De jeugdbeschermer is niet in staat geweest om een houding van meerzijdige partijdigheid aan te nemen en heeft de privacy van de vader geschonden. Ook heeft hij de vader onvoldoende geïnformeerd over de thuisplaatsing van de kinderen.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel, voorzitter,
mevrouw mr. S.C. van Duijn, lid-jurist,
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,
de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,
de heer W.L. Scholtus, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[Klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats],
ingediende klacht tegen:

[Beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, tot en met [maand] 2018 werkzaam als ZZP-er als jeugd- en gezinswerker bij de gecertificeerde instelling [GI] (locatie: [locatie]) hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Klager wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [gemachtigde], werkzaam bij AKJ te [locatie].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. A. Meijers.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 19 januari 2019, met de bijlagen;
– de aanvulling op het klaagschrift van 8 februari 2019, met de bijlagen;
– het verweerschrift ontvangen op 3 april 2019, met de bijlage.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 14 mei 2019 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder van de zijde van klager is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht een collega van de gemachtigde aanwezig geweest.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken wordt verstuurd.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van vier minderjarige kinderen, twee dochters en twee zonen. De oudste dochter is geboren in 2003, de tweede dochter in 2005, de oudste zoon in 2008 en de tweede zoon in 2013. Zij worden hierna gezamenlijk aangeduid als: de kinderen.

2.2

Klager en zijn ex-partner, hierna te noemen: moeder, zijn sinds 22 juli 2016 gescheiden. Zij oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de kinderen.

2.3

De kinderen hebben tot en met 20 maart 2017 bij moeder gewoond. Zij zijn op 21 maart 2017 binnen het vrijwillig kader met instemming van klager en moeder uit huis geplaatst in vier verschillende pleeggezinnen.

2.4

De kinderrechter heeft bij beschikking van 16 mei 2017 de kinderen tot 16 mei 2018 onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd tot 16 mei 2019.
Bij beschikking van de kinderrechter van 16 mei 2017 is eveneens een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een pleeggezin verleend van 16 mei 2017 tot 16 augustus 2017. De machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen is door de kinderrechter bij beschikking van 1 augustus 2017 verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling.

2.5

Bij beschikking van 29 mei 2018 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing voor de
oudste dochter en de jongste zoon in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot uiterlijk 16 november 2018. De jongste dochter woont sinds 25 januari 2018 bij moeder. De oudste zoon woont sinds april 2018 bij moeder. Sinds december 2018 wonen alle kinderen weer bij moeder.

2.6

Op basis van het ouderschapsplan is in 2016 de volgende omgangsregeling afgesproken tussen klager en de kinderen: de ene week op dinsdag van 18.30 uur tot woensdag 18.30 uur, de andere week van donderdag 18.30 uur tot zondag 18.30 uur. Na de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de kinderen is de omgangsregeling tussen klager en de kinderen teruggebracht naar een keer per twee weken van zaterdagochtend tot zondagavond. De oudste dochter heeft geen omgang met
vader. Op 12 september 2017 heeft de GI een schriftelijke aanwijzing gegeven waarin geformuleerd is dat de omgang tussen klager en de kinderen eenmaal in de twee weken een uur onder begeleiding plaatsvindt. Klager heeft de rechtbank verzocht om deze schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren. Bij beschikking van 1 november 2017 heeft de rechtbank het verzoek van klager afgewezen.

2.7

Klager is hiertegen in hoger beroep gegaan. De zitting bij het gerechtshof heeft op 21 augustus 2018 plaatsgevonden. Na deze zitting heeft beklaagde zich stellig uitgesproken tegen klager. Bij beschikking van 11 oktober 2018 heeft het gerechtshof het verzoek van klager tot het vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing ten aanzien van de tweede dochter en de oudste zoon afgewezen nu zij bij moeder zijn teruggeplaatst. Het gerechtshof heeft de beslissing op het verzoek tot vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing ten aanzien van de tweede zoon aangehouden in afwachting van een raadsonderzoek.

