Een Veilig Thuis medewerker heeft onder meer het opgestelde eindverslag onvoldoende objectief opgesteld en daarin noodzakelijke informatie niet opgenomen.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel, voorzitter,
mevrouw S.M.G. Bruinhard, lid-beroepsgenoot,
mevrouw C.G. de Rooij, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als maatschappelijk werker bij Veilig Thuis [regio], hierna te noemen: Veilig Thuis.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde], een vriendin en vertrouwenspersoon van klaagster.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. D.J.J. Straver, werkzaam als advocaat te Rotterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 29 januari 2019, met de bijlagen;
– het verweerschrift ontvangen op 28 maart 2019, met de bijlagen.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 10 april 2019 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorders van de zijde van beklaagde zijn tijdens de mondelinge behandeling van de klacht twee collega’s aanwezig geweest. Vanuit het College is als toehoorder tijdens de mondelinge behandeling van de klacht een tweede secretaris aanwezig geweest.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is de moeder van twee minderjarige dochters. De oudste dochter is geboren 2012 en de jongste dochter is geboren in 2014, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Klaagster en haar ex-partner, de vader van de kinderen, hierna te noemen: de vader, zijn sinds mei 2018 uit elkaar. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt gezamenlijk uitgeoefend door klaagster en de vader. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij klaagster. Tussen de vader en de kinderen is sprake van een omgangsregeling.

2.3

De politie heeft op 7 mei 2018 een melding gemaakt bij Veilig Thuis, vanwege een eenzijdig ongeluk dat de vader veroorzaakt had (een suïcidepoging). Veilig Thuis heeft de melding doorgezet naar het Sociaal Team.

2.4

In het registratiesysteem van Veilig Thuis is opgenomen dat klaagster op 14 mei 2018 voor het eerst contact opgenomen heeft met Veilig Thuis. Klaagster wordt door een collega van beklaagde doorverwezen naar het Sociaal Team.

2.5

Nadat het Sociaal Team de zaak terugverwijst naar Veilig Thuis, besluit Veilig Thuis op 5 juli 2018 over te gaan tot het doen van onderzoek. Op 25 juli 2018 start het onderzoek van Veilig Thuis. Beklaagde is per deze datum namens Veilig Thuis belast geweest met het doen van het onderzoek.

2.6

Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek heeft op 10 september 2018 een multidisciplinair overleg plaatsgevonden tussen onder meer beklaagde en de gedragswetenschapper.

2.7

Op 20 september 2018 vindt het advies- en eindgesprek bij Veilig Thuis plaats. Beklaagde, een collega van beklaagde, klaagster en de vader zijn hierbij aanwezig.

2.8

Op 18 oktober 2018 wordt het eindverslag d.d. 16 oktober 2018, hierna te noemen: het eindverslag, aan klaagster en de vader toegestuurd. Omdat door Veilig Thuis abusievelijk het adres van klaagster onjuist is opgenomen, wordt op 22 oktober 2018 aan klaagster (opnieuw) het eindverslag toegestuurd.

2.9

Op 31 januari 2019 vindt multidisciplinair overleg plaats bij Veilig Thuis om de situatie van de kinderen te bespreken. Er wordt besloten om de situatie voor te leggen aan de Beschermingstafel. De betrokkenheid van beklaagde eindigt per deze datum.

2.10

Beklaagde is van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is beklaagde als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Klaagster heeft acht klachtonderdelen ingediend die – samengevat – betrekking hebben op de handelwijze van beklaagde als onderzoeker vanuit Veilig Thuis en het door hem opgestelde eindverslag.

3.1.4

Het College dient te beoordelen of beklaagde – als maatschappelijk werker van Veilig Thuis – is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Het College toetst daartoe het handelen van beklaagde aan de professionele standaard, te weten de beroepscode, de richtlijnen en specifieke aan de organisatie gerelateerde kaders. De ten tijde van het handelen van beklaagde voor hem geldende Beroepscode is de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional, hierna te noemen: de Beroepscode. Het specifieke aan de organisatie gerelateerde kader waar het College aan toetst betreft in deze casus het VNG-model Handelingsprotocol voor het Advies- en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling ‘Veilig Thuis’ van november 2014, hierna te noemen: het Handelingsprotocol Veilig Thuis. Hierin zijn algemene kaders vastgelegd die gelden voor professionals werkzaam bij het Advies- en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling (Veilig Thuis).

3.1.5

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen en het verweer besproken, hetgeen zakelijk en verkort wordt weergegeven. Het is het College gebleken dat klachtonderdeel I, III en V samenhang en/of overlap hebben, omdat deze klachtonderdelen betrekking hebben op het door beklaagde opgestelde eindverslag en hoe dit tot stand is gekomen. Om deze reden heeft het College de bespreking en de beoordeling van deze klachtonderdelen onder 3.2 tezamen genomen. Klachtonderdelen II, IV en VI, VII en VIII worden afzonderlijk besproken en beoordeeld. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2 Klachtonderdeel I, III en V

3.2.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Het niet objectief opstellen van het eindverslag (klachtonderdeel I). Het nalatig zijn in het vermelden van informatie (klachtonderdeel III). Het niet verdiepen in de situatie (klachtonderdeel V).

