2017, pagina 8, 4e alinea, blijkt dat verweerster telefonisch contact heeft gehad met de huisarts voorafgaand aan de schriftelijke informatie die zij van de huisarts heeft ontvangen. Het College van Toezicht heeft geoordeeld zonder nader onderzoek te verrichten naar de beweringen van appellante.

3.2.4

Verweerster stelt dat zij slechts zijdelings en voor een beperkte tijd betrokken geweest is bij het onderzoek. Kort na aanvang van het onderzoek is verweerster wegens ziekte uitgevallen, waarna zij geen bemoeienis meer heeft gehad met het onderzoek. Verweerster ontkent ten stelligste dat zij in het kader van het onderzoek de huisarts als informant heeft benaderd, laat staan die te hebben medegedeeld dat er sprake zou zijn van een uithuisplaatsing. Appellante moet zich derhalve vergissen in de persoon van verweerster. Een collega raadsonderzoeker heeft wel contact gehad met de huisarts van appellante, die een aantal vragen had over de gang van zaken bij een raadsonderzoek. Die vragen zijn in algemene bewoordingen beantwoord.

3.2.5

Het College van Beroep stelt vast dat in het conceptrapport van 3 juli 2017 het volgende is opgenomen: “Op 12 april neemt [appellante] per e-mail contact op met de raadsonderzoekers. Zij stelt door zowel de huisarts als Veilig Thuis te zijn benaderd, omdat zij hun zorgen kenbaar hadden gemaakt aangaande het lopende onderzoek. Zo benoemt ze dat de huisarts heeft aangegeven dat de vragen die telefonisch aan deze huisarts zijn toegelicht (nadat hij verzocht om telefonisch overleg alvorens de vragen te zullen beantwoorden), anders zijn dan de vragen die de raadsonderzoeker per mail aan de huisarts heeft gesteld. Hierop trekt [appellante] per direct haar toestemming in tot het benaderen van informanten, omdat zij de indruk heeft dat de RvdK andere informatie opvraagt dan is afgesproken.
De raadsonderzoeker heeft hierop (meermaals, ook in latere telefonische en persoonlijke contacten) uitgelegd dat de raadsonderzoeker in het gesprek met de huisarts uitleg heeft gegeven over de wijze waarop onderzoek wordt gedaan door de RvdK en wat zaken kunnen zijn waar een huisarts naar kan kijken. Hierbij heeft de raadsonderzoeker voorbeelden gegeven, waarbij enkele mogelijk van toepassing konden zijn op deze casus of juist niet. De huisarts is hierop verzocht enkel de reeds met moeder besproken en per e-mail aan hem voorgelegde vragen te beantwoorden en zelf in te schatten of er bijzonderheden zijn die voor het onderzoek relevant zijn. De huisarts heeft vervolgens op 31 mei 2017 de per e-mail gestelde vragen beantwoord en deze informatie ook gefiatteerd.”.

3.2.6

Het College van Beroep is van oordeel dat de grief van appellante niet kan slagen en overweegt hiertoe als volgt. Uit de betreffende passage in het raadsonderzoek, zoals in deze beslissing opgenomen onder 3.2.5, blijkt niet welke raadsonderzoeker contact heeft onderhouden met de huisarts. Daarnaast is geenszins gebleken dat er – ongeacht welke raadsonderzoeker dit contact al dan niet heeft onderhouden – tijdens dit gesprek door de raadsonderzoeker een uithuisplaatsing is aangekondigd. Net als bij het College van Toezicht, heeft appellante aldus in de onderhavige procedure geen feiten aangevoerd die haar stelling onderbouwen.

3.2.7

Het College van Beroep verwerpt de grief en handhaaft het oordeel van het College van Toezicht.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

– handhaaft de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 17.114Tc van 9 mei 2018

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 27 juni 2019 aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.P. van der Linden                                                       mevrouw mr. T. Kuijs

voorzitter                                                                                               secretaris