2.8

Van oktober 2017 tot januari 2018 is er geen omgang geweest tussen klager en de kinderen. Vanaf januari 2018 is ambulante ondersteuning vanuit [de instelling] ingezet voor begeleide omgang tussen de kinderen en klager bij klager thuis. Op 30 april 2018 is de omgang tussen vader en de kinderen stopgezet. De GI heeft op 31 mei 2018 aangifte gedaan tegen klager in verband met vermoedens van mishandeling en seksueel misbruik van de kinderen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van klager aangegeven dat het politieonderzoek is afgerond. Het Openbaar Ministerie heeft nog niets laten weten.

2.9

Klager is werkzaam bij een vestiging van de sociale dienst. Hij heeft uit hoofde van zijn functie toegang tot verschillende systemen met persoonsgegevens. Beklaagde heeft op 25 mei 2018 zonder overleg met klager contact opgenomen met de werkgever van klager.

2.10

Beklaagde is als jeugdzorgwerker van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 geregistreerd bij het Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

De klacht heeft betrekking op het misbruik maken van macht, het handelen buiten de grenzen van de bevoegdheid van beklaagde en het onvoldoende informeren van klager.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Klager verwijt beklaagde dat hij in zijn bejegening naar klager op onjuiste wijze zijn
machtspositie heeft gebruikt. Klager heeft beklaagde in een telefoongesprek ‘jochie’ genoemd waarna beklaagde heeft gezegd dat hij klager de kinderen kon ontnemen. Verder heeft beklaagde in een e-mail klager aangesproken met hoofdletters en uitroeptekens. Volgens klager insinueert deze e-mail dat hij de ‘orders’ van beklaagde dient op te volgen hetgeen niet getuigt van een respectvolle communicatie naar klager.
Vervolgens heeft beklaagde na afloop van de zitting bij het gerechtshof van 28 augustus 2018 een reeks uitspraken gedaan. Hij heeft gezegd dat hij niet mee wilde werken aan een oplossing met beide ouders en dat hij zou gaan liggen voor onbegeleide omgang tussen klager en de jongste twee kinderen. Ook heeft hij aangegeven: ‘ik ga alleen met moeder op zoek naar een oplossing voor deze kinderen’, ‘ik ben de gezinsvoogd, dus ik bepaal de omgang’, ik zal deze kinderen beschermen tegen [klager]’, ‘[klager] heeft zijn kinderen misbruikt’. De advocaat van klager heeft de leidinggevende van beklaagde in een e-mail met een cc naar beklaagde op de hoogte gebracht van deze uitspraken. Klager en zijn advocaat hebben geen reactie op deze e-mail ontvangen. Klager is geschokt over de
wijze waarop beklaagde zich naar hem heeft uitgelaten. Het was intimiderend. Hij voelt zich eveneens door beklaagde veroordeeld.

3.2.2

Beklaagde voert het volgende aan. Na de zitting bij het gerechtshof heeft beklaagde in stellige bewoordingen tegen klager en zijn advocaat gezegd dat hij als jeugd- en gezinswerker
verantwoordelijk was voor de veiligheid van de kinderen en dat hij niet akkoord kon gaan met onbegeleide bezoeken van de kinderen aan klager. De stellige uitspraken zijn mede veroorzaakt doordat tijdens de zitting bleek dat de schriftelijke aanwijzing voor de jongste twee kinderen niet meer geldig was, omdat zij thuis geplaatst waren zodat de oude onbegeleide weekendregeling herleefde. Beklaagde had inmiddels ook van moeder en de oudste dochter zorgwekkende signalen over het gedrag van klager ontvangen. Daarnaast heeft de jongste zoon tijdens speltherapie uitlatingen gedaan waardoor naast signalen van mishandeling ook vermoedens van seksueel misbruik zijn ontstaan. Ook was bij de oudste zoon zeer zorgelijk gedrag zichtbaar. Beklaagde is zich ervan bewust dat bepaalde uitspraken te stellig waren. Hij was buitengewoon geschokt door de signalen van de kinderen en heeft hun veiligheid voorop gesteld. Beklaagde heeft
de signalen van de kinderen multidisciplinair in zijn team besproken alsook met de gedragsdeskundige en de teamleider. Ook is een vertrouwensarts betrokken. Terugkijkend heeft beklaagde in het traject echter onvoldoende aandacht gehad voor klager. Doordat beklaagde diep geraakt was door de uitlatingen van moeder en de drie kinderen was hij onvoldoende in staat om te onderkennen dat ook klager hulp nodig had. Beklaagde heeft zich op een wijze uitgelaten die niet gepast was.