Toelichting:
Het eindverslag is door beklaagde niet objectief opgesteld. Beklaagde heeft informatie in het eindverslag gezet die niet relevant is met betrekking tot de zaak. Tevens is onjuiste informatie vermeld en relevante informatie weggelaten. Zo is de reden van de melding niet juist vermeld. Eerdere Veilig Thuis meldingen zijn weggelaten. Relevante informatie over de vader, waaronder zijn contact met politie en justitie, is weggelaten. Over klaagster daarentegen is wel belastende informatie in het eindverslag opgenomen. Klaagster heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht toegelicht dat er informatie met betrekking tot haar over een ruzie in het eindverslag is opgenomen, terwijl dit gaat over de periode toen zij nog geen kinderen had. Voorts is in het eindverslag onder andere het volgende opgenomen: “[de kinderen] zijn allebei getuige geweest van huiselijk geweld tussen [de ouders]”. De kinderen zijn echter slechts getuige geweest van huiselijk geweld door de vader jegens klaagster. Tot slot heeft klaagster op 27 september 2018 een e-mailbericht aan Veilig Thuis gestuurd. In dit e-mailbericht heeft klaagster een aantal voorbeelden gegeven om een duidelijker beeld te schetsen van de situatie. Klaagster heeft hierop echter geen reactie ontvangen. Klaagster heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht kenbaar gemaakt dat het niet beantwoorden van haar e-mailbericht tekenend is voor de opstelling van beklaagde gedurende het onderzoek, waarin hij onvoldoende aandacht heeft gehad voor klaagsters zorgen rondom de veiligheid van de kinderen.

3.2.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Op grond van artikel 7.3.8 lid 1 van de Jeugdwet, artikel 11 lid 1 en 2 van de Wet Bescherming Persoonsgegevens (thans de Algemene verordening gegevensbescherming) en de toelichting op artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode dient het eindverslag slechts informatie te bevatten, met het doel waarvoor het geschreven wordt. Beklaagde verwijst hiervoor ook naar de beslissing van het College van Toezicht van SKJ van 13 juli 2018 (18.004T). Het eindverslag heeft tot doel het onderzoek van Veilig Thuis af te sluiten en daarin helder te verwoorden welke aanwijzingen Veilig Thuis betrokkenen meegeeft om de situatie te verbeteren. Het eindverslag geeft aldus een samenvatting van de meest belangrijke constateringen van het onderzoek en is geen letterlijk verslag van alle opgedane informatie.
Voorts stelt beklaagde zich op het standpunt te hebben voldaan aan artikel 10.2 van het Handelingsprotocol Veilig Thuis betreffende de vuistregels zorgvuldige dossiervorming. Hij heeft alleen die gegevens vastgelegd die nodig zijn voor de taken van Veilig Thuis. Verder zijn de gegevens zo feitelijk mogelijk vastgelegd, waarbij speculaties en interpretaties zijn vermeden. Bij oordelen en/of meningen is dit duidelijk weergegeven. Diagnoses zijn niet vastgelegd. Daarnaast is sprake geweest van hoor en wederhoor. Zowel klaagster als de vader zijn in het onderzoek gehoord en beide visies zijn weergegeven in het eindverslag. De visie van klaagster is ook vastgelegd onder het kopje ‘bevindingen’ in het eindverslag. Tevens staat in het eindverslag benoemd dat waarnemingen afkomstig zijn van meerdere bronnen. Beklaagde heeft daarmee getracht een zo juist en nauwkeurig mogelijk beeld van de (opvoed)situatie rondom de kinderen weer te geven.
Wellicht dat bepaalde passages in het eindverslag op bepaalde punten beter en/of neutraler geformuleerd hadden kunnen worden. Beklaagde kan zich voorstellen dat de formulering van “huiselijk geweld tussen jullie” mogelijk anders overkomt bij klaagster dan de intentie is geweest.
Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft beklaagde nogmaals erkend dat hij sommige passages anders had kunnen formuleren.
Voorts voert beklaagde aan dat hij meermaals multidisciplinair overleg gevoerd heeft over zijn bevindingen. De conclusie van Veilig Thuis wordt breed gedragen. Voor wat betreft het eindverslag zelf geldt dat deze door een gedragswetenschapper is geaccordeerd voordat het naar klaagster en de vader verzonden is.
Voor wat betreft het verwijt dat er geen reactie is gekomen op het e-mailbericht van 27 september 2018 merkt beklaagde het volgende op. Het eindgesprek vond plaats op 20 september 2018. De informatie die tijdens het gesprek en later per e-mailbericht van 27 september 2018 door klaagster is aangeleverd, deed niets af aan de conclusie van Veilig Thuis.

