Klacht van een pleegmoeder over een screeningsrapport, dat vol onjuistheden/aannames zou staan. De klacht ziet niet op de kwaliteit van het handelen van de medewerker pleegzorg, maar op de instelling. De voorzitter verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

19.309Ta Beslissing van de voorzitter van het College van Toezicht van het Kwaliteitsregister Jeugd van 30 augustus 2019

De voorzitter van het College van Toezicht, mevrouw mr. S.C. van Duijn, hierna te noemen: de voorzitter, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist over de door:

[de pleegmoeder], hierna te noemen: de pleegmoeder (tevens oma van moederszijde), wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[de jeugdprofessional], hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als begeleider pleegzorg bij [pleegzorginstelling], hierna te noemen: de pleegzorginstelling.

De pleegmoeder wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde, [de pleegvader], de pleegvader (tevens opa van moederszijde).

1     Het verloop van de procedure

1.1 De voorzitter heeft kennisgenomen van:

– het digitale klaagschrift ontvangen op 9 augustus 2019.

De voorzitter heeft -de stukken gelezen hebbende- op grond van artikel 7.9 sub a van het Tuchtreglement, versie 1.3, besloten om direct over te gaan tot de beoordeling van de door de pleegmoeder ingediende klacht.

2     De klacht en de beoordeling

2.1 Op het digitale klachtenformulier verwijt de pleegmoeder de jeugdprofessional dat zij een ‘lakse werkhouding’ heeft.

2.2 In de bij het klachtenformulier gevoegde klachtbrief aan SKJ heeft de pleegmoeder samengevat gesteld dat haar gezin in februari en maart 2019 is gescreend door de pleegzorginstelling in verband met het pleegouderschap van de kleinzoon. Het eindrapport staat vol onjuistheden en aannames. Daarbij is een oud rapport van augustus 2018 van een eerder betrokken gecertificeerde instelling als leidraad genomen, terwijl de opdrachtgevende gecertificeerde instelling om een nieuw neutraal rapport heeft gevraagd. De opmerking in het eindrapport van de pleegzorginstelling dat de pleegmoeder niet geschikt is om als moeder te fungeren, heeft de pleegmoeder erg geraakt. Bovendien is dat oordeel slechts in vier gesprekken van twee uur tot stand gekomen. De goede naam van de pleegmoeder wordt te grabbel gegooid en is gebaseerd op gedateerde en verdraaide feiten.

2.3 De pleegmoeder wil dat het eindrapport van de pleegzorginstelling vernietigd wordt, vooral omdat de opdrachtgevende gecertificeerde instelling het eindrapport naast zich neer heeft gelegd en de kleinzoon bij de pleegmoeder en de pleegvader mag blijven.

2.4 De voorzitter overweegt dat de pleegmoeder niets heeft aangedragen, dat haar stelling dat de jeugdprofessional laks is geweest in haar werkhouding, onderbouwt. Uit de bijgevoegde klachtbrief blijkt naar het oordeel van de voorzitter dat de pleegmoeder niet zozeer klaagt over het handelen van de jeugdprofessional, maar over het handelen van de instelling. Echter, het tuchtrecht betreft enkel de kwaliteit van het handelen van de jeugdprofessional in het jeugddomein jegens betrokkenen. Het College van Toezicht is niet bevoegd om klachten over het handelen of nalaten van de instelling te toetsen. Voorts overweegt de voorzitter dat het College van Toezicht niet de bevoegdheid heeft om de pleegzorginstelling de verplichting op te leggen het screeningsrapport te vernietigen. De pleegmoeder kan dat enkel aan de pleegzorginstelling zelf verzoeken. Uit het klachtenformulier dat namens de pleegmoeder bij SKJ is ingediend, blijkt dat niet eerder een klacht hierover bij de (de klachtencommissie van de) pleegzorginstelling zelf is ingediend.

2.5 Gelet op hetgeen hierboven is overwogen verklaart de voorzitter de klacht op grond van artikel 7.9 sub a van het Tuchtreglement kennelijk ongegrond.

3     De beslissing

Dit alles overwegende komt de voorzitter tot de volgende beslissing:

  • verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Aldus gedaan door de voorzitter en op 30 augustus 2019 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. S.C. van Duijn
voorzitter College van Toezicht