3.2.3

Het College overweegt het volgende. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij tegen klager heeft gezegd dat hij hem zijn kinderen kan ontnemen. Volgens beklaagde heeft hij hiervoor excuses aangeboden en heeft klager deze uitspraak uit zijn context gehaald. De context waarbinnen deze uitspraak is gedaan, kan echter naar het oordeel van het College, de uitspraak van beklaagde niet rechtvaardigen. Beklaagde dient zich als professional bewust te zijn van zijn machtspositie en heeft hier op onjuiste wijze gebruik van gemaakt. Beklaagde heeft ook erkend dat hij een stevige e-mail heeft opgesteld. Zijn e-mail met uitroeptekens en hoofdletters, is naar zijn zeggen bedoeld om de communicatie tussen klager en de moeder uitsluitend via beklaagde te laten verlopen. Klager meent dat deze e-mail niet nodig was, omdat hij altijd al met beklaagde heeft gecommuniceerd over de kinderen.  Hoewel klager geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij uitsluitend met beklaagde heeft gecommuniceerd over de kinderen, blijft voor het College voorop staan dat beklaagde op een andere wijze met klager had moeten communiceren. Beklaagde heeft teveel vanuit zijn positie met klager gecommuniceerd terwijl hij zich daarbij ook op de relatie met klager had moeten richten. Beklaagde heeft zich moeten realiseren hoe dat op klager is overgekomen. Door de e-mail op deze wijze te formuleren, is bij klager de indruk ontstaan dat hij van beklaagde orders heeft moeten opvolgen. Daarnaast heeft beklaagde erkend dat hij na de zitting bij het gerechtshof op 21 augustus 2018 uitspraken heeft gedaan die hij niet had moeten doen. Beklaagde heeft verteld dat hij stress had doordat er ernstige vermoedens van misbruik van de kinderen waren en tijdens de zitting bleek dat de schriftelijke aanwijzing niet meer van kracht was. Het College oordeelt dat beklaagde vanuit zijn emotie heeft gereageerd en dat hij na afloop van de zitting ten onrechte heeft geweigerd om over deze nieuwe situatie met klager te praten. Van beklaagde mag als professional worden verwacht dat hij, ondanks de ernstige vermoedens, correct blijft in de bejegening naar ouders, professionele afstand bewaart en zich niet laat meeslepen door het feit dat hij persoonlijk geraakt was. Beklaagde is niet in staat geweest om een houding van meerzijdige partijdigheid aan te nemen richting moeder én klager. Hij is, naar zijn zeggen, ingezogen geraakt en vond dat de moeder en de kinderen meer recht hadden op hulp dan klager. Hoewel het College het waardeert dat beklaagde zich bekommert om het welzijn van moeder en de
kinderen, kan niet anders geconcludeerd worden dan dat beklaagde met zijn handelen artikel H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) en artikel C (bereid iedere cliënt te helpen) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker heeft geschonden. Het klachtonderdeel is gegrond.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Klager verwijt beklaagde dat hij buiten de grenzen van zijn bevoegdheid heeft gehandeld door contact te zoeken met de werkgever van klager en informatie op te vragen bij- en te delen met de
werkgever en dat bovendien te doen zonder medeweten van klager. Beklaagde heeft in een e-mail aan de werkgever gedeeld dat er een ondertoezichtstelling is en dat ‘mogelijk stappen naar [klager] ondernomen gaan worden die confronterend zullen zijn’. Beklaagde was ervan overtuigd dat klager op zijn werk de systemen die hij tot zijn beschikking had, zou gaan raadplegen om het privé adres van beklaagde of andere betrokkenen te achterhalen. De reden hiervoor was dat beklaagde van moeder had begrepen dat klager toegang had tot de gemeentelijke basisadministratie gegevens (GBA) en dat hij eerder voor oneigenlijk gebruik daarvan berispt zou zijn. De werkgever van klager heeft een onderzoek ingesteld en geconcludeerd dat klager nooit op oneigenlijke wijze gebruik heeft gemaakt van de toegang tot de gemeentelijke basisadministratie gegevens (GBA). Klager is gedurende het onderzoek geschorst. Beklaagde heeft geen oog gehad voor de gevolgen voor klager als gevolg van zijn handelen.