3.2.3

Het College overweegt als volgt:
Het College stelt vast dat blijkens het overgelegde verslag van het multidisciplinaire overleg van 25 juli 2018 beklaagde vanaf die dag belast wordt met het uitvoeren van het onderzoek namens Veilig Thuis. Klaagster heeft drie klachtonderdelen geformuleerd die betrekking hebben op het door beklaagde opgestelde eindverslag en hoe dit tot stand is gekomen. Het College overweegt dat tijdens de fase van het onderzoek en ten aanzien van het opgestelde eindverslag respectievelijk hoofdstuk acht (“Onderzoeken”) en hoofdstuk tien (“Dossiervorming”) van het Handelingsprotocol Veilig Thuis van toepassing zijn.
Voor wat betreft het doen van onderzoek staat in artikel 8.1 van het Handelingsprotocol Veilig Thuis omschreven dat “Het doel van het onderzoek is te beoordelen of er sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling. Welke (onderliggende) problemen er zijn die (ook) moeten worden opgelost om tot duurzame veiligheid en herstel te komen. Welke stappen of maatregelen genomen moeten worden om, waar nodig, fysieke veiligheid met onmiddellijke ingang te herstellen. Welke ondersteuning, hulp, behandeling of maatregelen nodig zijn voor alle betrokkenen om te komen tot duurzame veiligheid en tot herstel van de gevolgen van het huiselijk geweld of de kindermishandeling voor betrokkenen.” In de onderhavige casus leest het College in het eindverslag van 16 oktober 2018 onder “Reden melding” dat de politie op 9 mei 2018 een melding gemaakt had omdat de vader, onder invloed, een (eenzijdig) ongeluk had veroorzaakt, hij een wisselende stemming had en meerdere keren riep dat hij wilde dat hij zichzelf had doodgereden en omdat klaagster benoemd had dat in het verleden huiselijk geweld had plaatsgevonden en dat zij bang was dat dit opnieuw zou gaan plaatsvinden. Het College begrijpt echter uit de toelichting van beklaagde dat bij aanvang van het onderzoek volgens Veilig Thuis geen sprake was van acute onveiligheid ten gevolge van huiselijk geweld in de thuissituatie van de kinderen, omdat klaagster en de vader inmiddels niet meer bij elkaar woonden en dat de focus van het onderzoek daarom gelegen heeft in hoeverre de omgang tussen de vader en de kinderen voldoende veilig zou zijn. Gelet op artikel 8.1 van het Handelingsprotocol Veilig Thuis waarin omschreven is dat tevens onderzocht dient te worden welke (onderliggende) problemen er zijn die (ook) moeten worden opgelost om tot een duurzame veiligheid en herstel van alle betrokkenen te komen, acht het College dit in beginsel in lijn met de wettelijke bevoegdheid van Veilig Thuis. Het College leest echter in het plan van aanpak van het onderzoek, zoals opgenomen in het verslag van het multidisciplinaire overleg van 25 juli 2018, dat de opgestelde onderzoeksvragen ruimer geformuleerd zijn dan slechts gericht op het onderzoeken van de veiligheid van de kinderen bij hun vader, zoals beklaagde stelt. Het College citeert de volgende
vragen: “Is er sprake van psychiatrische problematiek bij vader/alcoholafhankelijk?”, “Hoe functioneert [klaagster]? Is zij onderdeel van de verslaving waardoor ze het in stand houdt?” “Wat hebben de kinderen meegekregen van eerdere [huiselijk geweld]-meldingen?”, “Zijn de kinderen veilig bij vader? Nee, wat is er nodig dat te bereiken?” en “Wat gaan ouders er aan doen om structurele veiligheid te creëren?”. Voor wat betreft het uitgevoerde onderzoek is het College van oordeel dat beklaagde deze vragen, en daarmee de vraag of er sprake is van huiselijk geweld, kindermishandeling en/of onveiligheid, niet beantwoord heeft in het eindverslag en overweegt hiertoe als volgt. Allereerst leest het College in het eindverslag geen conclusie met betrekking tot het onderzoek naar de (on)veiligheid van de kinderen (in de thuissituatie bij de vader). Volgens het College had beklaagde hier afdoende onderzoek naar moeten doen en diende hij hierop een conclusie te formuleren in het eindverslag. Dit onder meer gelet op het eerdere huiselijk geweld van de vader richting klaagster, de eerdere Veilig Thuis meldingen in 2013 en 2017 (waarvan beklaagde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht en in het verweerschrift op pagina 9 in de eerste alinea erkenning heeft gegeven), de reden van de melding in mei 2018 door de politie, de geuite zorgen van klaagster, de opgestelde onderzoeksvragen en de wettelijke taken van Veilig Thuis. Het College overweegt in dit verband dat, daar waar Veilig Thuis een onderzoek doet naar een vermoeden van huiselijk geweld en/of kindermishandeling, er op grond van artikel 8.4.8 van het Handelingsprotocol Veilig Thuis slechts drie conclusies mogelijk zijn, welke in het eindverslag dienen te worden vastgelegd. Deze drie conclusies zijn: het vermoeden is weerlegd, het vermoeden is niet bevestigd of het vermoeden is bevestigd. Voorts dient op grond van artikel 8.3.1 van het Handelingsprotocol Veilig Thuis tijdens het onderzoek tenminste de onderzoeksvraag, of sprake is van een vorm van huiselijk geweld of kindermishandeling, beantwoord te worden. Doordat beklaagde een dergelijke conclusie in het eindverslag niet heeft opgenomen en de gestelde onderzoeksvragen onbeantwoord zijn gebleven, heeft beklaagde naar het oordeel van het College in strijd gehandeld met artikelen 8.1, 8.3.1 en 8.4.8 van het Handelingsprotocol Veilig Thuis en artikel K (vermoeden kindermishandeling) van de Beroepscode. Het College acht in dit verband klachtonderdeel V “het niet verdiepen in de situatie” gegrond.
Klachtonderdelen I “het niet objectief opstellen van het eindverslag” en II “het nalatig zijn in het vermelden van informatie” verklaart het College ook gegrond en overweegt hiertoe als volgt. Allereerst is in het eindverslag opgenomen dat er sprake is geweest van huiselijk geweld tussen de ouders, terwijl op grond van artikel 10.2 van het Handelingsprotocol Veilig Thuis verwacht had mogen worden dat feitelijk was opgenomen dat sprake is geweest van huiselijk geweld van de vader richting klaagster. Voorts acht het College het nalatig en niet in lijn met de werkwijze van Veilig Thuis dat eerdere politiecontacten van de vader en de eerdere Veilig Thuis meldingen niet opgenomen zijn in het eindverslag. Dergelijke informatie had volgens het College kunnen bijdragen aan een vollediger, en daarmee objectiever, eindverslag. Temeer omdat over klaagster bijvoorbeeld de volgende passage in het eindverslag is opgenomen “In het verleden, 10 jaar geleden, was u in behandeling omdat er sprake was van een impulscontrole probleem, waarbij woede werd uitgelokt door uw toenmalige partner.” Het College ziet dergelijke passages in het eindverslag over de vader niet terugkomen. Het College concludeert op grond van het vorengaande dat het eindverslag opgesteld is in strijd met artikelen 10.1 en 10.2 van het Handelingsprotocol Veilig Thuis en artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode.