3.3.2

Beklaagde erkent dat hij contact heeft gelegd met de werkgever van klager. Gelet op de uiterst zorgelijke signalen van de kinderen, de problemen met agressie- en emotieregulatie van klager en de
mogelijke ernstige gevolgen voor klager (zoals de mogelijke volledige beperking van de omgang met zijn kinderen), hebben beklaagde en zijn teamleider de inschatting gemaakt dat klager richting
beklaagde actie zou kunnen ondernemen als hij het privéadres van beklaagde zou achterhalen. Ook heeft beklaagde van moeder vernomen dat klager een reprimande heeft gekregen voor vermeend illegaal gebruik van systemen. Beklaagde heeft de naam van klager moeten noemen om bij de werkgever een onderzoek naar mogelijke onrechtmatige raadpleging van de registers te verkrijgen. Beklaagde heeft uitsluitend de naam van klager genoemd en gemeld dat hij in het kader van de ondertoezichtstelling was betrokken. Hij heeft geen informatie verstrekt over de vermoedens van kindermishandeling en seksueel misbruik. Hij maakte zich zorgen over de veiligheid van zijn eigen gezin. Achteraf beschouwd beseft beklaagde dat hij niet correct heeft gehandeld. Het gevoel van urgentie en het gevoel dat hij ook zijn eigen kinderen moest beschermen, hebben tot deze handeling geleid.

3.3.3

Het College overweegt het volgende. Beklaagde heeft erkend dat hij de privacy van klager heeft geschonden. Hij heeft de werkgever van klager op 25 mei 2018 gebeld en gemaild terwijl hiervoor
geen enkele concrete aanleiding was. Hij heeft de werkgever gemeld dat de GI betrokken is bij de ondertoezichtstelling van de kinderen, dat beklaagde van moeder heeft begrepen dat klager in het
verleden gegevens van mensen heeft opgezocht en hiervoor is berispt en dat klager mogelijk zal proberen om gegevens van de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) van mensen die bij deze zaak betrokken zijn, op te vragen. Beklaagde heeft gesteld dat hij in overleg met zijn teamleider heeft gehandeld. Het College is van oordeel dat hij op grond van zijn autonome professionele bevoegdheid zelf de afweging heeft moeten maken om geen contact op te nemen met de werkgever van klager, omdat dit in strijd is met geldende privacy wet- en regelgeving. Beklaagde heeft klager hierover noch vooraf noch achteraf geïnformeerd. Hij heeft evenmin de mogelijke gevolgen voor klager van zijn actie in overweging genomen. Klager is tijdelijk geschorst en de werkgever is een onderzoek gestart. Uiteindelijk is geconstateerd dat klager niet eerder is berispt en dat niet is gebleken dat hij de systemen op zijn werk heeft geraadpleegd om de adresgegevens van beklaagde te achterhalen. Beklaagde heeft naar het oordeel van het College gehandeld in strijd met artikel J (vertrouwelijkheid) en artikel H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Het klachtonderdeel is gegrond.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Klager verwijt beklaagde dat hij klager als gezaghebbende ouder niet of onvoldoende heeft geïnformeerd over een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling, de wijziging van een
pleeggezin, de wijziging van school, een medisch onderzoek bij de kinderen en het opnieuw omgang hebben van de kinderen met moeder. Omdat er veel verschillende partijen bij het gezin van klager zijn betrokken, vier pleeggezinnen en daarbij betrokken pleegzorginstanties, zag klager een expliciete coördinerende rol voor beklaagde. Klager heeft beklaagde meermaals verzocht om een precieze reden te geven voor het ingrijpende besluit om de omgang tussen klager en de kinderen stop te zetten. De enige informatie die klager heeft gekregen is dat een van zijn kinderen tijdens de
speltherapie iets gezegd zou hebben wat de aanleiding zou zijn geweest tot dit besluit. Klager erkent dat hij ‘uit de communicatie’ is gegaan met beklaagde, maar beklaagde heeft de plicht om te zoeken naar manieren waarop hij klager uitgebreid en inhoudelijk kan informeren over de achtergrond van deze beslissing.