3.2.4

Het College verklaart klachtonderdelen I, III en V gegrond.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Er is geen gehoor gegeven aan de gestelde hulpvraag van klaagster en de kinderen.

Toelichting:
Beklaagde heeft geen gehoor gegeven aan klaagsters kant van het verhaal; wat zij en de kinderen hebben meegemaakt. Klaagster stelt dat er niks met haar noodkreet is gedaan, ook niet gedurende het onderzoek. Zij heeft destijds Veilig Thuis ingeschakeld met als hulpvraag dat zij en de kinderen in een huiselijk geweld situatie zaten. Terwijl klaagster contact heeft opgenomen met Veilig Thuis, heeft beklaagde totaal geen gehoor gegeven aan haar kant van het verhaal. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft klaagster nader toegelicht dat zij reeds op 4 mei 2018 contact gezocht had met Veilig Thuis, omdat zij voor haar veiligheid en die van haar kinderen vreesde. De reactie van Veilig Thuis hierop was dat zij 112 moest bellen indien de situatie uit de hand zou lopen. Klaagster heeft toen expliciet gevraagd of de medewerker van Veilig Thuis de melding in het registratiesysteem kon zetten. De melding blijkt echter kennelijk niet in het registratiesysteem van Veilig Thuis te staan, waardoor het hele verhaal een andere wending heeft gekregen.

3.3.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht nogmaals benadrukt dat in het registratiesysteem van Veilig Thuis het eerste contact van klaagster met Veilig Thuis op 14 mei 2018 staat geregistreerd. De eventuele melding van klaagster van 4 mei 2018 is bij beklaagde niet bekend geweest. Toen klaagster op 14 mei 2018 contact zocht met Veilig Thuis, is zij door een collega van beklaagde naar het Sociaal Team verwezen. De hulpvraag is dan ook adequaat opgepakt. Nadat het traject bij het Sociaal Team vastliep en terugverwezen werd naar Veilig Thuis, geldt dat sprake was van een andere situatie. Naar het oordeel van Veilig Thuis minder nijpend, omdat de ouders uit elkaar waren en niet meer bij elkaar in huis woonden. Beklaagde is geen hulpverlener, maar verricht in zijn functie onderzoek naar de zorgen die zijn gemeld. Indien wordt geconstateerd dat hulp noodzakelijk is, wordt geprobeerd de zorg(en)in kaart te brengen en wordt indien nodig doorverwezen. Zo ook in dit geval. Voor de hulpvraag van klaagster is volgens beklaagde dan ook voldoende aandacht geweest. De zorgen van klaagster zijn serieus genomen en meegewogen in het onderzoek. Klaagster en beklaagde hebben echter een andere visie over wat noodzakelijk en wenselijk is voor de kinderen. Klaagster is van mening dat de veiligheid van de kinderen in het geding kwam door het contact met de vader, terwijl Veilig Thuis van mening was dat de situatie voor de kinderen veilig was mits de vader zich aan de gestelde voorwaarden zou houden.

3.3.3

Het College overweegt als volgt:
Voorop gesteld wordt dat het voor het College niet vast te stellen is of klaagster al dan niet op 4 mei 2018 contact heeft gehad met Veilig Thuis, nu slechts de aantekening in het registratiesysteem van 14 mei 2018 is overgelegd. Vaststaat dat beklaagde vanaf 25 juli 2018 het onderzoek namens Veilig Thuis heeft uitgevoerd. Het valt beklaagde dan ook niet tuchtrechtelijk te verwijten dat de al dan niet eerder gedane melding niet in het systeem van Veilig Thuis is geregistreerd en dat er met de hulpvraag van klaagster niets gedaan zou zijn. Nu het verwijt ziet op de periode voorafgaand aan de betrokkenheid van beklaagde, wordt klaagster niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel verklaard.
Daar waar beklaagde in dit klachtonderdeel wordt verweten dat beklaagde gedurende het onderzoek geen gehoor heeft gegeven aan de gestelde hulpvraag van klaagster, wordt verwezen naar het oordeel ten aanzien van klachtonderdeel V (“Het niet verdiepen in de situatie”). Het College laat dit verwijt in dit klachtonderdeel buiten beschouwing omdat hierover reeds geoordeeld is.

3.3.4

Het College verklaart klaagster niet-ontvankelijk in het klachtonderdeel.

3.4 Klachtonderdeel IV

3.4.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Een eigen visie, mening of doel willen bereiken, namelijk het realiseren van omgang tussen de vader en de kinderen.

Toelichting:
Beklaagde heeft slechts als doel gehad dat de omgang tussen de vader en de kinderen gerealiseerd zou worden. Beklaagde heeft hierbij niet gekeken naar de veiligheid van klaagster en de kinderen. In de conclusie van het eindverslag is het volgende opgenomen: “Volgens de Nederlandse wet hebben jullie als gezaghebbende ouders evenveel rechten en plichten. Veilig Thuis vindt dat vader, 1x per twee weken, zijn kinderen een weekend kan zien, mits hij veilig handelt naar de kinderen en geen alcohol gebruikt in hun bijzijn.

3.4.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
De zorgen van klaagster zijn voldoende duidelijk omschreven en het veiligheidsaspect is meegenomen in de conclusie van het eindverslag. Zo staat bijvoorbeeld vermeld dat klaagster het onvoldoende veilig vindt dat de kinderen een weekend bij de vader verblijven, vanwege zijn reactie op de kinderen, zeker in combinatie met alcoholgebruik. Veilig Thuis is echter van mening dat de veiligheid van de kinderen niet in gevaar is indien wordt voldaan aan de minimale eisen om de veiligheid te bereiken die in het eindverslag staan vermeld. Het eindverslag is daarnaast tot stand gekomen na bespreking van de onderzoeksgegevens in multidisciplinair overleg. Tevens is de vader verplicht gesteld persoonlijke hulpverlening te aanvaarden en klaagster is geadviseerd hetzelfde te doen. Tot slot is de voorwaarde gesteld dat beide ouders ondersteund worden door een professional van het Jeugdteam/Sociaal Team op het onderwerp scheiding en omgang. Doel hierbij was rust creëren rondom de kinderen. Wanneer beide ouders uitvoering zouden geven aan de gestelde voorwaarden was naar het oordeel van Veilig Thuis geen sprake van een onveilige situatie voor de kinderen. Hierover bestaat dus een verschil van visie tussen klaagster en beklaagde. Klaagster wil haar kinderen beschermen door de omgang tussen de vader en de kinderen in te perken, terwijl beklaagde deze opstelling van klaagster als een zorg ziet, mits de vader veilig handelt.