3.4.2

Beklaagde erkent dat het informeren van klager voor hem geen prioriteit was. Beklaagde verwijst naar het verweer bij klachtonderdeel I. De wijziging van het pleeggezin heeft in het vrijwillig
kader plaatsgevonden. De GI was toen nog niet betrokken. Beklaagde beseft dat hij klager van de thuisplaatsing van de twee jongste kinderen op de hoogte had moeten stellen.
Omdat de uitvoering van de ondertoezichtstelling complex en veeleisend was, is een tweede gezinsvoogd benoemd. Achteraf is beklaagde van mening dat hij eerder om ondersteuning had
moeten vragen. Hoewel hij deze casus veelvuldig in zijn team en met zijn gedragsdeskundige heeft besproken is hij te veel ingezogen geraakt waardoor hij klager niet meer met open vizier tegemoet kon treden. Hij heeft klager niet volledig geïnformeerd over de reden voor het stopzetten van de onbegeleide omgang omdat de politie daarom had verzocht. Dit verzoek van politie is gedaan in verband met het strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van de aangifte tegen klager.

3.4.3

Het College overweegt het volgende. Beklaagde heeft erkend dat hij klager niet voldoende heeft geïnformeerd. Dat beklaagde, zoals hij heeft toegelicht, klager op advies van de politie niet
heeft geïnformeerd over gronden voor de vermoedens van misbruik, valt te billijken. Maar beklaagde heeft klager tijdig moeten informeren over de thuisplaatsing van de kinderen. De hectische situatie ontslaat hem niet van deze verplichting. Beklaagde heeft naar voren gebracht dat hij de keuze heeft gemaakt om moeder en de kinderen te helpen en dat hij te weinig oog heeft gehad voor de positie van klager. Het College is van oordeel dat van beklaagde als professional een professionele basishouding mag worden verwacht, zowel ten opzichte van moeder als ten opzichte van klager. Hieronder valt eveneens het adequaat informeren van klager. Artikel H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie), artikel C (bereid iedere cliënt te helpen) en Artikel G
(instemming/afstemming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker zijn geschonden. Het klachtonderdeel is gegrond