3.4.3

Het College overweegt als volgt:
Voor wat betreft het verwijt dat beklaagde slechts de omgang tussen de vader en de kinderen heeft willen realiseren, zonder daarbij te kijken naar de veiligheid van de kinderen, overweegt het College als volgt. Zoals reeds onder 3.2.3 van deze beslissing overwogen is, is beklaagde in het eindverslag voorbij gegaan aan het beantwoorden van de opgestelde onderzoeksvragen en aan het concluderen of sprake is van een vorm van huiselijk geweld of kindermishandeling. Hetgeen het College in strijd heeft geacht met artikelen 8.3.1 en 8.4.8 van het Handelingsprotocol Veilig Thuis. Daarentegen leest het College in de conclusie van het eindverslag dat uitgebreid en stellig (zie in dit verband klachtonderdeel VIII) stilgestaan wordt bij het uitbreiden van de omgang tussen de vader en de kinderen, waarvan een deel van deze conclusie onder de toelichting op de klacht van klaagster onder 3.4.1 van deze beslissing is opgenomen. Het College acht deze conclusie – waarin het uitbreiden van de omgang tussen de vader en de kinderen als een verplichting wordt omschreven – niet in lijn met de wettelijke taken en bevoegdheden van Veilig Thuis. Dat beklaagde een dergelijke conclusie in het verslag heeft opgenomen en daarmee de grenzen van zijn expertise als Veilig Thuis medewerker onvoldoende (h)erkend heeft, acht het College een schending van artikel O (beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode.
Ten overvloede merkt het College nog het volgende op voor wat betreft de geformuleerde minimale eisen. Indien het kennelijk noodzakelijk wordt geacht minimale eisen op te stellen voor het tot stand laten komen van veilige omgang tussen de vader en de kinderen, kan de algemene voorwaarde “mits [de vader] veilig handelt naar de kinderen” op logische gronden niet gelden als voorwaarde om veiligheid voor de kinderen te bereiken.

3.4.4

Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

3.5 Klachtonderdeel VI

3.5.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Doorspelen van vertrouwelijke informatie.

Toelichting:
Uit een brief van de advocaat van de vader blijkt dat aan de advocaat vertrouwelijke informatie is verstrekt. Tevens heeft de vader klaagster via WhatsApp laten weten dat hij op de hoogte was van het vertrouwelijke e-mailbericht van 27 september 2018 dat klaagster aan Veilig Thuis toegestuurd had. Deze informatieverstrekking is buiten klaagster omgegaan.

3.5.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde betwist nadrukkelijk dat hij vertrouwelijke informatie gedeeld heeft met de vader en zijn advocaat. In de brief van de advocaat van 19 oktober 2018, waarnaar klaagster verwijst, is het volgende opgenomen: “Cliënt deelde mij mede dat ook Veilig Thuis van mening is dat de contactregeling kan worden uitgebreid naar een gebruikelijke weekendregeling. Cliënt heeft aan mij medegedeeld dat [beklaagde] van Veilig Thuis dit nog schriftelijk zal bevestigen”. Dit betreft echter geen nieuwe informatie, het was immers met klaagster en de vader besproken tijdens het eindgesprek bij Veilig Thuis op 20 september 2018. De vader heeft deze informatie, die bij klaagster ook bekend was, zelf met zijn advocaat gedeeld.
Voor wat betreft het WhatsAppbericht van de vader wordt het zeer waarschijnlijk geacht dat hij doelt op het ontvangen eindverslag van Veilig Thuis. Handgeschreven staat bij het WhatsAppbericht 19 oktober 2018, hetgeen kan kloppen omdat het eindverslag op 18 oktober 2018 aan de vader (en naar een onjuist adres van klaagster) is verzonden. De ouders hebben hetzelfde eindverslag ontvangen, op informatie van de huisarts van klaagster na. Voor het overige zijn de eindverslagen gelijk en beide ouders beschikken dan ook over dezelfde informatie.
Behalve tijdens het eindgesprek, waarbij zowel klaagster als de vader aanwezig waren, en het eindverslag, is vanuit beklaagde en/of Veilig Thuis geen informatie verspreid aan de vader en/of zijn advocaat. Beklaagde betwist nadrukkelijk dat hij met de vader heeft gesproken over het e-mailbericht van 27 september 2018.

3.5.3

Het College overweegt als volgt:
Het College kan niet vaststellen of beklaagde al dan niet vertrouwelijke informatie met de vader dan wel met zijn advocaat gedeeld heeft. Uit de overgelegde brief van de advocaat van de vader van 19 oktober 2018 kan slechts wordt afgeleid dat de advocaat op de hoogte is van de conclusie van het onderzoek van Veilig Thuis. Het staat de vader vrij om dergelijke informatie met zijn advocaat te delen en te bespreken. Uit de overgelegde brief blijkt niet dat beklaagde op enige wijze vertrouwelijke informatie met de advocaat gedeeld heeft. Ook het verwijt dat beklaagde het e-mailbericht van klaagster van 27 september 2018 met de vader gedeeld zou hebben, kan door het College niet worden vastgesteld. Het door klaagster overgelegde Whatsappbericht van de vader (‘jij stuurt mails om mij kapot te maken waarom [klaagster]’) acht het College onvoldoende ter onderbouwing van dit standpunt. Daarnaast heeft beklaagde gemotiveerd betwist dat hij met de vader en de advocaat vertrouwelijke informatie gedeeld heeft.