3.5 Conclusie van beklaagde

Beklaagde ziet in dat hij als hulpverlener van klager te kort is geschoten. Hij heeft sterk het gevoel gehad dat hij vooral de kinderen maar ook de moeder moest beschermen. Beklaagde had na een
klachtgesprek met klager op 22 december 2017 de intentie om hem beter te informeren maar door de verklaringen van de oudste dochter en de jongste zoon, het ernstige gedrag van de oudste zoon en de verhalen van moeder heeft beklaagde klager als dader gezien. Het heeft bij beklaagde gevoelens van boosheid richting klager opgeroepen die op verschillende momenten zichtbaar zijn
geweest. Beklaagde moet constateren dat hij niet meer in staat was om naar klager toe een open houding in te nemen. Het vertrouwen van moeder en de kwetsbaarheid van de kinderen gaven beklaagde het gevoel dat hij niet van de zaak af kon gaan. De werkdruk bij de GI was hoog en beklaagde had verschillende complexe zaken in zijn workload. Er was niemand anders beschikbaar en beklaagde voelde geen ruimte om kenbaar te maken dat hij niet langer de juiste hulpverlener was. Hij heeft deskundigheid en ondersteuning gemist. Beklaagde heeft besloten om in het vrijwillig kader te gaan werken. Hij heeft derhalve zelf ook conclusies verbonden aan zijn handelswijze in deze casus.

3.6 Conclusie van het College

Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot alle drie de klachtonderdelen een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
Artikelen C (bereid iedere cliënt te helpen), G (instemming/afstemming) H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) en J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker zijn geschonden. Beklaagde heeft klager met de formuleringen in zijn e-mail en zijn uitspraken niet correct bejegend. Hij heeft geen professionele afstand bewaard en heeft zich laten meeslepen door het feit dat hij persoonlijk geraakt was. Beklaagde is niet in staat geweest om een houding van meerzijdige partijdigheid aan te nemen richting moeder én klager. Daarnaast heeft hij de privacy van klager geschonden door contact op te nemen met de werkgever van klager. Tot slot heeft hij klager onvoldoende geïnformeerd over de thuisplaatsing van de kinderen.
Door zijn handelen is beklaagde verwijtbaar tekortgeschoten. Het College concludeert dat het handelen van beklaagde schadelijk is geweest voor het vertrouwen in de beroepsuitoefening en het
aanzien van de beroepsgroep. Het College is van oordeel dat beklaagde moet werken aan het onderkennen van zijn emoties, wat de gevolgen hiervan zijn voor anderen en hoe hij deze hanteert in de uitoefening van zijn vak. Tevens zal beklaagde er goed aan doen om middels een intervisie/supervisietraject (met de onderwerpen omgaan met emoties, meervoudige partijdigheid en het organiseren van zijn werkzaamheden) hierin zijn weg te vinden. Hij dient zich te realiseren wat deze bij hem teweeg kunnen brengen en hoe hij hiermee om moet gaan. Ook voor zijn werkzaamheden in het vrijwillig kader zijn deze vaardigheden essentieel. Tot slot heeft beklaagde geconcludeerd dat de werkdruk hoog was en dat beklaagde deskundigheid en ondersteuning van de GI heeft gemist. Het College wijst beklaagde in dit verband op zijn autonome professionele bevoegdheid. Volgens artikel Q (toetsing beroepsmatig en functioneel handelen aan de waarden en normen van het beroep) van de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker had beklaagde met collega’s en teamleider moeten bespreken dat hij niet conform de professionele standaard kon werken om er zodoende voor te zorgen dat cliënten de zorg krijgen die verwacht mag worden van de organisatie. Het College weegt mee dat beklaagde door de klachten te erkennen, heeft laten zien dat hij zich de aan hem gemaakte verwijten heeft aangetrokken. Ook is het de eerste keer dat hij is geconfronteerd met een tuchtklacht. Het College acht het op grond van bovengenoemde omstandigheden passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van berisping op te leggen. Op grond van de datum waarop de klacht is ingediend, toetst het College aan het dan geldende
Tuchtreglement. In deze zaak is dat het Tuchtreglement, versie 1.2. Op grond van artikelen 5.1 sub b, 11.1, 11.2 en 11.3 van het Tuchtreglement, versie 1.2 zal de maatregel van berisping openbaar
worden gemaakt.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen gegrond;
– legt aan beklaagde op de maatregel van berisping.

Aldus gedaan door het College en op 25 juni 2019 aan partijen toegezonden.

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel

voorzitter

mevrouw mr. A.C. Veerman

secretaris