3.5.4

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.6 Klachtonderdeel VII

3.6.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Het doen van aannames.

Toelichting:
Beklaagde heeft tegen klaagster gezegd “dat er bij [de kinderen] een kop op zit”. Beklaagde heeft de kinderen echter nooit ontmoet. Volgens klaagster heeft beklaagde deze uitspraak van de vader overgenomen.

3.6.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Het bevreemdt beklaagde dat klaagster problemen ervaart met de door hem aangehaalde opmerking. Klaagster heeft deze opmerking zelf in een telefoongesprek met de gedragswetenschapper van Veilig Thuis gebruikt. De gedragswetenschapper heeft beklaagde op de hoogte gesteld van het telefoongesprek. Beklaagde heeft de uitspraak gebruikt om aan te sluiten bij de ouders. Beklaagde betreurt het dat dit bij klaagster kennelijk niet in goede aarde is gevallen. Mogelijk had de opmerking anders geformuleerd kunnen worden, maar van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake.

3.6.3

Het College overweegt als volgt:
Het College acht een dergelijke woordkeuze geen reden om te spreken van een tuchtrechtelijk verwijt aan de zijde van beklaagde. Overigens houden beide partijen er een andere lezing op na over van wie beklaagde de uitdrukking overgenomen heeft.

3.6.4

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.7 Klachtonderdeel VIII

3.7.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Klaagster betichten van ernstige zaken.

Toelichting:
Beklaagde heeft, onder verwijzing naar het Burgerlijk Wetboek, klaagster verweten dat zij de kinderen mishandelt en aan oudervervreemding doet. Klaagster vindt dit zeer ernstige zaken. In de conclusie van het eindverslag is hierover het volgende opgenomen: “Op het moment dat de frequentie van het contact tussen vader en zijn kinderen niet op korte termijn wordt verhoogd terwijl vader niet onveilig is voor de kinderen, vindt Veilig Thuis dat u meewerkt aan oudervervreemding. Veilig Thuis vindt dit een vorm van kindermishandeling. (…) Voor u, [klaagster], adviseert Veilig Thuis om na de scheiding met vader samen tot een evenwichtige opvoeding van de kinderen te komen. Daarnaast vinden wij het van belang aan te geven dat u [dochter] op een andere manier leert begrenzen dan het geven van een tik.”
Met betrekking tot het verwijt van kindermishandeling stelt klaagster het volgende. Een van de dochters heeft in een gesprek met de gedragswetenschapper van Veilig Thuis verteld dat klaagster de andere dochter wel eens een tik heeft gegeven. Dit is volledig uit het verband gerukt en klaagster is in een telefoongesprek terechtgewezen op het Burgerlijk Wetboek waarin vermeld staat dat je je kinderen niet mag slaan. Hetgeen klaagster uiteraard weet en volgens haar ook helemaal niet aan de orde is. Klaagster is nooit naar haar kant van het verhaal gevraagd. De manier waarop dit wordt weggezet op papier is zeer kwetsend.
Wat betreft het verwijt van oudervervreemding voert klaagster het volgende aan. Klaagster dacht in eerste instantie dat de definitie oudervervreemding inhield dat een kind zich, bij een lage omgangsfrequentie, enigszins zou vervreemden van de ouder. Na enig onderzoek blijkt dat de term oudervervreemding heel wat anders inhoudt, hetgeen nog kwetsender overkomt. Dit geeft een duidelijk beeld van hoe klaagster als moeder wordt weggezet.

3.7.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde heeft klaagster niet beticht van kindermishandeling en oudervervreemding. In de hiervoor beschreven passage staat vermeld: “Op het moment dat”. Beklaagde is aldus niet van mening dat bij klaagster sprake is van voormelde zaken, er wordt slechts op gewezen dat oudervervreemding dient te worden voorkomen. Ook wordt gewezen op de eventuele consequenties die kunnen voortvloeien uit het niet meewerken aan een omgangsregeling of aanwijzingen die noodzakelijk zijn om tot een veilige situatie van de kinderen te komen. Beklaagde realiseert zich dat hij de formulering wellicht op een minder zakelijke toon had kunnen formuleren. Desondanks staat beklaagde achter de bevindingen en conclusies die in het eindverslag staan vermeld. Hij heeft gewerkt conform de werkwijze van Veilig Thuis en heeft zijn handelen meerdere keren multidisciplinair getoetst.

3.7.3

Het College overweegt als volgt:
Voor wat betreft het handelen van beklaagde rondom de verklaring van de oudste dochter dat klaagster de jongste dochter een tik zou hebben gegeven, overweegt het College als volgt. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht desgevraagd kenbaar gemaakt dat het voor hem duidelijk was dat de gegeven tik een eenmalig incident betrof. In dit verband acht het College het daaropvolgende handelen van beklaagde onvoldoende professioneel. Zowel de door beklaagde erkende telefonische verwijzing naar het Burgerlijk Wetboek als hoe de verklaring is omschreven in het eindverslag acht het College niet in verhouding staan tot het kennelijke incident. De passage in het eindverslag rondom de al dan niet vermeende oudervervreemding acht het College ook onvoldoende professioneel. Het College overweegt dat het niet aan Veilig Thuis is om te beoordelen of een (verminderde) vorm van omgang al dan niet leidt tot oudervervreemding. Afgezien van de vraag of in deze casus een causaal verband is op te maken tussen de omgangsregeling en oudervervreemding, acht het College de wijze waarop de passage in het eindverslag is geformuleerd stellig en ongepast. Het College is van oordeel dat beklaagde rondom de verklaring van de oudste dochter en met de genoemde passages rondom de omgang richting klaagster in strijd gehandeld heeft met artikel E (respect) van de Beroepscode.

3.7.4

Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

3.8 Conclusie

3.8.1

Het College concludeert dat beklaagde met betrekking tot klachtonderdelen I, III, IV, V en VIII tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Beklaagde heeft gedurende het onderzoek van Veilig Thuis de onderzoeksvragen uit het plan van aanpak en daarmee de overstijgende onderzoeksvraag, of sprake is van een vorm van huiselijk geweld of kindermishandeling, onbeantwoord gelaten. Het opgestelde eindverslag is niet voldoende objectief opgesteld door beklaagde en er ontbreekt noodzakelijke informatie in het eindverslag. Voorts is de opgenomen conclusie in het eindverslag – waarin het uitbreiden van de omgang tussen de vader en de kinderen als een verplichting wordt omschreven – niet in lijn met de wettelijke taken en bevoegdheden van Veilig Thuis. Tot slot heeft beklaagde onvoldoende professioneel gehandeld rondom een verklaring van de oudste dochter, de opgenomen passage hierover in het eindverslag en een opgenomen passage over oudervervreemding (in relatie tot de omgang tussen de vader en de kinderen). Beklaagde heeft volgens het College in strijd gehandeld met artikelen 8.1, 8.3.1, 8.4.8, 10.1 en 10.2 van het Handelingsprotocol Veilig Thuis en artikelen A (jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), E (respect), K (vermoeden kindermishandeling) en O (beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode.

3.8.2

Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid en de op te leggen maatregel overweegt het College dat beklaagde op een aantal punten tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft, maar dat het verwijtbare handelen op één onderzoek van toepassing is waarmee het een beperkte periode en omvang betreft. Ook heeft beklaagde in zijn verweer en tijdens de mondelinge behandeling van de klacht gereflecteerd op zijn handelen en erkend dat hij in navolgende gevallen bepaalde punten anders zou aanpakken. Het College houdt tevens rekening met het gegeven dat beklaagde gedurende het onderzoek zijn handelen meermaals multidisciplinair heeft laten toetsen. Dit geldt eveneens voor zijn opgestelde eindverslag. In de onderhavige casus is het College van oordeel dat beklaagde gedurende het onderzoek (in multidisciplinair overleg) onvoldoende is bijgestuurd door zijn collega’s en dat bepaalde passages in het eindverslag onvoldoende gecorrigeerd zijn. Het College wil beklaagde in dit kader evenwel wijzen op de eigen verantwoordelijkheid van een geregistreerd jeugdprofessional. Gelet op de genoemde omstandigheden acht het College het passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van waarschuwing op te leggen.

3.8.3

Het College wil beklaagde ten overvloede erop wijzen dat informatie zoals opgenomen in documentatie, afkomstig van een hulpverlener of hulpverlenende instantie, langdurige en mogelijk ernstige gevolgen voor betrokkenen kunnen hebben. Het is belangrijk dat een jeugdprofessional zich hiervan bewust is en mede met het oog hierop informatie over (een) cliënte(n) zorgvuldig documenteert c.q. doorgeeft aan andere instanties. Middels dit oordeel hieromtrent beoogt het College bij te dragen aan een verdere bewustwording hierover, ook binnen de beroepsgroep.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klaagster niet-ontvankelijk in klachtonderdeel II;
– verklaart klachtonderdelen I, III, IV, V en VIII gegrond;
– verklaart klachtonderdelen VI en VII ongegrond;
– legt aan beklaagde op de maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College en op 22 mei 2019 aan partijen toegezonden.

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris